Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4342

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-10-2018
Datum publicatie
24-10-2018
Zaaknummer
20-004062-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Vrijspraak van laster dan wel smaad, zoals primair aan de verdachte ten laste is gelegd. Bewezenverklaring van het subsidiair tenlastegelegde feit, te weten belediging. Veroordeling tot een voorwaardelijke geldboete van € 200,00 subsidiair 4 dagen hechtenis met een proeftijd van 2 jaren.

Het Hof is van oordeel dat de bewoordingen in de tenlastelegging van het Openbaar Ministerie niet kunnen worden aangemerkt als op zodanige wijze tenlastegelegde feiten, dat deze één of meer duidelijke te onderkennen concrete gedragingen van aangever aanwijzen. De beschuldiging is aldus onvoldoende geconcretiseerd om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het delictsbestanddeel ‘door telastlegging van een bepaald feit’ als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht.

De in de brieven genoemde bewoordingen zijn onnodig grievend en leveren 'belediging' op in de zin der wet, zoals subsidiair aan de verdachte ten laste is gelegd. De exceptie van artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 261
Wetboek van Strafrecht 266
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-004062-17

Uitspraak : 24 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Limburg, zitting houdende te Roermond, van 15 december 2017 in de strafzaak met parketnummer 03-015497-17 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum in het jaar] 1939,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van ‘laster, meermalen gepleegd’ veroordeeld tot een geldboete van € 1.000,00 subsidiair 20 dagen hechtenis voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. De politierechter heeft de vorderingen van de benadeelde partijen [aangever] en [partner aangever] afgewezen, onder verwijzing van de benadeelde partijen in de proceskosten.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Omvang van het hoger beroep

De vordering van de benadeelde partij [partner aangever] is bij het vonnis waarvan beroep afgewezen. De door haar gestelde schade hangt samen met dat deel van het impliciet cumulatief ten laste gelegde waarvan de verdachte in eerste aanleg is vrijgesproken en dat in hoger beroep moet worden aangemerkt als een beschermde vrijspraak. Zoals hierna zal worden overwogen, kan de verdachte niet in zijn hoger beroep worden ontvangen voor zover dat is gericht tegen deze partiële vrijspraakbeslissing van de politierechter, betrekking hebbende op de brief d.d. 13 maart 2016. Gelet hierop is de vordering van de benadeelde partij [partner aangever] in hoger beroep niet aan de orde.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen, met dien verstande dat de verdachte in de visie van het Openbaar Ministerie door het hof verminderd toerekeningsvatbaar dient te worden verklaard.

De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Met betrekking tot de vordering van de benadeelde partij [aangever] heeft de verdediging geconcludeerd tot afwijzing.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de verdachte is onbeperkt ingesteld en richt zich aldus mede tegen de partiële vrijspraak door de politierechter van hetgeen na het eerste gedachtestreepje in de impliciet cumulatief opgestelde tenlastelegging is opgenomen, namelijk: ‘een brief aan voornoemde [aangever] en/of gemeente Maasgouw, daar aangekomen d.d. 3 maart 2016, met daarin geschreven: ‘U bent niet alleen een wolf in schaapskleren, maar ook nog een oplichter om uw vrouw aan te sporen stukken op te vragen waarmee zij niets te maken heeft. Uw vrouw kun je vergelijken met een heler en u bent de dief die de gelden van de belastingbetaler incasseert’. Het hof is met de advocaat-generaal en de verdediging van oordeel dat deze partiële vrijspraak als een beschermde vrijspraak moet worden beschouwd.

Ingevolge het bepaalde in artikel 404, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte geen hoger beroep open tegen het vonnis voor zover hij van het ten laste gelegde is vrijgesproken.

Het hof zal de verdachte daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep, voor zover dat tegen de beschermde vrijspraak is gericht.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is, voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep, ten laste gelegd dat:

hij in de periode van 3 maart 2016 tot en met 14 maart 2016 in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, opzettelijk de eer en/of goede naam van [aangever] en/of [onderneming aangever] heeft aangerand door telastlegging van een bepaald feit, met het kennelijke doel om daaraan ruchtbaarheid te geven, door middel van het versturen van een geschrift, te weten

- een brief aan de gemeente Maasgouw, daar aangekomen d.d. 4 maart 2016, ‘inzake onrechtmatige rechtshulp corruptie en machtsmisbruik’ met daarin het volgende geschreven: ‘hoe mr. drs. [aangever] mij als slaaf heeft behandeld. Waardoor deze wolf in schaapskleren de strafbare feiten opzettelijk aan zijn laars heeft gelapt en tot heden niet zijn verjaard. Deze oplichter moet als raadslid in de gemeente Maasgouw zo spoedig mogelijk worden afgezet’; - een brief aan de gemeente Maasgouw, daar aangekomen d.d. 10 maart 2016, met daarin geschreven: ‘voor de goede orde laat ik u ook de brief van heden 10 maart aan deze machtswellustige en corrupte VVD ambtenaar toekomen en thuis hoort achter de tralies’, terwijl verdachte wist dat een of meer door hem ten laste gelegde feiten in strijd met de waarheid was/waren;

subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:


hij in de periode van 3 maart 2016 tot en met 14 maart 2016 in de gemeente Echt-Susteren, althans in Nederland, opzettelijk een of meerdere perso(o)n(en) en/of rechtspersoon genaamd [aangever] en/of [onderneming aangever] , in het openbaar bij geschrift heeft beledigd, door opzettelijk
- een brief aan de gemeente Maasgouw, daar aangekomen omstreeks d.d. 4 maart 2016 ‘inzake onrechtmatige rechtshulp corruptie en machtsmisbruik’ te verspreiden met daarin het volgende geschreven: ‘hoe mr. drs. [aangever] mij als slaaf heeft behandeld. Waardoor deze wolf in schaapskleren de strafbare feiten opzettelijk aan zijn laars heeft gelapt en tot heden niet zijn verjaard. Deze oplichter moet als raadslid in de gemeente Maasgouw zo spoedig mogelijk worden afgezet’;
- een brief aan voornoemde [aangever] en/of de gemeente Maasgouw, daar aangekomen omstreeks d.d. 10 maart 2016, te verspreiden met daarin geschreven: ‘deze machtswellustige en corrupte VVD ambtenaar’.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak primair ten laste gelegde

De verdachte staat ingevolge hetgeen primair aan hem ten laste is gelegd terecht ter zake van smaad dan wel laster. Het hof ziet zich bij de beoordeling of de verdachte zich daaraan schuldig heeft gemaakt mede voor de vraag gesteld of wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte met het versturen van de brieven opzettelijk de eer en/of goede naam van de in de tenlastelegging genoemde personen heeft aangerand ‘door telastlegging van een bepaald feit’. In dat verband overweegt het hof als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat sprake is van tenlastelegging van een ‘bepaald feit’ in de zin der wet indien het feit op een zodanige wijze door de verdachte is tenlastegelegd dat het een duidelijk te onderkennen concrete gedraging aanwijst tegen één of meer aanwijsbare personen. Daarvan is bijvoorbeeld geen sprake indien het ‘feit’ niet het gedrag van de betrokkene betreft maar een eigenschap die hem wordt toegedicht en evenmin, zo het wel gaat om diens gedrag, indien dat gedrag slechts in algemene termen wordt geduid en derhalve niet wordt toegespitst op een voldoende geconcretiseerde gedraging.

Het Openbaar Ministerie heeft de ‘bepaalde feiten’ waarvan de verdachte aangever [aangever] heeft beschuldigd in de tenlastelegging als volgt feitelijk omschreven. In de brief van 4 maart 2016 rept de verdachte over [aangever] dat hij een ‘oplichter’ is. In de brief van 10 maart 2016 betitelt de verdachte [aangever] als een ‘machtwellustige’ en ‘corrupte’ ambtenaar.

Het hof is van oordeel dat de bewoordingen in de tenlastelegging van het Openbaar Ministerie niet kunnen worden aangemerkt als op zodanige wijze tenlastegelegde feiten, dat deze één of meer duidelijke te onderkennen concrete gedragingen van [aangever] aanwijzen. De beschuldiging is aldus onvoldoende geconcretiseerd om tot een bewezenverklaring te kunnen komen van het delictsbestanddeel ‘door telastlegging van een bepaald feit’ als bedoeld in artikel 261 van het Wetboek van Strafrecht.

Het vorenoverwogene leidt ertoe dat het hof de verdachte zal vrijspreken van smaad dan wel laster, zoals primair aan hem bij dagvaarding ten laste is gelegd.

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep, op de gronden zoals nader in de pleitnota verwoord, een beroep gedaan op de bijzondere exceptie van artikel 261, derde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De verdachte heeft volgens de raadsman immers de brieven geschreven en toegezonden aan de gemeente Maasgouw omdat hij het misbruik van de Wet openbaarheid van bestuur door [aangever] aan de kaak wilde stellen. Daargelaten dat uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen dat ook een zakelijk geschil tussen de verdachte en [aangever] aan het handelen van de verdachte ten grondslag heeft gelegen, behoeft het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging, gelet op voormelde conclusie met betrekking tot het primair ten laste gelegde, geen bespreking meer.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 3 maart 2016 tot en met 14 maart 2016 in de gemeente Echt-Susteren, opzettelijk een persoon, genaamd [aangever] , in het openbaar bij geschrift heeft beledigd, door opzettelijk
- een brief aan de gemeente Maasgouw, daar aangekomen omstreeks d.d. 4 maart 2016 ‘inzake onrechtmatige rechtshulp corruptie en machtsmisbruik’ te verspreiden met daarin het volgende geschreven: ‘hoe mr. drs. [aangever] mij als slaaf heeft behandeld. Waardoor deze wolf in schaapskleren de strafbare feiten opzettelijk aan zijn laars heeft gelapt en tot heden niet zijn verjaard. Deze oplichter moet als raadslid in de gemeente Maasgouw zo spoedig mogelijk worden afgezet’;
- een brief aan voornoemde [aangever] en/of gemeente Maasgouw, daar aangekomen omstreeks d.d. 10 maart 2016, te verspreiden met daarin geschreven: ‘deze machtswellustige en corrupte VVD ambtenaar’.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De door de verdachte in zijn brieven van 4 en 10 maart 2016 gebezigde bewoordingen ‘oplichter’ en ‘machtwellustige en corrupte ambtenaar’ zijn op zichzelf geschikt om iemands waardigheid aan te randen, dan wel hebben zij in het maatschappelijk verkeer die strekking.

De context waarin deze uitlatingen in casu zijn gedaan neemt het beledigende karakter van die bewoordingen niet weg. De verdediging heeft in dit verband naar voren gebracht dat het handelen van de verdachte met name was ingegeven om de door [aangever] begane misstanden met onnodige verzoeken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur onder de aandacht te brengen en zo het algemeen belang te dienen. Het hof is evenwel van oordeel dat die intentie slechts naar voren komt uit de brief van 3 maart 2016. Van dat deel van de tenlastelegging is de verdachte dan ook door de politierechter vrijgesproken.


De brieven van 4 en 10 maart 2016 hebben blijkens hun inhoud met name betrekking op het zakelijk geschil tussen de verdachte en [aangever] over verleende juridische diensten. Aldus kan redelijkerwijs geen andere conclusie worden getrokken dan dat het handelen van de verdachte door dat persoonlijke conflict was ingegeven en niet – zoals de verdediging heeft gesteld – dat verdachte met de brieven van 4 en 10 maart 2016 slechts het algemeen belang wilde dienen door de door [aangever] begane onrechtmatige praktijken in het kader van de Wet openbaarheid van bestuur aan de kaak te stellen. Het hof is dan ook van oordeel dat het versturen van deze brieven aan de raad en het college van burgemeester en wethouders van Maasgouw er niet toe strekte om een oordeel te geven over de behartiging van openbare belangen als bedoeld in artikel 266, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht. Nu de beledigende uitingen door de verdachte er bovendien op waren gericht om [aangever] in een ander opzicht te grieven – namelijk in het kader van het persoonlijke conflict tussen de verdachte en [aangever] –, kan van een uitsluiting van strafbaarheid geen sprake zijn.

Het hof is derhalve van oordeel dat de bewoordingen in genoemde brieven onnodig grievend zijn en ‘belediging’ opleveren in de zin der wet. Resumerend acht het hof, op grond van hetgeen hiervoor is overwogen en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

eenvoudige belediging, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Het hof heeft bij de beoordeling van de strafbaarheid van de verdachte acht geslagen op de inhoud van het in de onderhavige zaak uitgebrachte Pro Justitia-rapport d.d. 23 augustus 2017 van psycholoog drs. [psycholoog] . Dit rapport houdt als conclusies en advies van deze deskundige het volgende in:

“Betrokkene is geobsedeerd c.q. gepreoccupeerd door zijn strijd tegen het onrecht, die megalomaan (hypomaan) overkomt. Er is sprake van paranoïde ideeën die de kwaliteit van een waan hebben, er zijn betrekkingsideeën en er is irreële zelfoverschatting. De realiteitstoetsing is verstoord. (…) Voortvloeiend uit de waanstoornis ziet betrokkene onrecht, is hij achterdochtig en wil hij strijden tegen al het persoonlijke en maatschappelijke onrecht in het belang van heel Nederland en daarbuiten. Dat is zijn levensdoel c.q. zijn levenswerk geworden. Hij ervoer de hoogte van de factuur die hij ontving van aangever als onrechtvaardig en trok ten strijde, met de middelen die hij zag. (…) Betrokkene werd beïnvloed in zijn denken, voelen en handelen door de waan, maar niet zodanig dat hij de onrechtmatigheid van zijn handelen niet in kon zien. Ondergetekende adviseert betrokkene het tenlastegelegde verminderd toe te rekenen indien en voor zover het bewezen wordt geacht.”

Het hof neemt deze conclusie over en maakt die tot de zijne. De verdachte is aldus verminderd toerekeningsvatbaar ten aanzien van het bewezenverklaarde feit.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor hetgeen te zijnen laste bewezen is verklaard.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan belediging, meermalen gepleegd. De verdachte had met [aangever] een zakelijk conflict over door [aangever] aan de verdachte verleende juridische diensten. Meer specifiek zag dat geschil op een (in de ogen van verdachte) onterecht hoog factuurbedrag en het feit dat [aangever] zich voordeed als strafrechtadvocaat, terwijl hij niet als zodanig op het tableau stond ingeschreven. Met name dit geschil heeft de verdachte ertoe gebracht de twee brieven van 4 en 10 maart 2016 te schrijven en vervolgens te versturen aan de raad en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw. Hoewel het recht op vrijheid van meningsuiting de verdachte de mogelijkheid biedt zijn mening over dit conflict kenbaar te maken, wordt die vrijheid begrensd door de wet. De verdachte heeft die grens in het onderhavige geval overschreden, doordat hij in de brieven onnodig grievende bewoordingen heeft gebruikt. Daarmee heeft hij aangever [aangever] in het openbaar beledigd.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 13 augustus 2018, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij niet eerder onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld.

Voorts heeft het hof gelet op het genoemde Pro Justitia-rapport en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de verdachte naar voren gebracht dat hij alleenstaand is, een AOW-uitkering geniet, veel procedures voert om onrecht te bestrijden en het voornemen heeft om op enig moment zijn stomerij weer op te starten.

Alles afwegende acht het hof, mede in aanmerking genomen dat het bewezen verklaarde verminderd aan de verdachte kan worden toegerekend, oplegging van een geldboete ter hoogte van € 200,00 subsidiair 4 dagen hechtenis, geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. Bij de vaststelling van de hoogte van voormelde geldboete heeft het hof rekening gehouden met de financiële draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.

Met oplegging van deze voorwaardelijke straf wordt enerzijds de ernst van het bewezen verklaarde tot uitdrukking gebracht en wordt anderzijds de strafoplegging dienstbaar gemaakt aan het voorkomen van nieuwe strafbare feiten.

Vordering van de benadeelde partij [aangever]

De benadeelde partij [aangever] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot vergoeding van een bedrag van € 1.100,00, te vermeerderen met de wettelijke rente. De vordering valt uiteen in een bedrag van € 750,00 aan gederfd uurloon als gevolg van het doen van aangifte (post I) en een bedrag van € 350,00 aan smartengeld (post II).

De politierechter heeft de vordering bij het vonnis waarvan beroep afgewezen.

De benadeelde partij heeft te kennen gegeven de gehele vordering in hoger beroep te handhaven.

De raadsman van de verdachte heeft de vordering tot schadevergoeding betwist en geconcludeerd tot afwijzing.

Naar het oordeel van het hof is de vordering tot schadevergoeding onvoldoende onderbouwd om thans vast te kunnen stellen of deze al dan niet voor toewijzing gereed ligt. Een nader onderzoek naar de omstandigheid of sprake is van materiële en/of immateriële schade, opgetreden als rechtstreeks gevolg van het bewezenverklaarde handelen van de verdachte, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. Daarbij komt dat de vordering is betwist.

Mitsdien zal het hof de benadeelde partij in de vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk verklaren en bepalen dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Gelet op het voorgaande ziet het hof termen aanwezig om de proceskosten te compenseren in dier voege dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 14a, 14b, 14c, 23, 24, 24c, 57 en 266 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de vrijspraak van het eerste impliciet cumulatief ten laste gelegde, betrekking hebbende op de brief d.d. 3 maart 2016;

vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet in zoverre opnieuw recht:

verklaart niet bewezen dat de verdachte het primair ten laste gelegde heeft begaan en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het subsidiair ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een geldboete van € 200,00 (tweehonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 4 (vier) dagen hechtenis;

bepaalt dat de geldboete niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 (twee) jaren aan een strafbaar feit schuldig heeft gemaakt;

verklaart de benadeelde partij [aangever] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding en bepaalt dat de benadeelde partij de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen;

bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door:

mr. E.N. van der Spoel, voorzitter,

mr. K. van der Meijde en mr. B. Stapert, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 24 oktober 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.