Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4306

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
200.222.440_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:2577
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Europees civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verzettermijn. Artikel 81 (oud) Rv. Verzet te laat ingesteld. Geen sprake van strijd met artikel 6 EVRM.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 81
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden 6
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/594
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.222.440/01

arrest van 16 oktober 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. G.W. Boogaard te Leerdam,

tegen

[portfolio holding ltd] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] , kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. H. Post te Helmond,

op het bij exploot van dagvaarding van 13 juli 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 19 april 2017, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellant] als opposant en [geïntimeerde] als geopposeerde sub 2.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer / rolnummer C/01/311069 / HA ZA 16-513)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het in dezelfde zaak door de kantonrechter in de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen vonnis van 21 juli 2016 (zaakno.: 4951348 / CV EXPL 16-3910).

Deze vonnissen zijn gewezen in een verzetprocedure. Aan die verzetprocedure is een verstekprocedure voorafgegaan waarin de rechtbank ’s-Hertogenbosch op 10 januari 1997 eindvonnis heeft gewezen onder rolnummer 96/1618.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met het procesdossier van de eerste aanleg.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3. De beoordeling

3.1.

De rechtbank heeft in het vonnis waarvan beroep niet vastgesteld van welke feiten in deze zaak moet worden uitgegaan. Het hof zal allereerst vaststellen van welke feiten bij de beoordeling van dit geschil kan worden uitgegaan omdat die feiten enerzijds zijn gesteld en anderzijds erkend of niet voldoende gemotiveerd zijn bestreden.

3.1.1.

De rechtsvoorgangster van [geïntimeerde] , Crediet Maatschappij “ [crediet maatschappij] ” B.V. (verder te noemen: [crediet maatschappij] ) heeft op 2 juli 1993 aan [appellant] een geldlening voor een bedrag van

fl. 15.000,- (thans: € 6.807,-) verstrekt.

3.1.2.

Bij verstekvonnis van 10 januari 1997 is [appellant] op vordering van [crediet maatschappij] uitvoerbaar bij voorraad veroordeeld om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [crediet maatschappij] te betalen een bedrag van fl. 9.865,28 (thans: € 4.476,67) vermeerderd met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 17 januari 1995 tot aan de dag der voldoening. [appellant] is verder veroordeeld in de proceskosten.

3.1.3.

Het verstekvonnis is op 24 januari 1997 aan [appellant] betekend door achterlating bij envelop door de gerechtsdeurwaarder.

3.1.4.

Naar aanleiding van door [crediet maatschappij] ten laste van de inmiddels overleden echtgenote van [appellant] onder de vereniging E.T.K.B. gelegd derdenbeslag is door die vereniging in elk geval € 2.384,51 betaald.

3.1.5.

Het proces-verbaal van voornoemd executoriaal derdenbeslag is op 19 augustus 1997 aan [appellant] betekend door achterlating bij envelop door de gerechtsdeurwaarder.

3.1.6.

Bij akte van cessie van 30 oktober 2013 (productie 1 bij conclusie van antwoord in oppositie) heeft [crediet maatschappij] haar vordering op [appellant] verkocht en overgedragen aan [geïntimeerde] .

3.1.7.

Op 13 januari 2016 is een afschrift van het vonnis van 10 januari 1997 aan [appellant] toegezonden (productie 9 bij conclusie van antwoord in oppositie).

3.1.8.

Op 7 maart 2016 zond de gerechtsdeurwaarder aan (de raadsman van) [appellant] een afschrift van het betekeningsexploot met betrekking tot het verstekvonnis (productie 2 bij conclusie van antwoord in oppositie).

3.2.

Bij verzetdagvaarding van 16 maart 2016, uitgebracht aan [crediet maatschappij] en aan [geïntimeerde] ,

heeft [appellant] verzet ingesteld tegen het vonnis van 10 januari 1997 en geconcludeerd dat hij van de bij dat verstekvonnis uitgesproken veroordeling moet worden ontheven en dat de tegen hem ingestelde vordering alsnog moet worden afgewezen.

3.3.

[geïntimeerde] heeft bij conclusie van antwoord in oppositie gemotiveerd verweer gevoerd, primair strekkende tot niet-ontvankelijkverklaring van [appellant] in zijn verzet wegens overschrijding van de verzettermijn. Daarop is door [appellant] bij conclusie van repliek in oppositie gereageerd.

3.4.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank [appellant] niet-ontvankelijk verklaard in zijn verzet, met veroordeling van hem in de kosten van de verzetprocedure. De rechtbank heeft daartoe overwogen, verkort weergegeven, dat het verzet is ingesteld nadat het verstekvonnis ten uitvoer is gelegd (artikel 81 lid 2 (oud) Rv) en dat voorts geen sprake is van strijd met artikel 6 EVRM, nu onvoldoende aannemelijk is geworden dat [appellant] niet bekend was met de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis door middel van het gelegde executoriaal derdenbeslag en de daaruit voortvloeiende betalingen.

3.5.

[appellant] is het met deze uitspraak niet eens en hij is hiervan tijdig in hoger beroep gekomen. [appellant] vordert in dit hoger beroep onder het voordragen van vier grieven hem alsnog ontvankelijk te verklaren in zijn verzet en de oorspronkelijke vordering af te wijzen, met veroordeling, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, van [geïntimeerde] in de kosten van deze procedure in alle instanties, alsmede in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover wanneer deze niet binnen veertien dagen na de datum van de uitspraak zijn voldaan, althans na de datum van betekening daarvan.

[geïntimeerde] voert gemotiveerd verweer dat hierna bij de beoordeling van de vordering van [appellant] zal worden betrokken.

3.6.

Het hof overweegt dat het verstekvonnis in 1997 is gewezen op vordering van een in Nederland gevestigde Nederlandse rechtspersoon en dat de gedaagde zijn woonplaats had in Nederland. De rechtbank in ’s-Hertogenbosch was dus bevoegd om van de vordering kennis te nemen. De bevoegdheid van de Nederlandse rechter wijzigt niet nu, na cessie van de vordering aan [geïntimeerde] , de verzetprocedure wordt gevoerd tegen een in [vestigingsplaats] gevestigde rechtspersoon, noch daargelaten dat die – met betrekking tot het onderwerp van de aanhangige procedure – mede kantoor houdt in een filiaal te [kantoorplaats] .

3.7.

[appellant] heeft in hoger beroep vier grieven aangevoerd. Daarin voert [appellant] - verkort weergegeven - het volgende aan.

Grief 1: de rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat [appellant] niet-ontvankelijk is in zijn verzet.

Grief 2: de rechtbank heeft ten onrechte niet aangenomen dat onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn in artikel 81 lid 2 (oud) Rv in strijd komt met artikel 6 EVRM.

Grief 3: de rechtbank heeft ten onrechte bekendheid van [appellant] met de tenuitvoerlegging van het verstekvonnis aangenomen, op de grond dat er beslag zou zijn gelegd op de bankrekening van wijlen de echtgenote van [appellant] , die behoorde tot de huwelijksgoederengemeenschap.

Grief 4: de rechtbank is ten onrechte niet toegekomen aan de inhoudelijke behandeling van het verzet van [appellant] en daarmee aan de vraag of [appellant] gehouden is tot betaling van de door [crediet maatschappij] bij inleidende dagvaarding gevorderde bedragen.

Het hof ziet aanleiding om de grieven gezamenlijk te behandelen.

De tijdigheid van het verzet

3.8.

Het hof constateert dat het onderhavige verstekvonnis is gewezen onder het vóór 1 januari 2002 geldende Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (hierna: (oud) Rv). Het overgangsrecht ten aanzien van de termijn waarbinnen het rechtsmiddel tegen een vóór 1 januari 2002 gewezen vonnis kan worden aangewend (artikel VII lid 2 van de Wet tot herziening van het procesrecht voor burgerlijke zaken), houdt in dat het voordien geldende recht (artikel 81 (oud) Rv) van toepassing blijft.

3.9.

Artikel 81 (oud) Rv luidt - voor zover in deze zaak van belang - als volgt:

“De gedaagde die bij verstek veroordeeld is, zal daartegen verzet mogen doen. Het verzet moet worden gedaan binnen veertien dagen na de beteekening van het vonnis of van eenige uit kracht daarvan opgemaakte of ter uitvoering daarvan strekkende acte aan den veroordeelde in persoon, of na het plegen door dezen van eenige daad, waaruit noodzakelijk voortvloeit, dat het vonnis of de aangevangen tenuitvoerlegging hem bekend is.

Buiten de gevallen, in het vorige lid voorzien, is het verzet ontvankelijk totdat het vonnis is ten uitvoer gelegd.”

3.10.

Artikel 82 (oud) Rv luidt - voor zover in deze zaak van belang - als volgt:

“Het vonnis wordt gerekend ten uitvoer gelegd te zijn in geval van derdenbeslag op een vordering na de uitbetaling aan de beslaglegger.”.

3.11.

Het hof stelt voorop dat het verstekvonnis niet in persoon aan [appellant] is betekend. Het hof constateert verder dat [geïntimeerde] geen bezwaar heeft geuit tegen het oordeel van de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat sprake is geweest van enige door [appellant] gepleegde daad van bekendheid met het verstekvonnis. [geïntimeerde] heeft evenmin aangevoerd dat [appellant] zo’n daad van bekendheid heeft gepleegd.

3.12.

[appellant] heeft onvoldoende gemotiveerd weersproken dat de eerste uitbetaling onder het ten laste van zijn toenmalige echtgenote gelegde derdenbeslag onder E.T.K.B. heeft plaatsgevonden op 20 februari 2001. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2341, overwogen (r.o. 3.4) dat de thans in de wet (art. 144 aanhef en onder b Rv) neergelegde opvatting ook voor het oude recht als juist moet worden aanvaard. Dat houdt in dat het verstekvonnis geacht wordt te zijn tenuitvoergelegd na de eerste betaling onder het beslag op een periodieke uitkering. De strikte toepassing van het bepaalde in art. art. 81 Rv (oud) brengt dan mee dat [appellant] niet-ontvankelijk zou zijn in het door hem op 16 maart 2016 ingestelde verzet.

3.13.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad moet onverkorte toepassing van de regeling van de verzettermijn evenwel achterwege blijven indien die toepassing tot een resultaat leidt dat niet voldoet aan de eisen van een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM (HR 25 februari 2000, ECLI:NL:HR:2001:AA4936, NJ 2000/509 en HR 16 januari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2341NJ 2005, 191).

Uit laatstgenoemd arrest (r.o. 3.7) valt af te leiden dat voor de vraag of het recht van de bij verstek veroordeelde op effectieve toegang tot de rechter illusoir is geworden de volgende aspecten een rol spelen:

i. de veroordeelde was niet (door betekening in persoon) op de hoogte van de inleidende dagvaarding en van het verstekvonnis en evenmin van het gelegde derdenbeslag, en

ii. de veroordeelde was evenmin bekend met de omstandigheid dat de executant doende was het vonnis ten uitvoer te leggen, en

iii. de veroordeelde heeft, nadat het verstekvonnis hem bekend is geworden, binnen veertien dagen nadien verzet ingesteld.

3.14.

Ad i: Het hof overweegt dat vast staat dat noch het verstekvonnis, noch het gelegde beslag aan [appellant] in persoon zijn betekend. Voorts is gesteld noch gebleken dat de aan het verstekvonnis voorafgaande inleidende dagvaarding aan [appellant] in persoon is betekend, zodat het hof ervan uitgaat dat geen betekening in persoon heeft plaatsgevonden. Aan de eerste voorwaarde is dus voldaan.

3.15.

Ad ii: [appellant] heeft betwist dat hij op de hoogte was van genoemd derdenbeslag. Hij gaat ervan uit dat zijn vrouw dit voor hem verborgen heeft gehouden. [appellant] was ook regelmatig gedurende langere periodes in het buitenland vanwege zijn werk als internationaal vrachtwagenchauffeur.

Naar het oordeel van het hof heeft [geïntimeerde] tegenover deze stellingen van [appellant] geen of in elk geval niet voldoende feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen of moeten blijken dat de stelling van [appellant] onjuist is en dat [appellant] wel al (veel) eerder bekend was met dat derdenbeslag. Daarmee is ook aan de tweede voorwaarde voldaan.

3.16.

Ad iii: In punt 5 van de verzetdagvaarding stelt [appellant] dat hij het verstekvonnis “recentelijk” toegestuurd heeft gekregen en dat hij er op dat moment voor het eerst kennis van heeft genomen. [geïntimeerde] reageert hierop in punt 5 van de conclusie van antwoord in oppositie met de stelling dat het verstekvonnis bij brief van 13 januari 2016 aan [appellant] is toegestuurd, zodat het verzet op 16 maart 2016 te laat is ingesteld. [geïntimeerde] verwijst naar een brief van 13 januari 2016 van deurwaarderskantoor [deurwaarderskantoor] aan [appellant] (productie 9 bij conclusie van antwoord in oppositie) waarin sprake is van toezending van een kopie van het vonnis. Deze stelling van [geïntimeerde] is door [appellant] bij conclusie van repliek in oppositie niet weersproken, zodat ook het hof ervan uitgaat dat het verstekvonnis op 13 januari 2016 aan [appellant] is toegezonden.

Nu [appellant] stelt dat hij van het verstekvonnis kennis heeft genomen na de toezending daarvan aan hem en geen van partijen een andere datum van toezending per post aan [appellant] zelf stelt dan 13 januari 2016, gaat het hof ervan uit dat het verstekvonnis, nadat het hem op 13 januari 2016 was toegezonden, [appellant] ook heeft bereikt. [appellant] voert zelf aan dat hij na toezending “op dat moment” kennis heeft genomen van het vonnis. Naar het oordeel van het hof dient er in redelijkheid vanuit te worden gegaan dat [appellant] in ieder geval binnen een week na ontvangst van het verstekvonnis van de inhoud daarvan kennis heeft genomen, derhalve uiterlijk op 20 januari 2016, zodat op dat moment de verlengde verzettermijn is gaan lopen. Het verzet is evenwel (veel) later dan veertien dagen nadien, namelijk op 16 maart 2016, door [appellant] ingesteld. Aan de derde voorwaarde is dus niet voldaan.

Hieraan doet niet af dat [appellant] in zijn conclusie van repliek in oppositie (onder 4) aanvoert dat hij eerst begin maart 2016 van het vonnis kennis heeft genomen. Deze latere stelling is op geen enkele manier onderbouwd, terwijl [appellant] bovendien en in het bijzonder niet de tegenstrijdigheid met zijn eerdere, wel onderbouwde, stelling toelicht.

3.17.

Nu niet aan alle drie de voorwaarden is voldaan is [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde verzet.

Slotsom

3.18.

Het vonnis waarvan beroep dient bekrachtigd te worden. [appellant] dient als de in het ongelijk gestelde partij in de kosten van het hoger beroep veroordeeld te worden.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, welke kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] worden begroot op € 716,- aan griffierecht en op € 1.074,- aan salaris advocaat.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, D.A.E.M. Hulskes en E.A.M. van Oorschot en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 oktober 2018.

griffier rolraadsheer