Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4295

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
200.242.713_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2018:3887
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Geschil tussen verzekeringstussenpersoon en assuradeur. Rendement en schadestatistiek. Levert premieverhoging misbruik van recht op?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.242.713/01

arrest in kort geding van 16 oktober 2018

in de zaak van

Wagenparkverzekering B.V., tevens handelend onder de naam Movea,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als Movea,

advocaat: mr. A.S. Douma te 's-Gravenhage,

tegen

[assuradeuren] Assuradeuren B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [assuradeuren] ,

advocaat: mr. H.M.L. Dings te Venlo,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 4 september 2018 in het hoger beroep van het door de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/333598/KG ZA 18-227 gewezen vonnis van 15 juni 2018.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 4 september 2018 waarbij het hof een datum voor pleidooi heeft bepaald;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd;

  • -

    de door mr. Douma bij H-formulier van 2 oktober 2018 toegezonden producties, die bij het pleidooi in het geding zijn gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In rechtsoverwegingen 2.1. tot en met 2.12. heeft de voorzieningenrechter vastgesteld van welke feiten in dit geschil wordt uitgegaan. De door de voorzieningenrechter vastgestelde feiten zijn niet betwist, dus vormen ook in hoger beroep het uitgangspunt. Het hof zal hierna een overzicht geven van deze feiten voor zover in hoger beroep van belang.

a) Movea is een assurantietussenpersoon, die adviseert en bemiddelt bij de totstandkoming van schadeverzekeringen. Movea richt zich daarbij op garagebedrijven en autohandelaren.

b) [assuradeuren] is een gevolmachtigd assurantiebedrijf dat assurantietussenpersonen en verzekeraars faciliteert bij de totstandkoming van verzekeringen.

c) In mei 2015 zijn partijen een samenwerkingsverband aangegaan dat is vastgelegd in een samenwerkingsovereenkomst, gedateerd 20 april 2015 (hierna: de samenwerkingsovereenkomst).

d) Partijen hebben na het sluiten van de samenwerkingsovereenkomst overleg gevoerd over een maatwerkoplossing voor een collectief aanbod aan zogenaamde handelarenpolissen, specifiek bedoeld voor autohandelaren.

e) Het overleg heeft geleid tot afspraken die zijn vastgelegd in een e-mail van de heer [medewerker van assuradeuren] van [assuradeuren] d.d. 6 mei 2015 en de bijlage Collectief contract “MoVea Handelarenpolis” (hierna: het Collectief contract).

f) De collectieve handelarenverzekeringen werden in eerste instantie ondergebracht bij Delta Lloyd, die fungeerde als risicodrager.

g) Delta Lloyd heeft op enig moment (2016) aan [assuradeuren] bericht dat zij zou stoppen met garageverzekeringen. [assuradeuren] is naar aanleiding daarvan op zoek gegaan naar een nieuwe risicodrager om de handelarenpolissen onder te brengen.

h) [assuradeuren] heeft met Movea gesproken over de noodzaak tot het vinden van een nieuwe risicodrager. Movea heeft daarin ook haar voorkeur aangegeven.

i) [assuradeuren] is uiteindelijk met ingang van 1 januari 2018 overgestapt naar Nationale Nederlanden als risicodrager.

j) Nationale Nederlanden heeft naar aanleiding van de schadestatistiek op 20 februari 2018 aan [assuradeuren] bericht dat zij de in het verleden door [assuradeuren] met Delta Lloyd gemaakte afspraken niet kan voortzetten omdat de resultaten van de collectiviteit Movea daar niet goed genoeg voor zijn.

k) Tijdens een gesprek op 2 maart 2018 heeft de directeur van [assuradeuren] , de heer [directeur van assuradeuren] , aan de directeur van Movea, de heer [directeur van movea] , medegedeeld dat [assuradeuren] het Collectief contract opzegt met een opzegtermijn van twee maanden en dat zij voor de lopende portefeuilles per 1 januari 2019 een premieverhoging zal doorvoeren van 45%.

6.2.1.

In de onderhavige procedure heeft Movea in eerste aanleg, voor zover in hoger beroep nog van belang, gevorderd om [assuradeuren] te gelasten om de aangekondigde premieverhoging van 45% in te trekken en geen zodanige nieuwe premieverhogingen aan te kondigen, een en ander op straffe van een in goede justitie te bepalen dwangsom, met veroordeling van [assuradeuren] in de proceskosten, nakosten en rente.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft Movea ten grondslag gelegd dat het verhogen van de premie met 45% geen ander doel dient dan het wegjagen van klanten van Movea. Als gevolg van de verhoging zullen klanten weglopen en zal Movea aanzienlijke schade lijden.

6.2.3.

In het eindvonnis van 15 juni 2018 heeft de voorzieningenrechter de vordering van Movea afgewezen met veroordeling van [assuradeuren] in de proceskosten, nakosten en rente.

6.3.1.

Movea heeft in haar appeldagvaarding vijf grieven aangevoerd. Zij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis (naar het hof begrijpt: voor zover voormelde vordering daarbij is afgewezen) en tot het alsnog toewijzen van haar vordering, althans het treffen van een zodanige in goede justitie te bepalen voorziening als het hof zal vermenen te behoren, met veroordeling van [assuradeuren] in de proceskosten in beide instanties en nakosten. Met het, subsidiair, vorderen van een door het hof te treffen voorziening, heeft Movea haar eis gewijzigd. [assuradeuren] heeft geen bezwaar gemaakt tegen deze eiswijziging. Het hof ziet ook geen aanleiding de eiswijziging ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op de gewijzigde eis.

6.3.2.

Gelet op de ingangsdatum van de aangekondigde premieverhoging, te weten 1 januari 2019, kan van Movea niet worden gevergd dat zij de uitkomst van een bodemprocedure afwacht, zodat zij een spoedeisend belang heeft bij haar vordering.

6.4.1.

Grieven I tot en met IV zijn gericht tegen het oordeel van de voorzieningenrechter dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat [assuradeuren] misbruik maakt van bevoegdheid door de premie met 45% te verhogen, en tegen de daaraan ten grondslag liggende overwegingen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6.4.2.

Het hof stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat [assuradeuren] de bevoegdheid toekomt om de premie voor de binnen het Collectief contract afgesloten verzekeringen te verhogen. Op grond van artikel 3:13 lid 1 BW kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, haar echter niet inroepen, voor zover hij haar misbruikt. Een bevoegdheid kan onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of in geval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen (artikel 3:13 lid 2 BW).

6.4.3.

Volgens de stellingen van Movea is het misbruik van [assuradeuren] erin gelegen dat de premieverhoging geen ander doel dient dan het wegjagen van klanten van Movea en het vervalsen van de concurrentie, en dus – zo begrijpt het hof – geen ander doel heeft dan Movea te schaden. Volgens Movea willen [assuradeuren] en/of Nationale Nederlanden kennelijk van Movea af als opkomende concurrent.

6.4.4.

Het hof overweegt als volgt. In de eerste plaats is, zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet duidelijk welk belang [assuradeuren] zou hebben bij het wegjagen van klanten van Movea en het (aldus) beperken of vervalsen van de concurrentie. Als dit het doel was van [assuradeuren] , dan ligt eerder voor de hand – zoals [assuradeuren] onweersproken heeft gesteld – dat zij de desbetreffende polissen per de eerstvolgende contractvervaldatum zou opzeggen in plaats van (slechts) de premie te verhogen. Movea heeft verder niet gesteld op grond waarvan eventuele gedragingen en beweegredenen van Nationale Nederlanden (mede) kunnen worden toegerekend aan [assuradeuren] .

6.4.5.

In de tweede plaats heeft Movea, met wat zij naar voren heeft gebracht over haar premiestelling en schadestatistiek, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat de door [assuradeuren] opgegeven reden voor de premieverhoging, namelijk het verbeteren van het rendement van de portefeuille, ondeugdelijk is. Movea voert daartoe aan dat haar premiestelling marktconform is. Met [assuradeuren] is het hof voorshands echter van oordeel dat het feit dat de premie van de portefeuille marktconform is, nog niets zegt over het rendement van die portefeuille. Daartoe is immers mede relevant wat de hoogte is van de schades van de portefeuille. Partijen zijn het erover eens dat het gebruikelijk is om het rendement van een portefeuille te bepalen aan de hand van de zogenaamde combined ratio die in essentie de omvang van de (reserveringen voor) schades en kosten van een portefeuille uitdrukt in een percentage van de ontvangen premies. Movea heeft niet althans onvoldoende weersproken dat deze combined ratio van Movea over de jaren 2016, 2017 en 2018 (tot 1 juni) respectievelijk 333,63%, 110,17% en 103,11% bedraagt. Daarmee is de portefeuille verlieslatend of overschrijdt deze in elk geval de door Movea zelf bepleite streefratio van 85%. Uit deze schadestatistiek volgt dus niet zonder meer de ondeugdelijkheid van de door [assuradeuren] opgegeven reden voor de premieverhoging. Movea heeft weliswaar aangevoerd dat de schadestatistiek pas met de toename van het premievolume en het verstrijken van de tijd betrouwbaarder wordt en dat de statistiek van de eerste drie jaren (nog) nauwelijks iets zegt over de verhouding van de schade-uitkeringen van de portefeuille ten opzichte van de markt. Maar dat brengt naar het voorlopig oordeel van het hof nog niet zonder meer met zich dat [assuradeuren] op basis van deze statistieken niet heeft kunnen besluiten tot de bewuste premieverhoging, laat staan dat [assuradeuren] daarmee (enkel) tot doel heeft om klanten van Movea weg te jagen om zo Movea te schaden. Hetzelfde geldt indien [assuradeuren] voorheen andere maatregelen heeft genomen ten aanzien van klanten met een vergelijkbare statistiek.

6.4.6.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat voorshands onvoldoende aannemelijk is dat [assuradeuren] haar bevoegdheid tot premieverhoging met geen ander doel uitoefent dan om klanten van Movea weg te jagen of om concurrentie van Movea te beperken of vervalsen en zo Movea te schaden in de zin van artikel 3:13 BW. Daarbij is de mogelijkheid of waarschijnlijkheid dat Movea een andere risicodrager bereid vindt om haar huidige relaties al dan niet ongewijzigd voort te zetten niet relevant. Daarmee falen grieven I tot en met IV. Grief V heeft naast de overige grieven geen zelfstandige betekenis, zodat deze grief geen afzonderlijke bespreking behoeft.

6.5.

Uit het voorgaande volgt dat het vonnis van de voorzieningenrechter zal worden bekrachtigd. Daarmee blijft de afwijzing in stand van de vordering van Movea strekkende tot intrekking van de aangekondigde premieverhoging. Er bestaat gezien het voorgaande geen grond voor toewijzing van de in hoger beroep gevorderde, door het hof in goede justitie te bepalen andere voorziening. Deze vordering zal worden afgewezen.

6.6.

Movea zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van [assuradeuren] in hoger beroep. De gevorderde nakosten en wettelijke rente over de proceskosten zullen worden toegewezen op de wijze als in het dictum vermeld.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep, voor zover dit aan het oordeel van het hof is onderworpen;

veroordeelt Movea in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [assuradeuren] op € 726,- aan griffierecht en € 3.222,- voor salaris advocaat overeenkomstig het liquidatietarief (3 punten x tarief II);

en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordeling en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders in hoger beroep gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. D.A.E.M. Hulskes, E.A.M. van Oorschot en S.C.H. Molin en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 oktober 2018.

griffier rolraad