Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4263

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
16-10-2018
Datum publicatie
17-10-2018
Zaaknummer
200.210.061_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:4656, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geldleningen, vernietiging schuldbekentenis op grond van bedreiging, omkering van bewijslast

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.210.061/01

arrest van 16 oktober 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.A.W. Graus te Maastricht,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. F.J.M. Drykoningen te Eindhoven,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 27 februari 2018 in het hoger beroep van het door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, onder zaaknummer C/01/286284 / HA ZA 14-840 gewezen vonnis van 3 augustus 2016.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 27 februari 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;

  • -

    de bij brief van 3 augustus 2018 door [appellant] toegezonden producties 19 tot en met 22;

  • -

    het pleidooi, waarbij partijen pleitnotities hebben overgelegd.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg

6 De beoordeling

6.1.

In dit hoger beroep wordt uitgegaan van de volgende feiten.

a) [appellant] was voorheen actief als assurantietussenpersoon via zijn onderneming [de vennootschap 1] .

b) [appellant] heeft in juni 2013 contant geldbedragen ontvangen van [geïntimeerde] van in totaal € 19.500. In augustus 2013 heeft [appellant] , via de bankrekening van zijn vennootschap [de vennootschap 2] , een bedrag ontvangen van [geïntimeerde] van € 6.300,-.

c) [appellant] heeft in de periode 1 oktober 2013 tot en met 20 januari 2014, al dan niet via bankrekeningen van [de vennootschap 1] of van andere aan hem gelieerde vennootschappen, geldbedragen overgemaakt aan [geïntimeerde] van in totaal € 37.500,-.

d) Op 21 februari 2014 heeft [appellant] een document ondertekend met, voor zover relevant, de volgende inhoud:

“(…)

Betreft: bevestiging uitbetaling

hierbij bevestigd [appellant] , uiterlijk maandag 24 februari 2014, voor 14.00 uur, het bedrag van in totaal €52.500,- terug te betalen. Dit bedrag is ontstaan door een lening van €32.500,- (…)

[geïntimeerde] heeft op 19 februari 2014 €10.000,- bij geleend voor de heer [appellant] , onder de voorwaarde dat hij deze dezelfde dag nog terug zou krijgen samen met het bedrag wat er nog openstond, zijnde de €42.500,-

De heer [appellant] heeft in juni 2013 al geld geleend die hij de eerste week van augustus terug zou betalen. Daarna is het weer uitgesteld tot de 2e week van september, etc. etc.. Nu, een aantal maanden later is het alsnog niet terug betaald, vandaar deze verklaring op papier met ondertekening van beide partijen.

Hierbij verklaar ik, [appellant] alles te hebben gelezen en hiermee akkoord te gaan.

[handtekeningen [appellant] en [geïntimeerde] ]”.

e) In een telefoongesprek tussen [appellant] en de zoon van [geïntimeerde] , de heer [zoon van geïntimeerde] , (bestand 6200 op de ten behoeve van het getuigenverhoor in eerste aanleg in het geding gebrachte cd-rom) is onder meer het volgende gezegd:

“[ [appellant] :] Maar jouw pap die krijgt er in totaal nog 45 uit mijn hoofd. Waar dat vandaan komt dat maakt dan niet uit. Of dat dan van die Irakees komt of van de hypotheek, hij krijgt er [onverstaanbaar] 45 en dan is het toch afgewerkt? Dan is het toch klaar?

(…)

Morgen heeft hij zijn geld voor twaalf uur. Dat heb ik hem ook nog ge-sms’t.

(…)”.

f) De toenmalige gemachtigde van [geïntimeerde] heeft [appellant] bij brieven van 7 augustus 2014 en 8 september 2014 gesommeerd om het bedrag van in hoofdsom € 42.500,- vermeerderd met kosten en rente aan [geïntimeerde] te betalen.

g) [appellant] heeft niet aan deze sommaties voldaan.

6.2.1.

In de onderhavige procedure heeft [geïntimeerde] gevorderd, in conventie, samengevat, veroordeling van [appellant] tot betaling aan [geïntimeerde] van € 42.500,- vermeerderd met wettelijke rente, en met veroordeling van [appellant] in de proceskosten inclusief nakosten.

6.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , samengevat, ten grondslag gelegd dat tussen partijen twee overeenkomsten van geldlening zijn gesloten en dat [appellant] in verzuim is met de terugbetaling van de uitgeleende gelden.

6.2.3.

[appellant] heeft in reconventie gevorderd veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling aan [appellant] van een bedrag van € 37.500,- vermeerderd met wettelijke rente, en met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

6.2.4.

Aan deze vordering heeft [appellant] ten grondslag gelegd dat hij het bedrag van € 37.500,- onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft betaald.

6.2.5.

Bij mondeling tussenvonnis van 24 juni 2015, neergelegd in het proces-verbaal van de op die dag gehouden comparitie van partijen, heeft de rechtbank in conventie [geïntimeerde] opgedragen te bewijzen dat hij in of omstreeks eind mei 2013 een bedrag van € 32.500,- heeft geleend aan [appellant] en op 19 februari 2014 € 10.000,- heeft geleend aan [appellant] . In reconventie heeft de rechtbank [appellant] opgedragen te bewijzen dat hij een bedrag van € 37.500,- onverschuldigd aan [geïntimeerde] heeft betaald.

6.2.6.

Om het hem in conventie opgedragen bewijs te leveren heeft [geïntimeerde] zichzelf en zeven andere getuigen doen horen en daarnaast een CD met beeld- en geluidsopnames in het geding gebracht. In contra-enquête zijn [appellant] en vier andere getuigen gehoord.
In verband met het hem in reconventie opgedragen bewijs heeft [appellant] uitdrukkelijk afgezien van de mogelijkheid om bewijs te leveren door het doen horen van getuigen. Na de getuigenverhoren heeft [appellant] zich op het standpunt gesteld dat zijn in de contra-enquête in conventie afgelegde verklaring tevens heeft te gelden als te zijn afgelegd in reconventie.

6.2.7.

In het eindvonnis van 3 augustus 2016 heeft de rechtbank, in conventie, [geïntimeerde] in de bewijslevering geslaagd geacht. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vordering van [geïntimeerde] toegewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten inclusief nakosten.
In reconventie heeft de rechtbank de getuigenverklaring van [appellant] tot uitgangspunt genomen en overwogen dat het verder beschikbare bewijs niet sterk genoeg is om deze verklaring (als partij-verklaring) voldoende geloofwaardig te maken. De rechtbank heeft daarop geconcludeerd dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vordering van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

6.3.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd en geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] en het toewijzen van zijn eigen vorderingen.

Grieven 1 en 2 – leningen van in totaal € 42.500,-

6.4.1.

Het hof zal eerst de grieven 1 en 2 gezamenlijk behandelen. Deze grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat met de bewijslevering is komen vast te staan dat [appellant] ten tijde van het ondertekenen van de schuldbekentenis in februari 2014 uit hoofde van geldleningen in totaal € 42.500,- verschuldigd was aan [geïntimeerde] , en tegen het gebruik van die schuldbekentenis als bewijsmiddel.

6.4.2.

[appellant] voert daartoe, kort gezegd, aan dat hij stelselmatig werd bedreigd door [geïntimeerde] en dat [geïntimeerde] hem onder bedreiging met geweld heeft gedwongen de genoemde schuldbekentenis te ondertekenen. Ook aan genoemd telefoongesprek gingen bedreigingen vooraf. Omdat de betrokkenen aan de zijde van [geïntimeerde] dit als getuigen niet zullen bevestigen, verkeert [appellant] in bewijsnood en moet de bewijslast worden omgekeerd. Voorts hebben de getuigen aan de zijde van [geïntimeerde] wisselende verklaringen afgelegd over de gestelde leningen. Uit het feit dat [appellant] bij derden geld leende, kan bovendien niet de conclusie worden getrokken dat hij de gestelde leningen is aangegaan bij [geïntimeerde] ; [appellant] leende dit geld juist om aan de door [geïntimeerde] geëiste betalingen te kunnen voldoen. Ten slotte heeft [geïntimeerde] op enig moment een brief gegeven aan [appellant] waarin stond dat [appellant] hem niets verschuldigd was.

6.4.3.

Het hof stelt voorop dat overeenkomstig de hoofdregel van artikel 150 Rv op [geïntimeerde] de bewijslast rust van de stelling dat [appellant] hem uit hoofde van geldleningen een bedrag van in totaal € 42.500,- schuldig is. [geïntimeerde] heeft zich in dit verband in de eerste plaats beroepen op genoemde schuldbekentenis. [appellant] heeft erkend dat hij de schuldbekentenis van 21 februari 2014 heeft ondertekend. [appellant] stelt zich met grief 1 echter op het standpunt dat de rechtbank deze schuldbekentenis ten onrechte heeft gebruikt als bewijsmiddel omdat, zo begrijpt het hof, deze onder invloed van bedreiging tot stand is gekomen en op die grond door [appellant] is vernietigd. Hoewel het hier gaat om een bevrijdend verweer van [appellant] , waarvan hij dus de bewijslast draagt, heeft dit in de conventie in eerste aanleg niet geleid tot een bewijsopdracht aan [appellant] en heeft de rechtbank de getuigenverklaringen inzake de bedreigingen meegewogen bij de bewijswaardering naar aanleiding van de aan [geïntimeerde] verstrekte bewijsopdracht inzake het bestaan van de geldlening. Nu tegen deze gang van zaken geen grief is gericht, zal het hof ten aanzien van dit verweer van [appellant] opnieuw het bewijs waarderen dat in eerste aanleg is bijeengebracht, waaronder de verklaringen die door de getuigen aan de zijde van [appellant] in eerste aanleg in contra-enquête zijn afgelegd.

6.4.4.

Het hof is van oordeel dat uit de afgelegde getuigenverklaringen en de overige in het geding gebrachte bewijsmiddelen niet volgt dat de schuldbekentenis, zoals [appellant] stelt, onder bedreiging en/of dwang is afgelegd en ondertekend. Dat [appellant] meermaals is bedreigd met het doel om hem tot betaling te bewegen, zoals [appellant] stelt en zoals door een aantal getuigen is verklaard, betekent nog niet dat de schuldbekentenis onder bedreiging en/of dwang tot stand is gekomen of dat de inhoud daarvan, namelijk dat [appellant] de daarin genoemde bedragen schuldig is aan [geïntimeerde] , onjuist is. Over het tot stand komen van de schuldbekentenis heeft [appellant] , tijdens de comparitie van partijen in eerste aanleg, concreet gesteld dat er ongure en bewapende types bij [geïntimeerde] thuis waren die hem bedreigden en intimideerden, en dat zij tegen hem zeiden dat hij de verklaring moest ondertekenen, en dat hij dat vervolgens onder invloed van die bedreiging ook gedaan heeft. In zijn getuigenverklaring heeft [appellant] dit nader geconcretiseerd in de zin dat het ging om “mensen van 2 bij 2 meter” en een “Servisch-Joegoslavisch type”. Het overige beschikbare bewijs biedt echter geen aanknopingspunten voor de juistheid van de stelling van [appellant] dat hij onder bedreiging is gedwongen tot het ondertekenen van de schuldbekentenis. Van deze stelling heeft [appellant] in hoger beroep ook geen bewijs aangeboden, althans onvoldoende gespecificeerd, zodat het hof aan bewijslevering daarvan niet toekomt.

6.4.5.

Het hof overweegt verder dat, aangezien niet is komen vast te staan dat [appellant] onder dwang en/of bedreiging met geweld de schuldbekentenis heeft ondertekend, er geen grond is voor de door [appellant] ingeroepen vernietiging van de schuldbekentenis. Er bestaat ook geen grond voor de door [appellant] bepleite omkering van de bewijslast. Aangezien [geïntimeerde] van het bestaan van de geldleningen al de bewijslast draagt, gaat het hof ervan uit dat [appellant] bedoelt dat de bewijslast van het feit dat [appellant] door bedreiging tot het afleggen van de schuldbekentenis is bewogen, moet worden omgekeerd, zodat [geïntimeerde] moet bewijzen dat dat niet het geval is geweest. Het hof overweegt dat indien de partij die volgens de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast draagt, in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt door toedoen van de wederpartij, omkering van de bewijslast — en daarmee van het bewijsrisico — geboden kan zijn. Nu het beschikbare bewijs echter geen aanknopingspunten biedt voor de juistheid van de stelling dat [appellant] onder bedreiging met geweld is gedwongen tot het ondertekenen van de schuldbekentenis, kan op basis van het enkele feit dat [appellant] op andere momenten wel is bedreigd – al aangenomen dat dat zo is – niet worden vastgesteld dat [appellant] door toedoen van [geïntimeerde] in een onredelijk zware bewijspositie is geraakt, waardoor hij niet kan bewijzen dat hij de schuldbekentenis onder bedreiging heeft ondertekend. Voor een omkering van de bewijslast is dus geen plaats.

6.4.6.

Ten aanzien van de telefoongesprekken tussen [appellant] en [geïntimeerde] (bestand 3692 op genoemde cd-rom) en [appellant] en [zoon van geïntimeerde] (bestand 6200) is in de toelichting op grief 1 gesteld dat niet duidelijk is wanneer deze gesprekken hebben plaatsgevonden zodat de opnames daarvan niet kunnen worden meegenomen als bewijs. Tijdens zijn verhoor als getuige heeft [appellant] echter verklaard dat de opgenomen telefoongesprekken die in het geding waren gebracht, volgens hem hadden plaatsgevonden in februari 2014. Ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep heeft [appellant] bovendien bevestigd dat het gesprek tussen hem en [zoon van geïntimeerde] (bestand 6200) heeft plaatsgevonden in februari of maart 2014 en niet eerder. Ook de inhoud van de gesprekken, voor zover weergegeven op de overgelegde opnames, wordt door [appellant] niet betwist. Ten aanzien van het gesprek met [zoon van geïntimeerde] voert [appellant] aan – voor het eerst bij pleidooi in hoger beroep – dat hij dit gesprek voerde nadat hij kort tevoren was bedreigd door [zoon van geïntimeerde] en door deze was geïnstrueerd wat hij tijdens het daarna te voeren telefoongesprek moest zeggen. Het hof overweegt echter dat dit gesprek, dat van begin tot eind is opgenomen, geen aanknopingspunten biedt voor deze stelling van [appellant] . Wel volgt uit beide telefoongesprekken (bestanden 3692 en 6200) duidelijk dat [appellant] daarin aangeeft geld schuldig te zijn aan [geïntimeerde] en kennelijk nog meer geld wil lenen. Ten aanzien van het gesprek met [zoon van geïntimeerde] heeft [appellant] bij pleidooi in hoger beroep bevestigd dat hij bij de zin “Jouw pap die krijgt er in totaal nog 45 uit mijn hoofd”, met “45” bedoelde € 45.000,-. Aan [appellant] kan worden toegegeven dat [zoon van geïntimeerde] in het desbetreffende telefoongesprek meermaals op dreigende toon duidelijk maakt dat [appellant] moet terugbetalen. Echter, het hof leidt uit deze gesprekken niet af dat de erkenningen van [appellant] in deze gesprekken dat hij geld schuldig is aan [geïntimeerde] onder bedreiging tot stand zijn gekomen.

Gelet op het voorgaande is het hof van oordeel dat genoemde telefoongesprekken de juistheid van de inhoud van de schuldbekentenis bevestigen dat [appellant] ten tijde van het afgeven daarvan nog € 42.500 uit geldlening moest terugbetalen aan [geïntimeerde] .

6.4.7.

Wat betreft de getuigenverklaringen van [geïntimeerde] en van de door hem voorgebrachte getuigen overweegt het hof als volgt. [geïntimeerde] heeft verklaard dat hij in mei/juni 2013 in etappes en in contanten geld heeft geleend aan [appellant] , en dat hij hiervoor onder andere de auto’s van zijn echtgenote en dochter heeft verkocht. Dit wordt bevestigd door de echtgenote van [geïntimeerde] , mevrouw [echtgenote van geïntimeerde] , en door [zoon van geïntimeerde] . De verklaringen lopen uiteen wat betreft de precieze bedragen die de auto’s hebben opgebracht en zijn weinig precies over het tijdstip waarop de verschillende geldbedragen aan [appellant] zijn verstrekt. Bovendien is uit de verklaringen niet op te maken dat in juni 2013 in totaal € 32.500,- aan [appellant] is geleend en in februari 2014 nog eens € 10.000,-. Mede gelet op de inconsistenties en gebrek aan precisie, en aangezien het gaat om verklaringen van [geïntimeerde] zelf als partij-getuige en van zijn naasten, kent het hof geen doorslaggevende betekenis toe aan deze verklaringen. Zij bevestigen echter wel op hoofdlijnen dat in de periode voorafgaand aan het afgeven van de schuldbekentenis aanzienlijke contante geldbedragen aan [appellant] zijn geleend door [geïntimeerde] . Dat de leningen door [geïntimeerde] deels werden gefinancierd met de verkoop van de auto’s van zijn echtgenote en dochter, zoals zij allen verklaren, vindt bovendien steun in de inhoud van het telefoongesprek tussen [appellant] en [geïntimeerde] (bestand 3692). In elk geval zijn (de discrepanties in) de verklaringen niet van dien aard dat daarmee de juistheid van de inhoud van de schuldbekentenis en genoemde telefoongesprekken op losse schroeven zou komen te staan.

6.4.8.

Wat betreft de leningen van [appellant] bij derden is het hof van oordeel dat, zoals [appellant] stelt in de toelichting op grief 1, daaruit niet de conclusie kan worden getrokken dat hij dus ook geleend heeft bij [geïntimeerde] . Het tegenovergestelde volgt er echter ook niet uit. Ook de stelling dat [appellant] op verschillende momenten, en al dan niet na geuite bedreigingen van [geïntimeerde] , geldbedragen heeft geleend van derden en vervolgens heeft betaald aan [geïntimeerde] betekent niet dat de schuldbekentenis onder bedreiging en/of dwang tot stand is gekomen of dat de inhoud daarvan, namelijk dat [appellant] de daarin genoemde bedragen schuldig is aan [geïntimeerde] , onjuist is.

6.4.9.

[appellant] verwijst verder naar de getuigenverklaring van zijn partner mevrouw [partner van appellant] die, samengevat, inhoudt dat zij weet dat [geïntimeerde] een keer een briefje heeft gegeven aan [appellant] dat hij [geïntimeerde] niets verschuldigd was en dat hem dit briefje kort daarna is afgepakt door [geïntimeerde] ten huize van de familie [familie] . [appellant] verwijst hierbij ook naar een op 27 maart 2017 opgestelde gezamenlijke verklaring van het echtpaar [familie] met vergelijkbare strekking.

[geïntimeerde] betwist dat een dergelijke brief heeft bestaan.

Het hof is van oordeel dat de stellingen van [appellant] onvoldoende concreet zijn over het moment waarop de desbetreffende brief zou zijn opgesteld en op welke (afgeloste) schulden de brief betrekking zou hebben gehad. Zelfs al zou deze brief hebben bestaan en de door [appellant] gestelde inhoud hebben gehad, dan volgt daaruit dus nog niet dat deze brief betrekking had op de schulden waarvan [geïntimeerde] in dit geding betaling vordert. Voor zover [appellant] dat wel heeft beoogd te stellen, is die stelling om deze redenen onvoldoende onderbouwd.

6.4.10.

Voor zover [appellant] heeft beoogd het verweer te voeren dat de gestelde lening van € 32.500,- al is terugbetaald als gevolg van de betalingen van in totaal € 37.500,- die [appellant] , al dan niet via aan hem gelieerde vennootschappen, in de periode van 1 oktober 2013 tot en met 20 januari 2014 heeft gedaan aan [geïntimeerde] , is het hof van oordeel dat dit verweer onvoldoende is onderbouwd. Niet alleen komen de bedragen niet overeen, maar het verweer verdraagt zich ook niet met de inhoud van de schuldbekentenis en het telefoongesprek uit februari 2014 waarin [appellant] aangeeft het gevorderde bedrag van € 42.500,- nog schuldig te zijn. Zoals volgt uit 6.4.4. - 6.4.6. volgt het hof [appellant] niet in zijn stelling dat (ook) deze uitlatingen onder invloed van dwang en/of bedreiging zijn gedaan.

6.4.11.

Op grond van het voorgaande is het hof van oordeel dat is bewezen dat [appellant] een bedrag van in totaal € 42.500,- van [geïntimeerde] heeft geleend en verplicht is tot terugbetaling van dat bedrag aan [geïntimeerde] . Daarmee falen grieven 1 en 2.

Grief 3 – onverschuldigde betaling € 37.500,-

6.5.1.

Grief 3 is, zo begrijpt het hof, gericht tegen het oordeel van de rechtbank in reconventie en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen dat [appellant] niet is geslaagd in het hem opgedragen bewijs dat de bedragen van in totaal € 37.500,- die [appellant] , al dan niet via bankrekeningen van aan hem gelieerde vennootschappen, in de periode 1 oktober 2013 tot en met 20 januari 2014 heeft overgemaakt aan [geïntimeerde] onverschuldigd zijn betaald.

6.5.2.

Mede gelezen in het licht van de inleiding van de memorie van grieven begrijpt het hof dat [appellant] hiertoe aanvoert dat een derde, de heer [derde 1] , aan [appellant] een bedrag schuldig was van in totaal € 45.000,-, dat de heer [derde 1] vanwege zijn detentie [geïntimeerde] heeft ingeschakeld, zodat deze namens [derde 1] dit bedrag aan [appellant] kon terugbetalen, waarna [geïntimeerde] de bedragen van in totaal € 25.800,- genoemd in 6.1. onder b) heeft betaald aan [appellant] . Vervolgens heeft [geïntimeerde] , nadat bleek dat de heer [derde 1] voor langere tijd gedetineerd zou zijn, [appellant] onder bedreiging ertoe bewogen om het bedrag van € 25.800,- weer aan hem terug te betalen en om vervolgens ook nog andere bedragen aan [geïntimeerde] te betalen. In totaal heeft [appellant] zodoende minimaal € 37.500,- onverschuldigd aan [geïntimeerde] betaald, aldus nog steeds [appellant] .

[geïntimeerde] betwist dat hij ter aflossing van schulden van [derde 1] betalingen aan [appellant] heeft verricht. [geïntimeerde] voert voorts aan dat het bedrag van in totaal € 37.500,- dat [appellant] aan hem heeft betaald terugbetaling betreft van een andere geldlening welke lening aan [appellant] [geïntimeerde] op zijn beurt heeft gefinancierd met een geldlening bij de heer [derde 2] . Daartoe heeft [geïntimeerde] schriftelijke verklaringen van de heer [derde 2] in het geding gebracht.

6.5.3.

Het hof overweegt dat [appellant] in eerste aanleg uitdrukkelijk heeft afgezien van het leveren van bewijs voor de stelling dat hij € 37.500,- onverschuldigd heeft betaald aan [geïntimeerde] . Niettemin heeft de rechtbank de verklaring die [appellant] heeft afgelegd als partij-getuige beschouwd als mede afgelegd in reconventie. Daartegen is geen grief gericht, zodat ook het hof daarvan uitgaat. Een getuigenverklaring van een partij kan geen bewijs in haar voordeel opleveren omtrent door haar te bewijzen feiten, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Anders dan [appellant] kennelijk veronderstelt in de toelichting op grief 3, kunnen de overige getuigenverklaringen die met betrekking tot de bewijsopdracht van [geïntimeerde] in conventie zijn afgelegd niet als bewijs met betrekking tot de door [appellant] in reconventie te bewijzen feiten in aanmerking worden genomen. Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van het overig voorhanden bewijs, zoals de processen-verbaal van aangifte of de geluidsopnames van telefoongesprekken waarnaar [appellant] verwijst, geen sprake van aanvullende bewijzen die zodanig sterk zijn en zodanig essentiële punten betreffen dat zij de partij-getuigeverklaring van [appellant] voldoende geloofwaardig maken. Anders dan [appellant] stelt in de toelichting op grief 3, volgt uit dit overige bewijs niet dat [appellant] de bedragen van in totaal € 37.500,- in de desbetreffende periode onder dwang en/of bedreiging van [geïntimeerde] aan deze heeft overgemaakt zonder dat voor deze betalingen een rechtsgrond bestond. Deze bewijsmiddelen bevatten daartoe geen concrete aanknopingspunten. Van zijn stellingen heeft [appellant] in hoger beroep geen bewijs aangeboden, althans onvoldoende gespecificeerd, zodat het hof aan bewijslevering daarvan niet toekomt. Evenmin kan daarom worden vastgesteld dat [appellant] door toedoen van [geïntimeerde] in een onredelijk zware bewijspositie zou zijn geraakt waardoor hij niet kan bewijzen dat hij de betalingen zonder rechtsgrond zou hebben gedaan. Voor omkering van de bewijslast is dus ook hier geen plaats. Daarmee faalt grief 3.

Conclusie en proceskosten

6.6.1.

Omdat de grieven falen zal het vonnis waarvan beroep worden bekrachtigd.

6.6.2.

[appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

6.6.3.

De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde] worden vastgesteld op:

– griffierecht € 716,-

– salaris advocaat (3 punten x € 1.959,-) € 5.877,-

Totaal € 6.593,-

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en stelt die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] vast op € 6.593,-.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.H. Schulten, W.J.J. Beurskens en S.C.H. Molin en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 16 oktober 2018.

griffier rolraadsheer