Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4258

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
200.245.073_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c Fw nu onvoldoende aannemelijk is dat schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven met aanvulling van de gronden ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw nu schuldenaar ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 11 oktober 2018

Zaaknummer : 200.245.073/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/249706 / FT RK 18/436

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. C.M.G.M. Raafs te Maastricht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 21 augustus 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 29 augustus 2018, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, alsnog het verzoek om toepassing van de schuldsaneringsregeling toe te wijzen, althans een zodanige uitspraak te doen als het hof rechtens juist acht.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2018. Bij die gelegenheid is gehoord:

  • -

    [appellant] , bijgestaan door mr. J.P. van Mulken, waarnemend voor mr. Raafs;

  • -

    mevrouw [beschermingsbewindvoerder] in haar hoedanigheid van informante, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder;

  • -

    de heer [echtgenoot van appellant] , echtgenoot van [appellant] , hierna te noemen: [echtgenoot van appellant] , in zijn hoedanigheid van informant.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 10 augustus 2018;

- de brief met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 26 september 2018;

- het ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellant] overgelegde stuk, te weten: een beschikking van Sociale Zaken Maastricht Heuvelland d.d. 29 augustus 2018, verzonden 5 september 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit haar uitlatingen zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 81.691,55. Daaronder bevinden zich een tweetal preferente belastingschulden voor een totaalbedrag van € 7.023,00, een concurrente belastingschuld van € 928,00 en een tweetal schulden aan het Ministerie van Veiligheid en Justitie van in totaal € 11.968,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.4. Verzoeker werkt bij een kapsalon op basis van een nul-uren contract. Verzoeker heeft ter zitting verklaard dat in zijn contract een concurrentiebeding is opgenomen dat hij niet bij een andere kapsalon mag werken. Verzoeker werkt ongeveer 28 uur per week. Hij heeft ter zitting kenbaar gemaakt niet bereid te zijn van werkgever te willen wisselen, ook niet als hij ergens fulltime aan de slag kan. Hij is ook niet bereid om zijn plannen bij te stellen en aanvullend te solliciteren. Volgens verzoeker zou hij bij deze werkgever op termijn fulltime kunnen werken en wilt hij zijn kans op een fulltime baan bij deze werkgever afwachten. Gelet op hetgeen door verzoeker is gesteld, is de rechtbank van oordeel dat verzoeker niet doordrongen lijkt te zijn van de regels omtrent de sollicitatieplicht tijdens de schuldsaneringsregeling.

2.5

Daarnaast stelt verzoeker met 28 uur per week het maximaal haalbare voor hem te hebben bereikt nu hij voor 70% arbeidsongeschikt zou zijn verklaard. Verzoeker heeft geen enkel keuringsrapport dan wel een medische rapportage overgelegd waaruit de door hemzelf gestelde verminderde arbeidsgeschiktheid blijkt of althans kan worden herleid. Bovendien heeft verzoeker aangegeven op termijn bij zijn huidige werkgever fulltime te willen werken. Kennelijk acht verzoeker zich wel in staat fulltime te kunnen werken indien die mogelijkheid zich zou voordoen bij zijn huidige werkgever.”

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] stelt voorop dat hij wel degelijk bereid is om op termijn fulltime te gaan werken. Hij werkt op dit moment 28 uur per week. Zijn werkgever heeft aangegeven dat [appellant] in de toekomst mogelijk ook fulltime kan gaan werken. Dit vertrouwen en deze vooruitzichten zijn voor zowel [appellant] als zijn schuldeisers van belang, nu dit reële vooruitzichten zijn op een fulltime baan en het daarbij behorende salaris. [appellant] wil bij zijn huidige werkgever nagaan of een fulltime baan op korte termijn tot de mogelijkheden behoort. Dit vooruitzicht en deze mogelijkheid aftasten behoort in zijn ogen tot de meest reële kans om op korte termijn fulltime werk te genereren. In dat kader is het redelijk deze mogelijkheid eerst na te gaan alvorens aanvullende sollicitaties te verrichten. Daarnaast merkt [appellant] op dat hij bereid is, wanneer fulltime werken bij zijn huidige werkgever niet tot de mogelijkheden behoort, om aanvullend te solliciteren of van baan te wisselen als hij ergens anders wel fulltime aan de slag kan. Voorts heeft de rechtbank onvoldoende rekening gehouden met de arbeidsrechtelijke positie van [appellant] en het concurrentiebeding dat hij is overeengekomen met zijn huidige werkgever. Dit beperkt hem in het solliciteren naar vergelijkbare functies, functies waarvoor hij in ieder geval de benodigde kwaliteiten en capaciteiten beschikt. Zulks maakt het wisselen van baan lastiger voor hem hetgeen hij ook ter zitting tot uitdrukking heeft willen brengen. Dat hij zich zorgen maakt over een wisseling van baan en de voorkeur heeft zijn uren bij zijn huidige werkgever uit te breiden in plaats van te solliciteren naar een andere baan maakt niet dat hij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren zal nakomen en dat hij zich niet zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. [appellant] stelt zich voorts op het standpunt dat hij niet zonder meer andere functies dan zijn huidige functie in een fulltime dienstverband kan vervullen. Bij zijn huidige werkgever wordt rekening gehouden met zijn capaciteiten en belastbaarheid. Het werk dat hij nu verricht is geschikt voor hem en hij is juist gezien de verplichtingen voorvloeiende uit de schuldsaneringsregeling bereid dit werk fulltime uit te voeren. [appellant] is echter niet volledig arbeidsgeschikt om zonder meer ook andere, mogelijk zwaardere, functies fulltime te kunnen uitvoeren. Hij stelt zich op het standpunt dat hij niet in staat is om zonder aanpassingen iedere functie fulltime te kunnen verrichten, althans dat hij enkel fulltime werk kan verrichten wanneer rekening wordt gehouden met zijn capaciteiten en belastbaarheid.

In het beroepschrift is opgemerkt dat op [echtgenoot van appellant] , met wie [appellant] in gemeenschap van goederen is gehuwd, de wettelijke schuldsaneringsregeling van toepassing is verklaard.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] stelt dat hij gedurende de toelatingszitting, waarbij hij en zijn echtgenoot [echtgenoot van appellant] niet door een advocaat werden bijgestaan, dermate nerveus was dat hij een aantal uitlatingen heeft gedaan die hij, achteraf bezien, beter niet had kunnen doen omdat deze ten aanzien van zijn saneringsgezindheid wellicht een onjuist beeld hebben geschetst. Hij wil zich, daarbij zijn medische beperkingen in acht nemend, absoluut inspannen om in geval van een eventuele toelating tot de schuldsaneringsregeling zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Die medische beperkingen bestaan uit een (ernstige) vorm van dyslexie en dyscalculie. Bij de Sociale Dienst heeft hij met betrekking tot deze beperkingen een interview gehad waarbij zijn antwoorden in een computersysteem werden verwerkt. Op grond van deze antwoorden berekende dit computersysteem vervolgens een arbeidsongeschiktheid van 70%. Een uitdraai van deze berekeningen is hem echter niet ter hand gesteld en thans dus ook niet voorhanden. Op dit moment werkt [appellant] al vier jaar als kapper in dezelfde kapperszaak. Daar wordt rekening gehouden met zijn beperkingen, zo is het hem bijvoorbeeld niet toegestaan om de kassa te bedienen. Hij werkt er nu voor 28 uur per week, maar zijn baas heeft hem te verstaan gegeven niet uit te sluiten dat dit urenaantal in de nabije toekomst wellicht zal kunnen worden uitgebreid. Een concretere termijn is hierbij evenwel niet genoemd. Met betrekking tot de schuld aan het CJIB stelt [appellant] feitelijk niet te weten hoe deze precies heeft kunnen ontstaan, [echtgenoot van appellant] regelt immers al zijn administratieve aangelegenheden. [appellant] heeft wel een rijbewijs en een auto en deze auto, een Opel Astra met kenteken [kenteken] , wordt door hem met enige regelmaat aan derden uitgeleend. [appellant] sluit niet uit dat deze derden hier wellicht, en buiten zijn medeweten, overtredingen mee hebben begaan waarvoor [appellant] als kentekenhouder beboet is. Op de vraag of [appellant] zelf wel eens is beboet voor bijvoorbeeld het rijden door rood licht, bleef hij ter zitting het antwoord schuldig. Ook de aard en ontstaansgeschiedenis van zijn fiscale schulden weet [appellant] desgevraagd niet te duiden.

Aan het slot van dit betoog heeft [appellant] vervolgens plotseling zonder vooraankondiging of nadere uitleg uit eigen beweging de zitting in hoger beroep verlaten en is hij niet meer teruggekeerd.

3.7.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – desgevraagd nog het volgende aangevoerd. Op zich loopt het beschermingsbewind goed, [echtgenoot van appellant] treedt weliswaar namens [appellant] op als contactpersoon, maar op zich ligt er nu wel een stabiel budgetplan en is de schuld van [appellant] , die aanvankelijk circa € 123.000,00 bedroeg, inmiddels gereduceerd tot het actuele bedrag van ruim € 81.000,00.

3.8.

[echtgenoot van appellant] heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – desgevraagd nog het volgende aangevoerd. Het klopt dat er door hem diverse voertuigen van derden, waaronder in ieder geval een auto, een scooter en een vouwwagen, op zijn naam en op naam van [appellant] zijn gezet. [appellant] is hiervan op zich wel op de hoogte, maar weet er inderdaad niet het fijne van. Voorts bevestigt [echtgenoot van appellant] het verhaal van [appellant] met betrekking tot de vaststelling van de 70% arbeidsongeschiktheid door de Sociale Dienst.

3.9.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.9.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.9.2.

Uit de schuldenlijst blijkt dat er sprake is van een aanzienlijke preferente belastingschuld. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Temeer nu [appellant] verzuimt de aard en ontstaansgeschiedenis met betrekking tot deze belastingschuld ex artikel 3.1.2.6. sub g van het Procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken middels onderliggende bescheiden dan wel anderszins te onderbouwen acht het hof het onvoldoende aannemelijk dat hij ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest. Een en ander klemt des temeer nu [appellant] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook niet in staat is gebleken om de aard en ontstaansgeschiedenis van deze belastingschuld desgevraagd ook maar enigszins te duiden.

3.9.3.

Ten aanzien van de schuld aan het CJIB oordeelt het hof als volgt. Uit punt 5.4.4. van voornoemde bijlage volgt eveneens dat bij (substantiële) geldboetes die zijn opgelegd ter zake van verkeersovertredingen in beginsel ook geen sprake is van schulden waarvan aannemelijk is dat zij te goeder trouw zijn ontstaan. Daarbij zijn door [appellant] geen omstandigheden aangevoerd die tot een ander oordeel leiden. Het hof merkt hierbij op dat het door het CJIB op 19 december 2017 opgestelde schuldenoverzicht maar liefst een twaalftal separate boetes vermeld verdeeld over drie verschillende kentekens, maar dat geen van deze kentekens ziet op de Opel Astra waarvan [appellant] middels overlegging van het bijbehorende kentekenbewijs heeft aangetoond dat deze op zijn naam geregistreerd is. Het moet er dus voor worden gehouden dat [appellant] , in ieder geval op enig moment dan wel gedurende een bepaalde periode, tenminste vier motorvoertuigen, althans voertuigen met een eigen kenteken, op zijn naam geregistreerd heeft gehad. Dit gegeven in combinatie met hetgeen hieromtrent door zowel [appellant] als [echtgenoot van appellant] is verklaard maakt dat het hof zich maar moeilijk aan de indruk kan onttrekken dat niet alleen [echtgenoot van appellant] , maar ook [appellant] (op enig moment), al dan niet met volledig medeweten en/of instemming, als een zogenoemde “katvanger” is opgetreden, een strafbaar feit ingevolge artikel 51 Wegenverkeerswet 1994. Het hof is op grond hiervan van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest en daarbij acht het hof de hiervoor vermelde omstandigheden reeds voldoende ernstig om afwijzing van het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te rechtvaardigen. Voorts overweegt het hof nog het navolgende. [appellant] heeft, deels tezamen met zijn echtgenoot, op zeer jonge leeftijd op een breed terrein een grote hoeveelheid schulden voor een hoog totaalbedrag laten ontstaan. Met de enkele verklaring dat dit het gevolg is van impulsieve keuzes heeft [appellant] niet aannemelijk gemaakt dat de schulden te goeder trouw zijn ontstaan.

3.9.4.

Daar komt evenwel nog bij dat het hof eveneens van oordeel is dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Ook bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft [appellant] immers zowel nadrukkelijk als impliciet te kennen gegeven zijn huidige parttime arbeidsbetrekking om hem moverende redenen niet te willen beëindigen en het solliciteren naar een andere fulltime dan wel aanvullende parttime arbeidsbetrekking uit te willen stellen omdat hem bij zijn huidige werkgever op (vooralsnog onbekende) termijn een mogelijke, en in omvang eveneens vooralsnog nog onbekende, urenuitbreiding zou zijn toegezegd.

3.9.5.

Voorts blijft [appellant] , ook in hoger beroep, aandragen dat er bij hem sprake is van een aanzienlijke arbeidsbeperking, volgens [appellant] is hij 70% arbeidsongeschiktheid, zonder deze gestelde arbeidsbeperking middels medische verklaringen dan wel keuringsrapportages nader te onderbouwen. De stukken van de Sociale dienst waarnaar verwezen is, acht het hof hiervoor onvoldoende. Een en ander klemt des temeer nu de rechtbank in rechtsoverweging 2.5. van het vonnis waarvan beroep hem het ontbreken van dergelijke bescheiden nadrukkelijk heeft aangerekend. Daar komt bij dat naar het oordeel van het hof uit de beperkingen die door [appellant] worden genoemd, in casu dyslexie en dyscalculie, in beginsel niet rechtstreeks een in uren beperkt arbeidsvermogen volgt. [appellant] is geschoold in het kappersvak en -zonder deskundige onderbouwing hiervan, welke ontbreekt- valt niet direct in te zien waarom [appellant] op basis van de genoemde aandoeningen/stoornissen wel 28 uur per week maar niet 36 uur per week zou kunnen werken. Andere aandoeningen dan wel problemen zijn daarbij door [appellant] ook in het geheel niet aangedragen.

3.9.6.

In het kader van het door [appellant] gedane beroep op het feit dat zijn echtgenoot (al) wel is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling wijst het hof erop dat ingevolge HR 4 juni 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO6933, ten aanzien van beide echtgenoten individueel moet worden bezien of toelating tot de schuldsaneringsregeling voor ieder van hen aan de orde is. Een in het voordeel van zijn echtgenoot uitvallende beslissing kan dan ook niet dwingend in zijn voordeel werken. Het hof realiseert zich dat de echtgenoot van [appellant] met kennelijk dezelfde schuldenlijst door de rechtbank wel is toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Dat vonnis ligt echter niet ter beoordeling van het hof voor. Het hof heeft in deze zaak alleen te oordelen over de aanvraag van [appellant] . Dat [appellant] om meerdere redenen thans niet voor toepassing van de schuldsaneringsregeling in aanmerking komt, heeft het hof in het voorgaande reeds gemotiveerd.

3.9.7.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellant] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.10.

Het vonnis waarvan beroep zal - onder aanvulling van de gronden - worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, S.M.A.M. Venhuizen en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2018.