Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4257

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
200.244.663_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2018:4254
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schuldenaar is niet-ontvankelijk in het hoger beroep nu er sprake is van een niet verschoonbare termijnoverschrijding met betrekking tot de indiening van het beroepschrift.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-02-2019
FutD 2019-0390
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 11 oktober 2018

Zaaknummer : 200.244.663/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/02/345377 / FT RK 18-542

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. P.W. Bakkum te Zierikzee, gemeente Schouwen-Duiveland.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 14 augustus 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 23 augustus 2018, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen, de schuldsaneringsregeling toe te passen en hem tot de schuldsaneringsregeling toe te laten.

2.2.

Gelet op de onderlinge samenhang met de zaak welke bij het hof geregistreerd is onder nummer 200.244.662/01 heeft het hof de beide zaken gevoegd behandeld.

De gezamenlijke mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 oktober 2018. Bij die gelegenheid zijn [appellant] en [appellante in 200.244.662_01] , hierna te noemen: [appellante in 200.244.662_01] , beiden bijgestaan door mr. Bakkum, gehoord.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 7 augustus 2018;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 28 september 2018;

- de ter zitting in hoger beroep door [appellant] overgelegde stukken, te weten: zijn belastingaangifte over het jaar 2015 en zijn loonstrook over de maand september 2018.

3 De beoordeling

3.1.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 563.285,25. Daaronder bevindt zich een preferente belastingschuld van € 283.608,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.2.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.5 De rechtbank is van oordeel dat verzoeker niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van de schulden aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest. De omvang van de vordering van de Belastingdienst vormt een substantieel deel van de totale schuldenlast. Van de totale vordering van de Belastingdienst ad € 286.107,00 ziet een bedrag van € 231.672,00 op naheffingsaanslagen omzetbelasting over de jaren 2009 tot en met 2013 vanwege het niet (tijdig) voldoen aan de aangifte- of afdrachtplicht. De rechtbank acht deze vordering aan verzoeker verwijtbaar, nu dit algemeen erkende verplichtingen zijn voor een ondernemer. Daarnaast is op 16 augustus 2017 aan verzoeker een aanslag inkomstenbelasting over 2015 opgelegd ten bedrage van € 18.599,00. Verzoeker heeft in 2015 een verzekering afgekocht, waarvan de afkoopwaarde € 42.000,00 bedroeg. Ook deze vordering acht de rechtbank aan verzoeker verwijtbaar omdat hij wist dan wel had kunnen weten dat hij hierover belasting verschuldigd was. Nu voornoemde schulden aan de Belastingdienst bovendien voor een deel zijn ontstaan in een periode van vijf jaar voorafgaand aan indiening van onderhavig verzoek zal de rechtbank het verzoek afwijzen.”

3.4.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift als toelichting op grief 1 het volgende aangevoerd. “De rechtbank had rekening moeten houden met de bijzondere omstandigheden van het geval, waardoor de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat [appellant] niet te goeder trouw is geweest.”

3.5.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. Ten aanzien van de ontvankelijkheid en de vragen van het hof over de tijdigheid van het beroepschrift stelt de advocaat van [appellant] in de veronderstelling te zijn dat hij op 20 augustus 2018 het beroepschrift inclusief vonnis waarvan beroep met betrekking tot zowel [appellant] als zijn partner [appellante in 200.244.662_01] per fax aan het hof heeft doen toekomen. Dat hij, zoals het hof geconstateerd heeft, tot tweemaal toe het beroepschrift van [appellante in 200.244.662_01] aan het hof heeft doen toekomen per fax, zij het éénmaal onder bijvoeging van het vonnis in eerste aanleg in de zaak van [appellant] en éénmaal onder bijvoeging van het vonnis in eerste aanleg van [appellante in 200.244.662_01] , is hem niet bekend.

[appellant] stelt voorts dat zijn schulden het gevolg zijn van allerlei zakelijke tegenslagen, juridische procedures tegen onder andere de gemeente en de crisis. Daarbij zou ook de hoogte van zijn fiscale schulden onjuist door de Belastingdienst zijn vastgesteld omdat hij, in tegenstelling tot hetgeen de Belastingdienst stelt, in 2015 wel degelijk inkomstenbelasting over zijn afgekochte levensverzekering heeft voldaan, althans, hiervan in ieder geval aangifte heeft gedaan. Ook wordt hij aangeslagen voor omzetbelasting over jaren waarin hij al lang geen eigen onderneming meer dreef. Dat [appellant] deze stellingen niet allemaal middels onderliggende bescheiden kan onderbouwen komt omdat hij tot voor kort ten onrechte in de veronderstelling leefde dat hij in het kader van de goede trouw-toets de stukken van de laatste vijf jaren van zijn onderneming moest overleggen en niet de stukken van de laatste vijf jaren voorafgaand aan zijn toelatingsverzoek. Dat hij met betrekking tot de destijds door hem gedreven eigen onderneming in het geheel geen jaarstukken heeft overgelegd komt volgens [appellant] omdat de boekhouder deze stukken, in verband met niet betaalde rekeningen, niet wil opmaken dan wel vrijgeven. Tot slot doet [appellant] een nadrukkelijk beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw omdat hij thans geen eigen onderneming meer drijft en zijn schuldenlast veelal zakelijk van aard is. Ook werkt hij inmiddels parttime waarnaast hij (aanvullend) solliciteert.

3.6.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.6.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren.

3.6.2.

Daaraan voorafgaand dient echter te worden beoordeeld of [appellant] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep. Het hof oordeelt daaromtrent als volgt.

3.6.3.

De uitspraak in eerste aanleg dateert van 14 augustus 2018. De appeltermijn eindigde acht dagen nadien, derhalve op 22 augustus 2018. Het beroepschrift als ingesteld door [appellant] is eerst ter griffie op 23 augustus 2018 per gewone post binnengekomen en dus (in beginsel) te laat. Bij de beoordeling of deze overschrijding van de appeltermijn wellicht verschoonbaar moet worden geacht stelt het hof, mede overeenkomstig het arrest van de Hoge Raad van 11 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1682, het navolgende voorop.

3.6.4.

Uitgangspunt is dat in het belang van een goede rechtspleging duidelijkheid dient te bestaan omtrent het tijdstip waarop een termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie begint te lopen (en eindigt), en dat aan beroepstermijnen strikt de hand moet worden gehouden. Slechts onder bijzondere omstandigheden kan daarop een uitzondering worden gemaakt. Een uitzondering is met name gerechtvaardigd indien degene die beroep instelt ten gevolge van een door (de griffie van) de rechtbank of het hof begane fout of verzuim niet tijdig wist en redelijkerwijs ook niet kon weten dat de rechter uitspraak heeft gedaan en de uitspraak hem als gevolg van een niet aan hem toe te rekenen fout of verzuim pas na afloop van de termijn voor het instellen van hoger beroep of cassatie is toegezonden of verstrekt.

3.6.5.

Van een dergelijke gerechtvaardigde uitzondering is in onderhavige zaak evenwel geen enkele sprake. De advocaat heeft bij faxbericht van 20 augustus 2018 immers tweemaal het beroepschrift van [appellante in 200.244.662_01] gefaxt. Als bijlage bij die beroepschriften is éénmaal het vonnis van [appellant] en éénmaal het vonnis van [appellante in 200.244.662_01] gevoegd. Uit de enkele toezending van het vonnis van [appellant] als bijlage bij een gefaxt beroepschrift van [appellante in 200.244.662_01] kan niet het instellen van beroep in de zaak [appellant] worden afgeleid. Van een door (de griffie van) de rechtbank dan wel het hof begane fout of verzuim is derhalve in elk geval in het geheel niet gebleken. Het beroepschrift van [appellant] is aansluitend eerst op 23 augustus 2018, en dus te laat, door de griffie van dit hof per gewone post ontvangen. Het hof ziet ook overigens in de geschetste omstandigheden onvoldoende reden voor het maken van een uitzondering op strikte handhaving van termijnoverschrijding. Het hof acht onder deze omstandigheden de termijnoverschrijding niet verschoonbaar en de slotsom is dan ook dat [appellant] in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk is.

3.6.6.

Ten overvloede overweegt het hof dat [appellant] , ook indien hij wel ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep zou zijn geweest, niet zou zijn toegelaten tot de schuldsaneringsregeling en overweegt daartoe als volgt.

3.6.7.

Er is sprake van een aanzienlijke (preferente) schuld aan de Belastingdienst. Een belastingschuld die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Temeer nu [appellant] bovendien verzuimt zijn stellingen met betrekking tot deze belastingschuld ex artikel 3.1.2.6. sub g van voornoemd procesreglement middels schriftelijke bewijsstukken dan wel anderszins te onderbouwen acht het hof het onvoldoende aannemelijk gemaakt dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van de schuld aan de Belastingdienst te goeder trouw is geweest.

3.6.8.

Daarbij komt dat [appellant] in het geheel geen jaarstukken met betrekking tot de door hem gedreven onderneming heeft overgelegd. Er is dan ook geen, of althans onvoldoende inzicht gegeven in het ontstaan van de zakelijke schulden. Het hof kan niet nagaan welke lasten zijn betaald en waaraan de omzet is besteed en in hoeverre een en ander eventueel heeft doorgewerkt in het ontstaan en/of onbetaald laten van andere schulden in de periode van vijf jaar voorafgaand aan het indienen van het verzoekschrift ex artikel 284 Fw. . Dat [appellant] mogelijk om financiële redenen geen jaarstukken heeft laten opmaken ontslaat hem enerzijds niet van de op hem rustende verplichting dat te allen tijde zijn rechten en verplichtingen kunnen worden gekend (vgl. art. 3:15i BW), terwijl anderzijds door het gebrek aan bepaalde jaarstukken men geen goed althans een minder overzicht heeft van het financiële reilen en zeilen van een onderneming. Aan de hand van dergelijke stukken zou het hof zich immers een deugdelijk en inzichtelijk beeld hebben kunnen vormen met betrekking tot de financiële huishouding van de onderneming, alsook met name met betrekking tot de vraag of voldoende aannemelijk is gemaakt dat de schulden gedurende een periode van vijf jaar voorafgaand aan indiening van het verzoekschrift te goeder trouw onbetaald zijn gelaten. [appellant] heeft voorts weliswaar aangevoerd zijn onderneming in 2011 te hebben gestaakt, maar hij heeft ter zitting er geen verklaring voor kunnen geven dat hem tot in 2013 nog aanslagen Omzetbelasting zijn opgelegd, welke aanslagen onherroepelijk zijn geworden.

3.6.9.

Het hof heeft voorts vastgesteld dat de onderbouwing, al dan niet door middel van onderliggende bescheiden, ten aanzien van een groot aantal schulden zoals vermeld op de verklaring ex art. 285 Fw ontbreekt, zodat ook om die reden van deze schulden niet kan worden vastgesteld of deze te goeder trouw zijn ontstaan.

3.6.10.

Daarbij is het hof tot slot van oordeel dat het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule ex art. 288 lid 3 Fw niet zou hebben kunnen slagen nu hij onvoldoende inzichtelijk heeft weten te maken welke omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden hij thans onder controle heeft gekregen. De door [appellant] genoemde omstandigheid met betrekking tot het niet meer drijven van een eigen onderneming kan per definitie uitsluitend betrekking hebben op het feit dat er thans geen nieuwe zakelijk schulden meer zouden kunnen ontstaan. Uit de schuldenlijst van [appellant] blijkt echter dat er ook sprake is van een aanzienlijk aantal niet zakelijke schulden. Ten aanzien van de tweede door [appellant] genoemde omstandigheid, het hebben van een (parttime) arbeidsbetrekking in loondienst, merkt het hof op dat [appellant] het voorheen niet hebben van een arbeidsbetrekking in loondienst niet heeft aangevoerd als een omstandigheid welke met betrekking tot het ontstaan en onbetaald laten van zijn schuldenlast bepalend is geweest.

3.7.

Gelet op het voorgaande is [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, S.M.A.M. Venhuizen en M.W.M. Souren en in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2018.