Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4235

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
05-12-2018
Zaaknummer
17/00397
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:2632, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen overschrijding opbrengstlimiet als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet. Belanghebbendes grief dat de tariefstelling leidt tot onredelijke en willekeurige belastingheffing slaagt evenmin. De aanslag leges wordt gehandhaafd.

Wetsverwijzingen
Gemeentewet 229b
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-12-2018
V-N Vandaag 2018/2688
FutD 2018-3245
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00397

Uitspraak op het hoger beroep van

de heffingsambtenaar van de Gemeente [X] ,

hierna: de Heffingsambtenaar,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 26 april 2017, nummer BRE 15/7713, in het geding tussen

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna vermelde aanslag leges.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 10 maart 2015 een (definitieve) aanslag leges ter hoogte van € 498.993,12 opgelegd ter zake van de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning voor de bouw van een Hotel-Restaurant met vergaderaccommodatie en parkeerplekken in de gemeente [X] (hierna: de aanslag). De aanslag is, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Heffingsambtenaar gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 331.

De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de uitspraak op bezwaar alsmede de aanslag vernietigd. De Rechtbank heeft daarbij de Heffingsambtenaar veroordeeld tot vergoeding van het door belanghebbende betaalde griffierecht.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Heffingsambtenaar hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Tijdens na te vermelden onderzoek ter zitting heeft belanghebbende het incidenteel hoger beroep ingetrokken, omdat zij door de Rechtbank geheel in het gelijk is gesteld en dus het incidenteel hoger beroep voor haar niet tot een beter resultaat kan leiden. Hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd in het incidenteel hoger beroep wordt aangemerkt als deel van het verweer.

1.5.

Partijen hebben op grond van artikel 8:58 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) vóór de zitting stukken ingediend, die door de griffier zijn verstrekt aan de wederpartij.

1.6.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 16 maart 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Op deze zitting zijn toen verschenen en gehoord de heren [A] en [B] namens belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, de heren [C] , [D] en [E] .

1.7.

De Heffingsambtenaar heeft ter zitting een machtiging overgelegd aan het Hof. Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. Belanghebbende heeft tevens een formulier proceskosten overgelegd.

1.8.

Het Hof heeft het onderzoek aan het einde van de zitting gesloten.

1.9.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het verhandelde ter zitting staat het volgende vast:

2.1.

Belanghebbende heeft op 29 december 2014 een aanvraag ingediend voor een omgevingsvergunning voor de bouw van een hotel-restaurant met vergaderaccommodatie aan [adres] 8 te [plaats] (hierna: het bouwwerk).

2.2.

De omgevingsvergunning is op [datum] 2015 verleend.

2.3.

Bij openbare vergadering van 13 november 2013 heeft de raad van de gemeente [X] de ‘Verordening op de heffing en invordering van leges 2014’ vastgesteld (hierna: Legesverordening 2014). De Legesverordening 2014 is op 23 november 2013 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Bij openbare vergadering van 10 maart 2014 heeft de raad van de gemeente [X] de ‘Verordening op de heffing en invordering van leges 2014-1’ vastgesteld (hierna: Legesverordening 2014-1). De Legesverordening 2014-1 is op 13 maart 2014 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

2.4.

Op grond van de Legesverordening 2014-1 worden leges geheven voor het in behandeling nemen van een vergunningaanvraag. Met dagtekening 10 maart 2015 is voor het in behandeling nemen van de onder 2.1 vermelde aanvraag aan belanghebbende een legesfactuur gestuurd van € 498.993,12 (de aanslag).

2.5.

De aanslag is berekend op basis van het tarief zoals opgenomen in hoofdstuk 8.3 van de tarieventabel behorende bij de Legesverordening 2014-1 (hierna: de Tarieventabel):

‘8.3 Omgevingsvergunning

8.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een bouwactiviteit (...), bedraagt het tarief: (...)

8.3.1.1.6 Indien de bouwkosten € 5.000.000 of meer bedragen: € 140.820,00 vermeerderd met: 2,60% van de bouwkosten minus € 5.000.000, met een maximum van € 650.000,00.’.

2.6.

De aanslag is gebaseerd op een bouwkostenbedrag van € 18.775.889,20. Dit bedrag is berekend op grond van bijlage 1 van de Tarieventabel (hierna: de Bouwkostentabel). Daarbij is voor het grootste deel van het bouwwerk (13.650 m²) de bouwkostennorm voor ‘Restaurants, cafés, cafetaria's en hotels (horeca)’ van € 1.315 per m² toegepast (onderdeel 3.8 van de Bouwkostentabel). Voor de overige 1.538,8 m² is de bouwkostennorm voor ‘Parkeergarage bovengronds’ respectievelijk ‘Parkeergarage ondergronds’ van € 303 per m² respectievelijk van € 549 per m² (onderdelen 3.19 en 3.20 van de Bouwkostentabel) toegepast. De werkelijke bouwkosten bedragen ongeveer € 11.920.000. De genormaliseerde kosten berekend volgens het Nederlands Bouwkosten Instituut bedragen € 13.233.826,80. Bij zijn brief van 5 maart 2018 heeft de Heffingsambtenaar pagina’s uit de KengetallenKompas Bouwkosten 2014 overgelegd, waaruit voor een driesterrenhotel volgt dat de bouwkosten voor een BVO € 1.218 tot € 1.449 bedragen en voor een viersterrenhotel € 1.416 tot € 1.785.

2.7.

De Heffingsambtenaar heeft een notitie van 16 juni 2015 overgelegd met als onderwerp ‘Toelichting kostentoerekening leges 2014 en specificatie relevante pagina's uit de Programmabegroting 2014 en Jaarstukken 2014’ (hierna: de notitie). De notitie bevat de volgende bijlagen:

- ‘ Kostendekkendheid legesverordening 2014.1’

Dit overzicht geeft per legescategorie de geraamde baten en lasten weer alsmede de daaruit volgende kostendekkingspercentages. Dit overzicht vermeldt een kostendekkingspercentage voor de gehele Legesverordening 2014-I van 80,07% met als baten € 10.920.100 en als lasten € 13.637.400;

- ‘ Tarieven Salariskosten 2014 per functieschaal per fte’

- ‘ Opslag indirecte kosten en overhead tbv bouwleges’;

- ‘ Opbouw toegerekende kosten: Bouwen’

In de notitie wordt verwezen naar pagina's uit de Programmabegroting 2014 en de Jaarstukken 2014. Zowel de Programmabegroting 2014 als de Jaarstukken 2014 zijn in hoger beroep overgelegd. Voorts heeft de Heffingsambtenaar bij zijn brief van 2 maart 2017 overgelegd een kostenverdeelstaat Legesverordening van 26 pagina’s met een kostenverdeling inzake de leges.

2.8.

In de Programmabegroting 2014 heeft de gemeenteraad ten aanzien van de kostendekkendheid van de legesverordening (uitsluitend) het volgende opgenomen (pagina 183):

‘Bouwleges

Bij de bouwleges gaan we uit van 100% kostendekkendheid, dat betekent een verhoging van de bouwleges met 1,1%. De opbrengst begroten we op € 5,7 miljoen.

Kostendekkendheid Legesverordening

Het dekkingspercentage van de totale legesverordening mag (wettelijk) maximaal 100% bedragen. Individuele leges mogen wel een overdekking kennen maar alle leges gezamenlijk mogen maximaal 100% van de kosten dekken. Voor 2013 bedroeg dit overallpercentage 73%. Voor 2014 is sprake van een 77,8% kostendekkendheid.’.

In de Jaarstukken 2014 (blz. 221) is voorts opgenomen, dat van de totale programmakosten 80,4% directe programmakosten zijn en 19,6% overheadkosten.

Omdat in de Programmabegroting 2014 de geraamde baten en lasten ter zake van de leges niet zijn opgenomen, heeft de raad van de gemeente [X] ervoor gekozen om in de bij de legesverordeningen behorende Memorie van Toelichting de kostendekkendheid van de leges op te nemen. Voor de Legesverordening 2014 bedragen de geraamde lasten € 13.637.000 en de geraamde baten bedragen € 10.614.000 met een kostendekkendheid van 77,8%. Voor de Legesverordening 2014-1 zijn in de Memorie van Toelichting de geraamde lasten van € 13.637.000 en de geraamde baten € 10.920.000 opgenomen. De kostendekkendheid wijzigt hierdoor van 77,8% (afgerond 78%) naar 80,07% (afgerond 80%). De Legesverordening 2014-1 is vastgesteld, omdat onder meer de door het Rijk vastgestelde tarieven voor paspoorten en rijbewijzen later worden vastgesteld dan het moment waarop de legesverordening voor het jaar daarna wordt vastgesteld.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil in hoger beroep betreft het antwoord op de volgende vragen:

I. Had de Rechtbank bij de tussenuitspraak de Heffingsambtenaar in de gelegenheid moeten stellen de Programmabegroting 2014 over te leggen alvorens uitspraak te doen of had de Rechtbank de zaak moeten terugwijzen naar de Heffingsambtenaar om opnieuw uitspraak op bezwaar te kunnen doen?

II. Moet de aanslag worden vernietigd, omdat de opbrengstlimiet als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet is overschreden?

III. Moet de aanslag worden vernietigd, omdat de tariefstelling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing?

IV. Staat het de gemeente vrij de leges te berekenen op basis van een bouwsom die volgt uit de Bouwkostentabel?

De Heffingsambtenaar beantwoordt vragen I en IV bevestigend en vragen II en III ontkennend. Belanghebbende verdedigt een tegenovergestelde beantwoording.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

De Heffingsambtenaar concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en tot ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep. Belanghebbende concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

3.4.

Belanghebbende heeft tijdens het onderzoek ter zitting verklaard dat het vermelde in incidenteel hoger beroep moet worden opgevat als verweer en dat het incidenteel hoger beroep wordt ingetrokken.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Vraag I

4.1.

De zaak is door de Rechtbank behandeld door een enkelvoudige Kamer met een onderzoek ter zitting op 17 januari 2017. Na het sluiten van het onderzoek aan het einde van de zitting heeft de Rechtbank het onderzoek heropend bij brief van 24 januari 2017. Hierbij is de zaak verwezen naar een meervoudige Kamer. De Heffingsambtenaar heeft op 2 maart 2017 aanvullende stukken ingediend. Vervolgens is de zaak door een meervoudige Kamer van de Rechtbank behandeld met een onderzoek ter zitting op 16 maart 2017, waarna op 26 april 2017 uitspraak is gedaan.

4.2.

De klacht van de Heffingsambtenaar dat de Rechtbank hem in de gelegenheid had moeten stellen de Programmabegroting 2014 over te leggen alvorens uitspraak te doen faalt. Evident is dat de Programmabegroting 2014 in zijn geheel (zie Hoge Raad 4 mei 2018, 16/04237, ECLI:NL:HR:2018:672, onder 3.4.2, iv) een op de zaak betrekking hebbend stuk als bedoeld in artikel 8:42 van de Awb is, dat de Heffingsambtenaar reeds bij zijn verweerschrift in eerste aanleg had dienen te overleggen, omdat inzake de onderhavige materie uit jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat de vaststelling van tarieven als bedoeld in artikel 229b van de Gemeentewet berust op een raming, welke raming moet berusten op gegevens omtrent geraamde baten en lasten in de gemeentebegroting voor het desbetreffende jaar dan wel gegevens die op geraamde baten en lasten in die begroting zijn terug te voeren. In het bijzonder volgt uit de omstandigheid dat de Heffingsambtenaar in zijn bij zijn uitspraak op bezwaar gevoegde notitie van 16 juni 2015 is ingegaan op de Programmabegroting 2014, dat de Heffingsambtenaar zich had kunnen en moeten realiseren dat hij dit op de zaak betrekking hebbende stuk bij zijn verweerschrift in eerste aanleg – aan de belastingrechter – had moeten overleggen. Dat belanghebbende reeds over de Programmabegroting 2014 en de jaarrekening 2014 beschikte, is niet van doorslaggevend belang, omdat artikel 8:42 van de Awb er vooral ook toe dient aan het bestuursorgaan de verplichting op te leggen ervoor te zorgen dat de (belasting)rechter over een compleet dossier beschikt (Hoge Raad 17 augustus 2018, 17/00879. ECLI:NL:HR:2018:1319). De Heffingsambtenaar kon er dan ook niet door overvallen of, zoals hij schrijft, onaangenaam verrast, zijn dat de Rechtbank dit stuk miste. Bovendien heeft de Heffingsambtenaar de mogelijkheid om de Programmabegroting 2014 over te leggen vóór het onderzoek ter zitting op 17 januari 2017 of na het heropenen van het onderzoek ongebruikt gelaten. Het is niet aan de Rechtbank om een procespartij, in dit geval de Heffingsambtenaar, tot in detail te instrueren stukken over te leggen waarvan het voor de hand ligt dat deze worden overgelegd. Aldus is de Heffingsambtenaar door de onder 4.1 vermelde gang van zaken in eerste aanleg ruimschoots in de gelegenheid geweest zijn verzuim, om het op de zaak betrekking hebbende (gehele) stuk (de Programmabegroting 2014) bij zijn verweerschrift te overleggen, te herstellen en heeft hij dat nagelaten.

4.3.

In het belastingrecht volgt uit vaste jurisprudentie van de Hoge Raad, dat de belastingrechter een zaak definitief dient te beslissen en in de regel niet terugwijst naar het bestuursorgaan om deze een herkansingsmogelijkheid te geven. Derhalve faalt ook de klacht van de Heffingsambtenaar dat de Rechtbank de zaak had moeten terugwijzen naar de Heffingsambtenaar om opnieuw uitspraak op bezwaar te kunnen doen.

4.4.

Vraag I dient ontkennend te worden beantwoord.

Vraag II

Juridisch kader

4.5.

In artikel 217 van de Gemeentewet is bepaald – voor zover hier van belang – dat een belastingverordening de heffingsmaatstaf en het tarief vermeldt.

4.6.

In artikel 219, lid 2, van de Gemeentewet is neergelegd dat gemeentelijke belastingen kunnen worden geheven naar in de belastingverordeningen te bepalen heffingsmaatstaven met dien verstande dat het bedrag van een gemeentelijke belasting niet afhankelijk mag worden gesteld van het inkomen, de winst of het vermogen.

4.7.

Ingevolge artikel 229, lid 1, aanhef en onder b, van de Gemeentewet kunnen rechten worden geheven ter zake van het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten.

4.8.

Ingevolge artikel 229b, lid 1, van de Gemeentewet worden de tarieven voor de hiervoor bedoelde rechten zodanig vastgesteld dat de geraamde baten van die rechten niet uitgaan boven de geraamde lasten ter zake (de opbrengstlimiet).

4.9.

De op artikel 229 van de Gemeentewet gebaseerde Legesverordening 2014-1 luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

‘(…)

Artikel 2 Belastbaar feit

Onder de naam ‘leges’ worden rechten geheven voor:

a. het genot van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten;

(…)

een en ander zoals genoemd in deze verordening en de daarbij behorende tarieventabel.

(…)

Artikel 5 Tarieven

1. De leges worden geheven naar de tarieven, opgenomen in de bij deze verordening behorende tarieventabel.

(…).’.

4.10.

De aanslag is berekend op basis van het tarief dat is opgenomen in hoofdstuk 8.3 van de Tarieventabel (r.o. 2.5).

4.11.

Ten aanzien van de vraag of de opbrengstlimiet is overschreden, stelt het Hof het volgende voorop. De Hoge Raad heeft in zijn arresten van 24 april 2009, nr. 07/12961, ECLI:NL:HR:2009:BI1968 en van 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777 de uitgangspunten inzake stelplicht en bewijslastverdeling uiteengezet. Kort gezegd komen die er op neer dat de bewijslast ten aanzien van de feitelijke onderbouwing van het beroep op limietoverschrijding op de belanghebbende rust en dat op de Heffingsambtenaar, als zijnde de partij die over de relevante gegevens beschikt, een verzwaarde motiverings- en informatieverplichting rust.

4.12.

Het inzicht kan worden verschaft op basis van de gemeentelijke begroting, maar ook op basis van andere gegevens, waaronder ook gegevens die niet bekendgemaakt zijn ten tijde van de vaststelling van de verordening (Hoge Raad 16 april 2010, nr. 08/02001, ECLI:NL:HR:2010:BM1236). Van de gemeente mag niet worden verlangd dat zij van alle in de verordening en de bijbehorende tarieventabel genoemde diensten afzonderlijk en op controleerbare wijze vastlegt hoe zij de kosten ter zake daarvan heeft geraamd (Hoge Raad 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777 en vgl. Hoge Raad 4 februari 2005, nr. 38860, ECLI:NL:HR:2005:AP1951 en Hoge Raad 16 april 2010, nr. 08/02001, ECLI:NL:HR:2010:BM1236).

4.13.

Als een belanghebbende voldoende gemotiveerd heeft gesteld waarom naar zijn oordeel ten aanzien van een of meer bepaalde posten in de raming redelijke twijfel bestaat of sprake is van een ‘last ter zake’ mag aan de nadere inlichtingen die de heffingsambtenaar in dat geval dient te verstrekken, geen zwaardere eis worden gesteld dan dat deze functionaris naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – duidelijk maakt op grond waarvan hij de stelling(en) van de belanghebbende betwist, en waarom dus naar zijn oordeel de door de belanghebbende opgeworpen twijfel ongegrond is (Hoge Raad 4 april 2014, nr. 12/02475, ECLI:NL:HR:2014:777).

4.14.

Verder heeft de Hoge Raad in zijn arrest van 13 februari 2015, nr. 14/00655, ECLI:NL:HR:2015:282, beslist dat de beoordeling van de opbrengstlimiet ook na invoering van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) moet plaatsvinden op basis van het totaal van de geraamde baten van de rechten die in een verordening zijn geregeld, en het totaal van de geraamde lasten die de werkzaamheden meebrengen waarvoor deze rechten geheven worden.

4.15.

De Heffingsambtenaar heeft in zijn hoger beroepschrift toegelicht dat in de Programmabegroting 2014 de geraamde baten en lasten ter zake van de leges niet zijn opgenomen en dat de raad van de gemeente (daarom) ervoor heeft gekozen om in de bij de legesverordeningen behorende Memorie van Toelichting de kostendekkendheid van de leges op te nemen. De Heffingsambtenaar heeft erop gewezen dat de in de notitie opgenomen € 5.663.000 baten en lasten bouwleges (kostendekkendheid 100%) is terug te leiden tot de in de Programmabegroting 2014 vermelde € 5,7 miljoen.

4.16.

Voorts heeft de Heffingsambtenaar tijdens het onderzoek ter zitting toegelicht dat op het moment van het vaststellen van een legesverordening aan het einde van enig jaar (in dit geval eind 2013) voor het daarop volgende jaar (in dit geval 2014) een bekendmaking door het Rijk aan het begin van dit laatste jaar van onder meer de tarieven voor paspoorten en rijbewijzen tot gevolg heeft dat een aanpassing plaatsvindt van de eerder vastgestelde legesverordening. Voor de Legesverordening 2014 bedroegen in de Memorie van Toelichting de geraamde lasten € 13.637.000 en de geraamde baten € 10.614.000 met een kostendekkendheid van 77,8%. Voor de Legesverordening 2014-1 bedroegen in de Memorie van Toelichting de geraamde lasten (ongewijzigd) € 13.637.000 en de geraamde baten € 10.920.000 met een kostendekkendheid van 80,07%.

4.17.

De omstandigheid, dat bij de vaststelling van de Legesverordening 2014-1 de geraamde baten zijn aangepast ten opzichte van de raming ten tijde van de Programmabegroting 2014 en de Legesverordening 2014 en dus in zoverre de geraamde baten niet meer terug te voeren zijn op de begroting kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat aan deze bijgestelde raming voorbij zou moeten worden gegaan. Waar het om gaat, is dat de in een legesverordening vastgestelde tarieven ten tijde van de vaststelling van die verordening onderbouwd en realistisch zijn geraamd. Voor de vraag of bij de ramingen de opbrengstlimiet in acht is genomen, dient inzicht te worden verschaft in de desbetreffende ramingen, waarbij dat inzicht niet alleen kan worden verschaft op basis van de gemeentelijke begroting, maar ook op basis van andere gegevens, met name ten tijde van het vaststellen van een verordening (zie 4.12). In dit geval zijn voor de Legesverordening 2014-1 slechts de geraamde baten aangepast en de geraamde lasten hetzelfde gebleven, zodat de geraamde lasten in ieder geval (in beginsel) zijn terug te voeren op de ramingen ten tijde van de vaststelling van de Programmabegroting 2014 en de Legesverordening 2014. Ten aanzien van de geraamde baten € 10.920.000 heeft belanghebbende niets gesteld om te komen tot een redelijke twijfel ten aanzien van die raming ten tijde van de vaststelling van de Legesverordening 2014-1.

4.18.

Ter zake van de geraamde lasten heeft belanghebbende gesteld dat alleen een kostenverdeelstaat de kostendekkendheid kan aantonen vanuit de begroting en de jaarrekening, waarmee belanghebbende kennelijk bedoelt dat die kostenverdeelstaat een geheel sluitend op de begroting en de jaarrekening aansluiting gevend cijfermatig inzicht dient te geven. Nog daargelaten dat de Heffingsambtenaar bij de Rechtbank een kostenverdeelstaat voor alle leges heeft overgelegd, faalt deze stelling, gelet op hetgeen onder 4.12 is overwogen.

4.19.

Belanghebbende heeft haar twijfel geuit over de opslag voor indirecte kosten en overhead van 79% (€ 2.501.159/€ 3.161.389) voor de bouwleges. Zij wijst erop, dat in de Jaarrekening 2014 (blz. 221) de overheadkosten 19,6% bedragen. Voorts wijst zij erop, dat in andere gemeenten de opslag voor indirecte kosten en overhead 34%, 43% en 31% zijn.

4.20.

De Heffingsambtenaar heeft tijdens het onderzoek ter zitting toegelicht, dat de gemeente gecentraliseerd werkt, waardoor voor de ‘lasten ter zake van’ de bouwleges kosten van andere afdelingen, die niet onder de afdeling, gemakshalve hier genoemd, dienstverlening vallen moeten worden toegerekend aan de behandeling voor de aanvraag van een omgevingsvergunning. De in de Jaarrekening 2014 genoemde overheadkosten van 19,6% zien op overhead, bezien vanuit het perspectief van de gehele gemeente, terwijl, zo begrijpt het Hof de Heffingsambtenaar, voor de toerekening van kosten aan de bouwleges de directe programmakosten voor een deel daarvan aangemerkt moeten worden als indirecte kosten en overhead (bijvoorbeeld omdat arbeidskosten, ten behoeve van de aanvraag van een omgevingsvergunning, van een andere afdeling aan de bouwleges moeten worden toegerekend). De Heffingsambtenaar stelt dat er derhalve appels met peren worden vergeleken. Voorts stelt de Heffingsambtenaar dat met de notitie de ‘lasten ter zake van’ de bouwleges zijn onderbouwd.

4.21.

Het Hof acht de door de Heffingsambtenaar gegeven verklaring voor het verschil tussen 79% en 19,6% aan overheadkosten aannemelijk. Belanghebbende heeft daartegenover onvoldoende gesteld om haar redelijke twijfel gegrond te bevinden. Evenmin heeft belanghebbende voldoende gesteld om een redelijke twijfel te doen ontstaan over de in de notitie gegeven onderbouwing van de ‘lasten ter zake van’ de bouwleges. Dat voor belanghebbende ten aanzien van niet alle posten in deze notitie zekerheid of een volledig inzicht kan worden verkregen, maakt dit niet anders (zie onder 4.12).

4.22.

Ten aanzien van de overige door belanghebbende opgeworpen vragen en twijfels heeft de Heffingsambtenaar naar vermogen – dat wil zeggen in de mate waarin hij daartoe in de gegeven omstandigheden in redelijkheid in staat is – nadere inlichtingen verstrekt, die duidelijk maken op welke grond hij de opgeworpen vragen en twijfels van de belanghebbende betwist. Belanghebbende heeft daartegenover onvoldoende gesteld om haar twijfel gegrond te bevinden.

4.23.

Gelet op het vorenstaande dient vraag II ontkennend te worden beantwoord.

Vraag III

4.24.

De stelling van belanghebbende dat de tariefstelling leidt tot een onredelijke en willekeurige belastingheffing faalt. Zie: Hoge Raad 30 juni 2017, nr. 16/05127, ECLI:NL:HR:2017:1174 en Hoge Raad 8 december 2017, nr. 17/02931, ECLI:NL:HR:2017:3077.

4.25.

Ten aanzien van de stelling van belanghebbende dat de geheven leges in geen enkele verhouding staat tot de verrichte dienstverlening door de gemeente overweegt het Hof dat naar vaste jurisprudentie (Hoge Raad 24 december 1997, nr. 32569, ECLI:NL:HR:1997:AA3345, en Hoge Raad 14 augustus 2009, nr. 43120, ECLI:NL:HR:2009:BI1943) geen rechtstreeks verband is vereist tussen de hoogte van de geheven leges enerzijds en de omvang van de ter zake van gemeentewege verstrekte diensten dan wel de door de gemeente gemaakte kosten anderzijds.

4.26.

Vraag III moet ontkennend worden beantwoord.

Vraag IV

4.27.

Gelet op de onder 4.24 vermelde arresten en mede gelet op Hoge Raad van 19 juli 2015, 14/00520, ECLI:NL:HR:2015:1669 stond het gemeente vrij de bouwsom te baseren op de Bouwkostentabel.

4.28.

De aanslag is gebaseerd op een bouwkostenbedrag van € 18.775.889,20. Dat de werkelijke bouwkosten ongeveer € 11.920.000 bedragen kan niet tot de conclusie leiden dat de Bouwkostentabel jegens belanghebbende onverbindend zou zijn, omdat het tot de vrijheid van de gemeente behoort de heffing te baseren op een andere maatstaf dan de werkelijke kosten. Dat de belanghebbende een heffing voorstaat op basis van de genormaliseerde kosten, berekend volgens normen van het Nederlands Bouwkosten Instituut op € 13.233.826,80, kan evenmin tot de conclusie leiden dat Bouwkostentabel jegens belanghebbende onverbindend zou zijn, nu het de gemeente vrijstond de heffing te baseren op de Bouwkostentabel en niet te baseren op een grondslag die belanghebbende kennelijk (en ongemotiveerd) beter acht, namelijk op basis van de genormaliseerde kosten volgens normen van het Nederlands Bouwkosten Instituut.

4.29.

Vraag IV moet bevestigend worden beantwoord.

Slot

4.30.

Belanghebbendes stelling dat de tariefstelling van de gemeente (veel) hoger is dan die van andere gemeenten maakt het oordeel van het Hof niet anders. Een verschillende tariefstelling per gemeente is inherent aan de vrijheid die gemeentelijke regelgevers ter zake van de vaststelling van tarieven toekomt.

Slotsom

4.31.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is, dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd en, doende wat de Rechtbank had behoren te doen, dat het bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond moet worden verklaard.

Ten aanzien van het griffierecht

4.32.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Heffingsambtenaar inzake het hoger beroep geen plaats.

4.33.

Gelet op de omstandigheid dat de Heffingsambtenaar veel van de voor de beoordeling van het geschil relevante informatie pas bij de Rechtbank en in hoger beroep heeft verstrekt, ziet het Hof aanleiding de uitspraak van de Rechtbank in stand te laten in zoverre daarin de Heffingsambtenaar is gelast het bij de Rechtbank betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden (artikel 8:74, tweede lid van de Awb).

Ten aanzien van de proceskosten

4.33.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5
5. Beslissing

Het Hof:

- vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissing omtrent het griffierecht; en

- verklaart het bij de Rechtbank ingestelde beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond.

Aldus gedaan op 11 oktober 2018 door P. Fortuin, voorzitter, V.M. van Daalen-Mannaerts en B.F.A. van Huijgevoort in tegenwoordigheid van E.J.M. Bohnen, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.