Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4225

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
11-10-2018
Zaaknummer
200.198.306_01
Formele relaties
Tussenuitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2017:2178
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoofdverblijf;

Zorgregeling;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 11 oktober 2018

Zaaknummer: 200.198.306/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/198122 / FA RK 14-3467

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. N.H.J. van der Pluijm,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.M.B.J. Derks-Höppener.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

 stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI)).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio: Zuidoost Nederland, locatie: [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

5 De beschikking d.d. 4 mei 2017

Bij die beschikking heeft het hof, voor zover hier van belang:

  • -

    partijen verwezen naar de Mutsaersstichting, locatie [locatie] , voor het volgen van de module BOR niveau 3;

  • -

    de Mutsaersstichting verzocht om de raad schriftelijk te informeren omtrent de resultaten van de organisatie van het ouderschap en de onderlinge oudercommunicatie;

  • -

    de raad verzocht om een onderzoek in te stellen conform hetgeen onder rechtsoverweging 3.9. is overwogen;

  • -

    de raad verzocht tijdig vóór de pro forma datum rapport en advies uit te brengen aan het hof, onder gelijktijdige verstrekking van een afschrift daarvan aan de raadslieden van partijen;

  • -

    iedere verdere beslissing aangehouden tot pro forma 7 september 2017.

In rechtsoverweging 3.9. van de beschikking van 4 mei 2017 is het volgende overwogen:

3.9.

Het hof acht zich op grond van de thans beschikbare informatie onvoldoende voorgelicht om een verantwoorde beslissing te kunnen nemen. Het hof zal dan ook de raad verzoeken om een onderzoek in te stellen en te rapporteren en adviseren omtrent de volgende vragen:

  • -

    In hoeverre komt een wijziging van de hoofdverblijfplaats, conform het verzoek van de vader, tegemoet aan de belangen van [minderjarige] ?

  • -

    Is een wijziging van de school, conform het verzoek van de vader, in het belang van [minderjarige] ?

  • -

    Welke verdeling van de zorg- en opvoedingstaken door de ouders komt het meest tegemoet aan de belangen van [minderjarige] en hoe dient de regeling qua aard, duur en frequentie te worden vormgegeven:

  • -

    Is hulpverlening nodig? Zo ja, welke en met welk doel?

6 Het verdere verloop van het geding in hoger beroep

6.1.

Het hof heeft – in aanvulling op de stukken die ten tijde van bovengenoemde beschikking van 4 mei 2017 onderdeel uitmaakten van het dossier – kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief van de raad d.d. 17 juli 2017;

  • -

    de brief van de raad d.d. 10 augustus 2017;

  • -

    de brief van de raad d.d. 22 maart 2018 met bijgevoegd het raadsrapport van 22 maart 2018 (hierna: het raadsrapport);

  • -

    het V-formulier met brief van de advocaat van de moeder d.d. 6 april 2018;

  • -

    het V-formulier met brief met bijlage van de advocaat van de vader d.d. 9 april 2018;

  • -

    de brief van de GI d.d. 22 augustus 2018;

  • -

    de brief van de Mutsaersstichting d.d. 30 augustus 2018;

  • -

    het V-formulier met brief van de advocaat van de vader d.d. 6 september 2018;

  • -

    het V-formulier met bijgevoegd het V-formulier met brief met bijlage (in kleur) van de advocaat van de vader d.d. 9 april 2018;

  • -

    het V-formulier met brief van de advocaat van de vader d.d. 12 september 2018.

6.2.

De voortzetting van de mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 13 september 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vader (zonder zijn advocaat);

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. R.I.J. Reijnen, kantoorgenoot van mr. Derks-Höppener;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] .

De Mutsaersstichting is, met bericht daartoe, niet ter zitting verschenen.

7 De verdere beoordeling

7.1.

In de bij V-formulier van 9 april 2018 overgelegde brief van dezelfde datum heeft de vader zijn verzoek om hem vervangende toestemming te verlenen om [minderjarige] aan te melden voor een bepaalde basisschool, ingetrokken. Dit brengt mee dat het hof aan behandeling van dit verzoek niet meer toekomt.

7.2.

Het hof heeft ter zitting op het verzoek van de vader (in de bij V-formulier van 6 september 2018 overgelegde brief van dezelfde datum) om zijn partner, mevrouw [partner van appellant] als belanghebbende aan te merken beslist als volgt:

Onderhavige zaak heeft niet rechtstreeks betrekking op de rechten en/of verplichtingen van de partner van de vader, zodat het hof haar niet als belanghebbende zal aanmerken. Voorzover de partner van de vader op grond van het familylife rechten zou kunnen uitoefenen, kan zij die op andere wijze dan middels deze procedure effectueren; in ieder geval is niet gebleken van rechten of verplichtingen die zo zeer met deze procedure zijn verbonden dat zij in deze zaak als belanghebbende dient te worden aangemerkt.

7.3.

De raad adviseert in het raadsrapport om het verzoek van de vader om de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] bij hem te bepalen af te wijzen. De raad is van mening dat een wijziging van de hoofdverblijfplaats op dit moment niet tegemoet komt aan de belangen van [minderjarige] . De zorgen van de vader over de moeder als opvoeder zijn door de raad na onderzoek niet bevestigd, waardoor een wijziging niet aan de orde is, aldus de raad.

Omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken adviseert de raad de volgende regeling vast te stellen.

In de ene week is [minderjarige] op maandag en dinsdag bij vader en brengt vader hem op woensdagochtend naar school, op woensdag en donderdag is [minderjarige] bij moeder die [minderjarige] op vrijdag naar school brengt, vader haalt [minderjarige] daar op en aansluitend is [minderjarige] op vrijdag na school, zaterdag, zondag, maandag en dinsdag bij vader. Vader brengt hem op woensdagochtend wederom naar school en dan is [minderjarige] op woensdag, donderdag, vrijdag, zaterdag en zondag bij moeder en brengt zij [minderjarige] op maandagmorgen naar school.

Verdeling vakanties en feestdagen:

De vakantieafspraken prevaleren boven de reguliere omgangsafspraken. De vakanties starten steeds op vrijdag na einde schooltijd en wisselmomenten in de vakanties zijn op zaterdag om 11 uur. Vakanties eindigen op de maandagochtend dat school weer begint. De ouder bij wie [minderjarige] dan verblijft vanuit de vakantieregeling, brengt hem op maandag naar school en vanaf dan geldt de reguliere regeling weer.

  • -

    Zomervakantie: 2018, [minderjarige] verblijft de eerste twee weken bij vader, de derde week bij moeder, de vierde week bij vader, de vijfde en zesde week bij moeder. In 2019 geldt deze regeling andersom.

  • -

    In de herfstvakantie 2018 verblijft [minderjarige] de hele week bij moeder, in 2019 bij vader.

  • -

    Sinterklaas: even jaren bij vader, oneven jaren bij moeder;

  • -

    Kerstvakantie: [minderjarige] gaat vanaf start schoolvakantie 2018 naar moeder tot tweede kerstdag 11:00 uur. Op tweede kerstdag gaat hij om 11:00 uur naar vader en blijft daar tot school weer begint in januari. Vader brengt hem op maandag naar school en vanaf dan start de reguliere regeling weer. In de oneven jaren geldt deze regeling andersom.

  • -

    Pasen; eerste paasdag 2019 bij moeder, tweede bij vader (jaar om jaar);

  • -

    Carnaval: In 2019 verblijft [minderjarige] de carnavalsvakantie bij moeder, in 2020 bij vader en dan steeds wisselend andersom. [minderjarige] is altijd op carnavalszondag bij moeder van 9:00 tot 20:00 uur en op carnavalsmaandag bij vader van 9:00 uur tot 20:00 uur.

  • -

    De meivakantie 2019 verblijft [minderjarige] bij vader, de meivakantie 2020 bij moeder.

  • -

    Vaderdag en verjaardag vader: [minderjarige] verblijft dan altijd bij vader.
    Omdat vader in de zomervakantie jarig is heeft vader aangegeven dat hij het niet nodig vindt dat [minderjarige] op vaders verjaardag bij hem is. Dit betekent dat wanneer moeder met [minderjarige] op zomervakantie is, [minderjarige] niet op vaders verjaar bij vader zal zijn.

  • -

    Moederdag en verjaardag moeder: [minderjarige] verblijft dan altijd bij moeder;

  • -

    Verjaardag [minderjarige] : even jaren bij moeder, oneven jaren bij vader.

7.4.

De moeder heeft in een reactie op het raadsrapport het volgende te kennen gegeven.

Zij kan zich vinden in de inhoud en de conclusies van het raadsrapport met uitzondering van de verdeling van de carnavalsvakantie. Zij acht het in het belang van [minderjarige] dat hij die hele vakantie bij één ouder verblijft en er dus niet wordt gewisseld, aangezien extra wisselmomenten voor onrust zorgen bij [minderjarige] .

De moeder staat ook achter de ondertoezichtstelling van [minderjarige] en de deelname aan het traject hoogconflict via de Mutsaersstichting.

7.5.

De vader heeft in een reactie op het raadsrapport het volgende te kennen gegeven.

  • -

    De raad heeft slechts een zeer beperkt onderzoek verricht; er is slechts beperkt contact geweest met partijen en overige bronnen en met [minderjarige] is zelfs geen enkel contact geweest.

  • -

    De vader blijft bij zijn standpunt dat het in het belang van [minderjarige] is als hij zijn hoofdverblijf bij hem houdt.

  • -

    De vader verzoekt om – vanaf het moment dat [minderjarige] naar groep 4 gaat, op welk moment hij niet meer op vrijdagmiddag vrij is van school – [minderjarige] de woensdagen de ene week tot 18.00 uur bij hem te laten verblijven en de andere week bij de moeder. De ouders kunnen dan op gelijke wijze betrokken zijn bij kinderactiviteiten op deze middag en het is ook eerlijker naar [minderjarige] toe.

  • -

    De vader verzoekt om [minderjarige] op zijn verjaardag de even jaren bij hem te laten verblijven en de oneven jaren bij de moeder, zodat de regeling niet wisselt met de huidige situatie met als gevolg dat [minderjarige] twee jaar achter elkaar op zijn verjaardag bij de moeder verblijft.

  • -

    De vader verzoekt om [minderjarige] tijdens de herfstvakantie de even jaren bij hem te laten verblijven en de oneven jaren bij de moeder, zodat de regeling niet wisselt met de huidige situatie.

  • -

    De vader acht de door de raad voor de kerstvakantie geadviseerde regeling niet redelijk en billijk, nu [minderjarige] conform die regeling in sommige jaren slechts enkele dagen bij een bepaalde ouder verblijft, hetgeen niet in het belang van [minderjarige] is en bovendien tot gevolg heeft dat de ouders worden beperkt in de invulling van de vakantie. De vader verzoekt een verdeling vast te stellen conform zijn eigen voorstel.

  • -

    Hoewel de vader de vakanties het liefst zo min mogelijk opdeelt, acht hij dit wel in het belang van [minderjarige] waar het de carnavalsvakantie betreft. Op zondag is er een optocht in [woonplaats] bij de moeder en op maandag is er een optocht in [woonplaats] bij de vader. Het is niet in het belang van [minderjarige] , die graag carnaval viert, althans zeer geniet van de optocht in [woonplaats] , als een van deze dagen hem wort ontnomen. De afgelopen jaren zijn deze dagen in onderling overleg tussen partijen verdeeld.

  • -

    Nu vier eerdere communicatietrajecten door de moeder zijn beëindigd, heeft de vader geen enkel vertrouwen in een nieuw traject en wenst hier om die reden geen medewerking te verlenen aan het door de raad geadviseerde traject “hoogconflict-ouders”.

  • -

    Een ondertoezichtstelling heeft volgens de vader geen toegevoegde waarde, tenzij de GI bij een conflictsituatie mag handelen in het belang van [minderjarige] en daarmee het geschil kan beslechten.

7.6.

De GI heeft het volgende te kennen gegeven.

Bij beschikking van 16 april 2018 is [minderjarige] onder toezicht gesteld. De ouders zijn verwikkeld in een forse ex-partnerstrijd. Zij wantrouwen elkaar volledig en diskwalificeren elkaar als opvoeder. Zij zijn niet in staat op een constructieve wijze met elkaar te communiceren in het belang van [minderjarige] en afspraken te maken aangaande hem. Er bestaat nog veel onduidelijkheid omtrent de omgang, omdat beide ouders de regeling anders interpreteren. Ook hanteren de ouders verschillende opvoedmethoden, hetgeen onduidelijkheid veroorzaakt voor [minderjarige] .

Indien de verstandhouding tussen de ouders niet verbetert, zal [minderjarige] klem komen te zitten tussen de ouders, waardoor hij geen onbelast contact kan hebben met hen en het risico bestaat op een loyaliteitsconflict.

7.7.

De Mutsaersstichting heeft te kennen gegeven dat zij – aangezien er al omgang was tussen [minderjarige] en de beide ouders – eerder deelname aan de groep “Hoog-conflict ouders en hun kinderen” hebben geadviseerd. Wegens een ongeval van de moeder is dit traject niet opgestart. Op verzoek van de GI is er nu een intake gepland met de ouders en de GI, en wel op 12 september 2018.

Hoofdverblijfplaats

7.8.

Ten aanzien van het hoofdverblijf overweegt het hof als volgt.

7.9.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. Daartoe behoort ook, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub b BW, het geschil bij welke ouder het kind zijn hoofdverblijfplaats heeft. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

7.10.

Het hof stelt vast dat er nu sprake is van een nagenoeg gelijkwaardig ouderschap. Het hof heeft geen aanwijzingen dat [minderjarige] daarin – behoudens mogelijk te verwachten problemen in verband met de aanhoudend slechte verstandhouding tussen de ouders - niet goed gedijt. Het hof acht het daarom niet in het belang van [minderjarige] wijziging te brengen in zijn hoofdverblijfplaats. Dat de vader zich, zo heeft hij ter zitting van het hof naar voren gebracht, (samen met zijn partner) beter in staat acht om met de moeder te communiceren dan de moeder met hem doet – wat hier ook van zij – maakt dit oordeel van het hof niet anders. De GI heeft ter zitting van het hof naar voren gebracht dat de mogelijkheden voor een vorm van parallel ouderschap onderzocht gaan worden. Ook in dat licht ziet het hof geen aanleiding voor wijziging van de hoofdverblijfplaats van [minderjarige] . Op het betoog van de vader ter zitting dat de moeder nu zomaar kan verhuizen met [minderjarige] , merkt het hof nog op dat hiervoor vooraf toestemming nodig is van de vader.

Het hof overweegt ten overvloede dat op de moeder (in de huidige situatie) de plicht rust de vader deugdelijk te informeren.

Zorgregeling

7.11.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

7.12.

Wat de woensdagmiddagen betreft acht het hof het niet in het belang van [minderjarige] om de ene week bij de moeder te verblijven en de andere week bij de vader. Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat hij – gelet op het aantal wisselingen dat reeds in de zorgregeling is opgenomen - vanuit steeds dezelfde ouder invulling kan geven aan de woensdagmiddagen.

Wat de verjaardag van [minderjarige] betreft acht het hof het in het belang van [minderjarige] dat hij op zijn verjaardag het ene jaar bij de ene ouder verblijft en het andere jaar bij de andere ouder, waarbij [minderjarige] in 2019 op zijn verjaardag bij de ouder zal verblijven waar hij dit jaar (in 2018) niet is verbleven op zijn verjaardag en dat hij in 2020 op zijn verjaardag bij de ouder zal verblijven waar hij dit jaar is verbleven op zijn verjaardag, en zo verder.

Wat de herfstvakantie betreft acht het hof het met de vader in het belang van [minderjarige] dat de verdeling qua even en oneven jaren niet wisselt met de regeling zoals die geldt in de huidige situatie. De moeder heeft ter zitting van het hof ook te kennen gegeven hier geen problemen mee te hebben als maar duidelijk op papier staat hoe de regeling is, om te voorkomen dat er discussie tussen de ouders ontstaat.

Wat de kerstvakantie betreft merkt de vader terecht op dat de door de raad geadviseerde regeling tot gevolg heeft dat [minderjarige] in sommige jaren slechts enkele dagen bij een bepaalde ouder verblijft. De moeder sluit zich bij dat bezwaar aan.

De moeder heeft ter zitting bij het hof naar voren gebracht dat haar bezwaar tegen het voorstel van de vader is dat er dan een extra wissel plaatsvindt in de vakantie. Zij heeft in dit verband opgemerkt dat de vader zich in het verleden niet hield aan afspraken omtrent wisselmomenten.

De raad heeft ter zitting van het hof nog het voorstel opgeworpen om [minderjarige] tijdens de kerstvakantie de eerste week bij de ene ouder te laten verblijven en de tweede week bij de andere ouder en dit jaarlijks te wisselen. Beide ouders hebben te kennen gegeven zich in een dergelijke verdeling niet te kunnen vinden, omdat zij het beiden van belang achten dat [minderjarige] bij beide ouders een kerstdag doorbrengt.

Het hof acht het alles overziend het meest in het belang van [minderjarige] om wat de kerstvakantie betreft een verdeling vast te stellen conform het voorstel van de vader.

Wat de carnavalsvakantie betreft acht het hof het in het belang van [minderjarige] dat het voorstel van de raad wordt gevolgd, zodat [minderjarige] deze vakantie het ene jaar bij de ene ouder verblijft en het andere jaar bij de andere ouder en [minderjarige] op carnavalszondag altijd bij de moeder verblijft en op carnavalsmaandag bij de vader. Het hof gaat ervan uit dat beide ouders flexibel met de verdeling tijdens carnaval omgaan, zoals zij in het verleden ook altijd hebben gedaan.

Conclusie

7.13.

Het hof zal beslissen conform hetgeen hierna in het dictum is bepaald. Het hof zal daarbij de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 mei 2016 voor de duidelijkheid geheel vernietigen, voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft.

8 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gegeven beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 12 mei 2016, voor zover het de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken betreft;

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

stelt omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de vader en de moeder met betrekking tot [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2012 te [geboorteplaats] , de volgende regeling vast:

[minderjarige] verblijft – in een veertiendaags ritme - van maandag tot woensdagochtend bij de vader. De vader brengt [minderjarige] op woensdagochtend naar school, waarna hij van woensdagmiddag na school tot en met vrijdagochtend bij de moeder verblijft. De moeder brengt [minderjarige] op vrijdagochtend naar school, waarna [minderjarige] van vrijdagmiddag na school tot en met woensdagochtend bij de vader verblijft. De vader brengt [minderjarige] op woensdagochtend naar school, waarna [minderjarige] van woensdagmiddag na school tot en met maandagochtend voor school bij de moeder verblijft. De moeder brengt [minderjarige] op maandagmorgen naar school.

De verdeling van de vakanties en de feestdagen – welke verdeling prevaleert boven de reguliere verdeling is – als volgt:

 zomervakantie:
in 2019 verblijft [minderjarige] de eerste twee weken bij de moeder, de derde week bij de vader, de vierde week bij de moeder en de vijfde en zesde week bij de vader; in 2020 is dit andersom en zo verder;

 herfstvakantie:
[minderjarige] verblijft de even jaren bij de vader en de oneven jaren bij de moeder;

 Sinterklaas:
[minderjarige] verblijft de even jaren bij de vader en de oneven jaren bij de moeder;

 kerstvakantie:
de kerstvakantie wordt verdeeld conform het voorstel van de vader in deze, welk voorstel aan de beschikking is gehecht en daarvan deel uitmaakt;

 Pasen:
[minderjarige] verblijft in 2019 eerste paasdag bij de moeder en tweede paasdag bij de vader, waarna dit jaarlijks wisselt;

 carnaval:
[minderjarige] verblijft in 2019 bij de moeder en in 2020 bij de vader, waarna dit jaarlijks wisselt;
is daarnaast altijd op carnavalszondag bij de moeder van 9:00 tot 20:00 uur en op carnavalsmaandag bij de vader van 9:00 uur tot 20:00 uur;

 meivakantie:
[minderjarige] verblijf in 2019 bij de vader en in 2020 bij de moeder, waarna dit jaarlijks wisselt;

 Vaderdag en verjaardag vader:
[minderjarige] verblijft bij de vader, met die uitzondering dat als de moeder met [minderjarige] op zomervakantie is op de verjaardag van de vader, [minderjarige] dan niet bij de vader zal verblijven;

 Moederdag en verjaardag moeder:
[minderjarige] verblijft bij de moeder;

 verjaardag [minderjarige] :
verblijft in 2019 bij de ouder waar hij in 2018 niet is verbleven op zijn verjaardag en in 2020 bij de andere ouder en zo verder;

Hierbij heeft te gelden dat de vakanties steeds starten op vrijdag na einde schooltijd en de wisselmomenten in de vakanties zijn op zaterdag om 11.00 uur. De vakanties eindigen op de maandagochtend dat school weer begint. De ouder bij wie [minderjarige] dan verblijft vanuit de vakantieregeling, brengt [minderjarige] op maandag naar school en vanaf dan geldt de reguliere regeling weer.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de beschikking waarvan beroep voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.N.M. Antens en C.L.M. Smeets, bijgestaan door de griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 11 oktober 2018 in tegenwoordigheid van de griffier.