Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4220

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
200.242.432_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:2817
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:2828
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling

Bekrachtiging van ots. Hulp nog maar pas ingezet, risico op afbreken nog te groot gelet op slechte verhouding tussen de ouders.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 11 oktober 2018

Zaaknummer : 200.242.432/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/341593/ JE RK 18-314

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. J.P.M. Sio,

tegen

Raad voor de Kinderbescherming,

regio Zuidwest Nederland, locatie [locatie]

verweerder,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- [belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. H.H.C. van de Kerkhof;

- Stichting Jeugdbescherming Brabant,

gevestigd te [vestigingsplaats] , tevens kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda (hierna: de rechtbank), van 9 mei 2018, gewezen onder het hierboven aangeduide zaaknummer.

Bij deze beschikking heeft de rechtbank de ondertoezichtstelling uitgesproken van:

[minderjarige] (hierna: [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2005 te [geboorteplaats] (Polen).

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 6 juli 2018, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw recht doende, het verzoek van de raad tot ondertoezichtstelling af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 3 augustus 2018, heeft de GI verweer gevoerd en verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en de bestreden beschikking in stand te laten.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 24 augustus 2018, heeft de vader verweer gevoerd en verzocht de moeder niet-ontvankelijk te verklaren althans het beroep af te wijzen en voor zover nodig de bestreden beschikking te bekrachtigen, kosten rechtens.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 september 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de moeder, bijgestaan door mr. Sio;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de vader, bijgestaan door mr. Van de Kerkhof.

2.5.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 21 september 2018. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de brief met bijlage van de advocaat van de moeder d.d. 16 juli 2018;

- de brief met bijlage (afschrift beschikking rechtbank van 1 juni 2017) van de advocaat van de moeder d.d. 12 september 2018;

- de brief met bijlage (afschrift proces-verbaal van de zitting in eerste aanleg d.d. 24 april 2018) van de advocaat van de moeder d.d. 19 september 2018.

3 De beoordeling

3.1.

In 2008 hebben de vader en de moeder [minderjarige] geadopteerd uit Polen. De ouders hebben het gezamenlijk gezag. De ouders zijn in 2011 gescheiden. [minderjarige] heeft zijn hoofdverblijf bij de moeder. In 2011 is er een contactregeling vastgesteld door de rechtbank, maar deze is nimmer uitgevoerd, waardoor [minderjarige] sinds juni 2011 geen contact meer met de vader heeft gehad.

De moeder heeft een nieuwe partner, met wie zij in 2014 is gehuwd. Met deze partner heeft zij in 2013 een dochter gekregen.

3.2.

De moeder heeft bij verzoekschrift d.d. 30 augustus 2016 verzocht om het eenhoofdig gezag en beëindiging van de contactregeling. Tegen deze verzoeken heeft de vader verweer gevoerd. Bij beschikking van 1 juni 2017 heeft de rechtbank verzocht om een raadsonderzoek.

3.3.

De raad is in het kader van het onderzoek tot de bevinding gekomen dat een ondertoezichtstelling noodzakelijk is en heeft een daartoe strekkend verzoek gedaan op 16 februari 2018.

3.4.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking van 9 mei 2018 heeft de rechtbank [minderjarige] onder toezicht gesteld van de GI. Bij afzonderlijke beschikking van dezelfde datum, met zaaknummer C/02/320345 / FA RK 16-5201, heeft de rechtbank de vader verboden om met [minderjarige] contact te hebben, voor de duur van een jaar; de verzoeken van de moeder om belast te worden met het eenhoofdig gezag en om de contactregeling te beëindigen, zijn bij die beschikking afgewezen.

3.5.

De moeder kan zich met beide beschikkingen niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. Het onderhavige hoger beroep betreft uitsluitend de ondertoezichtstelling.

3.6.

De moeder voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat – het volgende aan.

De raad heeft verzuimd aan te geven op welke gronden het verzoek tot ondertoezichtstelling is ingediend. Ook de rechtbank motiveert niet op welke wettelijke gronden, op grond van welke gebeurtenissen, situaties of wijzigingen in de opvoeding het verzoek is toegewezen. Er wordt alleen algemeen verwezen naar artikel 1:255 BW.

De enkele mogelijkheid van een ontwikkelingsbedreiging is onvoldoende voor een ondertoezichtstelling. De moeder vraagt zich af waaruit de bedreiging zou bestaan.

Zij betwist dat [minderjarige] niet de juiste hulp krijgt. Beide ouders en de stiefvader werken mee aan behandeling en therapie bij Praktijk Tatoran te [vestigingsplaats] . De moeder heeft lang gezocht naar de juiste hulp, hetgeen bemoeilijkt werd door de complexiteit van de diagnose. Bij [minderjarige] is sprake van ADHD, PDD-NOS, een reactieve hechtingsstoornis en een onevenwichtig intelligentieprofiel. Met Tatoran verwacht de moeder thans de juiste hulp te hebben gevonden en zij heeft vertrouwen in de behandeling aldaar, die ook systeemtherapie voor haar en haar partner inhoudt.

Het behandelplan van Tatoran staat echter haaks op de doelen van het Plan van Aanpak van de GI. Het Plan van Aanpak stelt als doel een zo adequaat mogelijke identiteitsontwikkeling van [minderjarige] waarbij ook gekeken wordt naar de mogelijke rol van de vader, terwijl Tatoran juist stelt dat [minderjarige] er nog niet aan toe is om zich bezig te houden met het verleden. Het Plan van Aanpak is verder gericht op het uitbreiden van de contacten van [minderjarige] buiten het gezin ten behoeve van zijn sociale ontwikkeling. Ook daarvan stelt Tatoran dat [minderjarige] daar nog niet aan toe is.

Het feit dat de behandelaar bij Tatoran en de GI niet op één lijn zitten is op zich al een reden waarom er geen ondertoezichtstelling moet zijn.

Als uit de behandeling bij Tatoran voortvloeit dat [minderjarige] eraan toe is contact met de vader te willen, dan zal de moeder daaraan meewerken.

Ondertoezichtstelling is nu een onnodige en onwenselijke belasting voor [minderjarige] .

Met de wensen en mening van [minderjarige] is onvoldoende rekening gehouden, hetgeen in strijd is met het IVRK.

3.7.

De raad voert ter zitting -kort samengevat- het volgende aan:

Bij [minderjarige] is sprake van een zeer belaste voorgeschiedenis, waardoor hij zich niet kan ontwikkelen zoals dat zou moeten. De behandeling die hij nu krijgt bij Tatoran is mooi, maar de vraag is of de moeder niet afhaakt als de behandelaars niet doen wat de moeder wil. Er moet ook worden gewerkt naar contact met de vader en de vrees is dat daar niets van zal komen zonder de dwang van een ondertoezichtstelling.

3.8.

De vader voert in het verweerschrift, zoals aangevuld ter zitting -kort samengevat- het volgende aan.

De rechtbank geeft in de bestreden beschikking een uitgebreide samenvatting van de bevindingen van de raad. De vader is met de rechtbank van mening dat er rechtens voldoende gronden bestaan voor een ondertoezichtstelling. De raad heeft het verzoek voldoende gemotiveerd en er is voldaan aan de wettelijke criteria om te komen tot ondertoezichtstelling. Er is volgens de vader niet uitgegaan van onjuiste door de raad aangedragen feiten.

De vader vindt dat [minderjarige] nu eerst aan zichzelf moet werken. De vader heeft met Tatoran afgesproken dat hij zal worden benaderd als [minderjarige] eraan toe is om contact met hem te hebben, hetgeen nog anderhalf jaar kan duren. Er zal wel op enig moment weer een rol voor vader moeten komen. De moeder wil de vader geheel buiten beeld hebben en daarom is een ondertoezichtstelling nodig. De moeder komt niet in actie zonder dwang.

3.9.

De GI voert in het verweerschrift, -kort samengevat- het volgende aan.

In het kader van het opstellen van een Plan van Aanpak zijn er in mei 2018 twee gesprekken geweest met de vader. Met de moeder en de stiefvader is het pas gelukt om tot een kennismakingsgesprek te komen op 1 juni 2018 en de moeder en stiefvader hebben [minderjarige] pas aangemeld bij Tatoran na dreiging van een schriftelijke aanwijzing. De advocaat van de moeder heeft begin juni erop aangedrongen dat de GI geen uitvoering zou geven aan de beschikking, hangende het hoger beroep. De GI heeft aangegeven vooralsnog geen contact met [minderjarige] zelf te zullen hebben.

Op 21 juli 2018 blijkt dat [minderjarige] die dag zijn geslachtsdeel heeft laten zien aan zijn

5-jarige zusje. [minderjarige] is door de moeder en de stiefvader toen naar zijn oom gebracht en de afspraak was dat hij daar enkele weken zou blijven totdat er een gesprek zou hebben plaatsgevonden met Praktijk Tatoran, de GI, de moeder en stiefvader, oom en tante en mogelijk dr. [psychiater] van Yulius die als psychiater al enkele jaren bij [minderjarige] betrokken is. Op 25 juli 2018 heeft de stiefvader, zonder overleg met de GI, [minderjarige] echter weer bij de oom en tante opgehaald nadat die huilend aan de telefoon was gekomen. De GI acht dit een slechte gang van zaken en schadelijk voor [minderjarige] , die zeker gelet op zijn ADHD en PPD-NOS, gebaat is bij duidelijkheid en, gelet op zijn hechtingsstoornis, bij ongewenst gedrag anders moet worden gecorrigeerd dan een overhaaste verwijdering uit zijn vertrouwde omgeving. De GI wil gaan bezien of de moeder en stiefvader wel voldoende mogelijkheden hebben om [minderjarige] de nodige stabiele en neutrale opvoedomgeving te bieden.

3.9.1.

Ter zitting heeft de GI hier het volgende aan toegevoegd. Van Tatoran heeft de GI begrepen dat er inmiddels een goede werkrelatie is met de moeder, stiefvader en [minderjarige] . [minderjarige] is met speltherapie begonnen. Voor de noodzakelijk geachte systeemtherapie is echter een meer dan gemiddelde inzet nodig en om die te waarborgen is de ondertoezichtstelling noodzakelijk. De betrokkenheid van de vader maakt de voortgang in de hulpverlening wel kwetsbaar. Dat zal de GI met Tatoran goed moeten bekijken.

3.10.

Het hof overweegt het volgende.

3.10.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.10.2.

Evenals de rechtbank en op dezelfde gronden als de rechtbank, die het hof na eigen weging en beoordeling overneemt en tot de zijne maakt, is het hof van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW.

3.10.3.

[minderjarige] wordt ernstig in zijn ontwikkeling bedreigd. De concrete bedreiging is gelegen in de volgende factoren en hun onderlinge invloed en verband: [minderjarige] belaste voorgeschiedenis (te vroeg geboren, afgestaan na de geboorte, op driejarige leeftijd geadopteerd, scheiding van de ouders twee jaar na de adoptie) , zijn aanzienlijke kind-eigen problematiek (ADHD, PDD-NOS, disharmonisch intelligentieprofiel), en de omstandigheid dat [minderjarige] al bijna 7 jaar geen contact met de vader heeft gehad. Recente ontwikkelingen zoals hierboven omschreven onder 3.9. en de onmachtige reactie van de moeder en stiefvader daarop versterken de conclusie van een evidente ontwikkelingsdreiging. In dat verband wijst het hof erop dat al in het rapport van de raad wordt gesteld dat er geen tijd meer te verliezen is, gezien de ontwikkelingsfase waarin [minderjarige] zich nu bevindt, namelijk aan de vooravond van de puberteit.

3.10.4.

Hoezeer daarnaast ook sprake is van toe te juichen positieve ontwikkelingen op het gebied van onder meer sport en school, geconstateerd moet worden dat voldoende is gebleken dat de moeder de noodzakelijk geachte hulp niet altijd heeft geaccepteerd en mogelijk nog altijd niet accepteert zonder voorwaarden te stellen, onder meer met betrekking tot de betrokkenheid van de vader. Daardoor acht het hof de kans dat de moeder op enig moment de hulpverlening, die nog maar pas van de grond is gekomen, zal vertragen of stopzetten nog dermate reëel dat het gedwongen kader van een ondertoezichtstelling thans nog niet kan worden gemist.

Het is daarom in het belang van [minderjarige] dat de bestreden beschikking wordt bekrachtigd.

3.10.5.

De moeder heeft gesteld dat sprake is van schending van het IVRK omdat met de wensen en mening van [minderjarige] onvoldoende rekening is gehouden. Het hof volgt de moeder hierin niet. [minderjarige] heeft zijn mening kenbaar gemaakt. Dat die mening niet voetstoots is gevolgd, levert nog geen schending van het IVRK op, nog afgezien van het feit dat de moeder niet stelt welk artikel van dat verdrag geschonden zou zijn en waarom.

4 De beslissing

Het hof :

bekrachtigt de bestreden beschikking;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het Centraal Gezagsregister.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, J.F.A.M. Graafland-Verhaegen en H.M.A.W. Erven, en is op 11 oktober 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.