Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4218

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-10-2018
Datum publicatie
12-10-2018
Zaaknummer
200.243.858_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ondertoezichtstelling;

vernietiging beschikking rechtbank en alsnog toewijzen van het inleidend verzoek van de GI. Sprake van een ernstige bedreiging in de ontwikkeling van het kind. Verlenging onder toezichtstelling van belang om de ingezette positieve ontwikkeling aan de kant van de moeder verder te monitoren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : mondelinge uitspraak op 25 september 2018, op schrift gesteld
11 oktober 2018

Zaaknummer : 200.243.858/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/245980 / JE RK 18-201

in de zaak in hoger beroep van:

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

statutair gevestigd en kantoorhoudende te [statutaire vestigings- en kantoorplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI).

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. R.P.H.W. Haas.

de pleegouders van de hierna te noemen minderjarige [minderjarige],

wonende op een geheim adres,

hierna te noemen: de pleegouders,

Als informant wordt aangemerkt:

Rubicon Pleegzorg,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: Rubicon.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Landelijk,

locatie Landelijke Staf,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 7 augustus 2018, heeft de GI het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en rechtdoende alsnog de ondertoezichtstelling met betrekking tot de minderjarige [minderjarige] Dam te verlengen tot 27 maart 2019, zo nodig onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 21 september 2018, heeft de moeder het hof verzocht om bij beschikking, zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de door de GI gevraagde ondertoezichtstelling voor de duur van twaalf maanden, derhalve tot 27 maart 2019, af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen, en zo nodig met verbetering en/of aanvulling van de gronden te bepalen dat een verlenging van de ondertoezichtstelling zal plaatsvinden van hooguit twee maanden.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 september 2018.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de GI, bijgestaan door de heer [vertegenwoordiger van de GI 1] en mevrouw [vertegenwoordiger van de GI 2] ;

- de moeder, bijgestaan door mr. Haas.

2.3.1.

De pleegouders zijn niet verschenen ter zitting. Namens de raad en Rubicon is evenmin een vertegenwoordiger ter zitting verschenen.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de brief met bijlagen van de GI d.d. 28 augustus 2018;

  • -

    de brief met bijlagen van de GI d.d. 18 september 2018;

  • -

    de ter zitting door de GI overgelegde brief van de pleegouders van [minderjarige] .

3 De beoordeling

3.1.

Uit een relatie van de moeder met de vader, [de vader] , is [minderjarige] (hierna: [minderjarige] ) op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] geboren.

De vader heeft [minderjarige] erkend. De moeder heeft het eenhoofdig gezag.

3.2.

Bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 27 maart 2017 is [minderjarige] , als ongeboren vrucht, onder toezicht gesteld van de GI met ingang van 27 maart 2017 tot 27 maart 2018.

3.3.

[minderjarige] is op 4 juni 2017 met een spoedmachtiging uit huis geplaatst in een voorziening voor pleegzorg tot en met 15 juni 2017. Vervolgens is bij beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht van 13 juni 2017 een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een voorziening voor pleegzorg verleend met ingang van 16 juni 2017 tot 4 september 2017. Deze machtiging is nadien verlengd bij beschikkingen van 28 augustus 2017, van 1 december 2017, en van 5 februari 2018 laatstelijk voor de duur tot 27 maart 2018.

Bij beschikking van diezelfde rechtbank van 26 maart 2018 is de ondertoezichtstelling verlengd voor de duur van vier maanden, te weten tot 27 juli 2018, onder aanhouding van het verzoek tot verlenging ondertoezichtstelling voor de resterende termijn (acht maanden). De machtiging tot uithuisplaatsing is daarbij verlengd tot 27 mei 2018.

Bij beschikking van de rechtbank van 25 mei 2018 is de machtiging uithuisplaatsing verlengd tot 27 juli 2018. Hangende het hoger beroep tegen deze beslissing is de ondertoezichtstelling vervolgens bij de bestreden beschikking van 16 juli 2017 met ingang van 17 juli 2018 verlengd tot 27 september 2018 en voor het overige afgewezen.

De beschikking waarbij de machtiging uithuisplaatsing is verlengd tot 25 mei 2018 is vervolgens door het hof vernietigd bij beschikking van 23 juli 2018 waarbij de machtiging uithuisplaatsing is verlengd tot eveneens 27 september 2018.

Het Landelijke Expertise Team (hierna: LET JB) voert de ondertoezichtstelling, vanwege de veiligheidsrisico’s in het netwerk rondom [minderjarige] , uit.

3.4.

De GI kan zich met de beschikking van de rechtbank van 16 juli 2017 niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De GI voert in het beroepschrift - samengevat - aan dat [minderjarige] nog steeds in zijn ontwikkeling wordt bedreigd en hulp in het vrijwillig kader niet toereikend is.

De GI stelt dat een periode van twee maanden onvoldoende is voor een terugplaatsing van [minderjarige] bij de moeder. Volgens de GI bestaat bij zowel de moeder als de vader forse problematiek. Het is de vraag of zij de belangen van [minderjarige] voorop kunnen stellen. De relatie van de ouders kenmerkt zich bovendien door een patroon van aantrekken en afstoten in combinatie met veel onrust en geweld.

Het is de GI niet gelukt in kaart te brengen in hoeverre de persoonlijke problematiek van de ouders van invloed is op hun opvoedingsvaardigheden. De ouders hebben niet meegewerkt aan een persoonlijkheidsonderzoek. Ook zijn zij niet in gesprek gegaan met de gezinsvoogd over hun persoonlijke problematiek en de gevolgen hiervan op hun draagkracht en opvoedingsvaardigheden.

De moeder verzet zich tegen de hulpverlening; zij komt er onvoldoende aan toe om zelf hulp te organiseren die passend en noodzakelijk is voor een (eventuele) terugplaatsing van [minderjarige] . Zij lijkt onvoorspelbaar in haar gedrag en weinig leerbaar. Verder geeft de moeder tegenstrijdige informatie over haar relatie met de vader, haar financiële situatie en haar behandeling met betrekking tot emotieregulatie.

De moeder toont verder geen inzicht in de door de GI benoemde problematiek en veiligheidsrisico’s met betrekking tot de vader. Ook heeft de moeder geen gehoor gegeven aan een door de GI gegeven schriftelijke aanwijzing.

De inspanningen van de GI om in de thuissituatie van de moeder hulp en ondersteuning te bieden, dan wel de omgang uit te breiden met hulpverlening aan de moeder zijn hierdoor niet van de grond gekomen. Voorts is er geen instantie bereid gebleken, mede gelet op de veiligheidsrisico’s, om medewerking te verlenen aan uitvoering van de hulpverlening aan de moeder in haar thuissituatie. Hierdoor heeft er geen huisbezoek bij de moeder kunnen plaatsvinden. Het gesprek bij de advocaat van de moeder is eerder beëindigd omdat de moeder de gezinsvoogd bedreigde en buiten de omgangsmomenten is er geen gesprek mogelijk geweest met de moeder.

De gronden voor een ondertoezichtstelling zijn, op grond van het voorgaande, volgens de GI onverkort aanwezig en de rechtbank heeft het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling ten onrechte afgewezen.

3.5.1.

Ter zitting voegt de GI daaraan toe dat er sinds ongeveer twee weken een aanzienlijke verbetering is in de samenwerkingsrelatie tussen de moeder en de GI. Ook is er een gesprek geweest met de behandelaar van de moeder bij PsyQ en is er zicht op haar behandeling en de te volgen therapie. Er is met de moeder gesproken over een veiligheidsplan, dit mede gelet op het gegeven dat de vader onlangs uit detentie is ontslagen.

Hoewel de GI een verbetering ziet in de houding van de moeder en er meer duidelijkheid bestaat omtrent haar behandeling, blijven de zorgen ten aanzien van de ontwikkeling van [minderjarige] onverkort bestaan. De GI handhaaft derhalve haar standpunt om de ondertoezichtstelling te verlengen tot 27 maart 2019.

3.6.

De moeder betwist in haar verweerschrift de stellingen van de GI gemotiveerd en stelt dat er geen sprake van een bedreigde ontwikkeling van [minderjarige] . De moeder heeft de recente positieve ontwikkelingen beschreven. De therapie die zij volgt is succesvol en de communicatie tussen haar en de GI, althans het LET-JB, is verbeterd. Thans wordt er dan ook naar een thuisplaatsing van [minderjarige] gewerkt.

3.6.1.

Ter zitting van het hof verklaart de moeder dat haar therapie bij PsyQ, die in ieder geval loopt tot mei 2019, binnenkort zal worden geïntensiveerd. De moeder ervaart de therapie als zeer prettig en deze maakt dat zij beter met bepaalde situaties kan omgaan.

Verder bevestigt de moeder dat de recente gesprekken met de GI positief zijn verlopen.

Desgevraagd geeft zij aan dat zij, nadat vader is vrijgekomen uit detentie, weer regelmatig contact heeft met de vader. De vader komt bij de moeder in huis en slaapt daar ook zeer regelmatig. Volgens de moeder geeft zij in het belang van [minderjarige] nu wel uitdrukkelijk de grenzen in de richting van de vader aan.

3.7.

De pleegouders hebben het hof schriftelijk laten weten dat het goed gaat met [minderjarige] en hij zich goed ontwikkelt.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge het bepaalde in artikel 1:255 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan de rechter een minderjarige onder toezicht stellen van een gecertificeerde instelling wanneer die minderjarige zodanig opgroeit, dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en:

a. de zorg die in verband met het wegnemen van de bedreiging noodzakelijk is voor de minderjarige of voor zijn ouders of de ouder die het gezag uitoefenen, door dezen niet of onvoldoende wordt geaccepteerd, en;

b. de verwachting gerechtvaardigd is dat de ouders of de ouder die het gezag uitoefenen binnen een gelet op de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in artikel 1:247 lid 2 BW, in staat zijn te dragen.

3.8.2.

Op grond van artikel 1:260 BW kan de rechter, mits aan de grond, bedoeld in artikel 1:255 lid 1 BW is voldaan, de duur van de ondertoezichtstelling telkens verlengen met ten hoogste een jaar.

3.8.3.

Het hof is van oordeel dat voldaan is aan de wettelijke vereisten van artikel 1:255 BW en overweegt daartoe het volgende.

3.8.4.

Het hof is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat [minderjarige] nog steeds ernstig in zijn ontwikkeling wordt bedreigd. De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige] zijn gelegen in de persoonlijke (psychiatrische) problematiek van zowel de moeder als de vader en de invloed daarvan op hun functioneren. Vanaf maart 2016 is de thuissituatie bij de moeder en de vader verslechterd en is er een grote bezorgdheid ontstaan over de veiligheid van de twee oudere kinderen (uit eerdere relaties) van de moeder, dit vanwege de dynamiek in de partnerrelatie tussen de moeder en de vader. Hierdoor is er fysiek en verbaal geweld ontstaan tussen de ouders en was er sprake van toenemende emotieregulatie problemen bij de moeder en onvoorspelbaar en impulsief handelen van de moeder en de vader.

Deze opvoedingsomgeving kwam volgens de raad, zoals volgt uit het raadsrapport van 22 februari 2017 dat is opgesteld vóór de geboorte van [minderjarige] , onvoldoende tegemoet aan de veiligheid en ontwikkeling van de baby.

Op grond van de stukken en hetgeen ter zitting is bespreken is het hof van oordeel dat de eerder door de raad geconstateerde zorgen, welke voornamelijk gerelateerd waren aan de opvoedersfactoren, de opvoedingsomgeving en de persoonlijke problematiek bij de ouders, nog onverkort aanwezig zijn.

3.8.5.

Het hof ziet de positieve ontwikkeling die de moeder sinds kort doormaakt.

Zij ontvangt één keer per week begeleiding vanuit Triade, zij is gestart met de dialectische gedragstherapie (DGT) bij PsyQ en wordt begeleid bij de terugplaatsing van [minderjarige] . Verder begrijpt het hof dat de communicatie tussen de GI en de moeder, sinds enkele weken, beter verloopt en er zeer recent gesprekken hebben plaatsgevonden met de GI.

Hoewel het hof deze ontwikkeling in het belang van [minderjarige] acht en de moeder op deze manier inzicht kan geven aan de GI, is het hof van oordeel dat de situatie erg pril is.
Daarbij komt dat de vader sinds kort uit detentie is gekomen en zijn rol in het verleden zeer negatief is geweest. Gebleken is dat de vader thans in belangrijke mate bij de moeder thuis verblijft en nog niet duidelijk is wat dit voor de toekomst betekent.

De GI is thans nog doende met het bespreken en opstellen van een veiligheidsplan ten behoeve van [minderjarige] . Daarbij dient er rekening te worden gehouden met het feit dat de vader sinds korte tijd niet meer in detentie verblijft. Om een veilige situatie bij de moeder thuis voor [minderjarige] te kunnen garanderen, acht het hof het van belang dat er voldoende tijd is om de inmiddels ingezette positieve lijn voort te zetten en deze verder uit te bouwen.

Het hof acht een verlenging van de ondertoezichtstelling van [minderjarige] voor de volledig gevraagde duur, derhalve tot 27 maart 2019, noodzakelijk om de ontwikkelingsbedreigingen af te wenden.

3.9.

Het voorgaande leidt ertoe dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd en het inleidende verzoek van de GI alsnog dient te worden toegewezen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 16 juli 2018;

wijst het inleidende verzoek van de GI alsnog toe en verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2017 te [geboorteplaats] , tot 27 maart 2019;

verzoekt de griffier krachtens het bepaalde in het Besluit Gezagsregisters een afschrift van deze uitspraak toe te zenden aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant, afdeling civiel recht, team familie- en jeugdrecht ter attentie van het centraal gezagsregister;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.N.M. Antens, J.C.E. Ackermans-Wijn, M.I. Peereboom-van Drunick. De beslissing is op 25 september 2018 mondeling uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier en op 11 oktober 2018 op schrift gesteld.