Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4181

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
09-10-2018
Datum publicatie
09-10-2018
Zaaknummer
20-003610-16
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:6438, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Cold case-onderzoek.

Ontvankelijkheid openbaar ministerie:

Vormverzuimen wegens het ontbreken / vernietigen stukken van overtuiging. Geen doelbewuste en grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling. De gevolgen die voortvloeien uit de vernietiging dan wel zoekraken van de stukken van overtuiging zijn naar het oordeel van het hof niet van dien aard dat over het geheel niet meer kan worden gesproken van een eerlijk proces.

Bewezenverklaring:

Statistische bewijsanalyse van DNA-onderzoek. Anders dan de rechtbank acht het hof zowel de verkrachting van als de doodslag op het slachtoffer Nicole van den Hurk wettig en overtuigend bewezen. Aan de aangetroffen DNA-kenmerken die volgens de verdediging zouden wijzen op een andere dader of daders kan het hof geen doorslaggevende betekenis toekennen, nu uit de bevindingen van de deskundigen is gebleken dat die sporen geen of nauwelijks bewijskracht hebben. Daartegenover staat de hoge mate van bewijskracht die wordt toegekend aan de bevindingen die betrekking hebben op verdachte. Er zijn geen tactische en technische aanwijzingen in het dossier die wijzen op een andere dader of daders dan verdachte.

De door de verdachte en de verdediging opgeworpen alternatieve scenario's zijn niet aannemelijk geworden.

Straf:

Het hof legt geen (nieuwe) tbs-maatregel op. Verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren met aftrek van voorarrest.

Benadeelde partijen:

Niet-ontvankelijkheid stiefmoeder en stiefzus in hun vorderingen tot schadevergoeding. Niet voegingsgerechtigd nu zij geen nabestaanden zijn in de zin van de wet. Ook niet op grond van artikel 8 EVRM.

Afwijzing vorderingen tot vergoeding van affectieschade juridisch vader en halfbroer, alsmede afwijzing van de door de halfbroer eveneens gevorderde proceskosten.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Strafrecht 242
Wetboek van Strafrecht 287
Wetboek van Strafvordering 51f
Wetboek van Strafvordering 51a
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EeR 2018, afl. 6, p. 290
PS-Updates.nl 2018-0825
NJFS 2019/91
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003610-16

Uitspraak : 9 oktober 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de meervoudige kamer in de rechtbank Oost-Brabant van 21 november 2016 in de strafzaak met parketnummer

01-879014-13 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1967,

thans verblijvende in Huis van Bewaring Roermond te Roermond.

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte vrijgesproken van de doodslag op N. van den Hurk (feit 2) en veroordeeld ter zake van verkrachting (feit 1) tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest. De benadeelde partijen zijn niet-ontvankelijk verklaard in hun vorderingen.

Van de zijde van de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
De officier van justitie in het arrondissement Oost-Brabant heeft tegen voormeld vonnis eveneens hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaten-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaten-generaal hebben gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren hetgeen onder 1 en onder 2 ten laste is gelegd en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren, met aftrek van voorarrest.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft het openbaar ministerie standpunten ingenomen, zoals opgenomen onder B bij de bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen in het arrest.

Van de zijde van de verdachte is:

- primair de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit;

- subsidiair integrale vrijspraak bepleit en

- meer subsidiair verweer gevoerd met betrekking tot de straf.

Ten aanzien van de vorderingen van de benadeelde partijen heeft de verdediging standpunten ingenomen, zoals vermeld onder C bij de bespreking van de vorderingen van de benadeelde partijen in het arrest.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

A. Standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de strafvervolging. De verdediging meent dat sprake is van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek ex art. 359a Sv, die als gevolg hebben dat geen sprake meer is van een eerlijk proces als bedoeld in art. 6 EVRM. Voorts brengen de vormverzuimen mee dat is gehandeld in strijd met de beginselen van een behoorlijke procesorde, in het bijzonder het beginsel van ‘equality of arms’.

De verdediging heeft erop gewezen dat stukken van overtuiging, te weten de kleding, het inlegkruisje en de kaak van het slachtoffer, zijn vernietigd en/of verdwenen. Voor de vernietiging van de kleding is destijds door de officier van justitie toestemming verleend, terwijl van het inlegkruisje en de kaak onduidelijk is gebleven wat er mee is gebeurd.

Nader onderzoek zou volgens de deskundigen R. Eikelenboom, D. Spendlove en R.R.R. Gerretsen wel gewenst zijn geweest. Omdat de stukken van overtuiging echter niet meer beschikbaar waren toen de verdachte in beeld kwam, bestond voor hem geen mogelijkheid meer om onderzoek te laten verrichten op sporendragers die niet eerder zijn onderzocht, had hij evenmin een mogelijkheid om onderzoek te laten verrichten naar mogelijke ontlastende biologische sporen, kon hij geen deugdelijk onderzoek laten verrichten om alternatieve scenario’s meer aannemelijk te maken en was volwaardig contra-onderzoek van eerder verricht onderzoek niet mogelijk.

Aldus zijn naar de mening van de verdediging – niet doelbewust maar wel met een grove veronachtzaming – aan de belangen van de verdachte op zijn recht op een eerlijke behandeling van de zaak en het beginsel van equality of arms tekortgedaan.

B. Standpunt van het openbaar ministerie

Het openbaar ministerie betreurt dat er materiaal is vernietigd. Maar het zoekraken en de vernietiging hebben plaatsgevonden lang voordat de verdachte in beeld is gekomen. De conclusie van de verdediging dat geen sprake is van een eerlijk proces is terecht en op goede gronden door de rechtbank verworpen. De rechtbank heeft de juiste maatstaf gehanteerd: er is niet doelbewust en/of met grove veronachtzaming aan de belangen van verdachte tekortgedaan.

C. Overwegingen van het hof

Indien in een voorbereidend onderzoek in de strafzaak jegens de verdachte vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld – als bedoeld in art. 359a Sv – en de rechtsgevolgen daarvan niet uit de wet blijken, moet de rechter beoordelen of aan dat vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Bij het bepalen van het rechtsgevolg dient rekening te worden gehouden met het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging komt als in art. 359a Sv voorzien rechtsgevolg – naar vaste jurisprudentie – slechts in uitzonderlijke gevallen in aanmerking. Daarvoor is in beginsel alleen plaats ingeval het verzuim daarin bestaat dat met de opsporing of vervolging belaste ambtenaren ernstig inbreuk hebben gemaakt op de beginselen van een behoorlijke procesorde waardoor doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekortgedaan.

Bij beantwoording van de vraag of sprake is van vormverzuimen, stelt het hof het volgende vast.

Blijkens het proces-verbaal technisch onderzoek (Forensisch Dossier deel 1, bijlage 01)

d.d. 18 januari 1996 zijn na berging van het stoffelijk overschot van N. van den Hurk diverse goederen veiliggesteld, waaronder een spijkerbroek, schoenen, een fleecetrui, een jas/jack, sokken, een BH en een slip. Door personeel van het Gerechtelijk Laboratorium werden van de jas en de trui een monster genomen ten behoeve van een eventueel later te verrichten onderzoek.

Uit het proces-verbaal Technische Onderzoeken inzake Nicole van den Hurk d.d. 14 juni 2004 van het Landelijk Team Kindermoord (Forensisch Dossier deel 1, bijlage 05 met daarbij gevoegde bijlagen (genummerd 1 tot en met 11), waaronder een sporenoverzicht – Bijlage 1 Matrix “sporen/goederen”) is gebleken dat de kleding van het slachtoffer waaronder de spijkerbroek, de jas, de schoenen, de fleecetrui, sokken, de slip en de BH, niet meer aanwezig waren en (vermoedelijk) vernietigd waren. Tevens bleek het inlegkruisje niet meer aanwezig te zijn.

Volgens de verbalisanten die destijds het onderzoek leidden is het inlegkruisje per ongeluk bij de sectie weggegooid (bijlage 4 bij voormeld proces-verbaal Technische Onderzoeken Gestelde vragen en gegeven antwoorden door [verbalisant 1] en [verbalisant 2] (technisch rechercheurs) in een gesprek op 14 juni 2004).

De schedel en de onderkaak van het slachtoffer zijn na de sectie bewaard gebleven bij het NFI voor eventueel nader onderzoek. Echter, blijkens voormelde bijlage 1 Matrix “sporen/goederen” bleek de onderkaak (kaak met twee laterale breuken) tot op dat moment (14 juni 2004) onvindbaar te zijn. Het is het hof niet gebleken dat deze onderkaak alsnog is getraceerd c.q. aangetroffen.

Op verzoek van het openbaar ministerie is door de politie getracht om duidelijkheid te verschaffen rondom de afhandeling van de inbeslaggenomen kleding van het slachtoffer. Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 18 december 2014 (voorgehouden stukken zitting rechtbank 26 februari 2015) houdt in:

Het slachtoffer werd destijds, in 1995, volledig gekleed, zoals ze was aangetroffen op de plaats delict te Lierop, overgebracht naar het Gerechtelijk Laboratorium voor de gerechtelijke sectie. Enige maanden na de sectie werd de jas naar de Technische Recherche in Eindhoven gestuurd. Dit gegeven blijkt uit het geheugen van de betrokken rechercheurs, [verbalisant 2] en [verbalisant 1] (hof: [verbalisant 1] ) , die zich herinneren de jas te hebben uitgepakt en gefotografeerd. Dit wordt ondersteund door het feit dat de foto's van de jas nog beschikbaar zijn.

Deze jas is niet meer aangetroffen in het sporenbestand van de politie Eindhoven. Er zijn geen documenten aangetroffen waarin is vastgelegd dat de jas ook daadwerkelijk vernietigd is.

In het dossier zit wel een afschrift van een faxbericht van 25 februari 1997, waarin melding wordt gemaakt van het feit dat aan [medewerker] , verbonden aan het Nederlands Forensisch Instituut, toestemming wordt verleend om "de resterende kledingstukken in de zaak met nummer 95.11.13.023" te vernietigen” 1 . Ondanks meerdere pogingen daartoe is echter nergens terug te vinden op welke kledingstukken dit precies betrekking had en of deze ook daadwerkelijk vernietigd zijn. Wel verzekert het Nederlands Forensisch Instituut ons dat de kledingstukken niet langer daar aanwezig zijn. Het politie-registratiesysteem uit die tijd (BPS) is geschoond en niet meer bevraagbaar.

Uit de hiervoor bedoelde onderzoeken is af te leiden dat veiliggestelde en in beslag genomen voorwerpen (kledingstukken, het inlegkruisje en de onderkaak van het slachtoffer) vernietigd zijn dan wel zijn zoekgeraakt. Dat was reeds in 2004 het geval. In het onderzoek naar de dood van N. van den Hurk is verdachte op 14 januari 2014 als verdachte aangehouden. Vastgesteld moet worden dat deze stukken van overtuiging in de strafzaak tegen de verdachte niet beschikbaar zijn (geweest) voor nader onderzoek. Het voorgaande leidt dan ook tot de conclusie dat sprake is van vormverzuimen die niet meer kunnen worden hersteld.

Bij de vraag of hieraan enig rechtsgevolg in de zin van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de strafvervolging moet worden verbonden, overweegt het hof als volgt.

Met de verdediging is het hof van oordeel dat uit het onderzoek ter terechtzitting in ieder geval niet is gebleken dat de met opsporing en vervolging belaste ambtenaren doelbewust de belangen van de verdachte hebben geschonden.

Echter, anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat door het vernietigen dan wel zoekraken van de desbetreffende goederen geen sprake is van een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde (waaronder de ‘equality of arms’), waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Als grond voor onderzoek aan het inlegkruisje is door de verdediging naar voren gebracht dat onderzoek daaraan cruciaal is in een zedenzaak. Die grond voor onderzoek alleen is echter onvoldoende om een ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde aan te nemen. Weliswaar constateert het hof met de verdediging dat enig onderzoek aan het inlegkruisje ontbreekt, maar het hof ziet tegelijkertijd dat wél DNA-onderzoek is verricht c.q. bemonsteringen zijn genomen van (in een zedenzaak eveneens relevante) sporen(-dragers) vagina, anus, kruis van de slip en kruis van de spijkerbroek van het slachtoffer. Het hof merkt daarbij op dat de verdediging op de wel onderzochte sporen(-dragers) contra-onderzoek heeft kunnen laten doen (hetgeen is gedaan door onder andere Independent Forensic Services, verder te noemen: IFS).

De conclusie op dit punt is derhalve dat het ontbreken van onderzoek aan het inlegkruisje niet een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde (waaronder de ‘equality of arms’) oplevert, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

De kaak van het slachtoffer is bij gelegenheid van de sectie door arts en patholoog dr. R. Visser onderzocht. Hij heeft geconstateerd dat sprake was van een dubbele breuk van de rechter onderkaak (foto’s 109-111, behorend bij het proces-verbaal Technisch Onderzoek Forensisch Dossier deel 1, bijlage 01). Desgevraagd door de verdediging ter zitting in eerste aanleg heeft drs. R.R.R. Gerretsen (arts en forensisch antropoloog) aangegeven dat hij de kaak wel had willen onderzoeken op beschadigingen; hij had alle beschadigde delen willen onderzoeken teneinde te bezien of het eventueel om dezelfde sporen gaat.

Het hof stelt in deze zaak vast dat het slachtoffer met haar kleding aan in de herfst gedurende zo’n zes weken op een bosperceel onder een berg snoeiafval heeft gelegen. Met betrekking tot onderzoek aan de kleding op aanraaksporen is R. Eikelenboom ter zitting van de rechtbank bevraagd. De deskundige heeft erop gewezen dat sperma normaal gesproken een zeer goede bron van DNA is en dat men bij 10 tot 20 spermacellen een volledig DNA-profiel kan afleiden. Dat is bij aanraaksporen anders. De kans op een volledig resultaat is bij sperma veel groter dan bij aanraaksporen. Hij vervolgt dat van spermasporen normaliter betere DNA-profielen worden verkregen. Bij aanraaksporen verwacht hij per definitie slechte DNA-profielen. Hoe langer een slachtoffer of kledingstukken buiten hebben gelegen en worden blootgesteld aan weersomstandigheden, hoe sneller het DNA zal afbreken. (proces-verbaal rechtbank zitting 10 november 2015, pag. 109).

Meer in het algemeen is er door de verdediging (zo begrijpt het hof) op gewezen dat door het niet kunnen onderzoeken van voormelde zaken, kaak en kleding, de verdediging is gehinderd in het naar voren brengen van een alternatief scenario met betrekking tot een mogelijke andere dader. Het hof stelt evenwel vast dat de verdediging het alternatieve scenario -naar aanleiding van het wel verrichte (uitgebreide DNA-)onderzoek- gemotiveerd naar voren heeft gebracht, namelijk op grond van de volgens de verdediging naar andere personen wijzende onderzoeksresultaten.

Het hof komt gelet op het voorgaande tot de conclusie dat het ontbreken van (nieuw, nader dan wel contra-) onderzoek aan het inlegkruisje, de onderkaak en/of de kledingstukken niet oplevert een zodanig ernstige inbreuk op de beginselen van een behoorlijke procesorde, waardoor met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling van zijn zaak is tekort gedaan.

Gelet op de door de verdediging aangevoerde gronden voor onderzoek en het mogelijk belang daarvan in het licht van het andere aanwezige bewijsmateriaal, is het hof van oordeel dat de gevolgen die voortvloeien uit de vernietiging dan wel zoekraken van het inlegkruisje, de onderkaak en/of de kledingstukken, naar het oordeel van het hof niet van dien aard zijn dat over het geheel niet meer kan worden gesproken van een eerlijk proces.

Het rechtsgevolg van niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging is dan ook niet aan de orde.

Het niet-ontvankelijkheidsverweer wordt in al zijn onderdelen verworpen en het hof verklaart het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet kan verenigen.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg - ten laste gelegd dat:

1.
hij op of omstreeks 6 oktober 1995, althans in of omstreeks de periode van 6 oktober 1995 tot en met 22 november 1995 te Eindhoven, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en)

N. van den Hurk (geboren op 4 juli 1980) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die Van den Hurk, hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de vagina en/of anus van die Van den Hurk gebracht/geduwd/gehouden en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte - die Van den Hurk heeft meegenomen en/of vastgehouden dan wel anderszins van de vrijheid heeft beroofd (gehouden) en/of - heeft bedreigd met een mes, althans een scherp voorwerp en/of - (met) een mes, in elk geval (met) een scherp voorwerp, in het lichaam van voornoemde Van den Hurk heeft gestoken en/of gebracht en/of gehouden en/of - een of meer (andere) vormen van geweld en/of (andere) geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die Van den Hurk en/of tegen die Van den Hurk heeft toegepast/uitgeoefend, en/of (aldus) voor die van den Hurk (telkens) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.
hij op of omstreeks 6 oktober 1995, althans in of omstreeks de periode van 6 oktober 1995 tot en met 22 november 1995 te Eindhoven en/of te Lierop, gemeente Someren, in elk geval in Nederland, opzettelijk N. van den Hurk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, meermalen, althans eenmaal, (met) een mes, in elk geval (met) een scherp voorwerp, in het lichaam van voornoemde Van den Hurk gestoken en/of gebracht en/of gehouden en/of al dan niet met gebruikmaking van een voorwerp, op en/of tegen het hoofd van die Van den Hurk geslagen/gestompt, en/of een of meer (andere) vormen van geweld en/of (andere) geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die Van den Hurk en/of tegen die Van den Hurk toegepast/uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde Van den Hurk is overleden.

Overwegingen

A.

Uit het procesdossier en het onderzoek ter terechtzitting blijken de volgende feiten en omstandigheden.

A.1.

Onderzoek “Nicole” 1995/1996 (Proforma dossier map 1, onderzoek Bosuil).

Op vrijdag 6 oktober 1995, omstreeks 05.10 uur, was Nicole van den Hurk, geboren op 4 juli 1980, vanaf het adres [adres 1] te Eindhoven, per fiets vertrokken naar haar bijbaantje bij de supermarkt Konmar in het winkelcentrum Woensel te Eindhoven, waar zij om 06.00 uur die ochtend moest beginnen met werken.

Het adres [adres 1] was het adres van de oma van Nicole, [naam stiefoma] . Nicole verbleef samen met haar zusje [naam stiefzus] en broertje [naam halfbroer] bij haar oma in verband met verbouwingswerkzaamheden in de ouderlijke woning van Nicole.

Nicole verscheen niet op haar werk. Door personeel van de Konmar werd de route die door Nicole gereden moest zijn nagereden doch Nicole werd niet aangetroffen.

Door een personeelslid van Konmar werd op 6 oktober 1995 omstreeks 07.40 uur de politie Eindhoven op de hoogte gebracht van de vermissing van Nicole van den Hurk. Toen Nicole omstreeks 15.30 uur haar zusje niet van school ophaalde, zoals was afgesproken, was dit voor haar ouders aanleiding om haar als vermist op te geven bij de politie te Eindhoven. Op vrijdag 6 oktober omstreeks 17.00 uur werd door personeel van diverse Eindhovense politieafdelingen een gezamenlijke zoekactie gestart. Omstreeks 18.00 uur werd de grijze damesfiets waarmee Nicole naar haar werk was vertrokken aangetroffen in rivier de Dommel nabij het Wasvenpad te Eindhoven.

Op 13 oktober 1995 werd van 05.00 uur tot 07.00 uur een passantenonderzoek gedaan op de locatie Van Oldenbarneveltlaan te Eindhoven. Twee passanten hebben verklaard dat ze op 6 oktober 1995 tussen 05.10 uur en 05.25 uur een op Nicole lijkend meisje hebben zien fietsen op of nabij de Van Oldenbarneveltlaan te Eindhoven.

A.2.

Op 12 oktober 1995 heeft [naam stiefoma] verklaard (Proforma dossier map 1, pag. 91):

- dat Nicole bij haar logeerde in verband met de verbouwing bij de familie Van den Hurk;

- dat Nicole tot een uur of 21.00 in de avond naar buiten mocht van haar;

- dat Nicole iedere dag werd opgehaald door haar vriendje [naam vriend] , die recht tegenover haar woont;

- dat Nicole bij de Konmar is gaan werken en ’s-morgens om 04.45 uur op stond, at en douchte en vervolgens naar haar werk ging met de fiets;

- dat Nicole omstreeks 21.45 uur naar bed ging;

- dat Nicole dinsdagavond 3 oktober 1995 bij [naam tante] is blijven slapen en ook op woensdagavond;

- dat Nicole op donderdagavond 5 oktober 1995 bij [naam vriend] was en dat zij Nicole belde om te komen eten;

- dat Nicole bij [naam tante] wilde eten en zij daar ruzie om kregen;

- dat Nicole bij [naam tante] is gaan eten en om 18.30 uur weer bij haar is gekomen;

- dat Nicole toen is gaan douchen, naar [naam vriend] ging en om 20.45 uur weer thuis was;

- dat zij op vrijdag 6 oktober 1995 om 04.45 uur Nicole wakker maakte en dat Nicole naar haar werk vertrok tussen 05.05 uur en 05.10 uur;

- dat om 06.15 uur de telefoon ging en dat een mevrouw van de Konmar vroeg waar Nicole was.

[naam tante] heeft verklaard op 9 oktober 1995 (Proforma dossier map 1, pag. 85):

- dat Nicole met haar vriendje [naam vriend] naar school ging en dat zij na schooltijd samen naar huis kwamen;

- dat Nicole sinds dinsdag 3 oktober 1995 bij de Konmar werkte en niet meer met [naam vriend] kon meerijden omdat ze om 06.00 uur moest beginnen;

- dat Nicole op dinsdag bij haar in de woning kwam en twee nachten bleef;

- dat zij woensdag 4 oktober 1995 omstreeks 05.00 uur hoorde dat Nicole zich aan het douchen was en dat ze wegging;

- dat Nicole om 16.50 uur thuiskwam vanuit school en met [naam vriend] wegging;

- dat ze ’s avonds gegourmet hebben en Nicole de nacht bij haar doorbracht;

- dat zij donderdag 5 oktober 1995 wakker werd om 05.00 uur van het douchen door Nicole en dat Nicole wegging en dat zij omstreeks 15.00 uur thuiskwam;

- dat Nicole naar haar vriend ging en daarna overstuur was omdat zij van oma boodschappen moest doen, waarna Nicole bij haar is komen eten en vervolgens weer naar oma is gegaan.

[naam vriend] heeft verklaard op 9 oktober 1995 en 1 december 1995 (verklaringen op 18 december 2017 toegevoegd aan de processtukken):

- dat Nicole bij hem op school kwam in 1994;

- dat Nicole tijdelijk bij haar oma logeerde en ze toen meer contact kregen;

- dat Nicole met hem mee ging op de bromfiets naar school;

- dat Nicole donderdag ruzie had gehad met oma;

- dat Nicole enkele nachten bij tante [naam tante] had verbleven;

- dat op donderdagavond 5 oktober hij met Nicole film had gekeken waarna Nicole om 20.45 uur naar oma is gegaan;

- dat hij op maandag 2 oktober of dinsdag 3 oktober 1995 seksueel contact heeft gehad met Nicole in de vorm van vaginale gemeenschap.

[naam 1] (hof: de moeder van [naam vriend]) heeft op 5 maart 2014 verklaard (Proforma dossier map 1, pag. 175-176):

- dat Nicole op donderdagavond (hof: 5 oktober 1995) bij haar thuis is geweest samen met [naam vriend] ;

- dat ze met [naam vriend] vroeg of ze de volgende ochtend op de brommer van [naam vriend] naar haar werk mocht;

- dat zij dit niet goed vond omdat Nicole nog geen 16 was;

- dat Nicole rond 19:00-20:00 uur bij hun is weggegaan naar haar oma en [naam vriend] de hele avond thuis is gebleven;

- dat de volgende ochtend [naam stiefoma] (hof: de oma van Nicole) kwam en vertelde dat Nicole niet op haar werk gekomen was;

- dat toen oma vrijdagmorgen kwam [naam vriend] nog op bed lag en dat hij de hele nacht thuis is geweest;

- dat als hij weg zou zijn gegaan zij het zeker had moeten merken.

A.3.

Op donderdag 19 oktober 1995 omstreeks 19.10 uur werd een onderzoek ingesteld naar aanleiding van het aantreffen van een tasje/rugzakje (dat eigendom bleek van Nicole van den Hurk) aan de Kanaaldijk Zuid, een openbare weg binnen de bebouwde kom van de gemeente Eindhoven. Het ging om een vrij smalle geasfalteerde weg die parallel liep aan de zuidzijde van het Eindhovens kanaal. Tussen het kanaal en het wegdek bevond zich een berm met gras en laag struikgewas, gevolgd door een ondiepe sloot. Verbalisanten zagen in een braamstruik aan de kant van de sloot een tasje hangen tussen enkele takken (Forensisch Dossier deel 1, bijlage 01, proces-verbaal van technisch onderzoek inzake de moord c.q. doodslag op N. v.d. Hurk, met bijbehorende fotomap, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] d.d. 18 januari 1996). Het betrof een klein zwart leren damestasje Daniel Ray. Het tasje was leeg. Naast het tasje lag op de bodem van de sloot een aantal voorwerpen, kennelijk uit het tasje afkomstig. Enkele papiertjes waren geheel doorweekt en aangetast door weersomstandigheden. Gelet op de aangetroffen toestand lagen deze voorwerpen al geruime tijd daar. Het betrof onder andere een nota van de schoolboekhandel op naam van Nicole van den Hurk, visitekaartjes en make up spullen.

Op woensdag 22 november 1995 omstreeks 13.30 uur werd, na een melding van een wandelaar, het stoffelijk overschot van Nicole van den Hurk aangetroffen in een bosperceel aan de Mierloseweg, buiten de bebouwde kom van Lierop, in de gemeente Someren (hemelsbreed 12,6 kilometer van de plaats van verdwijning, het Wasvenpad). De Mierloseweg vormt de verbinding tussen de dorpen Mierlo en Lierop. Het bosperceel werd ontsloten door een zandpad. Aan de noordzijde werd het begrensd door percelen agrarisch land ten behoeve van akkerbouw en graszodenteelt. Gezien in de rijrichting komende vanaf de Mierloseweg bevond zich aan het einde van het bosperceel nog een stuk pad welke na 15 tot 20 meter dood liep. In de hoek van dit bosperceel ter hoogte van voornoemd doodlopend gedeelte zagen verbalisanten een aanzienlijke hoeveelheid snoeiafval liggen bestaande uit grote dode takken, gedeeltes van coniferen en een aantal wortelstronken. Nadat verbalisanten de berg snoeiafval genaderd waren zagen zij dat daaronder een stoffelijk overschot lag. Het overschot verkeerde in vergaande staat van ontbinding. Het slachtoffer lag ruggelings. Ter hoogte van het heupgewricht maakte het lichaam een flauwe knik. De haren waren deels verstrengeld in enkele takken. De tak met daarin verstrengelde haren bevond zich hoger dan het hoofd. De linker voortand van het bovengebit was afgebroken. De onderkaak vertoonde een onnatuurlijke positie ten opzichte van de bovenkaak. Van de onderkaak ontbraken aan de linkerzijde twee kiezen. Op de resterende huid boven op de schedel was een scherprandige snede zichtbaar. Het slachtoffer was geheel gekleed. Het slachtoffer had een spijkerbroek aan zonder riem. De spijkerbroek was geheel gesloten. De rits van de gulp was dicht. Het schoeisel betrof witte linnen schoenen met rits en vetersluiting. Het slachtoffer droeg een overwegend groen/roze trui van fleecestof. Voorts een jas overwegend rood/bruin van kleur. Zij had een witkleurige BH aan. De bovenkleding bestaande uit de fleecetrui en de jas was gedeeltelijk omhoog geschoven. De jas lag omhooggeslagen onder de rug. De rits van de jas was niet gesloten. Volgens de verbalisanten kan een dergelijke verstoring van de kleding veroorzaakt zijn door het verslepen of dragen van het slachtoffer. Na berging werd op de plaats waar het hoofd had gelegen het ontbrekende stukje van de voortand aangetroffen. Het lijk werd door verbalisanten veiliggesteld alsmede een spijkerbroek Cool Cat, schoenen maat 40, een fleecetrui Avanti maat L, een jas C&A Rodeo maat 42, sokken wit, een BH wit, een slip Josephine’s Dream blauw, een armband goud, 3 ringen en nog een armband. De jas was onder de rechteroksel gescheurd. Op of aan de trui en jas werden verder geen bijzonderheden waargenomen. Van de jas en trui werd een monster genomen. Aan de achterzijde van de broek boven de linker achterzak bevond zich een beschadiging in de stof van de broek, dat bestond uit een samenstel van rafelige en onregelmatige scheuren. Het slachtoffer had een blauwe slip aan voorzien van een kanten strook. In de slip was een maandverbandje c.q. inlegkruisje aanwezig. Het materiaal was licht bebloed. De sokken en schoenen vertoonden verder geen afwijkende bijzonderheden.

Zowel de kleding, sieraden, alsmede de aangetroffen zaken in de broekzak van het slachtoffer kwamen conform opgave van de nabestaanden exact overeen met hetgeen de verbalisanten aantroffen. Door de tandarts van het slachtoffer werd een tandstatusoverzicht, röntgenfoto’s, alsmede vier gipsafvormingen van het gebit ter beschikking gesteld. Bij vergelijking in samenwerking met de patholoog-anatoom werden geen discrepanties aangetroffen. Het stoffelijk overschot was derhalve dat van N. van den Hurk.

Het stoffelijk overschot van Nicole van den Hurk is door de politie veilig gesteld, in een lijkzak gedaan en voor de sectie door een begrafenisondernemer vervoerd naar het Gerechtelijk Laboratorium te Rijswijk.2

A.4.

Op donderdag 23 november 1995 heeft dr. R. Visser, als arts en patholoog verbonden aan het Gerechtelijk Laboratorium van het ministerie van Justitie, sectie verricht op het stoffelijk overschot van Nicole van den Hurk. Blijkens het Pro Justitia-rapport van dr. Visser is een in- en uitwendige schouwing verricht aan het stoffelijk overschot (Sectieverslag 12 april 1996, Forensisch Dossier deel 1, bijlage 02). Uitstrijkjes zijn vervaardigd voor onderzoek op aanwezigheid van sperma.3 In het rapport van dr. Visser is vermeld dat bij de sectie op het lijk van Nicole van den Hurk het volgende is gebleken:

Bij Nicole van den Hurk, oud 15 jaren, bleken sterk gevorderde ontbindingsverschijnselen, met name in hoofd-/hals en borstorganen. Er bleken letsels aan de schedel, opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch geweld. Indien deze letsels zijn opgelopen voor het intreden van de dood, dan zouden deze van betekenis kunnen zijn geweest ten aanzien van het intreden van de dood. Er werden een dubbele kaakbreuk in de rechteronderkaak en een huidklieving op het voorhoofd vastgesteld, waardoor bij de patholoog de indruk ontstond dat er “hevig uitwendig mechanisch kantig geweld” was uitgeoefend op het hoofd.

Mede door de sterk gevorderde ontbinding van het stoffelijk overschot kon geen anatomische doodsoorzaak worden vastgesteld.

Bij onderzoek door het Gerechtelijk Laboratorium zijn blijkens het rapport van 22 juli 1996 sporen aangetroffen (Forensisch Dossier deel 1, bijlage 03):

- de trui, de jas, het slipje en de spijkerbroek van het slachtoffer werden onderzocht op de aanwezigheid van haren. Op de jas werd één lichaamshaar/schaamhaar aangetroffen die niet paste in het schaamhaarpalet van het slachtoffer (ALA045).

- de uitstrijkjes en bemonsteringen van de mondholte, de vagina, de anus en van het kruis van zowel het slipje als de spijkerbroek werden onderzocht op de aanwezigheid van sperma.

A.5.

Het onderzoeksteam “Nicole” is ontbonden omdat het onderzoek niet tot een oplossing van de zaak had geleid. Evenmin leidde onderzoek door het Landelijk Team Kindermoorden/ Coldcase (LTK) team 2001/2005 tot nieuwe inzichten.

A.6.

In 2011 is besloten het onderzoek naar de onnatuurlijke dood van N. van den Hurk opnieuw te onderzoeken als Cold Case.

Het Expertcentrum NCB Naturalis te Leiden is verzocht om een aanvullend entomologisch onderzoek. Op 27 mei 2011 werd, in aanvulling op het eerdere rapport van 18 december 1995 van het Nationaal Natuurhistorisch Museum in Leiden (Rapport 18 december 1995,

J. Krikken; Forensisch Dossier deel 1, als bijlage 10 gevoegd bij bijlage 05, waaruit volgt dat de omstandigheden als genoemd in dat rapport consistent zijn met een vermoedelijk minimum-PMI van circa 4 weken en dat ter plekke overlijden, of overlijden en onmiddellijk of kort daarna deponeren van het lijk ter plekke niet kan worden uitgesloten), een rapportage ontvangen van de deskundige entomoloog Drs. J. Huijbregts van NCB Naturalis te Leiden (Entomologierapport 27 mei 2011, drs. J. Huijbregts; Forensisch Dossier deel 2, bijlage 17). In deze laatste rapportage is gesteld dat:

- er geen nauwkeurige schatting was te maken van het postmortale interval;

- de ei-afzetting waarschijnlijk heeft plaatsgevonden in de periode van 6 tot 19 oktober 1995.

In een rapport van het Nederlands Forensisch Instituut (hof: verder NFI) d.d. 15 juli 2011 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 12) van prof. dr. A.D. Kloosterman, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, ingeschreven als gerechtelijk deskundige in het Nederlands Register Gerechtelijk Deskundigen (hof: verder NRGD) voor het deskundigheidsgebied DNA analyse en interpretatie, is vermeld dat:

- uit de haar, aangetroffen op de jas van Nicole van den Hurk (ALA045), geen autosomaal DNA-profiel werd verkregen;

- de haar (ALA045) was onderworpen aan een Mitochondriaal DNA-onderzoek (mtDNA) en er een mtDNA-profiel werd verkregen;

- het mtDNA-profiel van de haar (ALA045) niet matchte met het profiel van Nicole van

den Hurk;

- dit tevens wil zeggen dat de haar dus ook niet van iemand was die in de moederlijke

lijn verwant was met Nicole van den Hurk;

- dit betekent dat haarspoor ALA045 afkomstig is van een onbekende persoon.

In een rapport van het NFI d.d. 19 maart 2012 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 26) van ing. P.E. de Vreede, deskundige forensisch haaronderzoek, is de onbekende donor van haarspoor ALA045 nader aangeduid als de onbekende persoon mito-1.

In een rapport van het NFI van 12 augustus 2011 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 13) van drs. ing. T.J.P. de Blaeij, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA, ingeschreven als gerechtelijk deskundige in het NRGD voor het deskundigheidsgebied DNA analyse en interpretatie, is geconcludeerd dat:

- er spermacellen werden waargenomen in:

- bemonstering van de anus (gekenmerkt als spoor AWA059#04)

- bemonstering kruis slip (gekenmerkt als sporen AUA106#02 en #03)

- er aanwijzingen waren voor de aanwezigheid van spermavloeistof in:

- bemonstering van de vagina (gekenmerkt als sporen AWA059#02 en #05)

- bemonstering kruis slip (gekenmerkt als sporen AUA106#02 en #03)

- bemonstering kruis spijkerbroek (gekenmerkt als sporen AUA107#09 en #12 en #16).

Uit de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 SF en AWA059#06 SF) en de slip (AUA106#02 SF en AUA106#03 SF) kon na toepassing van de differentiële lysistechniek, waarbij spermacellen worden gescheiden van de overige typen cellen, uit de stringente lysisfractie waarin zich bij volledige scheiding het DNA bevindt van de spermacellen een complex- c.q. een complex en onvolledig DNA-mengprofiel worden verkregen.

Blijkens het rapport d.d. 14 oktober 2011 van drs. ing. T.J.P. De Blaeij voornoemd (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 55) is het DNA-profiel van [naam vriend] vergeleken met de aangetroffen DNA-sporen in het onderzoek Bosuil. Van de zeden-bemonstering (AWA059#04SF), de bemonstering slip (AUA106#02SF) en de bemonstering spijkerbroek (AUA107#11SF) van het slachtoffer Nicole van den Hurk werden complexe DNA-mengprofielen verkregen.

[naam vriend] (RAAM5867NL) bleek niet te kunnen worden uitgesloten als donor van het celmateriaal in deze bemonsteringen.

A.7.

Verdachte is op 18 januari 2001 veroordeeld voor een door hem gepleegde verkrachting op 23 september 2000 in Valkenswaard . Naar aanleiding van die door verdachte gepleegde verkrachting is van hem een referentiemonster wangslijm afgenomen en is het daaruit verkregen DNA-profiel opgenomen in de landelijke DNA-databank.

In oktober 2012 vond een overleg plaats, waarbij de zaaksofficier van justitie van de zaak Bosuil en leden van het Cold Case team aanwezig waren. In dit overleg werd een aantal niet opgeloste zedenzaken besproken. Tijdens dit overleg werd een aantal zedendelinquenten, en de door hen gevoerde werkwijze, besproken, waaronder verdachte [verdachte] . [verdachte] bleek bij de (voornoemde) verkrachting in september 2000 bij zijn slachtoffer achterop de fiets te zijn gesprongen en zou daarbij gedreigd hebben het slachtoffer “lek te steken”.

Op verzoek van de officier van justitie is het DNA-profiel van de verdachte vervolgens vergeleken met de sporen in de zaak Bosuil. Uit het vergelijkend DNA-onderzoek van drs. ing. De Blaeij d.d. 18 december 2012 (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 61) is gebleken dat de verdachte niet kon worden uitgesloten als donor van een deel van het sperma/celmateriaal in de stringente lysisfracties van de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van het kruis van de slip van het slachtoffer.

A.8.

Bij rapport van 1 oktober 2013 heeft de deskundige drs. J. Klaver (hof: deze deskundige is nadien drs. J. Koopman genaamd, derhalve zijn Klaver en Koopman dezelfde persoon), NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (en ingeschreven in het NRGD voor het deskundigengebied DNA-analyse en interpretatie), de wetenschappelijke bewijswaarde bepaald van de resultaten van vergelijkend DNA-onderzoek voor de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes van het slachtoffer en AUA106#02 van de slip van het slachtoffer N. van den Hurk (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 62). Daarbij zijn de DNA-profielen betrokken van verdachte, [naam vriend] (de vriend van N. van den Hurk) en het slachtoffer N. van den Hurk. Aan de hand van hypotheses heeft het NFI beschreven dat de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering van de slip celmateriaal van verdachte betreft, dan als de bemonstering geen celmateriaal van verdachte bevat. Ten aanzien van de twee bemonsteringen van de anus is dit zeer veel waarschijnlijker.

Voorts is het DNA-profiel van de verdachte vergeleken met de DNA-mengprofielen en mtDNA-profielen uit de zaak Bosuil. In een deskundigenrapport van het NFI d.d. 6 november 2013 van ing. J.L.W. Dieltjes, deskundige Forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 60) is melding gemaakt van het feit dat het mtDNA-profiel van de verdachte matcht met het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045. Dit betekent dat haarspoor ALA045 van de jas van het slachtoffer afkomstig kan zijn van verdachte of van iemand die in de moederlijke lijn aan verdachte verwant is.

A.9.

Verdachte is op 14 januari 2014 aangehouden op verdenking van het verkrachten en om het leven brengen van N. van den Hurk.

B.

In het onderzoek Bosuil zijn aan het dossier toegevoegd getuigenverklaringen van bekenden, relaties en familie van verdachte, alsmede gegevens uit andere strafzaken van verdachte. Tevens is verdachte gehoord.

B.1.

Uit het Eind proces-verbaal PL2205/95-004442A (opgenomen in Proforma dossier map 2, onderzoek Bosuil, pag. 387-457) blijkt dat door [ex-vriendin verdachte 1] op 15 november 1995 (pag. 412) aangifte is gedaan van onder andere zware mishandeling tegen verdachte. [ex-vriendin verdachte 1] heeft verklaard dat eind september 1995 de relatie tussen haar en verdachte is beëindigd. Verdachte is echter in de nacht van 24 op 25 september 1995 nog bij haar blijven slapen. [ex-vriendin verdachte 1] heeft verklaard dat verdachte haar toen met een broekriem om haar nek naar de slaapkamer heeft gesleept en haar daar verkracht heeft.

Op 5 oktober 1995 om 21.00/21.30 uur stond verdachte bij [ex-vriendin verdachte 1] in Eindhoven aan de deur om te praten over de bezoekregeling voor hun zoon. Verdachte zou toen [ex-vriendin verdachte 1] bij haar keel hebben gepakt, haar keel hebben dichtgeknepen en haar gedwongen hebben tot geslachtsgemeenschap. [ex-vriendin verdachte 1] heeft verklaard dat zij vervolgens uit de woning is weg kunnen gaan en naar het politiebureau aan de [adres 2] is gelopen. De politie is toen meegegaan naar de woning van [ex-vriendin verdachte 1] in Eindhoven en door bemiddeling van de politie is verdachte de woning uitgegaan. [ex-vriendin verdachte 1] heeft verklaard dat zij op zaterdag 7 oktober 1995 met haar zoon naar Amsterdam zou gaan en dat zij toen heeft waargenomen dat verdachte in een taxi achter haar aanreed tot het NS-station in Eindhoven.

Volgens de verklaring van [ex-vriendin verdachte 1] is verdachte in de nacht van 19 op 20 oktober 1995 rond een uur of 03.00/03.30 uur haar woning binnengekomen door met een breekvoorwerp het keukenraam open te breken. Naar aanleiding hiervan heeft zij een gesprek met de politie gehad en heeft zij een week op een onderduikadres gezeten. Nadat zij terugkwam bij haar woning is verdachte in de nacht van 27 op 28 oktober 1995 omstreeks 03.00 uur bij haar aan de deur geweest.

Op 13 november 1995 ging [ex-vriendin verdachte 1] om 20.25 uur in de avond haar hond uitlaten. Toen zij terugkwam zag zij dat de deur van haar schuur openstond en dat verdachte uit de schuur stapte. Verdachte heeft haar toen geduwd zodat zij op de grond viel, en heeft haar getrapt en geslagen. [ex-vriendin verdachte 1] heeft verklaard dat zij naar het ziekenhuis is overgebracht, waar is geconstateerd dat haar borstbeen was gescheurd, het hart was gekneusd en in een long een gaatje zat. Haar hele lichaam zat onder de blauwe en beurse plekken.

Verdachte is op diezelfde dag om 22.10 uur aangehouden en vervolgens op 14 november 1995 in verzekering gesteld (pag. 403 resp. 406). Verdachte heeft verklaard (pag. 443) dat hij zijn fiets had weggezet zodat [ex-vriendin verdachte 1] die niet zou zien en dat hij in het schuurtje op [ex-vriendin verdachte 1] is gaan wachten om met haar te praten. Hij is toen door het lint gegaan en heeft uit woede haar vele malen geslagen en geschopt tot zij geen reactie meer gaf en bewegingsloos op de grond lag, waarna hij weg is gegaan.

Voorts heeft verdachte verklaard (pag. 451-452) dat hij na het einde van de relatie (op 24 september 1995) nog iedere dag bij [ex-vriendin verdachte 1] is geweest; dat zij toen geen gemeenschap hebben gehad tót de avond of nacht dat de politie aan de woning is geweest; dat hij wil aannemen dat dat op 6 oktober 1995 is geweest; dat hij de avond ervoor (hof: op 5 oktober 1995) naar [ex-vriendin verdachte 1] is gegaan en dat het die avond is gekomen tot gemeenschap. Hij ontkent echter [ex-vriendin verdachte 1] de keel te hebben dichtgeknepen en haar op die manier te hebben gedwongen tot gemeenschap. Verdachte voegt daaraan toe (pag. 454) dat zij na de gemeenschap in de nacht ruzie kregen, waarna [ex-vriendin verdachte 1] is weggelopen en terugkwam (naar haar huis) met de politie.

Ook heeft verdachte verklaard dat hij inderdaad in de nacht van 19 op 20 oktober 1995 haar woning is binnengedrongen door het keukenraam open te breken.

Verdachte is bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 6 maart 1996 veroordeeld voor zware mishandeling van [ex-vriendin verdachte 1] op 13 november 1995 te Eindhoven. Ter zake van verkrachting en poging tot zware mishandeling van [ex-vriendin verdachte 1] in de periode van juni 1990 tot 13 november 1995 te Eindhoven en verkrachting van [ex-vriendin verdachte 1] op 13 november 1995 is verdachte bij voornoemd vonnis door de rechtbank vrijgesproken.

B.2.

Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 17 maart 2014 (Proforma dossier map 2, onderzoek Bosuil, pag. 498-499) blijkt dat verdachte een Mercedes Benz 200, met kenteken [kenteken] op zijn naam had staan van 15 augustus 1994 tot 27 maart 1996. Verdachte heeft aangifte gedaan van diefstal van deze Mercedes tussen 24 oktober 1995 21.30 uur en 25 oktober 1995 00.45 uur aan het [locatie] te [woonplaats] . Dit voertuig is op 1 december 1995 aangetroffen in het water van de rivier de Aa te ’s-Hertogenbosch. Er is toen door de politie geconstateerd dat er een sleutel in het contactslot zat en geen sporen van braak aanwezig waren. De verzekering weigerde aanvankelijk om tot uitkering over te gaan omdat de verzekering het vermoeden had dat de auto niet gestolen is geweest. De kantonrechter te Utrecht heeft op 20 februari 2002 dit geschil beslecht ten gunste van verdachte (Proforma dossier map 2, onderzoek Bosuil, pag. 619-622).

Uit een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 mei 2014 (Proforma dossier map 3, onderzoek Bosuil, pag. 729-738) blijkt het volgende. De toenmalige werkgever van verdachte, [werkgever] te Eindhoven, heeft verklaard dat verdachte in 1995 enkele weken bij hem werkte, dat ze geen bedrijfsauto’s hadden maar dat de werknemers met de eigen auto reden en dat de opdrachten voornamelijk in Eindhoven waren. Ze moesten om 07.30 uur op karwei beginnen.

B.3.

Door [ex-vriendin verdachte 2] is op 18 maart 2014 (Proforma dossier map 3, onderzoek Bosuil, pag. 467-471) een verklaring afgelegd over haar relatie met verdachte vanaf 1997. Zij heeft verklaard over mishandelingen en verkrachtingen door verdachte. Nadat verdachte veroordeeld was in haar zaak en zijn straf had uitgezeten heeft hij volgens [ex-vriendin verdachte 2] een week nadat hij vrij kwam ‘dat meisje in Valkenswaard ’ verkracht (hof: voor het desbetreffende delict, te weten de verkrachting van [slachtoffer x] , is verdachte bij vonnis van 18 januari 2001 veroordeeld tot o.a. Terbeschikkingstelling (TBS) met bevel tot verpleging.

Uit een Pro Justitia rapportage van psycholoog A.J. de Groot (Proforma dossier map 1, onderzoek Bosuil, pag. 205-217) d.d. 14 december 2008 opgemaakt in het kader van de verlenging van de TBS, blijkt dat verdachte op dat moment driekwart jaar in De Rooyse Wissel verblijft, nadat de behandeling in FPC Veldzicht (waar hij vijf jaar verbleef) is vastgelopen. Binnen het onderzoek door De Groot is bevestiging gevonden voor de psychodiagnostiek en de classificatie hiervan, zoals deze door Veldzicht en De Rooyse Wissel wordt (hof: en werd) gehanteerd. Er is evident sprake van een B-cluster persoonlijkheidsstoornis, te weten een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline- en narcistische trekken, en verslavingsproblematiek.

B.4.

Verdachte heeft bij de politie geen verklaring afgelegd, afgezien van de verklaring dat hij onschuldig is.

Op 28 september 2015 heeft verdachte bij de rechter-commissaris een verklaring afgelegd. Verdachte heeft verklaard:

- dat het niet zijn DNA is dat is aangetroffen;

- dat het enige dat hij kan bedenken is dat er dan een vrijwillig seksueel contact is geweest omdat hij in de periode 1990-1995 veel losse seksuele contacten had;

- dat hij in zijn leven maar tweemaal anale seks heeft gehad, namelijk met [ex-vriendin verdachte 2] en met het meisje van het delict waarvoor hij tot TBS veroordeeld is;

- dat hij Nicole van den Hurk niet kende.

Ter terechtzitting van de rechtbank op 2 november 2015 heeft verdachte verklaard:

- dat elke stapavond in seksueel contact eindigde;

- dat seks en drank hem een goed gevoel gaven omdat hij een laag zelfbeeld had;

- dat hij niet op kinderen valt;

- dat toen hij in het huis van bewaring zat in de zaak voor de mishandeling van [ex-vriendin verdachte 1] hij een foto zag van Nicole van den Hurk maar dat er bij hem geen lampje ging branden.

Verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 28 augustus 2018 verklaard dat hij vanaf augustus 1995 werkzaam was bij het tegelzettersbedrijf [naam bedrijf] in Eindhoven maar dat hij ten tijde van zijn arrestatie voor de mishandeling van [ex-vriendin verdachte 1] in november 1995 naar eigen zeggen in de ziektewet zat wegens overspannenheid. In de periode voorafgaand aan het delict van 13 november 1995 zou hij naar de huisarts zijn gegaan om kalmerende middelen te vragen omdat hij niet meer tot rust kon komen en slecht sliep. Naar zijn zeggen was de aanleiding dat hij zijn zoon niet meer mocht zien en was hij erg overstuur van de aangifte van verkrachting door [ex-vriendin verdachte 1] en zou hij tijdens de eerste dagen in het huis van bewaring suïcide overwogen hebben. Hetgeen daarover is opgenomen in het reclasseringsrapport van 7 februari 1996 (pag. 729) klopt.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij geen gemakkelijke jeugd heeft gehad en veel tekort is gekomen omdat zijn ouders er nooit voor hem waren. Hij had geen goede band met zijn ouders. Verdachte hield niet van zichzelf en liet geen anderen toe. Hij was depressief en had veel wisselende seksuele contacten. Dat gaf hem een goed gevoel en vrienden keken daardoor tegen hem op. Er was in die periode sprake van gokken, vechten met voetbalhooligans en veel drank.

Begin jaren negentig had hij een relatie met [ex-vriendin verdachte 1] en ze kregen samen een kind. Vanaf het begin is het een relatie van aantrekken en afstoten geweest met veel ruzies. In september 1995 hadden hij en [ex-vriendin verdachte 1] besloten om elkaar niet meer te zien. Op 13 november 1995 heeft verdachte zijn (toen) ex-vriendin zwaar mishandeld. Verdachte heeft die zware mishandeling bekend en heeft daarover verklaard dat hij toen door het lint is gegaan. Hij heeft echter ook verklaard dat hij haar nooit heeft verkracht. Verdachte heeft wel aangegeven dat hij na zijn TBS-behandeling is gaan begrijpen dat het kan zijn geweest dat zijn relaties bang voor hem waren, door hoe hij zich profileerde en dat zij geen nee durfden te zeggen als hij na een ruzie seks wilde hebben, vooral als hij drank op had.

Over de gebeurtenis op 5 oktober 1995 waarover [ex-vriendin verdachte 1] heeft verklaard, dat er toen politie was gekomen, heeft de verdachte desgevraagd aangegeven dat de politie bij [ex-vriendin verdachte 1] meerdere keren aan de deur is geweest en dat hij daarom niet meer kan zeggen waar hij daarna, ook niet op 6 oktober 1995, naar toe is gegaan. Wellicht is hij naar huis of op stap gegaan.

Verdachte heeft verklaard dat hij nog wel weet dat hij aan [ex-vriendin verdachte 1] had gevraagd of hij mee mocht met het uitje naar Amsterdam, maar dat zij dat niet wilde. Op de vraag van de voorzitter waarom hij op 7 oktober 1995 met de taxi was, heeft verdachte verklaard dat hij, als hij al met de taxi was, dan zonder vervoer zal hebben gezeten. Hij nam wel vaker een taxi en als hij op het station was dan kan het zijn dat hij de bus naar [woonplaats] wilde nemen.

Verdachte heeft bevestigd dat bij hem sprake was van een antisociale persoonlijkheidsstoornis met borderline trekken en verslavingsproblematiek. Hij heeft verklaard dat hij de verkrachting van [slachtoffer x] (in september 2000) heeft bekend. Ook dat feit had te maken met stappen, drank- en drugsgebruik en hoewel hij niet precies wist wat er was gebeurd, wist hij wel dat het niet goed zat. De verkrachting van [slachtoffer x] is te ver gegaan. Hij is toen gestopt met cocaïne en heeft zijn verantwoordelijkheid genomen door zelf een TBS-behandeling te willen. Hij is zelf als kind misbruikt en weet hoe erg het is om dat mee te maken.

Met betrekking tot de aangetroffen DNA-sporen bij het slachtoffer N. van den Hurk heeft verdachte verklaard dat het zijn DNA niet is, maar als daar van uit wordt gegaan, is er sprake geweest van een vrijwillig seksueel contact. In de periode van de vermissing van het slachtoffer keek hij geen televisie en hield hij zich daar niet mee bezig. Toen hij vast zat vanwege de mishandeling van [ex-vriendin verdachte 1] (vanaf 13 november 1995) heeft hij wel televisie gekeken maar omdat hij iedere dag blowde was hij van de wereld en kreeg de dingen niet helder. Hij zat slecht in zijn vel en had zelfmoordgedachten. Hij kan niet aangeven, in geval er seksueel contact is geweest met N. van den Hurk, wanneer dat dan geweest is. Hij heeft daar geen herinnering aan. Hij heeft verklaard dat hij wel een verkrachter is maar geen moordenaar.

C.

Forensisch onderzoek

Met betrekking tot de in en op het lichaam van N. van den Hurk en in haar slip aangetroffen sporen bevinden zich in het dossier meerdere deskundigenrapporten en verklaringen van deskundigen.

C.1.

De bevindingen van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI)

Blijkens het NFI-rapport d.d. 1 oktober 2013 van drs. J. Klaver, NFI-deskundige forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (en ingeschreven als gerechtelijk deskundige in het NRGD voor het deskundigheidsgebied DNA analyse en interpretatie) is de wetenschappelijke bewijswaarde van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek bepaald voor de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van de slip van het slachtoffer (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 62). De DNA-profielen van [verdachte] (AVA293), [naam vriend] (RAAM5867NL) en het slachtoffer N. van den Hurk (RCD603) zijn betrokken bij het vergelijkend DNA-onderzoek.

Uit het verrichte vergelijkende DNA-onderzoek is gebleken dat ten aanzien van de bemonsteringen AWA059#04SF en #06SF van de anusuitstrijkjes en AUA106#02SF van de kruis van de slip van het slachtoffer een onvolledig DNA-mengprofiel van minimaal drie personen is verkregen en dat het celmateriaal afkomstig kan zijn van [naam vriend] en [verdachte] (AWA059#04SF en AUA106#02SF) c.q. van [verdachte] (AWA059#06SF).

In het rapport is omtrent de wetenschappelijke bewijswaarde van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek ten aanzien van de verdachte [verdachte] het volgende vermeld:

De DNA-mengprofielen van de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van het slipje zijn complexe onvolledige DNA-mengprofielen. Het aantal celdonoren kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Het is daarom niet mogelijk om een 'standaard' statistische berekening uit te voeren voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden overeenkomsten, omdat niet alle DNA-kenmerken van alle celdonoren zichtbaar zijn. De wetenschappelijke bewijswaarde van de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt daarom geformuleerd in verbale termen van waarschijnlijkheid.

Uit informatie van de politie blijkt dat er mogelijk geslachtsgemeenschap heeft plaatsgevonden tussen het slachtoffer en de betrokkene [naam vriend] een aantal dagen voor de verdwijning van het slachtoffer. Na deze gemeenschap zou zij dus nog een aantal dagen geleefd hebben. De kans op het aantreffen van spermacellen in het lichaam van levende personen neemt sterk af na verloop van tijd. Desondanks is op grond van de verkregen informatie en de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek voor hypothese 1C, 1D, 3C en 3D (hof: zie hierna) aangenomen dat [naam vriend] één van de celdonoren is. De analyses zijn echter ook uitgevoerd zonder deze aanname.

Op basis van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat in de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van het slipje DNA aanwezig is van minimaal één onbekende persoon (niet zijnde [verdachte] , [naam vriend] of N. van den Hurk). Vanwege de complexiteit van de DNA-mengprofielen is het niet mogelijk om aan te geven of dit één en dezelfde persoon kan zijn.

Voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de gevonden overeenkomsten met het DNA-profiel van [verdachte] zijn de bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek beschouwd onder verschillende hypothesen. Per bemonstering is aangegeven welke hypothesen zijn beschouwd.

AWA059#04 (bemonstering anus)

hypothese 1A: De bemonstering bevat celmateriaal van de verdachte [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte] ).

hypothese 1B: De bemonstering bevat celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte] ).

hypothese 1C: De bemonstering bevat celmateriaal van [naam vriend] , de verdachte [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon (niet verwant aan [naam vriend] of aan de verdachte [verdachte] ).

hypothese 1D: De bemonstering bevat celmateriaal van [naam vriend] en twee willekeurige onbekende personen (niet verwant aan [naam vriend] of aan de verdachte [verdachte] ).

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker als de bemonstering DNA van de verdachte [verdachte] bevat (hypothese 1A en 1C) dan als de bemonstering geen celmateriaal van de verdachte [verdachte] bevat (hypothese 1B en 1D).

AWA059#06 (bemonstering anus)

hypothese 2A: De bemonstering bevat celmateriaal van de verdachte [verdachte] en twee willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte] ).

hypothese 2B: De bemonstering bevat celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte] ).

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn zeer veel waarschijnlijker als hypothese 2A juist is, dan als hypothese 2B juist is.

AUA106#02 (bemonstering slip)

hypothese 3A: De bemonstering bevat celmateriaal van de verdachte [verdachte] en twee onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte] ).

hypothese 3B: De bemonstering bevat celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan de verdachte [verdachte] ).

hypothese 3C: De bemonstering bevat celmateriaal van [naam vriend] , de verdachte [verdachte] en één willekeurige onbekende persoon (niet verwant aan [naam vriend] of aan de verdachte [verdachte] ).

hypothese 3D: De bemonstering bevat celmateriaal van [naam vriend] en twee willekeurige onbekende personen (niet verwant aan elkaar of aan [naam vriend] of aan de verdachte [verdachte] ).

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker als de bemonstering DNA van de verdachte [verdachte] bevat (hypothese 3A en 3C) dan als de bemonstering geen celmateriaal van de verdachte [verdachte] bevat (hypothese 3B en 3D).

In algemene zin is in het rapport vermeld:

De DNA-deskundige van het NFI maakt gebruik van de volgende reeks van waarschijnlijkheidstermen, met bijbehorend likelihood ratio interval:

De bevindingen van het onderzoek zijn

• ongeveer even waarschijnlijk (1)

• iets waarschijnlijker (>1-10)

• waarschijnlijker (10-100)

• veel waarschijnlijker (100-10.000)

• zeer veel waarschijnlijker (10.000-1.000.000)

• extreem veel waarschijnlijker (>1.000.000)

wanneer hypothese I (of II) juist is, dan wanneer hypothese II (of I) juist is.

De gebruikte statistische analysemethode is gebaseerd op inzichten die zijn geaccepteerd in de internationale wetenschappelijke gemeenschap van forensisch DNA-deskundigen en statistici.

C.2.

De bevindingen van Independent Forensic Services (IFS)

In het rapport van 20 september 2015 van R. Eikelenboom en J. van der Meij (los opgenomen in het procesdossier, 92 pagina’s plus 2 bijlagen), zijn onder meer de volgende conclusies (pag. 87-90) opgenomen:

8. Uit de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06) en de slip (AUA106#02) zijn complexe DNA-mengprofielen verkregen. Om aan te kunnen nemen dat de verdachte en [naam vriend] donor van DNA kunnen zijn geweest aan de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06) en de slip (AUA106#02) moet bij alle DNA-profielen die zijn verkregen door het NFI en IFS worden aangenomen dat allelic drop-out heeft plaatsgevonden. (…)

9. De statistische analyses van TrueAllele aan de DNA-uitslagen van bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06 en de slip (AUA106#02) van het NFI komen overeen met de resultaten van de statistische analyses van het NFI. De bewijswaarde valt echter lager uit dan bij het NFI.

10. Het contra-onderzoek van IFS op de bemonsteringen van de anus (AWA059#04) en de slip (AUA106#02) bevestigen de resultaten van het NFI niet. Er zijn bij het onderzoek van IFS minder matchende DNA-kenmerken verkregen met de verdachte en [naam vriend] . Mogelijk is dit veroorzaakt doordat iets minder DNA aanwezig was in de extracten die aan IFS zijn verstrekt dan in die door het NFI zijn gebruikt.

11. Het contra-onderzoek van IFS op de bemonstering van de anus (AWA059#06) bevestigt het onderzoek van het NFI, maar ook door IFS zijn geen volledige matches verkregen.

12. Het NFI rapporteert bij het toetsen van de hypothesen over de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06) en de slip (AUA106#02) de hoogste verbale conclusie ‘extreem veel waarschijnlijker’, dit zou overeenkomen met een likelihood ratio van meer dan één miljoen. Dat is echter aanzienlijk hoger dan de likelihood ratio die TrueAllele heeft berekend. Op grond van alle DNA resultaten en statistische analyses zou een verbale conclusie van ‘waarschijnlijker’ voor hypothese 3c (de bemonstering bevat celmateriaal van [naam vriend] , de verdachte en één willekeurig onbekend persoon) meer gepast zijn.

(…)

17. Wanneer alle sporen worden bestudeerd waaruit geen (zeer) partiële matches zijn verkregen dan valt op dat de verdachte mogelijk DNA heeft bijgedragen in drie sporen (AUA106#02SF), kruis slip slachtoffer, AWA059#04SF, anus slachtoffer en AWA059#06SF, anus slachtoffer) en de betrokkene [naam vriend] vijf keer (AUA107#11SF, bemonstering van het kruis van de spijkerbroek van het slachtoffer, AUA106#02SF, kruis slip slachtoffer, AUA106#03SF, kruis slip slachtoffer, AWA059#04SF, anus slachtoffer en AWA059#06SF, anus slachtoffer). (…)

18. Op grond van het biologische sporen- en DNA-onderzoek is er steun voor de hypothese dat de verdachte en [naam vriend] sperma aan de bemonsteringen van de anus (AWA059#04 en #06) en de slip (AUA106#02) hebben bijgedragen.(…)

19. (…) Op grond van het biologische sporenonderzoek is er steun voor de hypothese dat zowel verdachte als [naam vriend] anaal geslachtsverkeer hebben gehad met het slachtoffer vlak voor of na haar dood. Het is mogelijk dat het slachtoffer vlak voor haar dood seksueel op verschillende momenten met de verdachte en [naam vriend] anaal contact heeft gehad, maar het slachtoffer heeft daarna zeer waarschijnlijk geen anale ontlasting meer gehad. (…)

In het rapport van IFS (pag. 47-48, 67 en 71) wordt ten aanzien van de sporen AUA106#02SF, AWA059#04SF en #06SF vermeld dat IFS de autosomale DNA-profielen die door het NFI waren verkregen aan Cybergenetics/TrueAllele4 gestuurd heeft om statistische analyses uit te voeren. Vrij vertaald geeft Cybergenetics/TrueAllele aan:

- ten aanzien van spoor AUA106#02SF

Een match tussen het DNA-profiel dat werd verkregen van de bemonstering met het DNA-profiel van de verdachte is 342 keer waarschijnlijker dan een toevallige match met een willekeurig gekozen Nederlandse persoon.

- ten aanzien van spoor AWA059#04SF

Op grond van de analyse met behulp van TrueAllele is er geen steun voor de hypothese dat verdachte DNA heeft bijgedragen.

- ten aanzien van spoor AWA059#06SF

Een match tussen het DNA-profiel dat werd verkregen van de bemonstering met het DNA-profiel van de verdachte is 58.600 keer waarschijnlijker dan een toevallige match met een willekeurig gekozen Nederlands persoon. Dit betekent dat er steun is voor de hypothese dat verdachte DNA heeft bijgedragen.

C.3.

De bevindingen van Institute of Environmental Science and Research Limited (verder: ESR)

In opdracht van de rechtbank heeft de deskundige J.S. Buckleton, hoofdwetenschapper bij het ESR in Nieuw-Zeeland, rapporten uitgebracht. In zijn rapport van 3 juni 2016 komt Buckleton met gebruikmaking van het computermodel STRMix tot een berekening waarbij het sporenbeeld van AUA106#02 168 biljoen keer waarschijnlijker is wanneer het celmateriaal in de bemonstering afkomstig is van [naam vriend] en verdachte en een onbekend persoon dan wanneer het celmateriaal afkomstig is van [naam vriend] en twee onbekende personen.

In zijn rapport van 5 augustus 2016 heeft Buckleton met betrekking tot spoor AWA059#04 berekend dat het sporenbeeld 2,08 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het celmateriaal in de bemonstering afkomstig is van [naam vriend] en verdachte en een onbekend persoon dan wanneer het celmateriaal afkomstig is van [naam vriend] en twee onbekende personen.

Voor spoor AWA059#06 geldt dat het sporenbeeld 23.900 keer waarschijnlijker is onder de hypothese dat verdachte en twee onbekende personen celmateriaal hebben bijgedragen dan wanneer drie onbekende personen celmateriaal hebben bijgedragen.

Deskundige Buckleton heeft naar aanleiding van vragen van de verdediging van 17 mei 2016 in een schriftelijke verklaring5 aangegeven dat, kijkend naar alle methodes, uiterst sterk bewijs voor de inclusie van verdachte voor monster #02SF aanwezig is en matige tot zeer sterke ondersteuning voor inclusie van verdachte voor monsters #04SF en #06SF.

C.4.

Ter gelegenheid van de zitting van de rechtbank van 13 juni 2016 heeft de rechtbank deskundige drs. J. Koopman opdracht gegeven, met tussenkomst van de rechter-commissaris, een NFI-rapportage op te maken waarin de puntschattingen (gemaakt met het programma MixCal) worden genoemd en tevens de cijfers die uitkomst waren van de berekeningen (LRMix) waar drop-outkansen handmatig zijn ingevoerd, leidend tot twee uitkomsten: één met toepassing van het laagst gehanteerde drop-out-kans en één met het hoogst gehanteerde drop-out-kans.

Dit heeft geleid tot een aanvullende rapportage van het NFI d.d. 12 juli 2016, opgemaakt door drs. J. Koopman. In het rapport is het volgende opgenomen:

Namens de rechter-commissaris is, naar aanleiding van de zitting in deze zaak op 13 juli jl. (hof: 13 juni 2016), verzocht om de bewijskracht zoals vermeld in de rapportage van 1 oktober 2013 nader te preciseren, te weten door:

1) Een begrenzing (minimum en maximum) van de bewijskracht te geven die voor de sporen AUA106#02SF, AWA059#04SF en AWA059#06SF kan worden berekend ten aanzien van de in het rapport van 1 oktober genoemde hypotheses, op basis van een inschatting van de minimale en maximale te gebruiken drop-outkansen met het programma LRmixStudio, in gebruik bij het NFI.

2) Een schatting van de bewijskracht zoals onder 1) te geven die is verkregen met het programma MixCal, eveneens in gebruik bij het NFI.

LRmixStudio en MixCal zijn twee programma's die door het NFI worden gebruikt voor berekeningen aan DNA-mengsels. Beide programma's zijn met name ontworpen om te kunnen rekenen aan mengsels waarbij niet van alle donoren alle DNA-kenmerken zijn bepaald. Als een DNA-kenmerk van een donor niet zichtbaar is in het DNA-profiel spreekt men van een drop-out. Het programma LRmixStudio neemt altijd aan dat de kans op drop-out voor alle onbekende donoren van het mengsel gelijk is.

Het programma MixCal kan rekenen met een verschillende drop-out-kans voor elke donor van de bemonstering. Dit is uiteraard met name interessant wanneer de drop-out-kansen van de donoren in werkelijkheid verschillend zijn. Het model lijkt dan meer op de realiteit en zal daardoor een betere bewijskracht uitrekenen. Het programma MixCal is recent gevalideerd. Voor de profielen in deze zaak geldt dat de drop-out-kansen van de verschillende donoren naar inschatting van de DNA-deskundige niet veel van elkaar verschillen. Om die reden zijn de eerder gerapporteerde resultaten gebaseerd op berekeningen met het programma LRmixStudio.

Om de hierboven genoemde vraag 1) van de rechter-commissaris te beantwoorden is voor alle bemonsteringen een minimale drop-out-kans van 0,3 en een maximale drop-out-kans van 0,8 genomen. LRmixStudio berekent zelf ook een inschatting van de meest waarschijnlijke drop-out-kansen en deze inschattingen passen in alle gevallen in het interval tussen 0,3 en 0,8.

Om vraag 2) van de rechter-commissaris te beantwoorden is met MixCal een puntschatting berekend. Deze puntschatting is geheel door de computer berekend, afgezien van de keuze van het aantal veronderstelde donoren. Hiervoor is telkens drie genomen. MixCal berekent de bewijskracht voor elke combinatie van drop-out-kansen en berekent dan een gewogen gemiddelde. In dit gewogen gemiddelde telt een bewijskracht verkregen bij drop-out-kansen die de DNA-profielen beter verklaren relatief zwaarder mee dan een bewijskracht verkregen bij drop-out-kansen die de DNA-profielen slechter verklaren. De deskundige hoeft in dit geval dus niet meer zelf drop-out-kansen in te schatten. In het reguliere zaaksonderzoek worden dergelijke puntschattingen niet gerapporteerd, maar wordt (op basis van berekeningen met het programma LRmixStudio of MixCal) een getallenrange of ordegrootte gerapporteerd. In dit geval is de deskundige hiervan op specifiek verzoek van de rechtbank afgeweken.

Bewijskracht ten aanzien van de verdachte [verdachte]

Er wordt een overzicht gegeven van de nieuw berekende resultaten, de berekende intervallen voor de bewijskracht met LRmixStudio uitgaande van drop-out-kansen tussen 0,3 en 0,8 en de met MixCal berekende puntschatting. De resultaten van LRmixStudio en MixCal zijn niet gelijk aan elkaar omdat MixCal gebruik maakt van een rekenmodel dat een verfijning is van het model dat LRmixStudio gebruikt.

Spoor AUA106#02:

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn:

LRmixStudio: tussen 1 miljard en 6 miljard

Puntschatting met MixCal: 180 miljard

keer waarschijnlijker als de bemonstering DNA van verdachte, [naam vriend] , en van een onbekende, niet aan hen verwante persoon bevat dan wanneer de bemonstering DNA van [naam vriend] en van twee onbekende, niet aan hem of aan de verdachte of aan elkaar verwante personen bevat.

Spoor AWA059#04:

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn:

LRmixStudio: tussen 120 duizend en 1,7 miljoen

Puntschatting met MixCal: 1 miljoen

keer waarschijnlijker als de bemonstering DNA van verdachte, [naam vriend] , en van een onbekende, niet aan hen verwante persoon bevat dan wanneer de bemonstering DNA van [naam vriend] en van twee onbekende, niet aan hem of aan de verdachte of aan elkaar verwante personen bevat.

Spoor AWA059#06:

De bevindingen van het vergelijkend DNA-onderzoek zijn:

LRmixStudio: tussen 130 duizend en 470 duizend

Puntschatting met MixCal: 1,2 miljoen

keer waarschijnlijker als de bemonstering DNA van verdachte, en van twee onbekende, niet aan hem of aan elkaar verwante personen bevat dan wanneer de bemonstering DNA van drie onbekende, niet aan de verdachte of aan elkaar verwante personen bevat.

C.5.

DNA-deskundige T.J.P. de Blaeij is op 9 september 2014 door de rechter-commissaris gehoord en heeft onder meer verklaard:

  • -

    dat zij een rol had in de fase dat er nog geen verdachte in beeld was;

  • -

    dat het NFI van het nog aanwezige sporenmateriaal met behulp van nieuwe technieken nieuwe profielen heeft gemaakt;

  • -

    (hof: naar aanleiding van de vraag van de raadsman hoeveel kenmerken zijn vastgesteld in het spoor van de anus) dat dat niet uitmaakt voor het vaststellen van de bewijskracht van een gevonden overeenkomst, dat het gaat om de statistische evaluatie, die is uitgevoerd door collega Klaver;

  • -

    dat niet de aantallen kenmerken bepalend zijn, maar het complex aan aantallen kenmerken die overeenkomen, die niet overeenkomen, de zeldzaamheid daarvan, het aantal donoren, de kans op een bepaald soort artefacten, drop-ins, drop-outs, stotterpieken etcetera;

  • -

    dat dit tegenwoordig in de nieuwste generatie statistische modellen, die het NFI toepast sinds 2012, zit en dat sinds 2013 of 2014 die methode standaard is bij complexe DNA-mengprofielen;

  • -

    dat het NFI een geaccrediteerd instituut is;

  • -

    dat in dit geval, en dat zal altijd zo zijn, interpretatie van de resultaten plaatsvindt door een deskundige op basis van diens expertise;

  • -

    dat met de statistische tools de ‘human factor’ wel wordt geminimaliseerd;

  • -

    dat zij in haar rapport van 18 december 2012 een beschrijving geeft op basis van de LCN profielen, waarin alle drop-ins en drop-outs etc. voorkomen (hof: Forensisch dossier deel 3, bijlage 61, in welk rapport is vermeld dat verdachte op grond van de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek niet kan worden uitgesloten als donor van een deel van het sperma/celmateriaal in de stringente lysisfracties van de bemonsteringen AWA059#04 en #06 van de anusuitstrijkjes en AUA106#02 van het kruis van de slip van het slachtoffer);

  • -

    dat onderzoek een aantal malen wordt herhaald om een zo compleet en betrouwbaar mogelijk beeld te krijgen, wat het NFI het consensus profiel noemt;

  • -

    dat het gaat om de beschrijving van de overeenkomsten en de verschillen;

  • -

    dat de waarde pas kan worden bepaald aan de hand van het daarop volgende statistische onderzoek, waarbij twee hypothesen het uitgangspunt vormen;

  • -

    dat zij een dergelijke duidelijke indicatie bij geen van de andere vergeleken personen heeft aangetroffen, met uitzondering van de vriend van het slachtoffer;

  • -

    dat mevrouw Klaver de door De Blaeij verkregen DNA-profielen als input heeft gebruikt en alle informatie tot haar beschikking had.

DNA-deskundige drs. J. Klaver is op 19 juni 2014 door de rechter-commissaris gehoord en heeft onder meer verklaard:

  • -

    dat zij bij haar onderzoek wist dat er een verdachte in beeld was, anders kan zij dat onderzoek niet doen;

  • -

    dat er statistisch gezien geen verschil is indien een verdachte in beeld komt via tactisch onderzoek, dan wel via een DNA-databank match;

  • -

    dat op de vraag bij hoeveel DNA-kenmerken je van een volledig profiel kunt spreken het antwoord is dat dat wisselt omdat elke persoon twee kenmerken krijgt van de vader en van de moeder en die kunnen elkaar op de 15 plekken waar naar wordt gekeken, overlappen;

  • -

    dat er wordt uitgegaan van volledigheid als er 25 tot 30 kenmerken zichtbaar zijn waarbij dan wel de hoogte van de pieken in aanmerking moet worden genomen;

  • -

    dat zij een diagram toont dat de samenvatting behelst van drie individuele analyses op het spoor AUA106#02SF (hof: kruis slip) en dat zij basis van haar deskundigheid tot de conclusie komt dat het hier om de kenmerken van minimaal drie personen gaat, vanwege het totaal aantal allelen en het aantal allelen op de individuele loci (hof: plaatsen);

  • -

    dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van meer dan drie personen;

  • -

    dat de standaardanalyses nauwelijks pieken lieten zien en daarom een LCN techniek is gebruikt;

  • -

    dat er in dit geval drie keer een analyse is gedaan uit hetzelfde bronmateriaal, omdat zij vinden dat ze in hun werkwijze beter kunnen inschatten wat de kans is dat pieken wegvallen;

  • -

    dat al haar onderzoeken door minimaal 1 andere deskundige worden gecontroleerd;

  • -

    dat haar rapporten van 13 september 2013 en 1 oktober 2013 (hof: rapport van 1 oktober 2013 betreft een herziene versie van het rapport van 13 september 2013) door een collega zijn geschaduwd en haar rapport van 27 februari 2014 door een andere collega, en dat deze collega’s niet zelf hebben gerapporteerd in deze zaak; dat in totaal drie deskundigen ernaar hebben gekeken;

  • -

    dat bij de eerste rapporten discussie is geweest over de aanwezigheid van (wel of niet) een derde persoon;

  • -

    dat zij (de deskundige) uiteindelijk een combinatie van pieken in een spoor en in een referentiemonster heeft en die vormen voor haar haar statistische model;

  • -

    dat het NFI een model hanteert dat gebruik maakt van de aanwezigheid of afwezigheid van pieken;

  • -

    dat het NFI sinds 2012 werkt met hetzelfde model, dat daarover ook is gepubliceerd in een internationaal tijdschrift en dat het model gevalideerd is en zij daar zelf bij betrokken is;

  • -

    dat bij validatie wordt gekeken of het programma technisch doet wat het moet doen en daarvoor wordt gecontroleerd op programmeursfouten. Verder is sprake van het gebruik van parameters die moeten worden ingevoerd, het invoeren van het aantal donoren en van de kans op het wegvallen van allelen. Het gaat dan om het inzicht in de gevolgen van het verkeerd invoeren van de parameterwaardes. In verband daarmee is een richtlijn tot stand gekomen betreffende het maximaal aantal mismatches bij een x aantal donoren;

  • -

    dat de hele interpretatie niet geaccrediteerd is;

  • -

    dat, gevraagd naar de toegevoegde waarde van accreditatie, dit niets zegt over de betrouwbaarheid van de techniek maar alleen iets over de wijze waarop je als organisatie de procedures volgt om de techniek correct toe te passen;

  • -

    dat het NFI niet beschikt over een piekhoogtemodel;

  • -

    dat in de onderhavige zaak een piekhoogtemodel ook niet van toegevoegde waarde zou zijn;

  • -

    dat het NFI er voor heeft gekozen zelf een model te ontwikkelen, dat het voordeel daarvan is dat je begrijpt wat er gebeurt en het NFI wil weten waar een model wel of niet betrouwbaar is;

  • -

    dat in de bemonsteringen drie persoonsprofielen zaten;

  • -

    dat als alle pieken verklaard zijn met betrekking tot het profiel van [naam vriend] en dat van verdachte, een aantal pieken over blijft;

  • -

    dat in de lijn van de verwachting ligt dat die dan het slachtoffer betreffen maar daar heeft het NFI geen steun voor kunnen vinden, althans het is niet goed mogelijk om over de aan- of afwezigheid van cellen van het slachtoffer een eenduidige uitspraak te doen;

  • -

    dat los van de context je die overblijvende pieken zou kunnen toedichten aan hetzij het slachtoffer, aan artefacten, aan contaminatie of aan samenstellingen daarvan;

  • -

    dat contaminatie nooit is uit te sluiten;

  • -

    dat ze werken onder de richtlijnen van de International Society of Forensic Genetics.

C.6.

Ter terechtzitting van 9 en 10 november 2015 en 13 juni 20166 zijn de DNA-deskundigen drs. J. Koopman en dr. R. Eikelenboom gehoord over het door hen verrichte onderzoek en aanverwante onderwerpen. Op 13 juni 2016 is ook J.S. Buckleton als deskundige gehoord. In deze verhoren is onder meer volgende verklaard:

Met betrekking tot de bemonstering, de sporen, de toegepaste technieken en methodes

Zittingen rechtbank 9 en 10 november 2015:

Koopman:

- De sporen AWA059#04 en #06 en AUA106#02 zijn bij nieuw onderzoek veiliggesteld. Er waren nog delen van wattenstaafjes over. Die zijn veiliggesteld, geïsoleerd en gesplitst in een werk- en een contra-extract. Ten behoeve van het contra-onderzoek heeft het NFI de stukken van overtuiging bewerkt en verstrekt aan IFS (pag. 46).

  • -

    Er wordt altijd eerst een standaard DNA-onderzoek gedaan met de NGM-kit, waarbij het NFI altijd kijkt naar de 15 loci op het DNA. Als er zo weinig DNA in het monster zit, is die techniek niet geëigend en dan kan de LCN (hof: Low Copy Number)-techniek worden gebruikt. Ten aanzien van de sporen AWA059#04, #06 en AUA106#02 is de LCN techniek toegepast. De LCN-methode ziet op de techniek van vermeerdering. Als er weinig DNA is, kan dat zichtbaar gemaakt worden bij kopiëren. LCN ziet erop hoeveel kopieerstappen er worden genomen (pag. 46).

  • -

    Een DNA-profiel wordt grafisch weergegeven met piekenprofielen. Onder elke piek staat een getal. Dat doet het programma (pag. 47).

  • -

    Als er weinig DNA in de bemonstering aanwezig is, dan is te verwachten dat niet alle DNA-kenmerken van de donoren zichtbaar zijn in het DNA-profiel. Soms wordt een piek gezien en soms niet. Daarom worden verschillende keren DNA-profielen gemaakt. Omdat er zo weinig DNA is en door de gebruikte techniek is het normaal dat niet elk resultaat hetzelfde DNA-profiel oplevert (pag. 48).

  • -

    Het lichaam van het slachtoffer is zes weken na haar verdwijning aangetroffen. Het verbaast niet dat het DNA erg beschadigd was. Er zijn monsters genomen van het lichaam van het slachtoffer zelf, waar haar DNA zelf niet in kon worden teruggevonden. Dat zegt wel iets over hoe gedegenereerd het was. Het is heel bijzonder om na zo een lange periode überhaupt nog DNA aan te treffen waarvan na onderzoek nog goede resultaten kunnen worden verkregen. Het verbaast mij niet dat er geen enkelvoudige profielen vervaardigd zijn kunnen worden, ondanks dat er spermacellen zijn waargenomen (pag. 48).

  • -

    Voor de onderhavige sporen is de scheiding (lysisfractie) toegepast (pag. 49).

  • -

    Als IFS andere kits heeft gebruikt, dan is het logisch dat zij naar andere plaatsen op het DNA heeft gekeken. Er zal ook overlap zijn (pag. 50).

  • -

    Er zijn inderdaad andere resultaten (het hof begrijpt gelet op de vraag van de oudste rechter: piekenprofielen) verkregen, maar dat betekent niet dat deze niet met elkaar vergelijkbaar zijn. Het gaat uiteindelijk om de bewijskracht voor de stelling of een persoon donor is of niet. Uit beide onderzoeken volgt een bewijskracht en die kan naast elkaar worden gelegd (pag. 50).

  • -

    Hoe meer loci op het DNA worden onderzocht, hier robuuster de bewijskracht berekend kan worden (pag. 51).

  • -

    Het NFI is wat stringenter voor wat betreft de vraag wanneer zij iets geschikt acht voor vergelijkend DNA onderzoek. Het wordt pas geschikt gevonden daarvoor als er een bewijskracht aan kan worden gegeven. Immers een piek heeft alleen een meerwaarde als de bewijskracht daarvan op betrouwbare wijze kan worden berekend. Bij profielen met veel ‘allelic drop-out’ kan dat niet betrouwbaar worden berekend. Omdat die bewijskracht niet betrouwbaar kan worden berekend, vinden we het niet geschikt om te betrekken bij vergelijkend DNA-onderzoek (pag. 52).

  • -

    Als ik verwacht dat er veel ‘allelic drop-out’ zal zijn, dan laat ik ook meer ‘allelic drop-out’ toe. Het is geen willekeur, zoals de raadsman stelt. Voordat ik een DNA-profiel ga vergelijken, maak ik een inschatting van wat ik zal gaan zien. Als het bijvoorbeeld een DNA-profiel betreft, waarin weinig DNA zit, dan verwacht ik, ook als ik het DNA-profiel van de donor er naast leg, niet dat ik al de kenmerken van die donor terug zal zien. Het is dus wel een subjectieve aanname. In de onderhavige profielen zit zo weinig DNA, dat ik verwacht dat ik pieken mis (pag. 58).

  • -

    Vooraf schatten we het aantal donoren in op basis van het aantal pieken die we zien. Op basis van piekhoogte kunnen we een inschatting maken of er een reële kans is dat we pieken niet zien. Zelfs als we op lange stukken DNA een bepaalde piekhoogte zien, dan schatten we de kans dat we nog pieken missen van die persoon laag in. Op basis van het DNA-profiel maken we die inschatting. Dan halen we nog geen referentieprofiel van de betreffende persoon erbij. Ik kijk naar de piekenprofielen en op basis daarvan maken we een verbale beschouwing van het profiel. Het wordt vastgelegd in het dossier en er wordt door een andere deskundige naar gekeken (pag. 59).

  • -

    De beginvaststelling heeft invloed op de uiteindelijke resultaten. We berekenen alle mogelijkheden en we rapporteren de meest conservatieve waardes voor de bewijskracht. We rapporteren alleen de veilige ondergrens (pag. 59-60).

  • -

    Ik ben nauw betrokken geweest bij het ontwikkelen van het statistische model dat het NFI gebruikt. Dit programma heette toen de rapporten werden opgemaakt LR-Mix en nu LR-Studio. Ons programma is veel simpeler dan TrueAllele. Het neemt namelijk alleen mee of er een piek er wel is of niet. TrueAllele neemt ook de piekhoogte mee. De hoogte van de piek geeft aan hoeveel DNA er in zit. De bewijskracht die TrueAllele kan leveren is hoger dan de bewijskracht die het programma van het NFI kan leveren, maar alleen als de piekhoogte daadwerkelijk iets zegt in het mengprofiel. In een LCN-spoor geeft een piekhoogte niet meer zoveel informatie. Het kan zijn dat bij de ene keer een piek hoog is en bij de andere keer de piek niet eens wordt waargenomen. De hoogte van de piek is geen echt betrouwbare informatie (pag. 60).

  • -

    De LR (hof: likelihood ratio) wordt uitgedrukt in een getal. Een exact getal is niet mogelijk. Een range tussen 10.000 en een miljoen noemt het NFI ‘zeer veel waarschijnlijker’ (pag. 60).

  • -

    Extreem veel waarschijnlijker is een miljoen of meer (pag. 61).

  • -

    Voordat we een verwachting hebben uitgesproken waar de ‘allelic drop-out’ zal plaatsvinden, weten we welke datapunten voor ons relevant zijn (pag. 61).

  • -

    De noodzaak om de software te ontwikkelen was gelegen in het feit dat het NFI van heel veel profielen de bewijskracht niet kon berekenen. We hebben gekeken hoe we het model nog beter kunnen maken. Voor ons gevoel zijn het de puntjes op de ‘i’, maar voor de bewijskracht levert het nauwelijks meer op, omdat we in de meeste gevallen al in de hoogste categorie bewijskracht uitkomen die we nu gedefinieerd hebben (pag. 62).

  • -

    Het stoffelijk overschot lag er al zes weken en de wijze waarop toen werd bemonsterd moet goed in ogenschouw worden genomen. De lichaamsdelen staan allemaal in nauw contact met elkaar. Er waren toen ook andere bemonsteringstechnieken (pag. 69).

  • -

    (Hof: In antwoord op de vraag van de raadsvrouw mr. Van der Hut of de sporen uit de anale bemonstering eigenlijk afkomstig kunnen zijn uit de vagina, maar vanwege decompositie van het lichaam uiteindelijk in de anale bemonstering zijn aangetroffen) Dit zou mogelijk kunnen zijn. Ik zeg dit vanuit mijn algemene kennis dat beide lichaamsopeningen in contact staan met de slip en dat in beide bemonsteringen van de slip spermacellen zijn aangetroffen en ik zeg dit ook op basis van kennis over de wijze van bemonstering, dat het minder nauwkeurig er aan toe ging (pag. 69).

  • -

    Ik zou het liever bij seksueel contact houden, kijkend naar de zes weken buiten en de afhankelijkheid van de sporen (pag. 70).

  • -

    Toen ik bezig was met het ontwikkelen van de software, heb ik mij veel verdiept in piekhoogtemodellen. Ik heb kennis van de achtergrond van die modellen. Piekhoogte informatie meenemen in de modellen vind ik een goed idee, maar alleen als die piekhoogte daadwerkelijk relevant is (pag. 75).

  • -

    Ik ben het niet eens met Eikelenboom dat het aannemen van ‘allelic drop-out’ (hof: bij een door de oudste rechter ter sprake gebrachte tabel waarin 28 kenmerken van de 30 zijn genoteerd voor wat betreft verdachte) in het nadeel van verdachte is. Ik heb ongeveer 200 statistische analyses gedaan en het lijkt erop dat ook in de DNA-profielen waar veel ‘allelic drop-out’ is, er toch extreem hoge bewijswaardes uit komen (pag. 82).

  • -

    Ook het ontbreken van DNA-kenmerken heeft een waarde. Niet gezegd kan worden dat aangenomen wordt dat er twee kenmerken ontbreken en dat dan voor de rest van de DNA-kenmerken een matchkans wordt berekend. Dat is heel erg in het nadeel van de verdachte. Matchende pieken geven steun aan de hypothese dat verdachte donor kan zijn, maar ontbrekende pieken geven steun aan de andere hypotheses. Daarom is het juist van belang om die ontbrekende pieken mee te wegen in de berekening. En dat doen beide programma’s (pag. 83).

  • -

    Samenvoegen van de tabellen van de DNA-profielen van spoor AUA106#02 van respectievelijk het NFI en IFS is zeker mogelijk, maar in dit specifieke geval is het lastig om te combineren. Bovendien heeft het NFI op basis van de resultaten van het NFI al de hoogste bewijskracht gerapporteerd bij dit spoor. Het enige wat ik wel kan zeggen is dat het nog meer steun biedt voor de hypothese dat verdachte één van de donoren is, maar het NFI zal niet tot een hogere bewijskracht komen, omdat we al in de hoogste bewijskrachtcategorie zitten (pag. 92).

  • -

    Er is sprake van ‘allelic drop-out’, dat is gebleken (pag. 95)

  • -

    Er hoeft niet van tevoren gezegd te worden dat een bepaalde piek een ‘allelic drop-out’ is. Er wordt door het NFI slechts een inschatting gemaakt van de kans dat ‘allelic drop-out’ zal plaatsvinden en vervolgens wordt daarmee de kans op een DNA-profiel berekend (pag. 95).

  • -

    Drop-in is een piek die niet is toe te schrijven aan een donor. Het kan een in gedwarrelde piek zijn of een stotter. We weten dat het bij LCN-profielen niet meer dan 10% is. Drop-in corrigeert voor alle pieken die we niet willen toeschrijven aan een donor (pag. 100).

  • -

    In het verleden hebben we altijd gekeken naar enkelvoudige DNA profielen met een bewijswaarde groter dan een miljard en nu kijken we naar een complex mengprofiel waaraan toch zo’n grote bewijswaarde kan worden gekoppeld. Het is goed om te beseffen dat de bewijskracht van een enkelvoudig profiel een bewijskracht heeft van 10 tot de 22ste. Zoveel informatie zit er in een enkelvoudig profiel. We hebben thans een complex mengprofiel. Als we 9 nullen van dit immense getal halen, dus een miljard aan bewijskracht verliezen, dan is de bewijskracht nog steeds groter dan 1 op 1 miljard en dus zitten we dan nog steeds in de hoogste verbale schaal (pag. 100-101).

  • -

    De drie sporen komen allemaal bij elkaar in de buurt. De vraag die beantwoord moet worden is of het celmateriaal van verdachte is. Het maakt niet uit of één, twee of drie keer in de hoogste categorie van waarschijnlijkheid wordt uitgekomen. De waarschijnlijkheidsgraden moeten niet met elkaar verbonden worden. Voor mij zou één keer de hoogste waarschijnlijkheidsgraad voldoende zijn (pag. 103).

  • -

    NFI-onderzoeken zijn allemaal op bronniveau. De vraag hoe het materiaal er is gekomen, is niet door het NFI beantwoord (pag. 104).

  • -

    Er komt één getal uit voor alle drie replica’s gezamenlijk. Ik kan de puntschatting en sensitiviteitsanalyse geven. Gekeken wordt dan hoe gevoelig de waarde is voor de aanname van ‘allelic drop-out’ (pag. 114).

  • -

    Per spoor wordt de meest conservatieve waarde gegeven. De ondergrens die het NFI geeft is ook echt de ondergrens. De bewijswaarde ligt dus in ieder geval hoger (pag. 114).

  • -

    Er is een tand onder het stoffelijk overschot aangetroffen en bemonsterd. Er ontbrak ook een tand. Het idee was dat er mogelijk aanraaksporen op die tand aanwezig zouden kunnen zijn. Dat onderzoek heeft echter niets opgeleverd. Op de tand is zelfs het DNA-profiel van het slachtoffer niet meer aangetroffen (pag. 109).

Eikelenboom:

  • -

    IFS maakt gebruik van de MiniFiler-kit en Identifiler Plus-kit (pag. 46). De Identifiler-kit onderzoekt een paar verschillende locaties vergeleken met de NGM-kit. Het verkrijgt dus iets andere resultaten. Ook worden veel dezelfde locaties onderzocht (pag. 47).

  • -

    Bij minimale sporen en zeker bij complexe mengsels kan je vooraf verwachten dat ‘allelic drop-out’ optreedt bij donoren. Sperma is normaal gesproken een zeer goede bron van DNA. Dat is anders bij aanraaksporen. Er zijn spermakoppen waargenomen in de preparaten. Er heeft decompositie plaatsgevonden van het lichaam. De spermakoppen zijn microscopisch waargenomen door mijzelf en het NFI. Als deze nog intact zijn dan blijft het DNA in die kop ook redelijk intact (pag. 48)

  • -

    Ik heb in 1995 onderzoek verricht aan deze zaak bij het NFI. Ik heb de spermakoppen met eigen ogen gezien destijds. Ik heb in 1995 sporenonderzoek verricht op de Afdeling Biologie (toen nog Serologie). Deze afdeling is de huidige DNA afdeling. Ik geloof dat ik de sporen op de slip en de anus heb veiliggesteld. Ik heb de gegevens van mijn waarnemingen in 1995 en van de foto’s die later door het NFI zijn genomen gecombineerd (pag. 50).

  • -

    In deze zaak zijn niet heel veel spermakoppen aangetroffen en afbraak en decompositie hebben een rol gespeeld. Hierdoor neemt de kans op ‘allelic drop-out’ wel toe (pag. 50).

  • -

    Het contra-onderzoek staat in beginsel los van het onderzoek van het NFI. De rechtbank heeft wel gelijk, dat de resultaten gecombineerd kunnen worden. Er zijn drie sporen: twee van de anus en één van de slip. Het NFI heeft per spoor 10 tot 15 profielen vervaardigd en het IFS ook 10. Er zijn dus 25 profielen van één spoor gemaakt. Geen enkel profiel is hetzelfde. In deze zaak zijn extreem complexe mengprofielen verkregen waaraan minimaal drie donoren hebben bijgedragen (pag. 51).

  • -

    Het NFI neemt dan een consensusprofiel, waarbij een aantal resultaten bij elkaar worden genomen. IFS gebruikt een composietprofiel, waarbij alle resultaten die zijn verkregen in het profiel worden gebruikt (pag. 51).

  • -

    Een artefact is bijvoorbeeld een luchtbelletje. Dat kan een piek veroorzaken, terwijl het geen piek is. De computer vergist zich daar soms in en een deskundige kan dat herkennen (pag. 51).

  • -

    Het NFI is van oordeel dat een piek alleen een meerwaarde heeft als de bewijswaarde daarvan op een betrouwbare wijze kan worden berekend en het NFI vindt dat dat bij profielen met veel ‘allelic drop-out’ niet betrouwbaar kan worden berekend. IFS kijkt daar anders tegenaan. Als pieken niet overeenkomen met een verdachte, dan zijn ze per definitie ontlastend (pag. 52).

  • -

    Het aannemen van ‘allelic drop-out’ kan in het nadeel van een verdachte zijn (pag. 58).

  • -

    In de stringente lysisfractie kunnen wel eens niet-spermacellen aanwezig zijn, omdat die dan doorlekken. Je kunt dan wel zien dat er sperma gedoneerd is geweest, maar niet door wie (pag. 69).

  • -

    In 1995 werkte ik nog bij het NFI. Ik ben zelf bij het sporenonderzoek betrokken geweest. Dat er sperma vanuit de vagina naar de anus is gebracht bij de bemonsteringen is regelmatig voorgekomen. Mijn conclusie geldt echter nog steeds. Als de bemonsteringen juist zijn genomen, zou je dit sporenbeeld verwachten bij anale seks (pag. 70).

  • -

    Het NFI en IFS onderzoeken niet dezelfde loci. Beiden onderzoeken wel 15 loci (pag. 94).

  • -

    Ik ben het eens met deskundige Koopman dat er sprake is van ‘allelic drop-out’ (pag. 95).

Zitting rechtbank 13 juni 2016:

Koopman:

  • -

    Ik kan de onderliggende getallen presenteren, omdat we nu met een verbeterde versie van het programma werken, MixCal. Er is een verbeterde versie van het programma LRmix, dat zelf de drop-out-kansen berekend. Het programma is echter nog niet gevalideerd en gepubliceerd (pag. 25).

  • -

    (Hof: Mededeling oudste rechter: de deskundige Koopman kan twee getallen geven, aan elke kant van de drop-out range en daarnaast een puntschatting) Ik kan inzicht verschaffen in de getallen en ik zal ook de puntschatting geven (pag. 26).

  • -

    Ik heb de cijfers, maar ik maak hierbij een kanttekening. Als de cijfers de status van een NFI-deskundigenrapport krijgen, dan verlang ik dat deze eerst geschaduwd worden door een tweede NFI-deskundige (pag. 27).

  • -

    Er wordt om een puntschatting verzocht in plaats van ranges. Het verandert niets aan de resultaten ten aanzien van spoor 02SF (pag. 36).

Eikelenboom:

  • -

    Iedere replica/vermeerderingsprocedure levert een ander resultaat op. Als het slechte kwaliteit is, dan kan de bewijswaarde omlaag gaan, maar als er bijvoorbeeld extra allelen worden aangetroffen, die niet in de andere profielen zijn aangetroffen en die met de verdachte matchen, dan kan de bewijswaarde omhoog gaan (pag. 12).

  • -

    Koopman en ik hebben geen twijfel over het aantal donoren. Wij gaan beiden uit van drie donoren. In ons onderzoek hebben we andere DNA-kits gebruikt. Als we de delen die overeenkomen over elkaar leggen, dan zien we ook op meerdere locaties vijf kenmerken (pag. 18).

Met betrekking tot het aan deskundige Eikelenboom verstrekte materiaal en daarmee verricht onderzoek, waaronder het aantal replica’s

Zittingen rechtbank 9 en 10 november 2015:

Koopman:

  • -

    Ten behoeve van het contra-onderzoek heeft het NFI de stukken van overtuiging bewerkt en verstrekt aan IFS (pag. 46).

  • -

    De piekenprofielen die het NFI heeft vervaardigd zijn verstrekt aan IFS (pag. 47).

  • -

    Een klein beetje vermindering van kwaliteit van het DNA, bijvoorbeeld door tijdsverloop, kan het verschil in resultaten verklaren (pag. 55).

  • -

    Dezelfde resultaten van TrueAllele kunnen verwacht worden, mits alle vier replica’s per spoor zijn doorgerekend (pag. 62).

  • -

    Gebruik maken van een programma dat gebruik maakt van piekhoogte informatie is alleen relevant als de piekhoogte daadwerkelijk iets zegt. Ik maak me zorgen dat in de berekening van TrueAllele de piekhoogte als relevant is aangeduid, terwijl hij dat niet is. Dat blijkt uit de verschillende replica’s. Als er door TrueAllele slechts één replica gebruikt wordt en daarop wordt de bewijskracht berekend, dan kan het programma niet zien dat de piekhoogte niet betrouwbaar is. Als TrueAllele alle replica’s gezamenlijk kan beoordelen, maak ik mij geen zorgen, want ik weet dat het een goed programma is (pag. 63).

  • -

    Op basis van korte lezing van het rapport van IFS denk ik dat TrueAllele telkens maar één replica berekend heeft en dan kan het misgaan (pag. 63-64).

  • -

    Als er maar één replica is gebruikt, dat is dat een derde of een kwart van alle data. Als maar één replica wordt gebruikt, dan worden veel data gemist en is de verwachting dat uit de data veel minder bewijskracht wordt gehaald dan wanneer alles gezamenlijk wordt betrokken (pag. 72).

  • -

    Destijds is geprobeerd om alle individuele ‘samples’ bij elkaar te voegen en daarvan een DNA-profiel te maken. Dat noemt het NFI een poolprofiel. Het NFI heeft daar in de berekeningen niets mee gedaan, want het staat niet onafhankelijk van de vier replica’s. Het is namelijk samengevoegd. Het NFI heeft met het poolprofiel niets gedaan in de bewijswaarde (pag. 73).

  • -

    Ik heb het poolprofiel niet gebruikt voor mijn berekening en TrueAllele kennelijk wel. Dat verklaart mogelijk waarom er een verschil is in de resultaten (pag. 74).

  • -

    TrueAllele heeft het poolprofiel gebruikt en ik drie replica’s. Er is dus een verschil van input en dat kan het verschil in output verklaren (pag. 75).

  • -

    In het verleden dachten we dat het bij elkaar voegen van resultaten van afzonderlijke replica’s en het daarvan opnieuw een profiel maken, mogelijk een meerwaarde had. Het leverde echter niet bijzonder veel meer informatie op en voor een statistische berekening kon het niet worden gebruikt, want daarvoor zijn juist die individuele replica’s van belang. Het poolprofiel kan eigenlijk worden gezien als een samenvatting van de rest.
    Dat er wordt gezocht naar de meest informatieve replica, zoals IFS heeft laten doen, kan ik me wel voorstellen. Ik ben alleen nog steeds tegen het kiezen van één replica uit de hele dataset. Dit is een voorbeeld van data niet meewegen. We hoopten dat het poolprofiel als geheel meer zou zijn dan de som der delen, maar dat bleek niet zo te zijn (pag. 75-76).

  • -

    De meerwaarde is om de verschillende replica’s samen te voegen, omdat je dan kan meenemen dat in sommige replica’s bepaalde pieken maar één keer zichtbaar zijn en andere pieken in elke replica terugkomen. Juist dat is de informatie die waardevol is in deze analyse en die informatie mis je als je maar één replica bekijkt (pag. 76).

  • -

    Naar aanleiding van wat gisteren (hof: 9 november 2015) op de zitting is gezegd, heb ik mij afgevraagd wat er zou gebeuren als dezelfde input zou worden gebruikt. Wat ik verwachtte is ook daadwerkelijk gebeurd: ook uit mijn programma volgt een lagere bewijskracht als slechts met één replica gerekend wordt. Dit komt doordat minder informatie in de berekening wordt meegenomen (pag. 91).

  • -

    Het aantal replica’s verschilt per spoor. Ik heb voor AUA106 drie replica’s gebruikt en voor de andere sporen (AWA059) vier replica’s (pag. 98).

  • -

    Het is van belang om zoveel mogelijk informatie mee te nemen. Om die reden neemt het NFI de resultaten van de drie replica’s gezamenlijk mee in de berekening. Als maar één replica meegenomen wordt, dan zakt ook de bewijskracht met de methode die het NFI hanteert. Ik verwacht dat de piekhoogte informatie in de TrueAllele-berekening wordt meegenomen. Gisteren (hof: zitting 9 november 2015) is gezien dat het hele onbetrouwbare informatie is. De ene keer is de ene piek hoog en de andere keer is de andere piek hoog. Ik denk dat doordat deze onbetrouwbare informatie is meegenomen in de berekening van TrueAllele de bewijswaarde nog lager uitkomt (pag. 98).

  • -

    De pool is eigenlijk weer een nieuw enkelvoudig DNA-profiel van een ‘gepoold’ extract. Het zijn dus niet de drie afzonderlijke replica’s die worden meegenomen in één statistische berekening. Het is als het ware een vierde replica en op die ene replica is de berekening gemaakt. Daar zit piekhoogte-informatie in die ook meegenomen wordt in de statistische berekening die TrueAllele uitvoert. Als TrueAllele alle verschillende profielen in één berekening zou kunnen meenemen, dan zou het programma kunnen zien dat in de ene replica de ene piek hoog scoort en in de andere replica de andere piek, en dan zou dat gecorrigeerd kunnen worden (pag. 98).

  • -

    Eén replica gebruiken in plaats van de hele dataset, en daarnaast de piekhoogte meenemen, is onbetrouwbaar (pag. 99)

  • -

    Het computerprogramma TrueAllele kan niet meerdere replica’s tegelijkertijd analyseren. StarMix (hof: STRMix) is een piekhoogtemodel dat vergelijkbaar is met TrueAllele, maar kan wel met verschillende replica’s rekenen. StarMix wordt regulier gebruikt in onderzoeken in Australië en Nieuw-Zeeland (pag. 98-99).

Eikelenboom:

  • -

    Het materiaal voor contra-onderzoek is aan IFS verstrekt. Het NFI heeft aan IFS de extracten van de DNA-monsters verstrekt (pag. 45).

  • -

    IFS heeft uit de contra-extracten ook zelf profielen vervaardigd (pag. 47).

  • -

    Wat aan TrueAllele is gestuurd, betroffen niet de profielen van IFS, maar de profielen van het NFI. IFS heeft de profielen van het NFI verstrekt aan TrueAllele en daarmee laten rekenen (pag. 53).

  • -

    (Hof: In antwoord op de vraag of hetgeen IFS zelf aan de extracten heeft gedaan dan verder geen rol meer heeft gespeeld) Een statistische analyse van deze soort profielen, waarbij zoveel ‘allelic drop-out’ moet worden aangenomen had weinig zin. TrueAllele zal dan geen verband meer zien tussen een spoor en een persoon (pag. 53)

  • -

    De computer kijkt vooral naar DNA-kenmerken. De computer kan er wel eens naast zitten. Er kijken vervolgens ook twee specialisten naar de resultaten. Als zij bij heranalyse bepalen dat er wel degelijk sprake is van een kenmerk, dan komt het in het rapport (pag. 53).

  • -

    Het zijn extracten met veel afgebroken DNA. Extracten nu (2015) zijn meer verouderd dan ten tijde van het onderzoek van het NFI in 2011. We weten wel zeker dat DNA van het slachtoffer vrij rondzweeft in de bemonsteringen. Het feit dat in het anusuitstrijkje van het slachtoffer haar DNA niet gedetecteerd is en geen match oplevert, heeft natuurlijk te maken met DNA-afbraak. Dat zegt niet dat er geen DNA is. Er heeft mogelijk toch DNA-afbraak plaatsgevonden in die laatste jaren (pag. 54-55).

  • -

    IFS heeft gebruik gemaakt van composietprofielen. Bij een composietprofiel neem je alles bij elkaar (pag. 57).

  • -

    IFS heeft alle profielen van het NFI verkregen (pag. 57).

  • -

    IFS heeft de DNA-profielen van het NFI opgestuurd naar Cybergenetics. Cybergenetics heeft met het programma TrueAllele statistische analyses uitgevoerd op de profielen van het NFI. True-Allele past ook de likelihood-ratio (LR) toe (pag. 60).

  • -

    TrueAllele gebruikt informatie over de kans op ‘allelic drop-out’. Dat zijn complexe formules. Er zijn allerlei formules die gebruikt kunnen worden bij de aanname van ‘allelic drop-out’. Kijkend naar de composietprofielen en de ruwe data, kan worden gezien dat ‘allelic drop-out’ ook moet worden aangenomen op een kort DNA-fragment. Dat is minder waarschijnlijk, maar het moet wel worden meegenomen. ‘Allelic drop-out’ kan in beginsel op iedere locus plaatsvinden, maar gemiddeld genomen komt het bij langere fragmenten vaker voor (pag. 62).

  • -

    IFS gebruikt ook verbale schalen bij toetsen van hypotheses. Steun, geringe steun, enige steun, betreffen mijn gevoel. Er zitten geen getallen aan vast (pag. 62).

  • -

    Er moet voorzichtigheid worden betracht om aan te nemen dat op de plaatsen waar de kenmerken van verdachte ontbreken ‘allelic drop-out’ heeft plaatsgevonden (pag. 63).

  • -

    Cybergenetcis heeft de eerste keer alles grof bekeken. Ze hebben een selectie gemaakt van het beste profiel en dat wekenlang geanalyseerd (pag. 71).

  • -

    Ik trek de bevindingen van TrueAllele niet in twijfel. Er zit veel minder subjectiviteit in. TrueAllele doet ook subjectieve aannames. Zij doen ook aan ‘allelic drop-out’. Ik weet niet wat het programma precies voor aannames doet. Het is een beetje een ‘black box’ (pag. 72).

  • -

    De berekening is gebaseerd op één replica (pag. 72).

  • -

    Cybergenetics screent alle losse profielen en vervolgens hebben ze de beste replica gebruikt en daarop heeft de analyse plaatsgevonden (pag. 73).

  • -

    Er is gerekend met de pool (pag. 73).

  • -

    TrueAllele heeft het profiel gebruikt dat het meest informatief is. Dat is de reden dat met deze replica is gerekend en niet met de andere. Ik kan met zekerheid zeggen dat het poolprofiel is gebruikt (pag. 74).

  • -

    Het poolprofiel is een eerlijker weergave van hetgeen er daadwerkelijk in zit dan de losse replica’s (pag. 77).

  • -

    Bij TrueAllele bepaalt de computer de kans op stutters en artefacten (pag. 83).

  • -

    Ik heb met Mark Perlin van TrueAllele gemaild. Uit de e-mails volgt dat er geen instellingen handmatig worden ingevoerd. Het programma berekent de factoren van ‘allelic drop-out’. Het programma houdt rekening met ‘allelic drop-out’, stotterartefacten. Het aantal donoren kan wel enigszins bijgesteld worden (pag. 91-92).

  • -

    Kijkend naar het poolprofiel dan zien we dat er minimaal vijf DNA-kenmerken zichtbaar zijn op meer dan twee locaties en dus weten we daaraan ten minste drie donoren hebben bijgedragen (pag. 92).

  • -

    (Hof: Naar aanleiding van een vraag van de officier van justitie over spoor AUA107#06SF en het gegeven dat Eikelenboom in zijn rapport een aantal malen spreekt over “meerdere betrokkenen”) Als er zo weinig bewijswaarde is, heb ik ervoor gekozen om slechts te spreken van betrokkenen. De bewijswaarde van deze sporen is nihil (pag. 112).

  • -

    (Hof: naar aanleiding van een vraag van de officier van justitie over spoor AWA059#06NF en welke hypothese concreet is bedoeld in Eikelenbooms rapport op pagina 69, wie deze heeft opgesteld, welke hypothese(n) hier tegenover staat/staan, en hoe de waardering van de hypothese dan beoordeeld dient te worden) IFS bezigt schrijftaal. Het heel uitgebreid opnemen van hypothesen maakt het rapport onleesbaar. De ene hypothese is dat verdachte DNA heeft bijgedragen en de andere hypothese is dat verdachte geen DNA heeft bijgedragen. Ik vind het wel voldoende duidelijk. Ik erken dat het anders formuleren van hypotheses statistisch gezien meer correct zou zijn (pag. 112).

Met betrekking tot het aantal donoren en mogelijke contaminatie

Zittingen rechtbank 9 en 10 november 2015:

Koopman:

- Er is een aanwijzing dat een onbekende persoon celmateriaal heeft achtergelaten, maar niet bekend is wanneer dat zou zijn gebeurd. Ik wil het graag hebben over de wijze waarop destijds werd bemonsterd en decontaminatie. Decontaminatie is het voorkomen dat er vreemd DNA op de wattenstaafjes terechtkomt voordat de bemonstering plaatsvindt. Ook na de bemonsteringen werd er heel anders omgegaan met wattenstaafjes, bijvoorbeeld na secties. Een wattenstaafje kon toen best nog even op de labtafel liggen. Nu wordt daar veel zorgvuldiger mee omgegaan en wordt zoiets afgesloten verpakt.

We moeten dus rekening houden met de periode waarin de bemonsteringen zijn gedaan. De context waarin de sporen zijn genomen moet niet uit het oog worden verloren bij het interpreteren van het extra celmateriaal dat gevonden is. Wanneer is het celmateriaal op de wattenstaaf gekomen, zat het er al, op welke plaats zat het?

Er zijn zaken uit het verleden bekend, zeker toen we LCN-technieken gingen gebruiken, dat een onbekende persoon uiteindelijk een medewerker van een wattenstaaffabriek bleek te zijn.

Contaminatie kan dus één van de mogelijkheden zijn voor de verklaring dat naast drie genoemde personen er ook een aanwijzing is dat een onbekende donor celmateriaal zou kunnen hebben gedoneerd (pag. 77-78).

  • -

    Als ik de statistische analyse bekijk, dan bestaat er steun voor de hypothese dat iemand anders donor is dan Nicole van den Hurk (pag. 78).

  • -

    (Hof: In antwoord op de vraag van raadsvrouw mr. Van der Hut of dit ook gezegd kan worden als het om SF-bemonsteringen gaat) Het idee van de stringente lysisfractie is om de overige cellen te scheiden van de spermacellen. Een contaminatie van wattenstaafjes met spermacellen is zeer onwaarschijnlijk. In dit geval hebben we te maken met heel weinig DNA, dus contaminatie is wellicht toch de meest reële verklaring voor het aantreffen van extra pieken. Een persoon kan overigens een man of een vrouw zijn (pag. 78).

  • -

    Toen het spoor werd veiliggesteld bestond de eliminatiedatabank nog niet. Toen het tweede deel van het wattenstaafje is onderzocht, in 2011, wel (pag. 78).

Eikelenboom:

- De spermafractie speelt wel een rol, omdat je contaminatie sneller verwacht in de nucleaire (milde) fractie, dan in de spermafractie. Het is bekend dat niet-spermacellen kunnen doorlekken in de spermafractie. Echter als die scheiding echt goed gelukt is, dan is dat onwaarschijnlijk. En dan heb je sperma van drie donoren.

Contaminatie bij pathologie vind ik een reële optie. Zeker gezien de wijze waarop destijds werd gewerkt. Dit zou dan echter wel in de nucleaire fractie terecht zijn gekomen (pag. 78).

  • -

    (Hof: Geconfronteerd door raadsvrouw mr. Van der Hut met een citaat uit het IFS-rapport, pagina 51: “Ten minste één persoon heeft een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd. De combinatie van de verkregen DNA-kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, de verdachte [verdachte] en de overige betrokkenen. Mogelijk heeft een onbekende persoon een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract.”, en de daaraan gekoppelde vraag of het waarschijnlijker is dat een mannelijke persoon dit heeft gedoneerd of een vrouwelijke) Dit is een moeilijke vraag. Er komt helemaal geen Y-chromosomaal DNA-profiel uit. Dat is vreemd, want als de differentiële lysis goed gelukt is, dan zou je daarin in theorie alleen maar mannelijk DNA verwachten, want al het vrouwelijke DNA zou gefilterd moeten zijn in de nucleaire fractie. Omdat er bij het Y-chromosomale onderzoek geen resultaten zijn verkregen, zijn er dus geen aanwijzingen voor mannelijk DNA. Dit betekent echter niet dat er geen man gedoneerd kan hebben, omdat de autosomale kits gevoeliger zijn dan de Y-chromosomale kits. In dit geval weet ik niet of het een mannelijke of vrouwelijke donor is (pag. 79).

  • -

    Sperma heeft de grootste kans op overleven, dus dit maakt het wel waarschijnlijker dat het een mannelijke donor was (pag. 80).

  • -

    (Hof: In antwoord op de vraag van de jongste rechter of deskundige Eikelenboom de conclusie van het NFI deelt dat een ander persoon donor kan zijn geweest) Deze conclusie deel ik ten aanzien van de drie sporen. De vraag is alleen of het een man of vrouw is. Ik denk dat het een man is geweest gezien de spermafractie en de decompositie (pag. 80).

Zitting rechtbank 13 juni 2016:

Buckleton:

- (Hof: Geconfronteerd met een passage uit zijn rapport van 3 juni 2016:

“Alhoewel ik alle monsters heb behandeld als een mix van drie personen, is dit geen voor de hand liggende beslissing. De locus en replicatie waar ik het over heb duidt het sterkst op een mix van drie personen: D22S1045 in AWA059#06SF replica 4 met vijf allelische pieken. De meeste of alle andere replicaties van de drie verschillende monsters zouden beschreven kunnen worden als wijzend op een mix van twee personen.”) Deze passage mag zo begrepen worden dat ik op slechts één locus een aanwijzing zie voor drie donoren in plaats van twee. Dat komt omdat op dat locus vijf allelen te zien zijn. Ik denk dat er waarschijnlijk drie donoren zijn geweest. De aanwezigheid van vijf allelen kan alleen worden uitgelegd als afkomstig van twee personen als ‘allelic drop-in’ wordt verondersteld of als een stotterpiek niet als allel wordt gezien. Ik kan niet zien of het een stotterpiek is of dat er sprake is van ‘allelic drop-in’ (pag. 16-17).

  • -

    Kijkend naar dezelfde locus op spoor #04SF zie ik op de 3e replica de kenmerken 11, 16 en 17, op de 2e replica de kenmerken 11, 15, 16 en 17 en bij replica 1 (29 + 5) de kenmerken 11, 13, 15, 16 en 17. Dat zijn dus vijf allelen (pag. 17).

  • -

    De conclusie mag worden getrokken dat bij twee sporen op dezelfde locus vijf allelen te zien zijn (pag. 17).

  • -

    De aanwezigheid van vijf allelen in locus D22 in replica 4 van spoor #06SF is een redelijke zuivere aanwijzing voor drie donoren (pag. 17).

Met betrekking tot deskundigheid, validatie, accreditatie en het door Buckleton uitgevoerde onderzoek

Zitting rechtbank 10 november 2015:

Koopman:

  • -

    (Hof: In antwoord op de vraag of de door het NFI gebruikte DNA-profilering methodes gevalideerd en geaccrediteerd zijn.) Ik heb een aantal statistische analyses uitgevoerd. Het NFI beschikt over een gevalideerd programma dat heel gebruikersvriendelijk is. Er bestaat ook een werkversie waarmee uitgebreidere analyses kunnen worden gedaan. De werkversie heet MixCal. Het gevalideerde programma heb ik zojuist op de terechtzitting laten zien en de bewijskracht komt uit dat programma. De werkversie is formeel niet gevalideerd met een validatierapport, maar er is wel uitvoerig onderzocht of het programma dezelfde resultaten geeft als het gevalideerde programma. Validatie komt voor accreditatie (pag. 110).

  • -

    Het NFI kijkt of de software goed werkt en of de theoretisch kloppende formules die in het programma zijn ingevoerd goed geprogrammeerd zijn. Er heeft dus een technische validatie plaatsgevonden (pag. 110).

  • -

    Op het moment van uitbrengen van het rapport was de software wel grondig gecheckt, maar nog niet gevalideerd. Dit staat ook in het rapport. Uit de berekeningen die zijn uitgevoerd zou nu hetzelfde uitkomen, omdat er sindsdien niets is gewijzigd in het programma (pag. 110).

  • -

    De werkversie heb ik in ongeveer 200 tot 300 zaken gebruikt sinds 2013 (pag. 110).

  • -

    Er kan gesteld worden dat er verschillende statistische analyses hebben plaatsgevonden, maar deze zijn telkens door hetzelfde programma uitgevoerd. Het programma dat ik zojuist heb laten zien en de werkversie zijn door twee personen onafhankelijk van elkaar geprogrammeerd. Uit beide programma’s komen dezelfde resultaten. Technisch gezien doen de programma’s wat ze moeten doen (pag. 111).

  • -

    Er heeft geen externe ‘peer review’ plaatsgevonden. Dat is geen routine, ook niet bij de complexe mengprofielen in dit specifieke geval (pag. 111).

Zitting rechtbank 13 juni 2016:

Buckleton:

  • -

    Er is een nieuw rapport van 3 juni 2016 opgemaakt, omdat in het eerste rapport een vergissing was gemaakt. De allelen 15,3 en 17,3 van de referentieprofielen waren aanvankelijk fout door ons ingegeven als 15,2 en 17,2. Na het constateren van de fout ben ik opnieuw gaan rekenen. De sporen #02SF en #06SF zijn door mij herberekend. Het spoor #04 is niet gewijzigd en dus niet herberekend. De gegevens voor spoor #04SF waren goed ingevoerd. Ik heb dat zelf gecontroleerd (pag. 7-8).

  • -

    Ik vond het uitdagende sporen. De piekhoogte en de piekaanwezigheid varieerden sterk tussen de verschillende replica’s (pag. 15-16).

  • -

    Ik maakte me over twee dingen zorgen. Ten eerste de variabiliteit van de profielen. Deze zorg was zeker gebaseerd op de data. Mijn andere zorg was de noodzaak om een onbekende persoon in de hypothese op te nemen. Ik had informatie over een onbekende persoon ontvangen in deze zaak. Ik had een beschrijving en analyse gekregen van deze zaak en de consensus voorstellen waarvan ik was gevraagd deze te onderzoeken (pag. 16).

  • -

    Ik zeg dat het niet realistisch is om een volledige validatie uit te voeren voor slechts één zaak (pag. 19).

  • -

    In antwoord op de vraag van deskundige Eikelenboom welke drop-out-ratio is gebruikt voor STRmix: de drop-out-ratio is berekend in STRmix en deze is verschillend voor elke allele positie. Het is volledig uit het profiel bepaald (pag. 21).

  • -

    Het TrueAllele-resultaat verandert het STRmix-resultaat niet (pag. 31).

  • -

    Het feit dat TrueAllele alleen aan het poolprofiel heeft gewerkt, zou het verschil in getallen mogelijk kunnen verklaren (pag. 32).

  • -

    Koopman benadrukt het belang van replica’s en daarin heeft ze gelijk. Replica’s zijn zeer waardevol bij ‘low template’ DNA. Alles in aanmerking genomen denk ik dat het standpunt van Koopman correcter is aangaande het benadrukken van het belang van replica’s (pag. 33-34).

Koopman:

  • -

    Met de toelichting van Buckleton bestaat er bij mij geen twijfel dat de juiste input van bestanden door hem zijn gebruikt. Wij hebben de bestanden per e-mail verstuurd (pag. 9).

  • -

    Ik heb vier replica’s opgestuurd, alsook het poolprofiel. Ik heb gezegd dat het poolprofiel niet gezien kan worden als een afzonderlijke replica. Wat mij betreft kunnen de 29+5 replica’s gecombineerd worden met de overige replica’s. Ik hoor Buckleton zeggen dat hij dat ook heeft gedaan. Dat zou valide resultaten moeten opleveren (pag. 10-11).

  • -

    Ik zou graag van deskundige Buckleton willen horen wat de betere rekenmethode is: met één poolprofiel (één replica) of met zoveel mogelijk replica’s (pag. 12).

  • -

    Van alle drie de sporen hebben we vier replica’s. We hebben gezien dat er bij één spoor (#02SF) een mislukt resultaat (replica) is. De verschillende replica’s moeten vergelijkbaar zijn, dezelfde parameters moeten ingesteld kunnen worden. Het is belangrijk dat Buckleton voor spoor #02SF niet alle replica’s meeneemt in zijn berekening, omdat hij dan een replica toevoegt die mislukt is. Die replica is wel verstrekt aan hem (pag. 12).

  • -

    Ik heb voor alle drie sporen de vier replica’s opgestuurd (pag. 13).

  • -

    Voor spoor #02SF is het 29+5 profiel dermate afwijkend en van slechte kwaliteit, en bevat het minder informatie, dat ik vind dat het niet te combineren is met de andere replica’s (pag. 13).

  • -

    Het model van Buckleton leest al de verschillende replica’s in. Dat was het voordeel ten opzichte van van TrueAllele, dat maar met één replica tegelijk werkt (pag. 15).

  • -

    Als STRmix gebruikt moet worden om data te analyseren, dan is het noodzaak om het programma op het laboratorium af te stemmen. Het afstemmen van het model op het laboratorium zal een kleine verandering in de resultaten met zich brengen, maar de verschillen in resultaten zullen volgens Buckleton niet significant zijn (pag. 19).

  • -

    Buckleton heeft fouten gemaakt in zijn eerste rapport. Buckleton is echter wel één van de meest vooraanstaande DNA-statistici die met deze modellen werken. Ik heb veel waardering voor zijn rapport, de wijze waarop hij zijn resultaten heeft gepresenteerd en dat hij duidelijk heeft aangegeven waar hij twijfels over heeft (pag. 23)

  • -

    Buckleton is een zeer geleerd persoon die zelf dit soort modellen heeft ontwikkeld en de hele geschiedenis van deze DNA-statistische modellen heeft meegemaakt (pag. 23).

  • -

    Buckleton heeft geschreven dat in de meest brede zin alle methodes uiterst sterk bewijs suggereren voor de inclusie van AVA (hof: verdachte) voor monster #02SF en matige tot zeer sterke ondersteuning voor de inclusie van AVA (hof: verdachte) voor monsters #04SF en #06SF. Ik sluit me aan bij het oordeel van Buckleton (pag. 23).

Eikelenboom:

  • -

    Buckleton is de ontwerper van STRmix. Het is aan hem om te beoordelen hoe betrouwbaar de data zijn (pag. 19).

  • -

    De deskundigheid van Buckleton staat zeker niet ter discussie (pag. 24). De resultaten van LRmix en STRmix komen redelijk met elkaar overeen. TrueAllele heeft enkele afwijkende resultaten laten zien. Dat heeft te maken met alle verschillende variabelen die door TrueAllele (en overigens ook STRmix) worden gebruikt (pag. 24).

  • -

    (Hof: De oudste rechter deelt mede dat voor de hypothesen “verdachte, [naam vriend] en een onbekende” versus “ [naam vriend] en twee onbekenden” STRmix op 1,68x10 tot de 14e en MixCal op 4 miljard komt.) In beide gevallen is er zeer veel steun voor de hypothese dat verdachte donor is van het DNA. Er leven zeven miljard mensen op de aarde. Of de kans nu één miljard is of tien miljard, dat maakt niet meer zoveel uit. Het is zeer sterk bewijs (pag. 29).

  • -

    Het verschil tussen 1,68x10 tot de 14e en 4 miljard maakt niet dat beide programma’s (of één daarvan) onbetrouwbaar zijn. Het is verklaarbaar uit de verschillen van benadering van de twee modellen. De continue modellen gebruiken zoveel meer informatie, dat als er een match is, dan komt dat veel sterker naar voren. Het verbaast mij niet dat de getallen uit de continue modellen astronomisch hoger zijn dan de getallen uit de binaire modellen (pag. 30).

C.6.

De bevindingen van Principal Forensic Services (PFS)

In hoger beroep heeft dr. J. Whitaker, forensisch DNA-deskundige van PFS uit het Verenigd Koninkrijk, op 1 december 2017 een rapport uitgebracht.

Hij concludeert dat het naar zijn mening niet mogelijk is om op een degelijke en betrouwbare manier de resultaten van de DNA-profilering in deze zaak op activiteitenniveau te evalueren. Dit komt voort uit de onzekerheid van de aannames op sub-bronniveau, de onzekerheid omtrent de toewijzing van DNA aan lichaamsvloeistoffen, de moeilijkheid om sperma op de anale uitstrijkjes specifiek te associëren met anale seks en andere aspecten die te maken hebben met de relevantie en de bevindingen met betrekking tot het misdrijf in kwestie.

Echter, bij gebrek aan een alternatieve verklaring voor de bevindingen levert de sub-bronniveau-evaluatie bewijsmateriaal op ter onderbouwing van de bewering dat DNA van verdachte aanwezig is en impliceert het dat het slachtoffer enige tijd voor haar dood op enigerlei wijze contact met hem heeft gehad waarbij zijn DNA werd overgebracht naar haar genitale gebied.

D.

De bevindingen van de politie en het NFI met betrekking tot de jas van het slachtoffer en de daarop aangetroffen haren, waaronder haar ALA045

Met betrekking tot de jas van het slachtoffer en de daarop aangetroffen haren, waaronder haar ALA045, bevinden zich in het dossier diverse deskundigenrapporten en verklaringen. Naar het materiaal van de jas is in hoger beroep nader onderzoek gedaan.

D.1.

Bij rapport van 19 maart 2012 heeft NFI-deskundige forensisch haaronderzoek ing. P.E. de Vreede (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 26) een onderzoek verricht aan onder meer haren die zijn veiliggesteld van een jack/jas van het slachtoffer. Dit jack is veiliggesteld bij de sectie. Door de regiopolitie is nog een haar veiliggesteld van de trui van het slachtoffer. Uit de resultaten van het haaronderzoek blijkt dat er circa 52 hoofdharen en hoofdhaardelen zijn geclassificeerd, waarvan er circa 50 passen in het referentiemonster hoofdhaar/schaamhaar van N. van der Hurk. Van één haar (gekenmerkt ALA045) is het mtDNA-profiel gekoppeld aan een onbekende persoon mito-1 en van één haar (gekenmerkt AADJ3208NL) was het mtDNA-profiel door deze deskundige al eerder (rapport d.d. 29 februari 2012, Forensisch Dossier deel 2, bijlage 24) gekoppeld aan [verbalisant 2] (hof: technisch rechercheur, o.a. belast met het bergen van het lichaam van N. van den Hurk).

D.2.

In een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2017 van verbalisant [verbalisant 3] is met betrekking tot de door het slachtoffer N. van den Hurk gedragen jas gerelateerd dat het een parka-jas betrof van het merk C&A, type Rodeo. De buitenzijde van de jas bleek uit 100% polyester te bestaan. De foto’s van het label van de jas zijn door de politie gedeeld met de klantenafdeling van winkelketen. De winkelketen heeft navraag gedaan bij een Europese inkoper die nog steeds de Rodeo-collectie inkoopt. Deze persoon heeft bericht dat de buitenkant van de jas is gemaakt van 100% polyester en dat het materiaal door C&A nog steeds veelvuldig wordt gebruikt in door C&A verkochte skikleding.

D.3.

In het NFI-rapport d.d. 6 november 2013 van ing. J.L.W. Dieltjes, deskundige Forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA (Forensisch Dossier deel 3, bijlage 60), is het volgende vermeld:

Van het referentiemonster van de betrokkene [verdachte] (AVA293) (hof: verdachte) is een mtDNA-profiel verkregen. Het verkregen mtDNA-profiel is met de mtDNA-profielen van de onbekende personen mito-1 tot en met mito-7 vergeleken.

Uit de resultaten van het vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat het mtDNA-profiel van de betrokkene [verdachte] AVA293 (hof: verdachte) matcht met het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045, gekoppeld aan onbekende persoon mito-1.

Dit betekent dat haarspoor ALA045 van de jas van het slachtoffer afkomstig kan zijn van de betrokkene [verdachte] of van iemand die in moederlijke lijn aan de betrokkene [verdachte] verwant is. Ook kan haarspoor ALA045 afkomstig zijn van iemand die op basis van toeval hetzelfde mtDNA-profiel heeft.

Voor het vaststellen van de wetenschappelijke bewijswaarde van de match tussen het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045 en de betrokkene [verdachte] is het van belang om te weten hoe zeldzaam het mtDNA-profiel is, dat zowel bij dit haarspoor als bij de betrokkene is gevonden. Hoe zeldzamer het matchende mtDNA-profiel hoe groter de bewijswaarde van het mtDNA-onderzoek.

Om inzicht te verkrijgen in het aantal personen dat hetzelfde mtDNA-profiel bezit als het mtDNA-profiel van het haarspoor, is gebruik gemaakt van de EMPOP-databank van de internationale forensische werkgroep die zich bezig houdt met mtDNA-onderzoek. Hiertoe is op 30 oktober 2013 het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045 met deze databank vergeleken. Op dat moment bevatte de EMPOP- databank 26230 mtDNA-profielen van referentiemonsters van personen. Deze personen zijn voor dezelfde mtDNA hypervariabele gebieden getypeerd als haarspoor ALA045. De personen in de EMPOP databank zijn van verschillende en over de gehele wereld verspreide populaties. Bij deze vergelijking is gebleken dat het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045 niet in de EMPOP mtDNA-databank voorkomt. Hoewel in een databank met ruim 26 duizend mtDNA-profielen geen matchende mtDNA-profielen zijn gevonden, is het mogelijk dat een onbekend aantal personen (mannen en vrouwen) hetzelfde mtDNA-profiel heeft als haarspoor ALA045. In elk geval hebben alle verwanten in de moederlijke lijn van de betrokkene [verdachte] hetzelfde mtDNA-profiel als het mtDNA-profiel van haarspoor ALA045.

Om de wetenschappelijke bewijswaarde van de bevindingen van het vergelijkend mtDNA-onderzoek te kunnen formuleren in verbale termen van waarschijnlijkheid is het volgende hypothesepaar beschouwd:

Hypothese I:

Haarspoor ALA045 is afkomstig van de betrokkene [verdachte] , of een in moederlijke lijn aan de betrokkene [verdachte] verwante persoon.

Hypothese II:

Haarspoor ALA045 is niet afkomstig van de betrokkene [verdachte] ; het haarspoor is van een willekeurige, niet in moederlijke lijn aan de betrokkene [verdachte] verwante persoon.

De onderzoeksresultaten van het mtDNA-onderzoek zijn veel waarschijnlijker als hypothese I waar is, dan als hypothese II waar is.

Dit betekent dat de onderzoeksresultaten van het mtDNA-onderzoek veel waarschijnlijker zijn als haarspoor ALA045 van [verdachte] afkomstig is, dan wanneer het haarspoor niet van [verdachte] afkomstig is.

D.4.

Deskundige Dieltjes is op 12 juni 2014 door de rechter-commissaris gehoord en heeft onder meer verklaard:

  • -

    dat in 2004 een haarwortel is onderzocht om autosomaal onderzoek te kunnen uitvoeren, maar dat dat geen profiel heeft opgeleverd;

  • -

    dat in 2011 het resterende deel van de haar is onderzocht samen met het deel dat in 2004 onderzocht was en dat leverde allebei hetzelfde mtDNA-profiel op, wat ook te verwachten is bij dezelfde haar;

  • -

    dat van de 10 parten van de 1500 bouwstenen van de ‘control region’ er 9 geschikt voor vergelijkend mitochondriaal onderzoek;

  • -

    dat er door het NFI niet tegen de detectiegrens is gerapporteerd, dat doet het NFI nooit;

  • -

    dat als er een match is de bewijswaarde geëvalueerd wordt omdat bekend is dat het onderscheidend vermogen van mitochondriaal DNA materiaal lager is dan van het autosomale DNA;

  • -

    dat hij het mtDNA-profiel heeft vergeleken met de EMPOP-databank, waarin nu ruim 34.000 mtDNA-profielen zijn opgenomen;

  • -

    dat er ruim 26.000 mtDNA-profielen voor hetzelfde gebied zijn geanalyseerd en dus bij de vergelijking zijn betrokken;

  • -

    dat hij wist, althans het sterke vermoeden had, dat het om een Europeaan ging hij ook nog een vergelijking kan maken met alleen Europeanen in de databank;

  • -

    dat hij op grond van de eerste bevinding zou kiezen voor de categorie “zeer veel waarschijnlijker’’ maar hij een categorie lager is gaan zitten vanwege de tweede uitkomst;

  • -

    dat de vergelijking op het mitochondriaal DNA-profiel van verdachte met spoor ALA045 1 op 1 handmatig heeft plaatsgevonden;

  • -

    dat zijn rapport van 6 november 2013, zoals altijd, is geschaduwd, in dit geval door drie mensen;

  • -

    dat het NFI opnamecriteria hanteert voor de databank, waarbij minimaal de fragmenten 2, 3, 6 en 7, de meest polymorfe, moeten worden opgenomen, ze zijn het meest onderscheidend; dat indien één van die vier zou ontbreken het persoon onderscheidend vermogen lager wordt;

  • -

    dat de deskundige blijkens een door hem gemaakte tekening, gehecht aan het verhoor, uit gaat van een sterk mtDNA-profiel.

D.5.

Deskundige Dieltjes is op de zitting van de rechtbank van 9 november 2015 gehoord en heeft onder meer het volgende verklaard (proces-verbaal terechtzitting, pag. 65-66):

  • -

    dat in dit geval van een match wordt gesproken, omdat de profielen met elkaar overeenkomen;

  • -

    dat het bij mtDNA-onderzoek van belang is om te weten of het om een zeldzaam mtDNA-spoor gaat of niet;

  • -

    dat mtDNA over gaat van een moeder op haar kinderen, daarom veel minder persoonsonderscheidend is en dat om die reden jaren geleden de EMPOP-databank is opgericht;

  • -

    dat laboratoria in de EMPOP-databank mtDNA-profielen verzamelen en het een grote verzameling is van niet verwante personen uit de hele wereld;

  • -

    dat hij uitkwam bij een likelihood ratio van boven de 10.000, wat zou betekenen dat hij in de schaal ‘zeer veel waarschijnlijker’ komt;

  • -

    dat hij, omdat de EMPOP-database nog niet zo groot is en hij aan het mtDNA-spoor kon zien dat het een persoon betrof van Europese afkomst en rekening houdend met het geringe persoonsonderscheidende vermogen van mtDNA heeft gekozen voor de schaal ‘veel waarschijnlijker’; dat hij er verder ook rekening mee moeten houden dat het mtDNA-profiel in de regio waar het feit is gepleegd vaker zal voorkomen en ook om die reden dus een schaal lager is gaan zitten;

  • -

    dat in dit geval moet gedacht worden aan boven de 10.000, dus hoog in de schaal ‘veel waarschijnlijker’ en laag in de schaal ‘zeer veel waarschijnlijker’ en hij conservatief in een lagere schaal gaan zitten;

  • -

    dat hij geen matches heeft gevonden op grond van de 26.231 vergeleken profielen en dat tot op heden nog steeds geen matches zijn gevonden in de databank;

  • -

    dat de opnamecriteria voor de databank die worden gehanteerd, waarover hij in zijn verhoor bij de rechter-commissaris heeft verklaard, niet zijn veranderd;

  • -

    dat dit betekent dat minimaal de fragmenten 2, 3, 6 en 7, de meest polymorfe, moeten worden opgenomen;

  • -

    dat hij die ook heeft aangetroffen bij de match van verdachte en in moederlijke lijn aan hem verwante personen;

  • -

    dat hij naast deze vier fragmenten, ook andere fragmenten heeft onderzocht en dat van de 10 fragmenten, er 9 tot een profiel geleid;

  • -

    dat het dus 9 sterk onderscheidende fragmenten zijn die overeenkomen met verdachte;

  • -

    dat conclusie van waarschijnlijkheid hetzelfde blijft als gerapporteerd;

  • -

    dat hij een kleine 700 extra Nederlanders heeft vergeleken, het blijven Europeanen en hij blijft telkens op iets boven de 10.000 uitkomen;

  • -

    dat hij ‘veel waarschijnlijker’ echter wetenschappelijk gezien beter kan onderbouwen dan ‘zeer veel waarschijnlijker’;

  • -

    dat professor Parson, de beheerder van de EMPOP-databank, bepaalt wie profielen kan toevoegen aan de databank en hij de profielen beoordeelt op kwaliteit en technieken;

  • -

    dat de data in de databank van hoog niveau zijn;

  • -

    dat ten tijde van zijn eerste zoekslag er 104 Nederlandse mtDNA-profielen waren opgenomen in de database, die door hem, Dieltjes, waren ingestuurd.

D.6.

Uit het rapport van ing. P.E. de Vreede van het NFI van 16 maart 2017 blijkt dat de haar ALA045 een lengte had van circa 3,5 centimeter en dat deze haar eerder is geclassificeerd als lichaamshaar/schaamhaar. Dit betekent dat de kenmerken van een schaamhaar (grilligheid, afgeplat) minder duidelijk worden aangenomen. Haren uit het schaamhaargebied bevatten zowel haren die de kenmerkende morfologie van schaamharen vertonen (grilligheid, afgeplat) als haren die deze kenmerken minder duidelijk vertonen. Haren uit het overgangsgebied naast het schaamhaargebied vertonen ook deze minder duidelijke kenmerken (hof: met bijgevoegde tekening).

E.

De verweren van de verdediging met betrekking tot de resultaten van het DNA-

onderzoek

Door de verdediging is vrijspraak bepleit. Door de verdediging is naar voren gebracht dat het ontbreekt aan een eenduidig en onbetwistbaar verband tussen de verdachte en het misdrijf.

E.1.

Aangetroffen haar ALA045

De verdediging heeft het volgende naar voren gebracht.

I.

Van het haarspoor is een partieel mitochondriaal DNA-spoor verkregen (niet alle kenmerken matchen). Dit is vele malen minder persoonsonderscheidend dan een autosomaal DNA-profiel. Alle nakomelingen in de moederlijke lijn hebben hetzelfde mtDNA. Hoeveel verschillende mtDNA-profielen er in Nederland voorkomen is niet bekend. De verdediging vraagt zich af hoe er een cijfermatige kansberekening kan worden ‘gehangen’ aan de vraag of de haar aan verdachte kan toebehoren. De toelichting van deskundige Dieltjes overtuigt niet. Wat zegt het wanneer er geen match wordt gevonden met de EMPOP-databank? Hierin zitten nog geen 30.000 profielen, slechts 104 Nederlandse profielen en de databank is niet door de overheid gereguleerd. Hieraan kleven derhalve te veel bezwaren om deze informatie in een strafrechtelijke procedure voor het bewijs mee te laten wegen.

II.

Voor zover de haar ALA045 al aan verdachte ‘toegerekend’ zou kunnen worden kan de haar op een geheel ander moment op de jas van het slachtoffer terecht zijn gekomen dan ten tijde van het delict. Dit kan via de jas van een ander, in de kroeg of op het werk van het slachtoffer of via iemand die in de moederlijke lijn aan de verdachte is verwant. In dat verband heeft de verdediging gewezen op familieleden die in de woning van het slachtoffer werkzaamheden hebben verricht (het hof begrijpt dat hiermee wordt gedoeld op [naam familielid] ). Er kan niet geoordeeld worden dat het hier een daderspoor betreft.

Het hof overweegt met betrekking tot deze verweren als volgt.

Uit het verhoor van de deskundige Dieltjes bij de rechter-commissaris volgt dat de weergave van een spoor in 10 stukken over hetzelfde gebied plaatsvindt. Van de 10 parten van de 1500 bouwstenen van de ‘control region’ waren er 9 geschikt voor vergelijkend mitochondriaal onderzoek. Dieltjes heeft verklaard dat als er een match is de bewijswaarde geëvalueerd wordt omdat bekend is dat het onderscheidend vermogen van mitochondriaal DNA materiaal lager is dan van autosomaal DNA. Dieltjes heeft het profiel vergeleken met de EMPOP databank, waarin toen ruim 26.000 profielen waren opgenomen (hof: bij het verhoor bij de rechtbank is het precieze getal genoemd: 26.231). Omdat hij wist dat het om een Europeaan ging heeft hij nog een vergelijking gemaakt met alle Europeanen in de databank. Op grond van de eerste bevinding zou hij kiezen voor de categorie “zeer veel waarschijnlijker’’ maar hij is een categorie lager gaan zitten vanwege de tweede uitkomst. De vergelijking heeft handmatig plaatsgevonden en het rapport is door drie mensen geschaduwd. De deskundige gaat uit van een sterk mtDNA-profiel.

Dieltjes heeft verklaard dat de data in de EMPOP-databank van hoog niveau zijn. De beheerder bepaalt wie profielen kan toevoegen en beoordeelt die op kwaliteit en technieken.

Aldus heeft Dieltjes inzichtelijk gemaakt hoe hij tot zijn deskundige visie is gekomen met betrekking tot de bewijskracht van spoor ALA045.

Het hof heeft in hetgeen door de verdediging naar voren is gebracht (verweer I) geen aanleiding gevonden te twijfelen aan de bevindingen en conclusies van de deskundige Dieltjes. Het hof ziet op grond van de verklaring van deskundige Dieltjes geen grond om twijfels te hebben bij de data die zijn opgenomen in de EMPOP-databank. Hetgeen de verdediging heeft aangevoerd omtrent de EMPOP-databank, leidt het hof niet tot een ander oordeel.

Ten aanzien van het door de verdediging onder II geschetste alternatief scenario, inhoudende dat de haar bij een andere gelegenheid op de jas terecht kan zijn gekomen, overweegt het hof als volgt.

Uit de zich in het dossier bevindende getuigenverklaringen van familie en bekenden van verdachte en zijn eigen verklaring daarover volgt dat verdachte N. van den Hurk niet kende en in zijn dagelijks leven geen contact met haar had.

Nadat het lichaam van N. van den Hurk was aangetroffen onder een hoeveelheid snoeiafval, bestaande uit grote dode takken, gedeeltes van coniferen en wortelstronken, zijn bij de sectie kledingstukken onderzocht op haren. Van de jas van het slachtoffer zijn circa 50 haren veiliggesteld. Blijkens een proces-verbaal van bevindingen d.d. 27 september 2017 betrof de jas die N. van den Hurk droeg op het moment van haar verdwijning, een parka-jas van de winkelketen C&A waarvan de buitenzijde volgens het label uit 100% polyester bleek te bestaan, welk materiaal nog steeds wordt gebruikt in de door de winkelketen verkochte skikleding. Met uitzondering van één haar (gekenmerkt ALA045) en een haar die is gekoppeld aan één van de forensisch onderzoekers die in 1995 belast was met het bergen van het lichaam, passen alle overige op die polyester jas van het slachtoffer aangetroffen haren bij het slachtoffer zelf. Door de regiopolitie Brabant Zuid-Oost is van de trui van N. van den Hurk ook een haar veilig gesteld. Deze past ook in het referentiemonster hoofdhaar van het slachtoffer.

Uit de hiervoor onder D. weergegeven rapportages van de deskundigen Dieltjes en De Vreede en de verklaringen van de deskundige Dieltjes blijkt dat de haar met kenmerk ALA045, een schaamhaar dan wel een lichaamshaar betreft uit het overgangsgebied bij de schaamstreek. Er is voor dit haarspoor een sterk mtDNA-profiel gevonden dat matcht met het mtDNA-profiel van de verdachte, in die zin dat de bevindingen veel waarschijnlijker zijn wanneer het haarspoor van de verdachte afkomstig is of van een in moederlijke lijn aan verdachte verwant persoon, dan wanneer het niet van hem afkomstig is, maar van een willekeurige niet in moederlijke lijn aan de verdachte verwante persoon.

Naast de vele haren van het slachtoffer zelf, is op de polyester jas een haar aangetroffen die aan de verdachte of een aan hem in de moederlijke lijn verwante persoon kan worden toegeschreven. Voor de enkele stelling van de verdediging dat de haar op een ander moment dan tijdens het delict op de jas kan zijn gekomen, is in het dossier geen enkele aanwijzing te vinden. Het alternatieve scenario, inhoudende dat de haar via een ander in de kroeg of het werk op de jas van N. van den Hurk is terecht gekomen, acht het hof niet aannemelijk. Dat geldt ook ten aanzien van de persoon [naam familielid] die werkzaamheden in de ouderlijke woning van het slachtoffer zou hebben verricht, nu de verdachte op 28 september 2015 bij de rechter-commissaris heeft verklaard dat hij deze [naam familielid] nauwelijks kent en nooit met hem heeft samengewerkt. Bovendien heeft hij hem nooit meer gezien sinds zijn oom is gescheiden van de dochter van deze [naam familielid] .

Ten slotte hecht het hof belang aan de omstandigheden dat er verder geen haren van anderen zijn aangetroffen, noch op de jas als op de trui van het slachtoffer (behoudens één haar van een van de forensisch onderzoekers die betrokken was bij de berging van het stoffelijk overschot), hetgeen het naar het oordeel van het hof onaannemelijk maakt dat de haar bij toeval eerder op de jas is terechtgekomen.

E.2.

Interpretatie en waardering van de DNA-onderzoeksresultaten

E.2.1.

De verdediging heeft het volgende naar voren gebracht.

De interpretatie en waardering van de sporen uit de bemonsteringen door de deskundigen is allesbehalve eenduidig te noemen. Het gaat in deze zaak om een geringe hoeveelheid DNA-sporen van slechte kwaliteit en er is niet één compleet DNA-profiel aangetroffen. Er is gebruik gemaakt van LCN DNA-onderzoek met nadelige neveneffecten: allelic drop-out, allelic drop-in en stotterpieken. In 1995 ging het sporenonderzoek er heel anders aan toe dan tegenwoordig.

Voorts is door het NFI de differentiële lysistechniek gebruikt om spermasporen te detecteren door middel van het scheiden van spermacellen van andere cellen, maar een 100% scheiding is niet te garanderen. Er kan niet zonder meer worden geoordeeld dat in de sporen spermavloeistof en sperma is aangetroffen en dat het gaat om spermasporen.

In de bemonsteringen is materiaal aanwezig van minimaal één onbekende persoon, hetgeen als waarschijnlijke oorzaak heeft dat er seksueel contact is geweest met een onbekende man. Reeds vanwege deze reden dient verdachte vrijgesproken te worden.

Er kan door het hof niet op verantwoorde wijze een keuze gemaakt worden om het NFI en Buckleton te volgen, gelet op de zeer grote afwijkingen in de berekende likelihood ratio’s. Er is derhalve een gebrek aan overtuigingskracht van deze berekeningen. Indien wel een keuze wordt gemaakt dan dient de statistiek van het programma TrueAllele als meest overtuigend te worden aangemerkt. Immers, in het onderzoek van het NFI is sprake van subjectiviteit, door de onderlinge contacten met de officier van justitie, waaronder de FIT-gesprekken, het gebruik van het programma LRmix, een door deskundige Koopman zelf ontworpen en niet gevalideerd en niet geaccrediteerd model. Ook ter zitting van 13 juni 2016 heeft Koopman berekeningen laten zien met een niet gevalideerd programma, te weten MixCal.

De conclusie moet zijn dat er ernstige bezwaren zijn tegen het gebruik van de computermodellen LRmix en MixCal.

De verdediging heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat de rapporten van J.S. Buckleton niet als deskundigenrapporten voor het bewijs gebruikt mogen worden omdat:

- Buckleton niet deskundig is om te werken met het soort DNA-profielen als hier aan de orde;

- hij slordige fouten heeft gemaakt;

- hij zelf vraagtekens heeft gezet bij de betrouwbaarheid van de resultaten;

- het NFI het onderzoek door Buckleton heeft beïnvloed.

De verdediging heeft gewezen op de uitspraak van de rechtbank te New York (Verenigde Staten) van 26 augustus 2016 in de zaak Hillary, waarbij het gebruik van de resultaten van de berekening door het programma STRmix voor het bewijs op voorhand is uitgesloten wegens gebrek aan interne validatie door het New York State Police Crime Lab, waardoor het gebruik van het programma in die zaak niet betrouwbaar geacht kon worden en derhalve bevooroordeeld voor de verdachte.

Daarentegen is volgens de verdediging ‘TrueAllele’ een computermodel dat speciaal is gebouwd voor het analyseren van complexe DNA-mengprofielen, is TrueAllele in veel rechtszaken gebruikt en is het programma gevalideerd. M. Perlin van Cybergenetics heeft uitgelegd dat TrueAllele niet meerdere replica’s nodig heeft om mee te werken en dat het programma LRmix niet betrouwbaar is omdat een kleine aanpassing in de parameters al een verschil kan maken tussen inclusie en exclusie van een persoon als donor. TrueAllele houdt rekening met het feit dat het DNA-profielen betreft die zijn verkregen met gebruikmaking van de LCN-techniek. Ook de overige parameters worden door de computer bepaald, zodat statistiek door TrueAllele veel minder subjectief is.

Concluderend stelt de verdediging dat de DNA-resultaten niet aan een bewezenverklaring van enig feit ten grondslag kunnen worden gelegd. Geen enkel ander bewijsmiddel bevindt zich in het dossier dat blijk geeft van een direct verband tussen verdachte en de ten laste gelegde feiten.

E.2.2.

Het hof overweegt omtrent de gevoerde verweren als volgt.

Het hof heeft kennisgenomen van de door de deskundigen Koopman, Eikelenboom en Buckleton uitgebrachte rapporten en van hetgeen door de deskundigen in verhoren bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg ter toelichting op de bevindingen in die rapporten is besproken.

Het hof zal met betrekking tot het bewijs ten aanzien van de sporen AWA059#04, AWA059#06 en AUA106#02 als uitgangspunt nemen de rapportages zoals die door de deskundigen Koopman en Buckleton zijn opgesteld.

Koopman heeft ter terechtzitting in eerste aanleg toegelicht dat in deze zaak sprake was van sporen waarin weinig DNA is aangetroffen en dat het NFI om die reden gebruik heeft gemaakt van LCN techniek, waarbij met behulp van het rekenprogramma LRmix, de bewijskracht is berekend van dit DNA, rekening houdend met het optreden van ‘allelic drop-out’, ‘allelic drop-in’ en stotterpieken.

Na verloop van tijd heeft Koopman met een verbeterde versie van het rekenprogramma, het computermodel MixCal, de analyse herhaald.

Ter terechtzitting van de rechtbank is aan de orde gekomen wat de oorzaak is van het verschil in uitkomst tussen de analyse zoals gedaan door Eikelenboom en het door hem ingeschakelde Cybergenetics en de resultaten van het NFI. Daarbij is aan de orde gekomen dat de extracten die Eikelenboom heeft gebruikt inmiddels weer ouder waren geworden, dat Eikelenboom werkt met enkel de hypothese dat verdachte DNA heeft bijgedragen of niet en dat de input van de verschillende programma’s anders is.

Deskundige Koopman heeft erop gewezen dat in geval van de LCN techniek (weinig DNA) informatie met betrekking tot de piekhoogte (hetgeen iets zegt over de hoeveelheid DNA) niet betrouwbaar kan worden geacht. Ook heeft Koopman toegelicht wat het belang is van het rekenen met de verschillende individuele replica’s omdat dan meegenomen wordt dat in sommige replica’s bepaalde pieken maar één keer zichtbaar zijn en andere pieken in elke replica terugkomen, welke informatie waardevol is voor de analyse.

Zowel Koopman als Eikelenboom hebben aangegeven dat het programma van het door Eikelenboom ingeschakelde instituut Cybergenetics dat niet heeft gedaan en dat dat programma heeft gerekend met een poolprofiel waarbij de gegevens van de replica’s samen zijn genomen.

Dat dit anders zou zijn is het hof niet gebleken, ook niet uit de e-mailwisseling met M. Perlin van Cybergenetics. Bovendien heeft Koopman zelf een berekening gemaakt met dezelfde input (één replica) als gebruikt bij TrueAllele en Koopman kwam toen eveneens tot een lagere bewijswaarde.

De door de rechtbank ingeschakelde derde deskundige, Buckleton, heeft bevestigd dat de visie van Koopman correct is voor wat betreft het belang van het rekenen met de individuele replica’s. Buckleton heeft vervolgens met het model STRmix een berekening gemaakt en is daarbij gekomen tot resultaten die – zoals de deskundigen Koopman en ook Eikelenboom hebben verklaard – in dezelfde orde van grootte liggen.

Ondanks dat de getallen in de woorden van de verdediging “bizar’’ verschillen doet dat aan de betrouwbaarheid van de berekende bewijskracht niet af, aldus de deskundigen, nu deze toch al in de hoogste categorie zit.

De rapporten van Koopman en van Buckleton ondersteunen elkaar derhalve onderling, terwijl de bevindingen van Eikelenboom verklaarbaar anders zijn uitgepakt, waardoor deze bevindingen, hoewel ook daarin steun is te vinden voor inclusie van verdachte als donor van celmateriaal, op zichzelf zijn blijven staan.

Ook de deskundige Whitaker, die weliswaar geen onderzoek op activiteitenniveau heeft kunnen doen, maar zich wel heeft uitgelaten over reeds aanwezige resultaten op bronniveau, heeft gerapporteerd dat bewijs aanwezig is op bronniveau voor de inclusie van verdachte als donor van celmateriaal en impliceert dit dat verdachte contact heeft gehad met het slachtoffer waarbij zijn DNA werd overgebracht naar haar genitale gebied. Dit ligt derhalve in de lijn van de deskundigen Koopman en Buckleton.

Het hof volgt de verdediging niet waar gesteld wordt dat de rapporten van Buckleton niet voor het bewijs gebruikt kunnen worden en ook niet waar gesteld wordt dat de rapporten van het NFI niet objectief zijn, hetgeen wel het geval zou zijn bij TrueAllele.

Met betrekking tot de deskundigheid van Buckleton overweegt het hof het volgende. De rechtbank heeft op 4 december 2015 bepaald dat, gelet op de verschillende uitkomsten van NFI en IFS, de rechter-commissaris een deskundige diende te benoemen, die werkt met het statistische rekenmodel STRmix. De nieuw te benoemen deskundige diende de door het NFI verkregen DNA-(meng)profielen ten aanzien van de sporen AWA059#04, AWA059#06 en AUA106#02 te interpreteren en door middel van genoemd statistische rekenmodel (computerprogramma) de bewijskracht te berekenen.

Door de rechter-commissaris is op 3 februari 2016 Koopman als deskundige benoemd, om zich in verbinding te stellen met een STRmix-deskundige voor de overdracht van de gegevens en ter beantwoording van vragen. Deskundige Koopman heeft vervolgens contact opgenomen met de ontwikkelaars van STRmix en daarbij zijn het instituut ESR en J.S. Buckleton naar voren gekomen als te benoemen deskundige. Tevens heeft de rechter-commissaris op 3 februari 2016 Eikelenboom benoemd als deskundige om het verloop van het onderzoek te volgen, aanwijzingen te geven en opmerkingen te maken over het verloop van het onderzoek door de STRmix-deskundige (RC stukken, map 5).

Buckleton is op 11 maart 2016 door de rechter-commissaris benoemd als deskundige. De rechter-commissaris heeft daarbij overwogen dat deze deskundige niet is geregistreerd in het NRGD, maar dat hij heeft kennis genomen van het toegezonden CV van Buckleton en hij heeft geoordeeld dat daaruit de deskundigheid voldoende is gebleken.

Zowel Eikelenboom als Koopman hebben ter zitting van 13 juni 2016 aangegeven dat de deskundigheid van Buckleton niet ter discussie staat.

Aan alle correspondentie met Buckleton is door beide deskundigen Koopman en Eikelenboom deelgenomen. In die correspondentie is besproken wat de opdracht van de rechtbank was, welke hypotheses gehanteerd dienden te worden en welke parameters gebruikt dienden te worden voor de te maken berekeningen.

Op 15 april 2016 heeft Buckleton een eerste rapport uitgebracht. Naar aanleiding hiervan zijn zowel door de verdediging als door het openbaar ministerie schriftelijke vragen gesteld, welke zijn beantwoord. Buckleton heeft aangegeven een foute invoer te hebben ontdekt van een allel van twee referentieprofielen (15,2 en 17,2 in plaats van 15,3 en 17,3), welke fout is gecorrigeerd in het (tweede) rapport van 3 juni 2016.

Ter zitting van de rechtbank van 13 juni 2016 is een en ander besproken. Met de deskundigen Eikelenboom en Koopman is besproken welke input is gebruikt door ESR. Tevens is aan de orde gekomen dat in het kader van de berekening van de bewijskracht voor spoor AUA106#02SF niet alle replica’s meegenomen dienden te worden, omdat één replica als mislukt aangemerkt moest worden. Vanwege dit gegeven heeft de rechtbank in haar vonnis de resultaten van beide rapporten van 13 juni 2016 en 5 augustus 2016 gecombineerd gelezen en de door Buckleton aangenomen hogere bewijskracht voor spoor AUA106#02SF in het laatstbedoelde rapport buiten beschouwing gelaten.

Door deskundige Buckleton is ter zitting van 13 juni 2016, evenals in eerdere correspondentie tussen de genoemde deskundigen, aangegeven waar hij zorgen over had en wat hij lastig vond in het kader van zijn opdracht. Zo heeft hij zijn reserves naar voren gebracht ten aanzien van de variabiliteit van de DNA-profielen en ten aanzien van de noodzaak om een onbekende persoon in de hypothesen op te nemen.

In de bespreking ter zitting is vervolgens echter overeenstemming bereikt met betrekking tot het aantal donoren, te weten drie. Voorts is door deskundige Koopman aangegeven dat ondanks de geconstateerde fouten en gepresenteerde twijfels, Buckleton een van de meest vooraanstaande DNA-statistici is die met deze modellen werkt. Buckleton heeft aangegeven dat de verschillen in de modellen verklaren dat er verschillende resultaten zijn, maar meer in brede zin dat alle modellen uiterst sterk bewijs leveren voor de inclusie van verdachte voor monster AUA106#02SF en matig tot zeer sterk bewijs voor de inclusie van verdachte voor de monsters AWA059#04SF en AWA059#06SF. Eikelenboom heeft nog verklaard dat de resultaten van LRmix en STRmix redelijk met elkaar overeen komen en dat TrueAllele andere resultaten laat zien maar dat dat heeft te maken met andere variabelen die door TrueAllele worden gebruikt.

Ten aanzien van de instelling van de parameters heeft Buckleton in zijn rapport van 3 juni 2016 gesteld dat, omdat STRmix niet bij het NFI gebruikt wordt, de instellingen van de software zijn aangepast om deze geschikt te maken voor het (NGM 34 cycli) systeem van het NFI, waarmee de DNA-profielen zijn verkregen. Hierbij zijn volgens Buckleton de piekratio-gegevens van de NGMSelectKit meegenomen, evenals de met aanwijzingen van het NFI aangepaste drop-in parameters en piekafwijkingsparameters van het 34 cycli SGMPlus van het ESR.

Met betrekking tot de validatie van STRmix voor het soort DNA-profielen hier aan de orde, is door Buckleton gesteld dat het niet realistisch is om een volledige validatie uit te voeren voor slechts één zaak. Ter zitting van de rechtbank van 13 juni 2016 is door de drie genoemde deskundigen besproken dat het afstemmen van het model op het laboratorium een kleine verandering in de resultaten met zich zou brengen, maar de resultaten niet significant anders zullen zijn. Het zou een omvangrijke studie vergen naar het afstemmen van de software, terwijl het voor wat betreft de resultaten zou gaan om een verschil op detailniveau.

Het hof leidt uit bovenstaande af dat de rechter-commissaris de deskundigheid van Buckleton heeft getoetst. In alle correspondentie met deze deskundige en bij de bespreking ter zitting is, naast de deskundige van het NFI, Koopman, tevens de deskundige Eikelenboom betrokken geweest en heeft deze opmerkingen kunnen maken (waaronder met betrekking tot de input van de zijde van het NFI) in het belang van de verdediging. De deskundige Buckleton heeft weliswaar fouten moeten herstellen en zorgen geuit, maar steeds is transparant gemaakt waar dit betrekking op had. Ook is er steeds een mogelijkheid voor de procespartijen en beide andere deskundigen geweest hierop te reageren.

Een en ander leidt er toe dat er onvoldoende aanleiding is om aan de deskundigheid van Buckleton te twijfelen, noch als deskundige op zich, noch als deskundige ten aanzien van het rekenen met de complexe DNA-profielen als hier aan de orde. Dat er geen volledige validatie heeft plaatsgevonden doet aan de betrouwbaarheid van de resultaten evenmin af, gelet op de toelichting van de deskundigen daarover. Dat in de Amerikaanse zaak Hillary op 26 augustus 2016 tot een andere beslissing is gekomen door de rechtbank te New York, omdat het New York State Police Crime Lab zonder (interne) validatie niet bevoegd was gegevens van onderzoek (naar het hof begrijpt: een DNA-mengprofiel) aan ESR te verstrekken, kan derhalve niet tot een ander oordeel leiden.

Het hof verwerpt het verweer in alle onderdelen en acht de rapporten van deskundige J.S. Buckleton bruikbaar voor het bewijs.

Met betrekking tot de gestelde subjectiviteit van de deskundigen van het NFI overweegt het hof het volgende.

Het NFI is een door de Raad van Accreditatie geaccrediteerd instituut. Drs. Ing. T.J.P. de Blaeij en drs. J. Koopman zijn NFI-deskundigen forensisch onderzoek van biologische sporen en DNA. Een NFI-deskundige is opgeleid en getoetst door het NFI, waarna het NFI hem of haar de bevoegdheid heeft toegekend om deskundigenrapporten op te stellen en onderzoeken te doen. Daarbij maakt de NFI-deskundige gebruik van de infrastructuur, voorschriften en kwaliteitsborgingssystematiek van het NFI. Daarnaast waren beide deskundigen ten tijde van het uitbrengen van hun rapporten ingeschreven als gerechtelijk deskundige in het NRGD voor het deskundigheidsgebied DNA analyse en interpretatie. Dat de deskundige bij het maken van een analyse op basis van kennis en ervaring en derhalve ook met gebruik van subjectieve interpretaties tot zijn of haar deskundige visie komt is inherent aan het werk van een deskundige.

De deskundigen zijn bij de rechter-commissaris bevraagd over hun aanwezigheid bij FIT-gesprekken, de frequentie daarvan en de onderwerpen die besproken zijn, evenals de contacten met de officier van justitie. Uit hetgeen daaromtrent is verklaard zijn het hof geen aanwijzingen gebleken die erop duiden dat de deskundigen subjectief te werk zijn gegaan.

Voor zover de verdediging in algemene zin vraagtekens heeft gezet bij de computermodellen LRmix en MixCal overweegt het hof als volgt.

Deskundige Koopman heeft bij de rechtbank verklaard dat het NFI beschikt over een gevalideerd programma. Ten tijde van het uitbrengen van het rapport (hof: van 1 oktober 2013) was de software wel grondig gecheckt maar nog niet gevalideerd. Sindsdien is volgens deskundige Koopman niets gewijzigd in het (hof: inmiddels gevalideerde) programma: uit de berekeningen die zijn uitgevoerd zou hetzelfde komen.

Ten aanzien van het programma MixCal heeft deskundige Koopman op zitting in eerste aanleg verklaard dat het een werkversie betreft waarmee uitgebreidere analyses kunnen worden gedaan en formeel niet gevalideerd is. In het nadien op 12 juli 2016 door Koopman uitgebrachte rapport is vermeld dat MixCal recent gevalideerd is.

In een en ander ziet het hof geen aanleiding om vraagtekens te zetten bij de betrouwbaarheid van de door het NFI opgestelde rapporten. Ook het gegeven dat Koopman betrokken is geweest bij het ontwikkelen van het programma maakt dat niet anders.

Het hof neemt derhalve de bevindingen van het NFI en het ESR tot uitgangspunt.

Bij die bevindingen gaat het hof, voor zover relevant, uit van de hypothesen waarbij [naam vriend] is meegenomen in de hypothese, nu uit de getuigenverklaring van [naam vriend] is gebleken dat hij enkele dagen voor de verdwijning van Nicole van den Hurk gemeenschap met zijn vriendin heeft gehad.

De bevindingen van de deskundigen zoals hiervoor opgenomen onder C1, C3 en C4, zijn van dien aard dat het hof daaruit de conclusie trekt dat in voldoende mate vast staat dat het verdachte is geweest die donor is van het celmateriaal in de bemonsteringen AWA059#04, AWA059#06 en AUA106#02.

Aangezien uit de verklaringen van de deskundigen blijkt dat wel sperma is gedoneerd maar dat niet kan worden vastgesteld wie dat heeft gedoneerd zal het hof er van uit gaan dat celmateriaal is gedoneerd door verdachte.

Het celmateriaal is aangetroffen in de anus en de kruis van de slip van het slachtoffer. Aangezien de deskundigen niet met zekerheid kunnen aangeven dat de sporen uit de anus ook daadwerkelijk afkomstig zijn uit de anus en niet uit de vagina, gaat het hof er van uit, met de deskundige Koopman, dat gesteld kan worden dat er seksueel contact is geweest en dat het celmateriaal, bij gebreke van een andere verklaring, door binnendringing in het lichaam terecht is gekomen.

E.3.

Aantal donoren in de sporen AWA059#04 en #06 en AUA106#02 en duiding daarvan

De verdediging heeft naar voren gebracht dat er per spoor minimaal 3 donoren zijn. Niet duidelijk is of die onbekende steeds dezelfde is. In potentie zijn er vijf donoren, nog afgezien van de sporen op andere plaatsen. Er is niet duidelijk wanneer, in welke volgorde en hoe de sporen zijn achtergelaten. Er is geen begin van bewijs dat er een zedenmisdrijf is gepleegd, er is geen bewijs aangetroffen voor dwang. Het slachtoffer is gekleed aangetroffen. Er is geen bewijs voor de doodslag, nu niet uit te sluiten is dat een van de onbekende andere DNA-donoren daarvoor verantwoordelijk is.

Het openbaar ministerie heeft betoogd dat er geen andere dader is. Immers, van de 625 kenmerken (komende uit 18 LCN-replica’s en 4 standaard/niet LCN-replica’s) zijn er slechts 12 niet toe te rekenen aan slachtoffer, [naam vriend] of verdachte (in spoor AWA059). Daarmee is de mogelijkheid van een tweede dader afgezet tegen contaminatie, allele drop-in of (veel) eerder plaatsgevonden hebbend (seksueel) contact met een ander dan verdachte en/of [naam vriend] nagenoeg uitgesloten.

Het hof overweegt als volgt.

In het NFI-rapport d.d. 12 augustus 2011 van deskundige T.J.P. de Blaeij, waarin de resultaten van het uitgevoerde vergelijkend DNA-onderzoek zijn gerapporteerd, is over de bemonsteringen AUA106#02, AWA059#04 en #06 gerapporteerd dat het complexe (en onvolledige) DNA-mengprofielen betreft van minimaal twee personen, waarvan minimaal één man.

In het NFI-rapport d.d. 1 oktober 2013 van deskundige J. Klaver is beschreven dat op basis van de resultaten van vergelijkend DNA-onderzoek wordt geconcludeerd dat in de bemonsteringen AWA059#04 en #06 en AUA106#02 van het kruis van de slip DNA aanwezig is van minimaal één onbekende persoon, niet zijnde verdachte, [naam vriend] of het slachtoffer. Vanwege de complexiteit van de DNA-profielen is het niet mogelijk om aan te geven of dit één en dezelfde persoon kan zijn.

Deskundige Klaver heeft op 19 juni 2014 bij de rechter-commissaris verklaard dat zij drie rapporten heeft uitgebracht en dat er bij de eerste rapporten discussie is geweest over het wel of niet aanwezig zijn van een derde persoon. Voorts heeft zij verklaard dat in de bemonsteringen drie persoonsprofielen zaten en dat er geen aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van meer dan drie personen. Als alle pieken verklaard zijn met betrekking tot het profiel van verdachte en [naam vriend] blijft een aantal pieken over. Daar heeft zij aan toegevoegd dat het in de lijn van de verwachting ligt dat die dan het slachtoffer betreffen maar daar heeft het NFI geen steun voor kunnen vinden, althans het is niet goed mogelijk om over de aan- of afwezigheid van cellen van het slachtoffer een eenduidige uitspraak te doen. Voorts heeft zij verklaard dat los van de context die overblijvende pieken zouden kunnen worden toegedicht aan hetzij het slachtoffer, aan artefacten, aan contaminatie of aan samenstellingen daarvan en dat contaminatie nooit is uit te sluiten.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft deskundige Klaver verklaard dat er een aanwijzing is dat een onbekende persoon celmateriaal heeft achtergelaten, maar dat niet bekend is wanneer dat zou zijn gebeurd. Ook heeft zij – kort gezegd – gewezen op de wijze van bemonstering in die periode en de mogelijkheden van contaminatie. Contaminatie is volgens de deskundige de meest reële verklaring voor het aantreffen van de extra pieken. De persoon kan volgens de deskundige een man of een vrouw zijn.

Op diezelfde zitting is ook deskundige Eikelenboom gehoord. Hij heeft verklaard dat contaminatie een reële optie is, zeker gelet op de wijze waarop destijds werd gewerkt. Hij heeft daaraan toegevoegd dat contaminatie sneller wordt verwacht in de nucleaire fractie, dan in de spermafractie. Het is volgens Eikelenboom waarschijnlijker dat het een mannelijke donor is.

Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft deskundige Buckleton verklaard dat hij op hetzelfde locus van één van de replica’s van spoor #04SF en hetzelfde locus van één van de replica’s van spoor #06 vijf allelen ziet.

Het hof gaat uit van het volgende:

  • -

    naast de pieken met betrekking tot het profiel van verdachte en [naam vriend] blijft er een aantal pieken over;

  • -

    de overblijvende pieken zouden kunnen worden toegedicht aan hetzij het slachtoffer, aan artefacten, aan contaminatie of aan samenstellingen daarvan;

  • -

    er is een aanwijzing voor een derde persoon, maar niet bekend is wanneer dit celmateriaal is achtergelaten;

  • -

    er zijn geen aanwijzingen voor meer dan drie personen;

  • -

    de derde persoon kan een man zijn, maar ook een vrouw.

Het hof is van oordeel dat aan de aanwezigheid van slechts enkele DNA-kenmerken die niet passen in het profiel van verdachte en de vriend van het slachtoffer [naam vriend] , geen, de verdachte ontlastende, doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Er kan niet worden vastgesteld dat de enkele DNA-kenmerken toe te schrijven zijn aan een persoon, of personen, en contaminatie, artefacten of samenstellingen daarvan kunnen er de oorzaak van zijn.

Maar ook in het geval dat die enkele DNA-kenmerken niet veroorzaakt zijn door contaminatie, artefacten of samenstellingen daarvan, leidt dit naar het oordeel van het hof er niet toe dat geconcludeerd moet worden dat een ander verantwoordelijk is voor de ten laste gelegde feiten. Het hof wijst in dit verband op de rapporten van Koopman en Buckleton omtrent de bewijskracht van de aanwezigheid van celmateriaal van verdachte (en [naam vriend] ) in de genitale zone van het slachtoffer, terwijl noch uit tactische bevindingen, noch uit overige technische bevindingen aanwijzingen zijn te vinden voor betrokkenheid van een ander of anderen.

Het hof verwerpt het verweer.

E.4.

Afgebroken stukje snijtand van het slachtoffer (AACT2862NL#01)

De verdediging heeft naar voren gebracht dat op het afgebroken stukje snijtand (AACT2862NL#01) kenmerken zijn aangetroffen die niet voorkomen bij verdachte maar wel in het profiel van [naam 2] , hetgeen ontlastend is voor verdachte.

Het hof overweegt omtrent dit verweer als volgt.

Er is nader onderzoek gedaan aan het stukje tand dat, na het bergen van het lichaam, is aangetroffen op de plaats waar het hoofd had gelegen en dat bij onderzoek afkomstig bleek te zijn van een van de snijtanden van het slachtoffer. Betreffende het DNA-onderzoek aan het stukje tand is een deskundigenrapport door het NFI opgemaakt. In het rapport d.d. 17 november 2011 is gerapporteerd dat uit de bemonstering van de tand een onvolledig autosomaal DNA-mengprofiel werd verkregen, met daarin de DNA-kenmerken van minimaal twee personen, waarvan minimaal één man (AACT2862NL#01).

Als aandachtspunt is in het rapport opgemerkt dat er geen aanwijzingen zijn verkregen voor de aanwezigheid van celmateriaal van het slachtoffer zelf in deze bemonstering, hetgeen een opmerkelijk resultaat is en niet conform verwachting, indien de informatie correct is dat deze tand afkomstig is uit het gebit van het slachtoffer en op de plaats delict is aangetroffen in de nabijheid (onder het lichaam) van het slachtoffer. Wanneer er (onderzoeks-)handelingen zijn verricht aan de tand nadat deze op de plaats delict is veiliggesteld, waarbij mogelijk niet dezelfde strikte preventieve maatregelen zijn gehanteerd zoals bij DNA-onderzoek gebruikelijk is en die de kans op contaminatie van het onderzoeksmateriaal moeten minimaliseren, kan het oorspronkelijke sporenbeeld verstoord zijn geraakt.

Niet duidelijk is hoe met de tand is omgegaan; er moet rekening worden gehouden met contaminatie. Uit het NFI-rapport van 5 december 2011 (Forensisch Dossier map 2, bijlage 20) volgt:

Op het aanvraagformulier bij aanvraag 027 is naast bovenstaande informatie de volgende informatie opgenomen: (..) Onbekend is wat er in de loop der jaren precies allemaal met het stukje tand is gebeurd. Op enig moment, tijdens het cold-case onderzoek door het Landelijk Team Kindermoorden in 2004 is het, ter beoordeling aangeboden aan de tandarts van het slachtoffer. Hierbij is het tandje doormidden gebroken.

De deskundige Koopman heeft ter terechtzitting in eerste aanleg verklaard dat er een tand onder het stoffelijk overschot is aangetroffen en bemonsterd en dat er ook een tand ontbrak. Het idee van het NFI was dat er mogelijk aanraaksporen op de tand aanwezig zouden kunnen zijn, maar dat onderzoek heeft echter niets opgeleverd. Op de tand is zelfs het DNA-profiel van het slachtoffer niet meer aangetroffen (zitting 10 november 2015, pag. 109).

Ook het IFS heeft in de DNA bemonstering AACT2862NL#01 (snijtand) bij autosomaal onderzoek DNA-kenmerken verkregen. De combinatie kenmerken komt niet voor bij het slachtoffer, de verdachte of de andere betrokkenen. Bij het Y-chromosomaal onderzoek is gebleken dat de combinatie kenmerken, op een enkel kenmerk na, past bij het profiel van [naam 2] . Hij kan niet worden uitgesloten als mogelijke donor.

Het hof is van oordeel dat onder bovenbeschreven omstandigheden aan het enkele feit dat [naam 2] niet kan worden uitgesloten als mogelijke donor, niet de conclusie kan worden verbonden dat dit gegeven ontlastend is voor verdachte. Er is immers geen statistische bewijskracht aan toegekend en doordat er in de loop der jaren onderzoekshandelingen zijn verricht is niet eenduidig vast te stellen op welk moment celmateriaal op van de tand terecht is gekomen.

Het hof verwerpt het verweer.

E.5.

Rugzakje van het slachtoffer

De verdediging heeft naar voren gebracht dat ontlastend voor verdachte is dat op het rugzakje geen sporen van verdachte zijn gevonden maar wel van anderen.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Van het rugzakje zijn bemonsteringen genomen [AADB7426NL#01 t/m #11]. Ten aanzien van enkele bemonsteringen heeft het NFI geen DNA-profiel verkregen (#01, #02, #09), dan

wel een enkel kenmerk, een tweetal of enkele kenmerken (#03, #04, #06, #08) of een partieel DNA-profiel (#05, #07, #10, #11). Ten aanzien van alle sporen is gebleken dat de DNA kenmerken niet overeenkomen met het slachtoffer, de verdachte en andere betrokkenen.

Volgens de verdediging zou uit de analyse door het IFS van de sporen #01, #02, #04, #05, #06 en #07 volgen dat mogelijk een onbekende persoon of personen heeft/hebben bijgedragen.

Het hof overweegt dat IFS blijkens haar rapport van spoor #01 enkele kenmerken heeft verkregen en dat mogelijk een onbekende persoon een geringe hoeveelheid DNA heeft gedoneerd in het extract. De technische bewijswaarde van enkele kenmerken is echter gering. Van spoor #02 is door IFS een partieel DNA-profiel verkregen. Mogelijk heeft een onbekende persoon een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract. Een bewijskracht is hier niet aan verbonden.

Van de sporen #04 en #05 is door IFS een partieel DNA-mengprofiel verkregen. Ten minste drie personen DNA hebben bijgedragen aan dit spoor. Een bewijskracht is hier niet aan verbonden.

Ten aanzien van spoor #06 en #07 is een partieel DNA-mengprofiel verkregen waaraan ten minste vier personen DNA hebben bijgedragen.

Het hof overweegt dat uit het DNA onderzoek van het NFI en van IFS met betrekking tot het rugzakje blijkt dat geen DNA van het slachtoffer is aangetroffen hetgeen opmerkelijk te noemen is, omdat het rugzakje (waar onder andere make up in zat) door haar werd gebruikt. Het rugzakje is leeg in een sloot aangetroffen en heeft daar bijna twee weken gelegen, geconstateerd was dat voorwerpen uit het tasje er naast lagen en dat papiertjes waren doorweekt en aangetast door weersomstandigheden.

Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat aan de resultaten van het aan het rugzakje verrichte DNA-onderzoek geen (wetenschappelijke) bewijswaarde kan worden gehecht, in belastende noch in ontlastende zin. Er kunnen geen conclusies aan worden verbonden.

Het hof verwerpt het verweer.

E.6.

Lichaamshaar anus van het slachtoffer

De verdediging heeft naar voren gebracht dat er een lichaamshaar (AWA059#07) is aangetroffen bij de anus van slachtoffer waarvan het NFI geen profiel heeft verkregen. IFS heeft daarentegen wel DNA-kenmerken aangetroffen alsmede het kenmerk Y. Dit duidt op een andere dader.

Het hof overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Volgens het NFI-rapport d.d. 29 februari 2012 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 24) zijn in het uitstrijkje van de anus AWA059 van het slachtoffer zeven lichaamsharen aangetroffen (SIN AACC8712NL). Het extract of de haar(wortel) is veiliggesteld voor een DNA-onderzoek, met kenmerken AWA059#07 t/m #013. Van deze haarsporen zijn geen of geen voor vergelijkend DNA-onderzoek geschikte autosomale DNA-profielen verkregen.

Op grond van het mtDNA-onderzoek kunnen de haarsporen AWA059#07 t/m #13 afkomstig zijn van het slachtoffer N. van den Hurk.

Blijkens het NFI rapport van 19 maart 2012 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 26) is het mtDNA-profiel van de zeven lichaamsharen, AWA059#07 tot en met AWA059#13 gekoppeld aan het slachtoffer.

IFS heeft (rapport van 20 september 2015) van het extract AWA059#07 enkele DNA-kenmerken en het kenmerk Y verkregen en concludeert dat ten minste één man een geringe hoeveelheid DNA heeft gedoneerd in het extract. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, de verdachte en de overige betrokkenen. Een onbekende man kan een geringe hoeveelheid DNA hebben gedoneerd in het extract. Van de profielen AWA059#08 t/m #13 zijn door het IFS geen DNA-profielen verkregen.

Het hof overweegt dat door het NFI geen autosomaal DNA-profiel is verkregen maar wel mtDNA-profielen, die zijn gekoppeld aan het slachtoffer. Dat strookt niet met de resultaten van het IFS, die bij autosomaal DNA-onderzoek het kenmerk Y (wat zou duiden op een man) heeft verkregen.

Het hof constateert dat de bevindingen van IFS niet overeenkomen met die van het NFI, en dat het enkele verkrijgen van een kenmerk Y (in één extract) op zichzelf nog niet ontlastend is voor de verdachte. Het hof kan derhalve geen betekenis hechten aan de bevindingen van IFS.

Het verweer wordt verworpen.

E.7.

Overige sporen

Door de verdediging is aangevoerd dat er tal van sporen zijn aangetroffen die geen voor de verdachte belastend materiaal bevatten, maar juist ontlastend voor hem zijn. Uit de rapportage van het IFS blijkt dat er aanwijzingen zijn dat er DNA van anderen dan de verdachte in de extracten (van de bemonsteringen) aanwezig is. Het gaat dan met name om bemonsteringen van het kruis van de spijkerbroek, het kruis van de slip en de vagina en de anus van het slachtoffer.

Door de verdediging is daarover het volgende naar voren gebracht:

Bemonsteringen kruis spijkerbroek (AUA107#02SF, #03SF, #04SF, #07SF, #11SF, #12NF, #15SF, #18SF en #19SF)

  • -

    Uit het extract van de bemonstering AUA107#02SF zijn door IFS enkele DNA-kenmerken verkregen. De technische bewijswaarde van twee van de verkregen DNA-kenmerken is volgens IFS zeer gering. Bij Y-chromosomaal onderzoek aan het extract is één kenmerk verkregen. Er zijn geen aanwijzingen dat er DNA van verdachte in het extract aanwezig is.

  • -

    Uit het extract van de bemonstering AUA107#03SF heeft het IFS enkele DNA-kenmerken verkregen. De combinatie van kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen. IFS heeft gerapporteerd dat mogelijk een onbekende persoon een geringe hoeveelheid DNA heeft gedoneerd in het extract. Het extract betreft een spermafractie. Waarschijnlijker is dat het van een man afkomstig is. Dit is ontlastend voor verdachte.

  • -

    Van het extract van de bemonstering AUA107#04SF heeft het IFS een zeer partieel DNA-profiel verkregen. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt niet voor in het profiel van verdachte en is daarom ontlastend.

  • -

    IFS heeft gerapporteerd uit het extract van de bemonstering van AUA107#07SF een tweetal DNA-kenmerken te hebben verkregen. De combinatie van kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen. Mogelijk heeft een onbekende persoon een zeer geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract. Het extract betreft een spermafractie en daarom is het waarschijnlijker dat dit DNA betreft van een andere onbekende man dan dat het DNA van een vrouw is. Dit is wederom ontlastend voor verdachte.

  • -

    Bij Y-chromosomaal onderzoek aan de bemonstering van AUA107#11SF heeft IFS twee DNA-kenmerken verkregen, welke combinatie bij meerdere betrokkenen voorkomt, onder wie [naam vriend] . De twee verkregen DNA-kenmerken komen niet voor bij verdachte.

  • -

    IFS heeft van het extract van de bemonstering van AUA107#12NF DNA-mengprofielen verkregen, waaraan tenminste twee personen hebben bijgedragen. Het merendeel van de kenmerken komt voor in het profiel van het slachtoffer, maar daarnaast heeft IFS enkele afwijkende kenmerken aangetroffen van tenminste één man. Het is een man, omdat het kenmerk Y is aangetroffen in het extract. De combinatie van kenmerken komt niet voor in het profiel van verdachte of de overige betrokkenen.

  • -

    IFS heeft van het extract van de bemonstering van AUA107#15SF een tweetal DNA-kenmerken verkregen. De combinatie van deze twee kenmerken komt overeen met het profiel van het slachtoffer en een andere (mannelijke) betrokkene, en niet met het profiel van verdachte. Dit is ontlastend.

  • -

    IFS heeft van het extract van de bemonstering van AUA107#18SF een tweetal DNA-kenmerken verkregen en bij extract AUA107#19SF een enkel kenmerk. De combinatie van kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen. Het betreft de spermafractie en dit is wederom een sterke aanwijzing dat een andere onbekende man sperma heeft achtergelaten op het kruis van de spijkerbroek van het slachtoffer.

Bemonsteringen kruis slip (AUA106#02NF, #03SF #04SF)

  • -

    Van het extract AUA106#02NF zijn door IFS partiële DNA-profielen verkregen, bestaande uit enkele kenmerken. Ten minste één man heeft een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd, er is immers een Y-chromosoom aangetroffen. De combinatie van kenmerken past bij het profiel van de verdachte en twee andere betrokkenen. Mogelijk heeft een van deze drie DNA gedoneerd in het extract. Verdachte scoort in de 100% tabel tussen 0 en 16%, waarbij één van de andere betrokkenen hoger scoort dan verdachte. Er kan niet worden geconcludeerd dat verdachte heeft bijgedragen aan dit extract.

  • -

    Met betrekking tot DNA-bemonstering AUA106#03SF heeft IFS net als het NFI partiële DNA-mengprofielen verkregen. Ten minste twee, mogelijk drie personen hebben aan dit spoor bijgedragen. Op het composietprofiel matcht de verdachte met 79% en [naam vriend] met 68%, maar voor een volledige match missen voor beiden een aantal kenmerken.
    Bij het Y-chromosomaal onderzoek zijn DNA-mengprofielen aangetroffen van minimaal twee mannen. Een match is geconstateerd met [naam vriend] (en met diens vader [naam vader] ). Er is aldus meer steun voor de conclusie dat [naam vriend] DNA heeft bijgedragen dan dat de verdachte dat heeft gedaan.

  • -

    Door IFS is een partieel profiel verkregen van de DNA bemonstering AUA106#04SF. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen. Mogelijk heeft een onbekende derde persoon een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract. Het betreft de spermafractie, waardoor het waarschijnlijker is dat het DNA van een man in. Dit is ontlastend voor verdachte.

Bemonsteringen vagina slachtoffer (AWA059#01, #02SF en #05SF)

  • -

    Bij het Y-chromosomale onderzoek ten aanzien van bemonstering AWA059#01 heeft IFS slechts enkele Y-chromosomale kenmerken verkregen. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt voor in de profielen van de verdachte en drie andere betrokkenen. De technische bewijswaarde van enkele Y-chromosomale kenmerken is zeer gering. In de optiek van de verdediging van kan dit resultaat dan ook niet voor het bewijs worden gebezigd.

  • -

    Ten aanzien van het extract AWA059#02SF heeft IFS een enkel DNA-kenmerk gekregen en door gebruik van LCN-technieken zijn partiële DNA-mengprofielen verkregen. Ten minste twee personen hebben DNA bijgedragen aan dit spoor. De combinatie van verkregen kenmerken komt niet overeen met het profiel van verdachte en de overige betrokkenen. Mogelijk heeft een onbekende persoon een hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract. Bij het Y-chromosomale onderzoek zijn door IFS enkele DNA-kenmerken verkregen. Ten minste één man heeft bijgedragen in het extract. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt overeen met die in de profielen van de verdachte en vier andere betrokkenen. De technische bewijswaarde van enkele Y-chromosomale DNA-kenmerken is gering. Dit resultaat kan naar het oordeel van de verdediging dan ook niet bijdragen aan het bewijs.

  • -

    Door IFS zijn in de bemonstering AWA059#05SF enkele DNA-kenmerken verkregen. De combinatie van verkregen autosomale DNA-kenmerken komt niet overeen met die in het profiel van het slachtoffer, de verdachte en overige betrokkenen. Bij het Y-chromosomaal onderzoek zijn partiële DNA-mengprofielen verkregen. Er is geen match geconstateerd met de profielen van het slachtoffer, de verdachte en overige betrokkenen. Omdat het de spermafractie betreft heeft mogelijk een onbekende man een geringe hoeveelheid DNA gedoneerd in het extract AWA059#05SF.

Bemonstering anus slachtoffer (AWA059#06NF)

- Van het composietprofiel AWA059#06NF is een 100% tabel gemaakt, waar alle betrokkenen, inclusief verdachte, substantieel laag scoren. Er is dan ook weinig steun voor de hypothese dat de verdachte of andere betrokkenen DNA hebben bijgedragen aan dit extract. Ook IFS concludeert dat er mogelijk een onbekende persoon DNA heeft bijgedragen, Dit wijst op de mogelijkheid van een andere dader en dit is ontlastend voor verdachte.

Het hof overweegt met betrekking tot de voornoemde verweren als volgt.

Spijkerbroek

Uit het NFI rapport d.d. 12 augustus 2011 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 13) blijkt dat het kruis van de spijkerbroek van het slachtoffer is bemonsterd. Het NFI heeft geen voor DNA-vergelijkend onderzoek geschikte profielen uit de bemonsteringen verkregen, wat volgens deskundige Koopman (ter zitting van de rechtbank) betekent dat er zo weinig DNA-kenmerken in zitten dat het NFI niet weet wat het betekent als er overeenkomsten zijn. Of het toeval is of echt iets betekent, kan niet statistisch worden onderbouwd.

Nadien (NFI rapport 14 oktober 2011, pag. 6, Forensisch Dossier deel 3, bijlage 55) zijn van de bemonsteringen AUA107#11SF en AUA107#11NF complexe DNA-mengprofielen verkregen. Er zijn uit het onderzoek geen aanwijzingen gekomen voor de aanwezigheid van DNA van verdachte in de bemonsteringen.

Met betrekking tot het onderzoek door IFS stelt het hof vast dat uit de bemonsteringen AUA107#02SF, #03SF, #07SF, #11SF, #15SF, #18SF en #19SF telkens slechts één, twee of enkele DNA-kenmerken zijn verkregen. Het hof is van oordeel dat aan de aanwezigheid van slechts enkele DNA-kenmerken die niet passen in het profiel van verdachte geen, de verdachte ontlastende, doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Daarbij betrekt het hof de hiervoor genoemde verklaring van deskundige Koopman alsmede de mening van IFS dat de technische bewijswaarde van één DNA-kenmerk (AUA107#15SF en AUA107#19SF) of twee DNA-kenmerken (AUA107#02SF, AUA107#07SF, AUA107#11SF, AUA107#15SF en AUA107#18SF zeer gering is en bij enkele DNA-kenmerken gering is (AUA107#03SF).

Dat ten aanzien van de bemonsteringen AUA107#04SF en #12NF het aantal verkregen kenmerken door de verdediging niet is vermeld, maar is gesteld dat de combinatie van kenmerken niet voorkomt in het profiel van verdachte, doet aan het voorgaande oordeel niet af. De door de verdediging getrokken conclusie dat de IFS-resultaten steun geven aan de bevindingen dat een andere (onbekende) man (mogelijk) DNA heeft gedoneerd in het extract (aangezien de andere persoon ‘niet kan worden uitgesloten’) heeft zonder statistische onderbouwing namelijk geen bewijskracht, en reeds daarom geen belastende of ontlastende bewijswaarde.

Op grond van al het voorgaande zal het hof geen conclusies verbinden aan voormeld DNA-onderzoek aangaande het kruis van de spijkerbroek van het slachtoffer. Het verweer wordt in zoverre verworpen.

Slip, vagina en anus

Uit het IFS-rapport van 20 september 2015 kan worden afgeleid dat de Y-chromosomale DNA-resultaten zijn weergegeven in een 100% tabel (tabel 9b in bijlage 2 bij het rapport). Ter terechtzitting van de rechtbank heeft deskundige Eikelenboom dienaangaande verklaard

  • -

    dat de 100% tabellen ter illustratie zijn;

  • -

    er zijn geen matches weergegeven;

  • -

    een 100% tabel slechts het aantal kenmerken dat een betrokkene of verdachte overeenkomend heeft met het zogeheten composietprofiel aangeeft.

Als voorbeeld is nog aan de orde geweest het spoor AACT2862NL#01 (het afgebroken stukje van een snijtand). De tabel toont volgens Eikelenboom niet dat er op dat punt een 93% match is, het getal kan namelijk ook op toeval berusten. Hij heeft verklaard dat men daarop graag een statistische analyse wil uitvoeren.

Het hof leidt hieruit af dat alvorens een conclusie is te verbinden aan de uitkomst van een 100% tabel een statistische analyse nodig is. Een overeenkomst met een kenmerk kan namelijk op toeval berusten. Het hof stelt vast dat IFS geen statistische analyse heeft uitgevoerd.

Aldus kan ten aanzien van bemonsteringen AUA106#02NF en AUA106#3SF alsook AWA059#06NF niet de conclusie worden verbonden dat verdachte niet heeft bijgedragen althans dat [naam vriend] of een onbekende donor DNA heeft bijgedragen.

Ook de stelling van de verdediging dat mogelijk een onbekende derde persoon een geringe hoeveelheid DNA heeft gedoneerd in het extract van de DNA bemonstering AUA106#04SF, gaat niet op. Ook hiervoor heeft te gelden dat de deskundigen tot een verschillende beoordeling komen. Het NFI heeft partiële profielen verkregen waaraan ten minste één persoon DNA heeft bijgedragen. De verkregen kenmerken komen voor in het profiel van het slachtoffer. De combinatie van door IFS verkregen DNA-kenmerken komt evenwel niet voor in de profielen van het slachtoffer, verdachte of andere betrokkenen.

Nu de deskundigen bovendien geen statistische analyse hebben kunnen uitvoeren, wordt door het hof geen statistische bewijskracht aan dit spoor toegekend.

Bij het Y-chromosomale onderzoek ten aanzien van bemonstering AWA059#05 door IFS zijn slechts enkele kenmerken verkregen. De combinatie van verkregen DNA-kenmerken komt niet overeen met de profielen van het slachtoffer, de verdachte en andere betrokkenen. Het hof is van oordeel dat aan de aanwezigheid van slechts enkele DNA-kenmerken die niet passen in het profiel van verdachte geen, de verdachte ontlastende, doorslaggevende betekenis kan worden toegekend. Daarbij betrekt het hof de hiervoor genoemde verklaring van deskundige Koopman ter zitting van de rechtbank, als ook hetgeen door Eikelenboom is verklaard ten aanzien van de (zeer) geringe bewijskracht als ook het feit dat er weinig kenmerken voorkomen.

Nu het hof de onderzoeksresultaten met betrekking tot de bemonsteringen AWA059#01 en #02SF niet tot het bewijs bezigt, behoeft het verweer van de verdediging – wat daar inhoudelijk ook van zij – geen bespreking.

Op grond van het voorgaande zal het hof geen conclusies verbinden aan voormeld DNA-onderzoek aangaande de slip, vagina en anus van het slachtoffer. Het verweer wordt in zoverre verworpen.

E.8.

Slotconclusie verweren

De verweren met betrekking tot de resultaten van het DNA-onderzoek worden in al hun onderdelen verworpen.

F.

Alternatief scenario: vrijwillig seksueel contact tussen verdachte en slachtoffer

De verdediging heeft naar voren gebracht dat indien sporen aan verdachte zouden zijn te linken dat het dan aannemelijk is dat sprake is geweest van vrijwillig seksueel verkeer tussen verdachte en het slachtoffer.

De verdediging heeft aangevoerd dat er bij verdachte sprake was van een gevoel van minderwaardigheid, wat maakte dat verdachte aanzien wist te krijgen bij bijvoorbeeld vrienden door het versieren van vrouwen en het hebben van seks met hen. Zijn vrienden

[naam 3] en [naam 4] hebben verklaard dat verdachte altijd alle aandacht had van de vrouwen als ze op stap gingen en [ex-vriendin verdachte 3] heeft verklaard dat verdachte aan elke hand vijf meiden kon krijgen. Ook zijn relaties bevestigen dat verdachte met veel vrouwen seks heeft gehad. Verdachte had die seks op de meest vreemde plaatsen, zo heeft hij verklaard. Verdachte had voor hij de TBS in ging een ruig en wild leven. Drank en drugs moesten de gevoelens van onrust dempen, hij gebruikte ook geweld en vrouwen om aanzien te verwerven. Het is voorts niet vreemd dat verdachte zich na al die tijd niet meer weet te herinneren wat en met wie hij ook op seksueel gebied heeft gedaan, aldus de verdediging.

Door de verdediging is gewezen op verklaringen van getuigen waaruit afgeleid kan worden, volgens de raadslieden, dat het slachtoffer loog over haar leeftijd, er ouder uit kon zien, met drie jongens tegelijk verkering had, seksueel actief was, op oudere mannen viel, vaker uitging dan haar ouders wisten, stiekem uitging en soms veel drank gebruikte als zij uitging. De gedachte van vrijwillig seksueel contact tussen beiden is niet vreemd. Ze gingen op dezelfde plekken uit. Het is niet raar dat verdachte haar niet herkende toen haar foto in de media verscheen. Het kan zijn dat zij er anders uitzag tijdens het uitgaan en in uitgaansgelegenheden is het vaak donker.

Het hof overweegt het volgende.

Uit de door de verdediging aangehaalde getuigenverklaringen (bijgevoegd bij de stukken van de zitting in eerste aanleg van 2, 4, 9, 10 en 12 november 2015) blijkt het volgende.

[ex-vriend slachtoffer 1] heeft op 14 november 2011 verklaard dat hij acht maanden verkering heeft gehad met Nicole van den Hurk, dat hij seks met haar heeft gehad, maar dat hij geen verkering meer met haar had toen zij 15 jaar werd.

[ex-vriend slachtoffer 2] heeft op 5 december 2011 verklaard dat hij drie weken voordat Nicole verdween de verkering heeft uitgemaakt en dat hij nooit seks met Nicole heeft gehad. Er was sprake van alleen zoenen. Ze was trouw. Als zij uitging dronk zij zoete drankjes, zo hebben ze elkaar leren kennen op het Stratumseind, ze waren toen allebei zat.

[ex-vriend slachtoffer 3] heeft op 21 april 2011 verklaard dat hij verkering had met Nicole in de tijd dat zij verdween. Hij had geen seksuele relatie met haar, wel was sprake van kussen. Hij heeft nooit geweten dat zij alcohol dronk. Dat zij een baantje had bij de Konmar of waar zij verbleef in Eindhoven wist hij niet.

[naam 5] heeft op 28 september 2011 verklaard dat Nicole en [ex-vriend slachtoffer 3] tussen een paar weken en een paar maanden verkering hadden toen ze verdween. Hij kan zich echter niet herinneren dat hij ooit gesproken heeft met Nicole van den Hurk en zou haar ook niet herkennen.

[naam 6] heeft op 20 oktober 1995 verklaard een vriendschap, geen relatie, te hebben gehad met Nicole. Hij weet dat ze kort verkering had met [ex-vriend slachtoffer 4] . De laatste tijd voor haar vermissing heeft hij geen contact met haar gehad.

[vriendin slachtoffer 2] heeft op 7 november 1995 verklaard dat Nicole met drie vrienden seks heeft gehad, [ex-vriend slachtoffer 1] , [ex-vriend slachtoffer 4] en [naam vriend] . Een vriend buiten [naam vriend] is haar niet bekend en dat zou Nicole wel verteld hebben. Ze weet dat Nicole 1 keer per maand uit mocht en zich dan bedronk met Feigling. Dat laatste heeft ze nooit zelf gezien, alleen gehoord.

[vriendin slachtoffer 1] heeft op 18 oktober 1995 verklaard over de maanden juli en augustus 1995, dat Nicole in de zomervakantie een boottochtje maakte en op de boot een jongen leerde kennen van een jaar of 26 en dat zij toen haar leeftijd verzweeg.

[ex-vriend slachtoffer 5] heeft op 27 oktober 1995 verklaard dat hij toen hij 18 was in 1994 verkering had met Nicole. Zij mocht in die tijd zelden naar buiten en moest altijd oppassen op [naam halfbroer] en [naam stiefzus] . Hij heeft Nicole in de zomer voor het laatst gesproken.

[ex-vriend slachtoffer 6] heeft op 2 december 1995 verklaard dat hij twee of drie jaar geleden (hij was toen 17 of 18) verkering had met Nicole voor een week of twee. Hij heeft nooit gemeenschap met haar gehad.

[vriendin slachtoffer 3] heeft op 2 november 1995 verklaard dat Nicole haar alles vertelde. Dat Nicole met [ex-vriend slachtoffer 1] heeft geslapen en dat zij terughoudend was; ze wilde niet als ze verkering had gelijk met iemand naar bed. Ze was ook met [ex-vriend slachtoffer 4] naar bed geweest.

Op 20 december 1995 heeft [vriendin slachtoffer 3] verklaard dat Nicole 1 keer per maand uit mocht, maar dat ze vaker gingen.

De laatste keer dat zij uitging met Nicole was een week voor haar vermissing. Nicole en zij zijn toen met haar vriend [naam vriend] en diens vriend na het uitgaan nog naar de eendenvijver gegaan. De vriend van [naam vriend] ging toen naar huis. Ze bleven tot 01:00 uur en gingen toen naar huis.

[ex-vriend slachtoffer 7] heeft op 17 oktober 1995 verklaard dat hij van 23 juli 1994 tot en met 22 december 1994 verkering had met Nicole. Hij was 20 en Nicole 14 jaar. Het was een kalverliefde. Hij heeft haar een half jaar geleden voor het laatst gezien.

[naam 7] en [ex-vriend slachtoffer 8] hebben op 24 oktober 1995 verklaard dat [ex-vriend slachtoffer 8] (toen 24) op Gran Canaria een dag of twee, drie met Nicole is opgetrokken. Zij was een vakantieliefde.

[ex-vriend slachtoffer 9] heeft op 16 oktober 1995 verklaard dat hij anderhalf jaar geleden 4 of 5 maanden verkering had met Nicole en dat hij haar drie weken daarvoor voor het laatst heeft gezien.

Uit deze verklaringen blijkt dat, afgezien van [naam vriend] , Nicole van den Hurk twee keer eerder seks heeft gehad met een jongen waar zij verkering mee had. Dat zij tegelijk met [naam vriend] nog een andere vriend had, is niet vast komen te staan. Haar vriendin [vriendin slachtoffer 3] wist hier niet van. Ook zijn de verklaringen van [ex-vriend slachtoffer 3] en [naam 5] weinig concreet, nu [ex-vriend slachtoffer 3] niet eens weet waar zij verbleef in Eindhoven en of zij werkte bij de supermarkt die week en [naam 5] haar nooit gesproken heeft. De andere verklaringen hebben betrekking op eerdere relaties van langer geleden. De laatste keer dat Nicole uitging was volgens haar vriendin [vriendin slachtoffer 3] mét [naam vriend] en was in het weekend voor de week van haar verdwijning.

Voorts blijkt uit de beschrijving van de week waarin het slachtoffer verdween (door haar oma, tante en haar vriend), dat zij van haar oma om 21:00 uur in de avond binnen moest zijn en al om kwart voor vijf in de ochtend op moest om te gaan werken om 06:00 uur. Uit die verklaringen blijkt geenszins dat Nicole doordeweeks is uit geweest of dat zij dat stiekem heeft gedaan. [naam vriend] heeft verklaard dat hij en Nicole verliefd waren en dat hij zich niet herkent in verklaringen over drankgebruik (verklaring [naam vriend] bij de rechter-commissaris d.d. 13 november 2014).

Verdachte heeft verklaard dat hij Nicole van den Hurk niet kende, niet op jonge meisjes valt en dat hij haar niet herkende op de foto die in de media verscheen na haar vermissing.

Al deze omstandigheden bijeen genomen acht het hof niet aannemelijk geworden dat verdachte vrijwillig seks heeft gehad met Nicole van den Hurk in het weekend en de daaropvolgende week voor haar verdwijning. Voor deze periode sluit het hof aan bij hetgeen de deskundigen hebben verklaard over de duur van de periode waarin spermasporen nog aangetroffen kunnen worden in het lichaam.

Het hof acht het alternatief scenario derhalve niet aannemelijk geworden.

Het hof verwerpt het verweer.

G.

Doodsoorzaak

G.1.

Naar de doodsoorzaak van N. van den Hurk is onderzoek gedaan, zowel in de periode direct na het aantreffen van het stoffelijk overschot als later na de exhumatie van het lichaam.

Bij de sectie in 1995 is door dr. R. Visser het volgende letsel vastgesteld (Sectieverslag 12 april 1996, dr. R. Visser; Forensisch Dossier deel 1, bijlage 02):

Tamelijk scherprandige, ovale huidklievingen aan de linkerzijde van het voorhoofd (ter plaatse van de haargrens), afmeting 3,5 bij 1,5 cm, en achter het rechteroor (uitbreidend in de rechter oorschelp), alsmede een dubbele breuk aan de rechterzijde van de onderkaak.

Deze letsels zijn opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch hevig botsend, kantig geweld aan het hoofd. Indien deze letsels voor het intreden van de dood zijn aangebracht zouden deze van betekenis kunnen zijn ten aanzien van het intreden van de dood.

Blijkens een schrijven van dr. B. Kubat van het NFI d.d. 4 mei 2011 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 11) kan, gezien de beschrijving van de staat van ontbinding waarin het slachtoffer verkeerde, geen enkele anatomische doodsoorzaak worden uitgesloten.

G.2.

Na de exhumatie in 2011 is een forensisch-antropologische en forensisch-pathologische sectie uitgevoerd door drs. R.R.R. Gerretsen en drs. P.M.I. van Driessche. Hierbij is een beschadiging geconstateerd aan de onderzijde van de tiende linker rib (rapport Antropologisch onderzoek 26 januari 2012, R.R.R. Gerretsen; Forensisch Dossier deel 2 bijlage 21).

Volgens het deskundigenrapport van het NFI, Afdeling Pathologie en Antropologie van 2013 (rapport ter beantwoording van aanvullende vragen in verband met sectie, 28 november 2013 van drs. P.M.I. Van Driessche en drs. R.R.R. Gerretsen; Forensisch Dossier deel 3, bijlage 48) kon geen zekere, sluitend bewezen, doodsoorzaak worden gegeven.

Wel was het mogelijk, aan de hand van de revisie, meerdere mogelijke doodsoorzaken te beschouwen. De hypothese van verbloeding ten gevolge van bij leven opgelopen inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld (steek- en snijletsel) linkszijwaarts tot achterwaarts aan de borstkast, was het best passend bij alle bevindingen en derhalve het meest waarschijnlijke op basis van deze bevindingen.

G.3.

Omtrent beschadiging aan de tiende rib is door voornoemde deskundigen Gerretsen en Van Driessche enerzijds en ing. I. Keereweer anderzijds gerapporteerd over de aard van de beschadiging in de tiende rib van Nicole van den Hurk. Zij komen tot een verschil in bevindingen.

Gerretsen en Van Driessche hebben gesteld dat het onwaarschijnlijk was dat de bescha-diging aan de tiende rib was veroorzaakt tijdens de sectie, dat het letsel aan de rib goed kon passen bij het oplopen van letsel door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld (steek- en snijletsel) en dat indien een dergelijke beschadiging bij leven zou zijn veroorzaakt, dit een bloeding tot gevolg zou hebben die, zonder medische zorg, op termijn niet met het leven verenigbaar zou zijn.

Ing. I. Keereweer heeft in zijn rapport Kras-, indruk- en vormsporenonderzoek d.d. 13 januari 2012 (Forensisch Dossier deel 2, bijlage 45) gesteld dat de beschadiging een zaagspoor betreft en dat, gezien het typespoor dat wordt veroorzaakt met de typen zagen die in 1995 bij sectie werd gebruikt, het sectiegereedschap niet kon worden uitgesloten. Maar ook een combinatiemes met een zaag of een mes met een zaaggedeelte kon niet worden uitgesloten. Keereweer heeft geen snijsporen waargenomen.

Uit voormeld deskundigenrapport van 28 november 2013 van Gerretsen en Van Driessche blijkt dat er onvoldoende argumenten zijn om aan te nemen dat het letsel zoals aangetroffen aan de tiende rib links is opgelopen ten tijde van of aansluitend aan de sectie in 1995 of de hersectie in 2011. Gesteld wordt dat de beschadiging met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet is opgelopen door zaaghandelingen bij de sectie. Ten eerste omdat het letsel alleen op de tiende rib aanwezig was en niet op een andere rib. Ten tweede omdat de lokalisatie zijwaarts niet past bij zaaghandelingen zoals die worden uitgevoerd bij een sectie. Ten derde omdat het lichaam zodanig was ontbonden dat voor het openen van de borstkas bij de sectie geen zaaghandelingen nodig waren.

Tezamen met de bevindingen aan de gehele borstkas (doch met name links), met forse postmortale veranderingen waardoor huiddefecten en bloeduitstortingen niet adequaat konden worden beoordeeld, kan het letsel aan de rib goed verklaard worden door inwerking van uitwendig mechanisch perforerend en klievend geweld (steek- en snijletsel).

Aangezien in dit geval geen doodsoorzaak sluitend is vastgesteld, kunnen een aantal mogelijke doodsoorzaken niet worden uitgesloten. Echter, gezien de letsels aan het hoofd, de asymmetrische/ongelijkmatige ontbinding, het letsel aan de tiende rib links en gezien de tactische omstandigheden (zoals de toestand bij aantreffen) is een natuurlijk overlijden zeer onwaarschijnlijk.

Gerretsen en Keereweer zijn over hun bevindingen door de rechter-commissaris gehoord (resp. op 10 september 2014 en 18 juni 2014) en ook ter terechtzitting in eerste aanleg d.d. 10 november 2015 zijn zij in elkaars bijzijn gehoord. Zowel Keereweer als Gerretsen blijven achter hun eerdere conclusies staan, waarbij de door de ander getrokken conclusies overigens niet worden uitgesloten.

G.4.

Het hof kan aan hetgeen door deze deskundigen is gerapporteerd met betrekking tot de beschadiging aan de tiende linker rib geen doorslaggevende betekenis toekennen waar het gaat om het vaststellen van de doodsoorzaak.

N. van den Hurk was 15 jaar oud en uit het procesdossier is niets gebleken waaruit afgeleid kan worden dat zij niet gezond was. Bij het aantreffen van het stoffelijk overschot zijn letsels geconstateerd aan het hoofd, welke letsels volgens dr. Visser zijn opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch hevig botsend, kantig geweld aan het hoofd.

Dr. Visser stelt dat indien deze letsels voor het intreden van de dood zijn aangebracht, deze van betekenis zouden kunnen zijn ten aanzien van het intreden van de dood.

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer is overleden als gevolg van opzettelijk op haar door een ander uitgeoefend geweld en dat er geen sprake is geweest van een natuurlijke doodsoorzaak of een ongeval.

G.5.

Een en ander rechtvaardigt naar het oordeel van het hof de conclusie dat Nicole van den Hurk door geweld van het leven is beroofd.

Aangezien vanaf de ochtend van 6 oktober 1995 niets meer van Nicole van den Hurk is vernomen en gelet op de conclusies van het entomologisch onderzoek aangaande het post-mortem-interval (de toestand van het lichaam wijst op een relatief lang PMI, ter plekke overlijden, of overlijden en onmiddellijk of kort daarna deponeren van het lijk ter plekke kan niet worden uitgesloten, ei-afzetting heeft plaatsgevonden in de periode 6 tot 19 oktober) gaat het hof er van uit dat Nicole van den Hurk op of omstreeks 6 oktober 1995 is overleden door geweldshandelingen.

H.

Slotoverwegingen met betrekking tot het bewijs

Het hof acht op grond van de bewijsmiddelen wettig en overtuigend bewezen dat het slachtoffer Nicole van den Hurk door geweldshandelingen een onnatuurlijke dood is gestorven op of omstreeks 6 oktober 1995. Immers, er is geweld toegepast onder andere op het hoofd van het slachtoffer, hetgeen volgens de arts en patholoog dr. Visser van betekenis kan zijn geweest voor het intreden van de dood.

In het lichaam van Nicole van den Hurk, te weten in de anus, alsmede in het kruis van de slip, zijn DNA-sporen aangetroffen. Het hof gaat er van uit dat haar vriend [naam vriend] in twee sporen celmateriaal heeft bijgedragen gelet op de forensische en tactische onderzoeksresultaten. Uit het dossier is gebleken dat [naam vriend] in de ochtend van 6 oktober 1995 thuis was en dat hij Nicole van den Hurk voor het laatst op de avond van 5 oktober 1995 heeft gezien.

Wat betreft het in de anus aangetroffen spoor AWA059#04 is door het NFI berekend dat de bevindingen – in verbale termen – zeer veel waarschijnlijker zijn onder de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van [naam vriend] , de verdachte en één onbekende persoon dan onder de hypothese dat de bemonstering celmateriaal bevat van [naam vriend] en twee onbekende personen.

Deskundige Koopman heeft later meer specifiek met het programma LRmixStudio berekend dat de bevindingen van vergelijkend DNA-onderzoek tussen de 120 duizend en 1,7 miljoen keer waarschijnlijker zijn als de bemonstering DNA van verdachte, [naam vriend] en van een onbekende, niet aan hen verwante persoon bevat dan wanneer de bemonstering DNA van [naam vriend] en twee onbekende, niet aan hem of aan de verdachte of aan elkaar verwante personen bevat. De door de deskundige gemaakte, meer specifieke, puntschatting met het programma MixCal komt uit op 1 miljoen keer waarschijnlijker.

Deskundige Buckleton heeft met het programma STRmix berekend dat het sporenbeeld met betrekking tot AWA059#04 2,08 miljard keer waarschijnlijker is wanneer het celmateriaal in de bemonstering afkomstig is van [naam vriend] en verdachte en een onbekend persoon dan wanneer het celmateriaal afkomstig is van [naam vriend] en twee onbekende personen.

Met betrekking tot het spoor AWA059#06 is door het NFI geconcludeerd dat de bevindingen zeer veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal van verdachte en twee willekeurige onbekende personen bevat dan wanneer de bemonstering celmateriaal van drie willekeurige onbekende personen bevat.

Deskundige Koopman heeft later meer specifiek met het programma LRmixStudio berekend dat de bevindingen van vergelijkend DNA-onderzoek tussen de 130 duizend en 470 duizend keer waarschijnlijker zijn als de bemonstering DNA van verdachte en twee onbekende, niet aan hem of aan elkaar verwante personen bevat dan wanneer de bemonstering DNA van drie onbekende, niet aan de verdachte of aan elkaar verwante personen bevat. Met het programma MixCal heeft de deskundige een puntschatting berekend die uitkomt op 1,2 miljoen keer waarschijnlijker.

Deskundige Buckleton heeft met het programma STRmix berekend dat het sporenbeeld voor dit spoor 23.900 keer waarschijnlijker is onder de hypothese dat verdachte en twee onbekende personen celmateriaal hebben bijgedragen dan wanneer drie onbekende personen hebben bijgedragen.

Met betrekking tot het spoor uit het kruis van de slip (AUA106#02) heeft het NFI geconcludeerd dat de bevindingen extreem veel waarschijnlijker zijn als de bemonstering celmateriaal van verdachte, van [naam vriend] en een onbekende bevat dan wanneer de bemonstering celmateriaal van [naam vriend] en twee willekeurige onbekende personen bevat.

Deskundige Koopman heeft later meer specifiek berekend met het programma LRmixStudio dat de bevindingen van vergelijkend DNA-onderzoek tussen de 1 miljard en 6 miljard keer waarschijnlijker zijn als de bemonstering DNA van verdachte, [naam vriend] en van een onbekende, niet aan hen verwante persoon bevat dan wanneer de bemonstering DNA van [naam vriend] en van twee onbekende, niet aan hem of aan de verdachte of aan elkaar verwante personen bevat. Met het programma MixCal heeft de deskundige een puntschatting gemaakt die uitkomt op 180 miljard keer waarschijnlijker.

Deskundige Buckleton heeft met het programma STRmix berekend dat het sporenbeeld 168 biljoen keer waarschijnlijker is wanneer het celmateriaal in de bemonstering afkomstig is van [naam vriend] en verdachte en een onbekende dan wanneer het celmateriaal afkomstig is van [naam vriend] en twee onbekende personen.

Tevens is op de jas van het slachtoffer een schaamhaar dan wel lichaamshaar uit het aan de schaamstreek grenzende gebied aangetroffen (spoor ALA045) welke op basis van mitochondriaal DNA-onderzoek met een likelihood ratio van boven de 10.000 kan worden toegeschreven aan de verdachte dan wel een aan de verdachte in de moederlijke lijn verwante persoon.

Uit de bevindingen met betrekking tot deze sporen in onderlinge samenhang bezien leidt het hof af dat verdachte celmateriaal heeft achtergelaten in het lichaam van Nicole van den Hurk en een schaam-/lichaamshaar heeft achtergelaten op de jas van Nicole van den Hurk.

Aan de aangetroffen DNA-kenmerken die volgens de verdediging zouden wijzen op een andere dader of daders kan het hof geen doorslaggevende betekenis toekennen, nu uit de bevindingen van de deskundigen is gebleken dat die sporen geen of nauwelijks bewijskracht hebben. Daartegenover staat de hoge mate van bewijskracht die wordt toegekend aan de bevindingen die betrekking hebben op verdachte. Er zijn geen tactische en technische aanwijzingen in het dossier die wijzen op een andere dader of daders dan verdachte.

Het hof acht niet aannemelijk geworden dat het celmateriaal van verdachte op een eerder moment, tijdens het uitgaan door vrijwillig seksueel contact met Nicole van den Hurk in het lichaam en de slip is terechtgekomen dan wel dat de haar op andere wijze dan door de ten laste gelegde feiten op de jas is gekomen.

Het daarover gegeven alternatieve scenario acht het hof niet aannemelijk geworden. Voorts heeft verdachte geen verklaring gegeven over zijn activiteiten, nadat hij in de avond/nacht van 5 op 6 oktober 1995 door bemiddeling van de politie de woning van zijn ex-partner in Eindhoven heeft verlaten.

Nu het celmateriaal van verdachte is aangetroffen in het genitale gebied van Nicole van den Hurk gaat het hof er van uit dat sprake is geweest van seksueel contact en dat het celmateriaal in het lichaam is terechtgekomen doordat verdachte met zijn geslachtsorgaan is binnengedrongen in het lichaam van Nicole van den Hurk.

Nicole van den Hurk was in de vroege ochtend van 6 oktober 1995 op haar fiets op weg naar haar werk bij de Konmar supermarkt in Eindhoven. Daar is zij niet aangekomen en er is niets meer van haar vernomen. Haar fiets werd dezelfde dag in de rivier de Dommel te Eindhoven gevonden en haar tas met persoonlijke spullen is aangetroffen langs de Kanaaldijk Zuid binnen de bebouwde kom van de gemeente Eindhoven.

Haar lichaam, met diverse letsels (onder andere aan het hoofd waaronder een dubbele kaakbreuk), is aangetroffen op een afgelegen bosperceel in Lierop, hemelsbreed 12,6 kilometer verderop. Het lichaam was bedekt met snoeiafval. Aan de kleding was te zien dat het lichaam kennelijk was gesleept.

Uit deze omstandigheden leidt het hof af dat het slachtoffer niet vrijwillig met de verdachte is meegegaan, dat zij het seksueel contact met verdachte onder dwang heeft ondergaan en dat voor, tijdens en/of na deze verkrachting dusdanig geweld is toegepast dat het slachtoffer om het leven is gekomen. Door toepassing van dit geweld heeft de verdachte de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer om het leven zou komen. Voorts leidt het hof uit de omstandigheden af dat verdachte, teneinde te voorkomen dat ontdekt zou worden dat hij het slachtoffer heeft verkracht en om het leven heeft gebracht, haar lichaam op een afgelegen bosperceel onder snoeiafval heeft achtergelaten.

Het hof leidt uit al het voorgaande af dat het verdachte is geweest die Nicole van den Hurk op of omstreeks 6 oktober 1995 heeft verkracht en van het leven heeft beroofd.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij op of omstreeks 6 oktober 1995 te Eindhoven, althans in Nederland, door geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) en/of bedreiging met geweld of (een) andere feitelijkhe(i)d(en) N. van den Hurk (geboren op 4 juli 1980) heeft gedwongen tot het ondergaan van (een) handeling(en) die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die Van den Hurk, hebbende verdachte (telkens) zijn penis in de vagina van die Van den Hurk gebracht/geduwd/gehouden en bestaande dat geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) en/of die bedreiging met geweld of die andere feitelijkhe(i)d(en) (telkens) hierin dat verdachte

- die Van den Hurk heeft meegenomen en/of vastgehouden dan wel anderszins van de vrijheid heeft beroofd (gehouden) en/of

- een of meer (andere) vormen van geweld en/of (andere) geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die Van den Hurk en/of tegen die Van den Hurk heeft toegepast/uitgeoefend,

en/of (aldus) voor die van den Hurk (telkens) een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

2.

hij op of omstreeks 6 oktober 1995 in Nederland, opzettelijk N. van den Hurk van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte met dat opzet, een of meer geweldshandelingen op het hoofd en/of het lichaam van die Van den Hurk toegepast/uitgeoefend, ten gevolge waarvan voornoemde Van den Hurk is overleden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen en algemene bewijsoverwegingen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden zoals weergegeven in de bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Voorwaardelijke verzoeken

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 30 augustus 2018, overeenkomstig de overgelegde pleitnotities, - zakelijk weergegeven - de volgende voorwaardelijke verzoeken gedaan:

1.

In het geval het hof tot de conclusie zou komen dat er sprake is van een DNA-hit uit 1987 en dientengevolge verdachte ook verantwoordelijk acht voor de verkrachting uit 1987 is het noodzakelijk hier nader onderzoek naar te verrichten en wordt nogmaals het verzoek gedaan om ter zake het DNA-bewijs een second opinion te doen verrichten door het IFS (in de persoon van de heer Eikelenboom). Daarnaast wordt alsdan verzocht mevrouw [slachtoffer] op te roepen als getuige voor een nader getuigenverhoor in het bijzijn van de verdediging.

2.

Als het hof tot de conclusie mocht komen dat de sporen die anussporen worden genoemd ook daadwerkelijk uit de anus komen, meent de verdediging dat het noodzakelijk is alsnog voormalig arts en patholoog R. Visser als getuige/deskundige op te roepen teneinde hem te

bevragen of sporen waarvan wordt vermoed dat die uit de anus komen ook daadwerkelijk daar vandaan komen en/of dat zij daar op een andere manier terecht kunnen zijn gekomen dan tijdens een anale verkrachting.

Ad 1:

Het hof zal geen acht slaan op de door de verdediging genoemde DNA-hit uit 19877. Daardoor is de aan het verweer ten grondslag gelegde voorwaarde niet vervuld, zodat het hof in zoverre niet hoeft te beslissen op de voorwaardelijke verzoeken.

Ad 2:

Zoals eerder overwogen leidt het hof af uit de toelichtingen van de deskundigen dat niet met zekerheid kan worden gesteld dat sprake is geweest van anaal seksueel verkeer. Nu de door de verdediging genoemde conclusie niet wordt getrokken, omdat niet wordt uitgesloten dat het celmateriaal van de verdachte kan zijn verplaatst en het niet is vast te stellen of anaal seksueel contact heeft plaatsgevonden, is het horen van de genoemde getuige/deskundige niet noodzakelijk. Het voorwaardelijke verzoek wordt derhalve afgewezen.

Diversen

Rapport Alkemade

Door de verdediging is naar voren gebracht dat het rapport van dr. F.J.M. Alkemade d.d. 30 september 2017 niet tot het bewijs gebezigd mag worden omdat het door het openbaar ministerie onrechtmatig is verkregen. Alkemade is niet als deskundige geregistreerd in het NRGD en derhalve had het openbaar ministerie niet buiten het hof om een rapport mogen laten opstellen door Alkemade.

Ter zitting van 30 mei 2017 heeft het hof de vordering van het openbaar ministerie afgewezen om dr. F.J.M. Alkemade te benoemen als deskundige teneinde een Bayesiaans rapport te laten opstellen in de zaak Bosuil aangezien het hof dat niet noodzakelijk achtte. Tevens heeft het hof geoordeeld dat de stelling van de verdediging dat het openbaar ministerie het rapport in het geheel niet in het geding zou mogen brengen, geen steun vindt in het recht.

Het rapport d.d. 30 september 2017 is door het openbaar ministerie toegevoegd aan de stukken en aan de verdediging is vervolgens toegestaan een contra onderzoek te laten verrichten door prof. dr. R.W.J. Meester (rapport van 4 december 2017).

Aldus is naar het oordeel van het hof geen sprake van schending van enig beginsel van een goede procesorde.

Het hof betrekt daarbij dat in het Nederlandse stelsel van strafvordering de selectie en waardering van bewijsmateriaal steeds achteraf geschiedt, nadat de bewijsgaring heeft plaatsgevonden. Daarbij is de sanctie op onrechtmatigheid van die bewijsgaring dat het daardoor verkregen bewijsmateriaal buiten beschouwing gelaten moet worden. De wet, in het geval als hier aan de orde, voorziet niet in een voorafgaand rechterlijk toezicht op de bewijsgaring zoals die door het openbaar ministerie plaatsvindt. Om die reden heeft het hof geoordeeld dat het recht geen steun biedt aan de stelling van de verdediging dat het rapport in het geheel niet ingebracht had mogen worden.

Aan toetsing van de (on)rechtmatigheid van het rapport dan wel de (on)deskundigheid van Alkemade komt het hof echter niet toe nu het hof het rapport van Alkemade niet voor het bewijs bezigt.

Voor zover door het openbaar ministerie naar voren is gebracht -kort gezegd- dat dr. F.J.M. Alkemade en prof. dr. R.W.J. Meester elkaar zouden vinden in hun oordeel dat het DNA-bewijs geen ruimte laat voor een tweede dader en dit als uitdrukkelijk onderbouwd standpunt aan het hof heeft voorgelegd, ziet het hof geen aanleiding om daar op te responderen. De selectie en waardering van het bewijsmateriaal is aan het hof. Bovendien heeft het openbaar ministerie geen belang bij een reactie van het hof nu het hof tot een integrale bewezenverklaring komt.

Verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3]

In de loop van de procedure in eerste aanleg hebben zich twee getuigen gemeld, [getuige 1] en [getuige 3] , welke hebben verklaard dat verdachte tijdens het verblijf in de TBS kliniek Veldzicht, tegen hen gezegd zou hebben dat hij een vrouw heeft omgebracht en dat hij nooit gepakt is voor die zaak, althans woorden van soortgelijke aard en/of strekking. Deze getuigen zijn in eerste aanleg gehoord bij de rechter-commissaris op 5 februari 2016. In hoger beroep is door het openbaar ministerie een zaaksproces-verbaal uitvoering bevel stelselmatige informatie-inwinning d.d. 9 oktober 2017 ingebracht (onderzoek Bosuil 2/Rani) met daarin opgenomen de verslagen van gesprekken van een politieel informatie inwinner met [getuige 1] en diens vriendin [getuige 2] .

Nu het hof de verklaringen van [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] niet tot het bewijs bezigt, reeds omdat deze onvoldoende concreet en specifiek zijn, behoeft het verweer van de verdediging strekkende tot uitsluiting van het bewijs van die verklaringen wegens schending van het recht op een eerlijk proces en beginselen van een behoorlijke procesorde, geen bespreking.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

verkrachting.

Het onder 2 bewezen verklaarde levert op:

doodslag.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie(s)

De rechtbank heeft de verdachte vrijgesproken van de ten laste gelegde doodslag en heeft hem ter zake van verkrachting veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, met aftrek van voorarrest.

A. Standpunten procespartijen

Door de advocaten-generaal is oplegging van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren gevorderd voor de verkrachting van en doodslag op N. van den Hurk. Daarbij is rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 Sr.

De door de benadeelde partijen gewenste oplegging van de TBS-maatregel is door het openbaar ministerie niet gevorderd. Verdachte was tot aan zijn aanhouding in deze zaak in de eindfase van de TBS die hem was opgelegd voor een in 2000 gepleegde verkrachting. Hoewel de advocaten-generaal het met de nabestaanden eens zijn dat die TBS-behandeling niet is afgerond, onder meer omdat hij tijdens die behandeling geen openheid van zaken heeft verschaft over wat met N. van den Hurk is gebeurd, is er een juridisch beletsel voor het opleggen van een (nieuwe) TBS. De advocaten-generaal menen namelijk dat niet is voldaan aan de eis van een recidiverisico dat voortkomt uit een bij verdachte geconstateerde stoornis en dat het opleggen van die TBS noodzakelijk maakt. En hoewel de advocaten-generaal (evenals de officier van justitie in eerste aanleg) vraagtekens hebben gezet bij de in 2014 uitgevoerde risicotaxatie door de gedragsdeskundigen Offermans en Oudejans, is uit de beschikbare gegevens niet af te leiden dat dit (hof: herhalingsgevaar) aan de orde was in 1995.

De advocaten-generaal zijn bij hun eis uitgegaan van een volledig toerekeningsvatbare verdachte.

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd en heeft daarbij gewezen op:

- het bepaalde van artikel 63 Sr;

- de overschrijding van de redelijke termijn;

- de grote hoeveelheid en voor de verdachte negatieve media-aandacht;

- de lange duur van de voorlopige hechtenis, waarbij de verdachte geen voorwaardelijke invrijheidstelling is vergund;

- de aannemelijk te achten verminderde toerekeningsvatbaarheid van de verdachte ten tijde van het delict; en

- de succesvolle TBS-behandeling die de verdachte inmiddels heeft genoten.

Deze omstandigheden dienen naar de mening van de verdediging in straf verminderende zin bij de strafoplegging te worden meegewogen.

Voorts mag de omstandigheid dat de verdachte zich al die jaren niet bij de politie heeft gemeld niet straf verhogend werken.

De door het openbaar ministerie gevorderde straf is bovendien te zwaar gelet op de straffen die in soortgelijke zaken in het verleden (jaren negentig) werden opgelegd.

Oplegging van een TBS-maatregel, zoals de benadeelde partijen voorstaan, is volgens de verdediging niet aan de orde omdat geen recidiverisico en geen doorwerking van een stoornis in het delict kan worden vastgesteld.

Overwegingen hof

Algemene overwegingen aangaande de strafoplegging

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. In het bijzonder is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

De verdachte heeft zich in 1995 schuldig gemaakt aan de verkrachting van en doodslag op Nicole van den Hurk. Hij heeft het 15-jarige meisje met nog een heel leven voor zich, toen zij in de vroege ochtend op weg was naar haar bijbaantje, gedwongen tot seksueel contact en heeft haar vervolgens het meest kostbare dat een mens bezit, het leven, ontnomen. Het jonge slachtoffer moet de laatste momenten van haar leven onvoorstelbaar bang zijn geweest en hebben geweten dat haar laatste uur was geslagen. Dat moet vreselijk voor haar zijn geweest.

Aan de nabestaanden van het slachtoffer is onherstelbaar leed toegebracht. Dat geldt eens te meer nu zij in het ongewisse blijven ten aanzien van de laatste levensmomenten van hun (stief-)dochter en zus. Zij moeten leven in de wetenschap dat het slachtoffer seksueel is misbruikt en vervolgens op gewelddadige wijze om het leven is gebracht. Bovendien hebben zij tijdens de wekenlange vermissing van het meisje in angst en onzekerheid geleefd. Daarna hebben de nabestaanden vele jaren in het duister getast omtrent de identiteit van de dader.

Zowel de stiefmoeder als de juridisch vader van het slachtoffer hebben tijdens het uitoefenen van hun spreekrecht op indringende en emotionele wijze kenbaar gemaakt welke impact het handelen van verdachte nu, jaren later, nog steeds op de hele familie heeft. Ook uit de schriftelijke verklaringen van de halfbroer en de stiefzus van het slachtoffer volgt het immense verdriet dat hen door de verdachte is aangedaan.

Met de bewezenverklaarde verkrachting heeft verdachte de geestelijke en lichamelijke integriteit van het jonge slachtoffer op een verstrekkende manier geschonden. Het hof houdt rekening met de strafverzwarende omstandigheden dat het destijds 15-jarige slachtoffer, op weg naar haar bijbaantje door de verdachte onverhoeds is benaderd en is verkracht, waarbij de verdachte, gelet op zijn leeftijd en postuur, misbruik heeft gemaakt van zijn overwicht op haar. Een verkrachting is in zijn algemeenheid een uitermate traumatische gebeurtenis voor een slachtoffer en dus ook voor het 15-jarige slachtoffer. Het behoeft ook geen betoog dat verkrachtingen gevoelens van afschuw en verontwaardiging oproepen in de samenleving en dat vrouwen zich hierdoor minder veilig voelen.

Ook een levensdelict als de bewezenverklaarde doodslag schokt de rechtsorde zeer ernstig. De omstandigheden waaronder het lichaam van het slachtoffer is gevonden brengen in de samenleving verbijstering en gevoelens van angst en onveiligheid teweeg.

Het hof heeft tevens acht geslagen op een de verdachte betreffend uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 23 augustus 2018, waaruit blijkt dat de verdachte eerder onherroepelijk is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, onder meer ter zake van geweldsdelicten.

Tussenconclusie

De enige wijze waarop aan de ernst en de aard van de bewezenverklaarde feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, recht kan worden gedaan, is met de oplegging van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf.

Artikel 63

Het hof dient bij zijn straftoemeting het bepaalde in artikel 63 Sr toe te passen. Verdachte is:

- bij vonnis van 6 maart 1996 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor een zware mishandeling (gepleegd op 13 november 1995) tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk;

- bij vonnis van 7 juni 2000 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch veroordeeld voor verkrachting, meermalen gepleegd (op 13 februari 2000) tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden waarvan 6 voorwaardelijk; en

- bij vonnis van 18 januari 2001 van de rechtbank ’s-Hertogenbosch veroordeeld (wegens verkrachting, meermalen gepleegd, en wederrechtelijke vrijheidsberoving) tot gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar en TBS met bevel tot verpleging.

In dit concrete geval houdt dat in dat, nu verdachte thans schuldig wordt verklaard aan misdrijven die zijn gepleegd vóór de hiervoor genoemde strafopleggingen, het hof de bepalingen van artikel 57 Sr. dient toe te passen om een door de wetgever onwenselijk geachte cumulatie van straffen te voorkomen.

Daarnaast heeft het Hof bij zijn strafoplegging ook artikel 10 Sr te betrekken, hetgeen onder meer betekent dat de destijds, ten tijde van het plegen van de feiten in 1995, geldende wettelijke strafmaxima moeten worden toegepast. Ingevolge artikel 242 Sr kon voor een verkrachting een gevangenisstraf van ten hoogste 12 jaren worden opgelegd; ingevolge artikel 287 Sr gold voor doodslag een gevangenisstraf voor ten hoogste 15 jaren.

Gelet op de voorgeschreven gematigde cumulatie kan het hof thans niet meer opleggen dan één derde boven de hoogste maximumstraf van 15 jaren, minus de hiervoor genoemde eerdere veroordelingen (tweemaal 18 maanden plus 3 jaren), derhalve een gevangenisstraf voor de duur van 14 jaren.

Oplegging maatregel van TBS?

In 2014 is door een tweetal gedragsdeskundigen gerapporteerd over de geestvermogens van de verdachte. Uit de rapportage d.d. 25 november 2014 van psycholoog Oudejans volgt dat het aannemelijk is dat in 1995 sprake was van persoonlijkheidsproblematiek en middelenproblematiek, maar dat het niet mogelijk is om een gedragsdeskundige reconstructie te maken om op een verantwoorde wijze de aard, omvang en ernst van de toen bestaande persoonlijkheidsproblematiek en middelenproblematiek en de doorwerking daarvan in de thans tenlastegelegde feiten, te beoordelen.

Uit de rapportage d.d. 24 november 2014 van psychiater Offermans volgt een vergelijkbaar advies. Er is bij verdachte sprake van een persoonlijkheidsstoornis NAO (niet anderszins omschreven), waarin naast narcistische en borderline trekken ook en vooral antisociale trekken aanwezig zijn. De deskundige onthoudt zich evenwel van een uitspraak over de doorwerking van de (toenmalige) stoornissen, gelet ook op de ontkenning door verdachte.

Nu door de deskundigen aldus geen uitspraak is gedaan over de mate van toerekeningsvatbaarheid, met welke conclusie het hof zich verenigt, kan hiermee – anders dan door de verdediging is verzocht – in strafmatigende zin geen rekening worden gehouden.

Voor het hof is er gelet op het voorgaande eveneens onvoldoende houvast om te concluderen tot het opleggen van de maatregel van TBS, zoals door de benadeelde partijen verzocht is. Met de advocaten-generaal en de verdediging vindt het hof dat niet is voldaan aan de wettelijke vereisten voor het opleggen van die maatregel.

Media-aandacht

De hoeveelheid media-aandacht die deze zaak heeft gekregen, vindt het hof in deze zaak niet een straf verminderende factor. Zowel de aard van de zaak als het lange verloop van het politieonderzoek kunnen die aandacht heel wel verklaren. Bovendien brengt de omstandigheid dat na bijna 20 jaar als gevolg van DNA-onderzoek een verdachte is getraceerd, als zodanig al veel media-aandacht met zich. Dat verdachte meer dan normaal te verwachten door de media-aandacht nadelig is getroffen, is het hof niet gebleken.

Het verweer van de verdachte wordt in zoverre gepasseerd.

Duur voorlopige hechtenis

Ook het verweer met betrekking tot de lange duur van de voorlopige hechtenis slaagt niet. De omstandigheid dat verdachte na ommekomst van tweederde van de door de rechtbank opgelegde gevangenisstraf voor de duur van vijf jaren, niet voorwaardelijk in vrijheid is gesteld, leidt evenmin tot strafvermindering. Bij tussenbeslissing van 18 mei 2018 heeft het hof reeds beslist dat noch uit de tekst van de wet, noch uit de wetsgeschiedenis, noch uit de bepalingen met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling een verplichting valt te destilleren tot opheffing van de voorlopige hechtenis met ingang van de datum waarop, ware verdachte onherroepelijk veroordeeld, de datum van voorwaardelijke invrijheidstelling is bereikt.

Tussenconclusie

Het hof zal voor de strafmaat aansluiting zoeken bij de straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd. In het bijzonder slaat het hof acht op de ernst van de feiten, zoals die hiervoor ook uiteen is gezet.

De door de advocaten-generaal gevorderde gevangenisstraf van 14 jaren acht het hof op zich een passende straf, maar het hof zal er ook rekening mee houden dat verdachte in 2001 ook is veroordeeld tot een TBS-maatregel (die nog niet beëindigd is) en in dat kader is behandeld en van zijn vrijheid is beroofd. Daarmee rekening houdend zal het hof komen tot een lagere strafoplegging van in beginsel 12 jaren en 6 maanden gevangenisstraf.

Redelijke termijn

Het hof stelt ten aanzien van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, EVRM ten aanzien van de bewezenverklaarde feiten vast dat de verdachte op 14 januari 2014 is aangehouden en in verzekering is gesteld voor het hem onder 1 en 2 ten laste gelegde.

Wat betreft de berechting van de zaak in eerste aanleg heeft als uitgangspunt te gelden dat in verband met een gedetineerde verdachte de behandeling van de zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, hier de inverzekeringstelling op 14 januari 2014.

Het vonnis van de rechtbank dateert van 21 november 2016 en is derhalve niet binnen de genoemde termijn van 16 maanden gewezen. Bij de bepaling van de redelijkheid van de duur van de zaak heeft het hof gelet op de omstandigheid dat de zaak zeer ingewikkeld is, alsmede op de aard en omvang van het verrichte onderzoek en het horen van verschillende getuigen en deskundigen. Aangezien een deel van het aanvullende DNA-onderzoek is geïnitieerd door de rechtbank, meent het hof dat het daardoor opgetreden tijdsverloop niet voor rekening van de verdachte moet komen. Aldus is het hof van oordeel dat in eerste aanleg de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM is geschonden.

De verdachte heeft op 30 november 2016 appel ingesteld. Het hof stelt vast dat de stukken van het geding op 12 januari 2017 reeds bij het hof zijn binnengekomen. Aldus geldt in zoverre geen overschrijding van de redelijke termijn.

Wat betreft de berechting van de zaak in hoger beroep geldt, gelijk de berechting in eerste aanleg, dat de behandeling van de zaak ter terechtzitting, na het instellen van appel, dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen 16 maanden. Het hof wijst arrest op 9 oktober 2018, derhalve niet binnen die termijn.

Ook in hoger beroep slaat het hof acht op de ingewikkeldheid van de zaak, maar daarnaast ook op het verloop van het rechtsgeding in hoger beroep. In dit verband is het hof van oordeel dat er sprake is van overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Als gevolg van de door het openbaar ministerie ingezette onderzoeken (de zogenaamde Ikea-proef, het traject werken onder dekmantel en de rapportage houdende de Bayesiaanse visie van dr. Alkemade) heeft het proces in hoger beroep in enige mate vertraging heeft opgelopen. Hiervan kan de verdachte geen verwijt worden gemaakt.

Het hof zal derhalve met deze overschrijdingen in strafmatigende zin rekening houden. Het hof zal daarom op de overwogen totale gevangenisstraf van 12 jaren en 6 maanden, 6 maanden in mindering brengen, zodat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren resteert.

Conclusie

Alles overziend acht het hof het opleggen van een gevangenisstraf voor de duur van 12 jaren, met aftrek van voorarrest, passend en geboden.

Vorderingen van de benadeelde partijen

De juridische vader, halfbroer, stiefmoeder en stiefzus hebben zich alle vier als benadeelde partij in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding.

De vorderingen zullen hierna onder A. afzonderlijk worden weergegeven, waarbij tevens (kort) het oordeel van de rechtbank wordt vermeld. De standpunten van de advocaten-generaal staan onder B. De standpunten van/namens de verdachte met betrekking tot de ontvankelijkheid en de inhoud van de vorderingen tot schadevergoeding zullen vervolgens onder C. worden uiteengezet.

De overwegingen van het hof staan ten slotte onder D. Het hof ziet in de aard van de vorderingen aanleiding om deze deels gezamenlijk te bespreken.

A. Vorderingen en oordeel rechtbank

A.1.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 1]

De juridische vader van het slachtoffer, [benadeelde partij 1] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade tot een bedrag van € 15.000,00, als gevolg van de aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde doodslag. Daarnaast heeft [benadeelde partij 1] bij de rechtbank een bedrag aan proceskosten gevorderd van € 720,00.

De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de rechtbank de doodslag niet bewezen heeft geacht. Ten aanzien van de proceskosten heeft de rechtbank beslist dat elke partij de eigen kosten draagt.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van het eerder ingediende verzoek tot schadevergoeding van € 15.000,00. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de benadeelde partij de vordering voor zover deze betrekking heeft op proceskosten van € 720,00 ingetrokken.

A.2.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

De halfbroer van het slachtoffer, [benadeelde partij 2] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend tot een totaalbedrag van € 18.350,60. Deze vordering bestaat uit bedragen aan materiële schade, € 647,40 en € 203,20, in verband met gemaakte reis- en parkeerkosten van de strafzaak bij de rechtbank en het gerechtshof. Daarnaast is een bedrag van € 17.500,00 aan geleden immateriële schade gevorderd, als gevolg van de aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde doodslag. Ter terechtzitting van de rechtbank is namens de benadeelde partij verzocht de gevorderde schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de rechtbank de doodslag niet bewezen heeft geacht. Ten aanzien van de proceskosten heeft de rechtbank beslist dat elke partij de eigen kosten draagt.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gevorderde immateriële schade van € 17.500,00 en de reiskosten van de strafzaak bij de rechtbank van € 647,40. De reis- en parkeerkosten van de behandeling van de strafzaak bij het gerechtshof zijn beperkt tot een bedrag van € 158,80.

A.3.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 3]

De stiefmoeder en toeziend voogd van het slachtoffer, [benadeelde partij 3] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend tot een totaalbedrag van € 18.080,60. Deze vordering bestaat uit bedragen aan materiële schade,

€ 377,40 en € 203,20, in verband met gemaakte reis- en parkeerkosten van de strafzaak bij de rechtbank en het gerechtshof. Daarnaast is een bedrag van € 17.500,00 aan geleden immateriële schade gevorderd, als gevolg van de aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde doodslag. Ter terechtzitting van de rechtbank is namens de benadeelde partij verzocht de gevorderde schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de rechtbank de doodslag niet bewezen heeft geacht. Ten aanzien van de proceskosten heeft de rechtbank beslist dat elke partij de eigen kosten draagt.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gevorderde immateriële schade van € 17.500,00 en de reiskosten van de strafzaak bij de rechtbank van € 377,40. De reis- en parkeerkosten van de behandeling van de strafzaak bij het gerechtshof zijn beperkt tot een bedrag van € 182,65.

A.4.

Vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij 4]

De stiefzus van het slachtoffer, [benadeelde partij 4] , heeft zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering tot schadevergoeding ingediend tot een totaalbedrag van € 20.217,51. Deze vordering bestaat uit bedragen aan materiële schade, € 52,60 en € 203,20, in verband met gemaakte reis- en parkeerkosten van de strafzaak bij de rechtbank en het gerechtshof, en € 1.782,74 en € 678,97, in verband met opgenomen verlofdagen voor het bijwonen van de behandeling van de strafzaak bij de rechtbank en het gerechtshof. Daarnaast is een bedrag van € 17.500,00 aan geleden immateriële schade gevorderd, als gevolg van de aan de verdachte onder 2 ten laste gelegde doodslag. Ter terechtzitting van de rechtbank is namens de benadeelde partij verzocht de gevorderde schade te vermeerderen met de wettelijke rente.

De benadeelde partij is door de rechtbank niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, omdat de rechtbank de doodslag niet bewezen heeft geacht. Ten aanzien van de proceskosten heeft de rechtbank beslist dat elke partij de eigen kosten draagt.

De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van de oorspronkelijke vordering, voor zover deze betrekking heeft op de gevorderde immateriële schade van € 17.500,00 en de reiskosten en verlofdagen van de strafzaak bij de rechtbank van € 52,60 en € 1.782,74. De reis- en parkeerkosten van de behandeling van de strafzaak bij het gerechtshof en de in verband daarmee opgenomen verlofdagen zijn beperkt tot bedragen van € 182,65 en € 595,84.

B. Standpunten van de advocaten-generaal

B.1.

Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de benadeelde partijen in hun vorderingen hebben de advocaten-generaal zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij [benadeelde partij 1] het slachtoffer heeft erkend en dat hij derhalve ontvangen kan worden in zijn vordering.

Ten aanzien van halfbroer [benadeelde partij 2] hebben de advocaten-generaal naar voren gebracht dat hij als bloedverwant ontvankelijk is in zijn vordering.

Ten aanzien van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] hebben de advocaten-generaal betoogd dat het hof hen niet-ontvankelijk kan verklaren, omdat zij geen bloedverwanten zijn, maar stieffamilie. De advocaten-generaal zien echter in de omstandigheden dat:

- het slachtoffer deel uitmaakte van het gezin van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] ,

- [benadeelde partij 3] voogd was van het slachtoffer (hof: toeziend voogd), en

- de kring van nabestaanden die met ingang van 1 januari 2019 affectieschade kunnen vorderen, wordt uitgebreid,

aanleiding om hen wel ontvankelijk te verklaren in hun vorderingen.

B.2.

Materiële schade gevorderd door [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]

De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat er door de benadeelde partijen geen schade als bedoeld in artikel 6:108 van het Burgerlijk Wetboek is gevorderd en alle gevorderde kosten zijn te beschouwen als proceskosten. De gevorderde reis- en parkeerkosten, met uitzondering van het gesprek met de advocaten-generaal, en de door benadeelde partij [benadeelde partij 4] tevens gevorderde verlofdagen, kunnen als proceskosten worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente met ingang van

6 oktober 2015 tot aan de dag der algehele voldoening.

B.3.

Immateriële schade gevorderd door alle vier de benadeelde partijen

De advocaten-generaal hebben zich op het standpunt gesteld dat voor zover bedoeld mocht zijn shockschade als immateriële schade te vorderen toewijzing van de vordering niet mogelijk is, omdat -kort gezegd- niet aan de criteria die gelden voor het vaststellen van shockschade is voldaan.

Voor zover de gevorderde schadebedragen als affectieschade worden gezien hebben de advocaten-generaal er op gewezen dat een wettelijke regeling voor vergoeding van affectieschade ontbreekt. Weliswaar treedt met ingang van 1 januari 2019 de Wet vergoeding affectieschade in werking, maar deze wet heeft alleen betrekking op schadeveroorzakende gebeurtenissen vanaf 1 januari 2019. De advocaten-generaal hebben naar voren gebracht dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om in afwijking van het wettelijk stelsel een vergoeding van affectieschade te bieden.

Europese regelgeving en rechtspraak geven volgens de advocaten-generaal evenmin een mogelijkheid om de gevorderde immateriële schade toe te wijzen. Er is geen sprake van horizontale werking (tussen burgers onderling), maar van verticale werking (tussen burger en overheid). Voor zover een beroep is gedaan op artikel 8 EVRM hebben de advocaten-generaal er op gewezen dat onrechtmatig handelen als zodanig, ook al is dat opzettelijk gebeurd, geen inbreuk vormt op het recht op eerbiediging van ‘family life’ van de nabestaanden.

Concluderend hebben de advocaten-generaal zich op het standpunt gesteld dat de benadeelde partijen ten aanzien van de immateriële schade niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen.

C. Standpunten van de verdediging

C.1.

Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen

De verdediging heeft primair bepleit dat de vier benadeelde partijen niet-ontvankelijk dienen te worden verklaard in hun vorderingen gelet op de bepleite vrijspraken.

De verdediging heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat [benadeelde partij 2] en [benadeelde partij 1] erfgenamen zijn van het slachtoffer en zich gelet op het bepaalde in artikel 51f, tweede lid, Sv kunnen voegen ten aanzien van de hun onder algemene titel verkregen vordering, waaruit volgt dat zij gerechtigd zijn zich te voegen in deze zaak voor bepaalde schade.

Ten aanzien van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat zij niet-ontvankelijk zijn in hun vorderingen, nu de wet op dit moment daar geen enkele grond voor biedt. Zij vallen niet binnen de kring van voegingsgerechtigden. Ook de EU-richtlijn 2012/29 waar naar wordt gewezen door de advocaat van deze benadeelde partijen biedt daarvoor geen grond volgens de verdediging, omdat deze richtlijn geen directe werking heeft en subsidiair niet geldt tussen burgers onderling (horizontale werking) maar slechts voor burgers ten opzichte van lidstaten (verticale werking), waar hier geen sprake van is. Het gaat de rechtsprekende taak van het hof te buiten, indien het hof de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] wel ontvankelijk zou verklaren in hun vorderingen, aldus de verdediging.

C.2.

Materiële schade gevorderd door [benadeelde partij 2] . [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]

De verdediging heeft (primair) bepleit dat er geen vorderingen van het slachtoffer zijn overgegaan op erfgenamen, hetgeen betekent dat de gevorderde materiële schade, bestaande uit reis- en parkeerkosten en (voor wat betreft [benadeelde partij 4] ) bestaande uit kosten voor opgenomen verlofdagen, niet voor vergoeding in aanmerking komt. Bovendien moeten de opgevoerde kostenposten worden gezien als gemaakte kosten ten behoeve van het bijwonen van de terechtzittingen en kunnen deze niet worden gezien als rechtstreekse schade als gevolg van het strafbare feit.

Concluderend heeft de verdediging verzocht alle vorderingen ten aanzien van de materiële schade af te wijzen, althans die vorderingen niet-ontvankelijk te verklaren, nu de gevorderde materiële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt op grond van artikel 51f Sv en de artikelen 6:106 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek.

Subsidiair heeft de verdediging bepleit dat de gevorderde materiële schade met betrekking tot reis- en parkeerkosten, verlofdagen en juridische bijstand hooguit als proceskosten ex artikel 592a Sv kunnen worden aangemerkt, waarover een afzonderlijke beslissing dient te worden genomen.

Ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] heeft de verdediging in het bijzonder naar voren gebracht dat hun proceskosten niet voor vergoeding in aanmerking komen, omdat van meet af aan duidelijk is geweest dat zij niet voegingsgerechtigd waren om zich als benadeelde partij in dit strafproces te voegen. Het is dan ook onredelijk en onbillijk, aldus de verdediging, om deze proceskosten door te berekenen aan de verdachte. Partijen dienen in dezen dan ook ieder hun eigen kosten te dragen en de vorderingen ten aanzien van de proceskosten dienen te worden afgewezen althans niet-ontvankelijk te worden verklaard.

Uiterst subsidiair heeft de verdediging een aantal inhoudelijke opmerkingen gemaakt over de door de benadeelde partijen gevorderde reis- en parkeerkosten in hoger beroep en de door [benadeelde partij 4] gevorderde kosten voor verlofdagen.

C.3.

Immateriële schade gevorderd door alle vier de benadeelde partijen

De verdediging heeft met verwijzing naar artikel 6:106 van het Burgerlijk Wetboek bepleit dat nabestaanden in beginsel geen aanspraak kunnen maken op immateriële schadevergoeding, met uitzondering van shockschade, maar daar is geen beroep op gedaan door de benadeelde partijen. Voor het vergoeden van affectieschade bestaat geen wettelijke grondslag. Vooruitlopen op de Wet Vergoeding van Affectieschade, die nog niet in werking is getreden, en een beroep op de EU-richtlijn 2012/29 is niet mogelijk.

Voor zover een beroep is gedaan op schending van artikel 8 EVRM heeft de verdediging betoogd dat voor een vergoeding van de gevorderde immateriële schade op die grond geen steun te vinden is.

Concluderend heeft de verdediging primair verzocht alle vorderingen ten aanzien van de immateriële schade af te wijzen, en subsidiair verzocht de vorderingen ten aanzien van de gevorderde immateriële schade niet-ontvankelijk te verklaren, nu de gevorderde immateriële schade niet voor vergoeding in aanmerking komt op grond van artikel 51f van het Wetboek van Strafvordering en de artikelen 6:106 en 6:108 van het Burgerlijk Wetboek.

D. Oordeel van het hof

D.1.

Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2]

Het hof is met de advocaten-generaal en de verdediging van oordeel van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] voegingsgerechtigd zijn.

D.2.

Ontvankelijkheid van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]

D.2.1 Wet- en regelgeving

Het hof stelt vast dat in de op 1 april 2017 in werking getreden Wet van 8 maart 2017, houdende implementatie van richtlijn 2012/29/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van minimumnormen voor de rechten, de ondersteuning en de bescherming van slachtoffers van strafbare feiten, en ter vervanging van het Kaderbesluit 2001/220/JBZ (PbEU 2012, L 315), uitbreiding is gegeven aan het begrip ‘slachtoffer’ in artikel 51a Sv Een slachtoffer is niet alleen degene die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit vermogensschade of ander nadeel heeft ondervonden, maar ook de nabestaanden, zijnde familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit.

In artikel 51a, eerste lid, onder b, Sv is nader bepaald wie onder familieleden vallen, te weten de echtgenoot, de geregistreerde partner dan wel een andere levensgezel van het slachtoffer, de bloedverwanten in rechte lijn, de bloedverwanten in de zijlijn tot en met de vierde graad en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn.

In artikel 51f, eerste en tweede lid, Sv is nader bepaald wie zich als benadeelde partij kunnen voegen:

1. degene die rechtstreeks schade heeft geleden door een strafbaar feit, kan zich terzake van zijn vordering tot schadevergoeding als benadeelde partij voegen in het strafproces;

2. indien de in het eerste lid bedoelde persoon ten gevolge van het strafbare feit is overleden, kunnen zich voegen diens erfgenamen terzake van hun onder algemene titel verkregen vordering en de personen, bedoeld in artikel 108, eerste en tweede lid, van Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek terzake van de daar bedoelde vorderingen.

Artikel 108, eerste lid, van boek 6 van het Burgerlijk Wetboek ziet op de kring van personen die schade door het derven van levensonderhoud kunnen vorderen en het tweede lid van het wetsartikel ziet op het vorderen van kosten van lijkbezorging.

In de Memorie van Toelichting (kamerstukken II, 34 236, nr. 3) behorende bij de Wet van 8 maart 2017, waarbij richtlijn 2012/29/EU is geïmplementeerd, is opgenomen dat de richtlijn minimumnormen geeft die in de wetgeving van de EU-lidstaten moeten worden opgenomen. Bij de implementatie in Nederlandse regelgeving zal de kring van gerechtigden voor de verscheidene rechten op zijn minst even groot moeten zijn als in de richtlijn is bepaald. Het is mogelijk dat de nationale wetgever de kring ruimer trekt, dan in de richtlijn is geschied.

De definitie van «slachtoffer» is in de richtlijn tweeledig:

  1. Een natuurlijke persoon die als rechtstreeks gevolg van een strafbaar feit schade, met inbegrip van lichamelijke, geestelijke of emotionele schade of economisch nadeel, heeft geleden;

  2. Familieleden van een persoon wiens overlijden rechtstreeks veroorzaakt is door een strafbaar feit en die schade hebben geleden als gevolg van het overlijden van die persoon.

Onder «familieleden» wordt verstaan (hof: artikel 2, eerste lid onder b van de EU-richtlijn): de echtgenoot, de persoon die met het slachtoffer in een vaste intieme relatie, in een gemeenschappelijk huishouden en duurzaam en ononderbroken samenwoont, de bloedverwanten in rechte lijn, de broers en zussen, en de personen die van het slachtoffer afhankelijk zijn. De terminologie «de persoon die met het slachtoffer in een intieme relatie, in een gemeenschappelijk huishouden en duurzaam en ononderbroken samenwoont» is in Nederland niet gebruikelijk. De bedoelde groep is te scharen onder de in het Nederlands recht gebruikte begrippen «geregistreerde partner of een andere levensgezel», aldus de Minister van Veiligheid en Justitie. In één opzicht is de kring in artikel 51e Sv ruimer dan in de richtlijn. Dit artikel omvat bloedverwanten in de zijlijn «tot de vierde graad ingesloten», terwijl de richtlijn zich beperkt tot broers en zussen (artikel 2, eerste lid, onder b). De Minister van Veiligheid en Justitie handhaaft de bredere Nederlandse kring van bloedverwanten in de zijlijn, door de definitie van familieleden uit te breiden met deze groep.

Bij de behandeling van het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet van 8 maart 2017 is door de Kamerleden Swinkels en Bergkamp een amendement ingediend (kamerstukken II, 34 236, nr. 14), dat later is gewijzigd (kamerstukken II, 34 236, nr. 21). In het gewijzigde amendement is voorgesteld om in artikel 51a, eerste lid, na “tot en met de vierde graad” in te voegen: “de personen die met een slachtoffer een gezin vormen of hebben gevormd en in een nauwe persoonlijke betrekking tot dat slachtoffer staan”. In de toelichting op het amendement is genoemd dat dit amendement regelt dat de stieffamilie van slachtoffers dezelfde rechten wordt toegekend als bloedverwante familie. Het amendement is op 11 april 2016 door de Tweede Kamer verworpen. De Minister van Veiligheid en Justitie heeft in zijn brief van 11 april 2016 toegezegd nader te onderzoeken of de kring van gerechtigden kan worden uitgebreid (Kamerstuk 34 236, nr. 19). Dit heeft niet geleid tot een aanvulling op artikel 51a, eerste lid, onder b, Sv.

D.2.2. Beoordeling

Voor zover de advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] heeft betoogd dat, ondanks dat zij geen nabestaanden zijn in de formele zin van de wet, primair wel ontvankelijk dienen te worden verklaard, omdat zij rechtstreeks schade hebben geleden als gevolg van de door de verdachte begane feiten (het hof begrijpt dat hij bedoelt: op basis van artikel 51f, eerste lid, Sv), is het hof van oordeel dat de door [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] gevorderde schades niet zijn aan te merken als rechtstreekse schade in de zin van de wet.

Voor zover de advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] subsidiair een beroep heeft gedaan op richtlijn 2012/29/EU stelt het hof allereerst vast dat de wetgever de richtlijn geïmplementeerd heeft. Daarmee heeft de wetgever uitbreiding gegeven aan het slachtofferbegrip en gedefinieerd welke familieleden als nabestaanden op grond van artikel 51a Sv worden beschouwd. Stieffamilie is in die definitie niet opgenomen.

Voorts stelt het hof vast dat de wetgever ook met de laatste wijziging per 1 april 2017 (op dit onderwerp) geen uitbreiding heeft gegeven aan de voegingsgerechtigden als bedoeld in artikel 51f, eerste en tweede lid, Sv. Los daarvan, hebben Europese richtlijnen geen horizontale werking (dat wil zeggen: tussen burgers onderling), maar verticale werking, waardoor richtlijnen alleen inroepbaar zijn tussen de burger en de overheid.

Voor zover de advocaat van de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] tot slot heeft betoogd dat er sprake is van schending van artikel 8 EVRM, het recht op ‘family life’, en dat deze schending er toe zou moeten leiden dat er een vergoeding wordt toegekend kan dit evenmin ertoe leiden dat zij worden ontvangen in hun vorderingen. Ten aanzien van het recht op familie- en gezinsleven als neergelegd in artikel 8 EVRM heeft de Hoge Raad in het zogenoemde Taxibus-arrest (ECLI:NL:HR:2002:AD5356) overwogen dat het ongeval (dat in die zaak had plaatsgevonden) als zodanig niet een inbreuk is op het recht op eerbiediging van ‘family life’. Voorts noopt artikel 8 EVRM er niet toe dat in de wetgeving wordt voorzien in een recht op (immateriële) schadevergoeding aan nabestaanden die een familielid verliezen als gevolg van het onrechtmatig handelen of nalaten van een ander. De Hoge Raad heeft daar in het arrest Vilt van 9 oktober 2009 (ECLI:NL:HR:2009:BI8583) aan toegevoegd dat dit niet anders is als het gaat om (immateriële) schadevergoeding aan de nabestaanden van de slachtoffers van een opzettelijk misdrijf. In het zogenoemde Taxibus-arrest heeft de Hoge Raad voorts nog overwogen dat het toekennen van schadevergoeding weliswaar mede kan worden gezien als een erkenning van en genoegdoening voor het verdriet wegens de dood van het slachtoffer, maar dat het niet ertoe kan bijdragen dat de nabestaanden in staat worden gesteld overeenkomstig de strekking van artikel 8 EVRM een normaal gezinsleven te leiden.

Het voren overwogene brengt het hof tot het oordeel dat [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] ter zake de door hen gevorderde schades niet voegingsgerechtigd zijn en daarom niet kunnen worden ontvangen in hun vorderingen.

D.2.3. Overige overwegingen

Het hof realiseert zich dat dit voor [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] teleurstellend is en dat zij zich graag in deze zaak erkend en benoemd zouden willen zien als voegingsgerechtigd, maar het hof is gebonden aan de wetgeving en kan en mag daar niet buiten treden.

Ten overvloede merkt het hof op dat ook op inhoudelijke gronden het hof niet tot enige toewijzing van beide vorderingen had kunnen komen, zoals zal blijken uit hetgeen hierna wordt overwogen ten aanzien van de vorderingen van [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] .

D.3.

Materiële schade van de benadeelde partij [benadeelde partij 2]

Uit de onderbouwing van de vordering tot schadevergoeding blijkt dat de gevorderde “reiskosten rechtbank”, tot een totaalbedrag van € 647,40, betrekking hebben op reiskosten en parkeerkosten ten behoeve van het bijwonen van zittingen van de rechtbank, twee bezoeken aan de advocaat en een bezoek aan Slachtofferhulp te Den Bosch. De gevorderde “reiskosten hoger beroep”, tot een totaalbedrag van € 158,80, hebben betrekking op reiskosten en parkeerkosten ten behoeve van het bijwonen van zittingen van het gerechtshof.

De advocaat van de benadeelde partij heeft zich op het standpunt gesteld dat deze kosten zijn aan te merken als geleden schade en minst genomen als proceskosten dienen te worden aangemerkt.

Het hof is van oordeel dat de reis- en parkeerkosten, zoals deze zijn gevorderd, niet zijn aan te merken als rechtstreeks door het strafbare feit geleden schade in de zin van artikel 51f, eerste lid, Sv. Deze kosten moeten naar het oordeel van het hof worden beschouwd als proceskosten, waarover het hof op grond van artikel 592a Sv een beslissing dient te geven. Het hof zal de vorderingen van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot vergoeding van materiële schade dan ook afwijzen, omdat het geen materiële schade betreft, maar proceskosten.

Het hof zal hierna nog beslissen op de gevorderde proceskosten.

D.4.

Immateriële schades

Het hof ziet aanleiding de door de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] gevorderde immateriële schadevergoeding van respectievelijk € 15.000,00 en

€ 17.500,00 gezamenlijk te bespreken.

D.4.1. Grondslag gevorderde immateriële schades

De benadeelde partij [benadeelde partij 1] heeft aan zijn vordering tot immateriële schadevergoeding ten grondslag gelegd dat hem door de dood van het slachtoffer leed is aangedaan en hij de dood van het slachtoffer nog steeds niet heeft verwerkt. Hij heeft het slachtoffer erkend en onmiddellijk na haar geboorte verzorgd en is haar gedurende haar leven blijven verzorgen. Hij heeft last gehad van nachtmerries en slapeloosheid. Hij slaapt al vele jaren slecht en beleeft het verlies van het slachtoffer regelmatig. Primair is namens de benadeelde partij betoogd dat het hof dient te anticiperen op de toekomstige wetgeving die vergoeding van affectieschade mogelijk zal maken. Subsidiair is bepleit dat de schade toegewezen dient te worden op grond van schending van artikel 8 EVRM.

De benadeelde partij [benadeelde partij 2] heeft affectieschade gevorderd en daartoe aangevoerd dat hij door het gemis van het slachtoffer recht heeft op vergoeding van deze schade op grond van Europese wet- en regelgeving. Het recht op eerbiediging van het familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 EVRM, is geschonden. Uit het EVRM is te destilleren dat een burger recht kan hebben op vergoeding van (affectie)schade na schending van een door het verdrag beschermd recht. De raadsman van de benadeelde partij heeft gesteld dat de in het EVRM genoemde rechten horizontale werking hebben voor Nederland en niet alleen gelden tussen overheid en burger, maar ook tussen burgers onderling, waardoor een schadevergoeding toegekend zou moeten worden voor het schenden van het recht op ‘family life’.

D.4.2. Affectieschade

Affectieschade is de immateriële schade die is veroorzaakt door het leed vanwege het overlijden van een naaste. Het hof stelt voorop dat door de dood van het slachtoffer de benadeelde partijen veel verdriet en leed is toegebracht. Op grond van het huidige Nederlandse recht is de mogelijkheid voor vergoeding van immateriële schade in verband met het verlies van een naaste zeer beperkt en komt op grond van vaste rechtspraak immateriële schade die is veroorzaakt door verdriet niet voor vergoeding in aanmerking. Een wettelijke regeling voor vergoeding van affectieschade is er op dit moment niet.

Weliswaar zal met ingang van 1 januari 2019 wetgeving in werking treden die vergoeding van affectieschade mogelijk zal maken, doch in de Memorie van Toelichting behorende bij het wetsvoorstel (kamerstukken II, 34 257, nr. 3) is overwogen dat het recht op vergoeding van affectieschade niet door het enkele in werking treden van het voorstel zal ontstaan, indien alle feiten die de wet daarvoor vereist, reeds voordien waren voltooid. Voor gevallen waarin het slachtoffer overlijdt, zal de wet dus slechts gevolgen meebrengen ten aanzien van gebeurtenissen die plaatsvinden na inwerkingtreding van de wet.

D.4.3. Beoordeling

Uitgangspunt in ons recht is dat schadevergoeding slechts mogelijk is voor zover de wet daartoe de mogelijkheid opent. Uit het reeds genoemde Taxibus-arrest van de Hoge Raad van 22 februari 2002 volgt dat het de rechtsvormende taak van de rechter te buiten gaat om in afwijking van het wettelijk stelsel zonder meer een dergelijke genoegdoening – vergoeding van affectieschade – te bieden. Die ruimte is er ook niet wanneer dergelijke schade het gevolg is van een opzettelijke begane normschending.

Voor zover de advocaten van de benadeelde partijen artikel 8 EVRM (juncto artikel 13 EVRM) aan hun vorderingen tot schadevergoeding van affectieschade ten grondslag hebben gelegd kan dit evenmin tot toewijzing van de vorderingen leiden, zoals het hof hiervoor onder D.2.2. reeds heeft overwogen bij de beoordeling van de vorderingen van [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] . Het hof verwijst naar die overwegingen.

Het hof zal de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] tot vergoeding van affectieschade dan ook afwijzen.

D.5.

Proceskosten van [benadeelde partij 2] , [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4]

De partijen zullen worden gecompenseerd in de proceskosten in die zin dat iedere partij zijn eigen kosten zal dragen.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63, 242 en 287 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 en 2 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 en 2 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 (twaalf) jaren.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vorderingen van de benadeelde partijen

Verklaart de benadeelde partijen [benadeelde partij 3] en [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in hun vorderingen.

Wijst de vorderingen van de benadeelde partijen [benadeelde partij 1] en [benadeelde partij 2] , af.

Bepaalt dat de benadeelde partijen en de verdachte ieder hun eigen kosten dragen.

Aldus gewezen door:

mr. J. Platschorre, voorzitter,

mr. P.J. Hödl en mr. J.J.M. Gielen-Winkster, raadsheren,

in tegenwoordigheid van de griffiers mr. N. van der Velden en J.M.A. van Esch MSc. LLM,

en op 9 oktober 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Hof: bij voormeld proces-verbaal Technische Onderzoeken inzake Nicole van den Hurk d.d. 14 juni 2004 bevindt zich Bijlage 6 Telefax aan het NFI d.d. 25 februari 1997 i.v.m. vernietiging kledingstukken. Fax is afkomstig van boven genoemde verbalisanten [verbalisant 2] en [verbalisant 1] en kent als onderwerp “Kleding N. vd Hurk”.

2 Hof: hetgeen blijkt uit beantwoording van vragen van de verdediging door/namens de advocaat-generaal in e-mailberichten van 19 en 22 december 2017, van welke melding is gemaakt in het proces-verbaal van de zitting van het hof van 12 en 20 december 2017.

3 Hof: Blijkens het rapport van het Gerechtelijk Laboratorium d.d. 22 juli 1996 (Forensisch Dossier deel 1, bijlage 03) zijn uitstrijkjes op 24 november 1995 door het Gerechtelijk Laboratorium in ontvangst genomen.

4 Cybergenetics is gevestigd te Pittsburgh (Verenigde Staten) waaraan M.W. Perlin als chief scientific officer is verbonden.

5 Hof: een beëdigde Nederlandse vertaling van een document in het Engels, te weten de schriftelijke beantwoording door John Buckleton, hoofdwetenschapper van Institute of Environmental Science and Research (ESR) van vragen opgesteld door de verdediging op 17 mei 2016 (opgenomen bij de voorgehouden stukken behorend bij de terechtzitting van de rechtbank van 13 juni 2016).

6 Voor zover hierna paginanummers zijn vermeld, verwijzen deze naar de betreffende processen-verbaal van de zittingen van de rechtbank Oost-Brabant.

7 Toelichting hof: In het proces-verbaal van politie is vermeld dat [slachtoffer] op 12 april 1987 is verkracht. In haar genitale zone werd sperma aangetroffen en daaruit is in 1999 een DNA-profiel vervaardigd en opgenomen in de DNA-databank. Na een verkrachting door verdachte op 23 september 2000 is zijn DNA-profiel opgenomen in de DNA-databank. In het proces-verbaal van politie is vermeld dat dit op 2 januari 2011 een hit zou hebben opgeleverd met het voornoemde in 1999 vervaardigde DNA-profiel. De politie heeft in het proces-verbaal vermeld dat het feit uit 1987 toen reeds verjaard was.