Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4176

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
24-09-2018
Datum publicatie
08-10-2018
Zaaknummer
20-003575-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Raadkamer
Beschikking
Inhoudsindicatie

Het hoger beroep tegen de beschikking ex artikel 226a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van de raadsheer-commissaris in het Gerechtshof 's-Hertogenbosch.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer Hof: [nummer]

Parketnummer 1e aanleg: [nummer]

BESCHIKKING

Gegeven op het hoger beroep tegen de beschikking ex artikel 226a, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering van de raadsheer-commissaris in het Gerechtshof

’s-Hertogenbosch van [datum], gegeven in de strafzaak tegen de verdachte, genaamd

naam

[naam verdachte]

voornamen

[naam verdachte]

geboren

[datum en plaats]

wonende te

[adres]

adres

[adres]

Procesgang

In de strafzaak tegen de medeverdachte [naam medeverdachte] met rolnummer [nummer] heeft de raadsman mr. Van de Luijtgaarden ter terechtzitting in hoger beroep van dit gerechtshof van [datum] onder meer verzocht, zakelijk weergegeven, om de zaak te verwijzen naar de raadsheer-commissaris in dit hof, teneinde op grond van het bepaalde in artikel 190, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering een getuige als beperkt anonieme getuige te horen, die zich bij de raadsman heeft gemeld en die hem uit eigen beweging en in detail kon vertellen wat er op [datum delict] in de woning [plaats delict] is gebeurd hetgeen volgens de raadsman cruciaal is voor de beoordeling van de strafzaak. Deze persoon is volgens de raadsman bereid een verklaring als getuige af te leggen, maar hij wil zijn personalia, ondanks een verzoek daartoe van de raadsman, niet bekend maken.

Ter terechtzitting in hoger beroep van [datum] heeft dit gerechtshof dit verzoek van mr. Van de Luijtgaarden - kennelijk rauwelijks - ook in de zaak van de verdachte toegewezen, met dien verstande dat het ter beoordeling van de raadsheer-commissaris is gelaten of de getuige als beperkt anonieme getuige in de zin van artikel 190, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering zal worden gehoord. De stukken zijn daartoe vervolgens in handen van de raadsheer-commissaris gesteld.

Op [datum] heeft de raadsheer-commissaris een persoon, door de raadsheer-commissaris aangeduid als X, gehoord. Blijkens het proces-verbaal van verrichtingen en bevindingen d.d. [datum] heeft deze persoon, onder meer, medegedeeld slechts bereid te zijn een verklaring in onderhavige strafzaak tegen de verdachte en zijn medeverdachten af te leggen indien zijn/haar identiteit verborgen zal worden gehouden.

Bij beschikking ex artikel 226a Wetboek van Strafvordering van [datum] heeft de raadsheer-commissaris bepaald dat ter gelegenheid van het verhoor van de getuige (hierna verder te noemen: de getuige X) in de strafzaak tegen de verdachten [namen medeverdachten]

de identiteit van de getuige verborgen zal worden gehouden.

Namens de verdachte heeft mr. M.A. Stoffijn op [datum] - tijdig - hoger beroep tegen die beschikking ingesteld.

Het hof heeft dat hoger beroep inhoudelijk behandeld op de niet-openbare zitting in raadkamer van [datum]

In raadkamer zijn gehoord de verdachte, diens raadsvrouw, mr. M.A. Stoffijn, en de advocaat-generaal.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van het hoger beroep. De raadsvrouw heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden beschikking.

Beoordeling van de beschikking waarvan beroep

In het kader van het onderhavige beroep dient het hof vast te stellen of de raadsheer-commissaris terecht en op juiste gronden het bevel heeft gegeven, dat van de hiervoor bedoelde getuige X, ter gelegenheid van diens verhoor bij de raadsheer-commissaris, diens identiteit verborgen wordt gehouden omdat is voldaan aan de eisen zoals vermeld in artikel 226a, eerste lid onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering.

Dit artikel luidt:

1. De rechter-commissaris beveelt hetzij ambtshalve, hetzij op de vordering van de officier van justitie of op het verzoek van de verdachte of van de getuige, dat ter gelegenheid van het verhoor van die getuige diens identiteit verborgen wordt gehouden, indien: a. de getuige of een andere persoon, met het oog op de door de getuige af te leggen verklaring, zich zodanig bedreigd kan achten dat, naar redelijkerwijs moet worden aangenomen, voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van die getuige of die andere persoon moet worden gevreesd, en

b. de getuige te kennen heeft gegeven wegens deze bedreiging geen verklaring te willen afleggen.

Het hof overweegt dat de gevolgen die het toekennen van de status van bedreigde getuige met zich brengen vervolgens van belang zijn bij de bepaling van de verdere invulling van de procedure rondom het horen van de bedreigde getuige. Uitgangspunt is dat zowel aan de gewaarborgde rechten van de verdediging, te weten het ondervragingsrecht van de verdediging, als aan de legitieme belangen van de getuige recht moet worden gedaan. Er moet sprake zijn van proportionaliteit; dat wil zeggen een redelijke verhouding tussen het te dienen belang (strafvervolging onderscheidenlijk het recht op een eerlijk proces) en het gebruikte middel dient niet meer inbreuk te maken dan strikt noodzakelijk is.

Ingevolge artikel 226a, tweede lid, Wetboek van Strafvordering worden de officier van justitie, de verdachte, diens raadsman, en de getuige in de gelegenheid gesteld omtrent het initiatief tot het vaststellen van de gegrondheid van de anonimiteit van de getuige te worden gehoord. Ter zitting in raadkamer is gebleken dat er enige vorm van horen van de verdediging en de advocaat-generaal heeft plaatsgevonden. Het hof heeft hiervan evenwel geen verslaglegging door de raadsheer-commissaris bij de stukken aangetroffen. Het hof betreurt dit.

De beschikking van de rechter-commissaris d.d. [datum] luidt als volgt:

In de strafzaken tegen de verdachten:

[namen medeverdachten]

zijn bovengenoemde zaken verwezen naar de raadsheer-commissaris teneinde een getuige te horen wiens identiteit niet bekend is gemaakt. De raadsvrouw van de getuige en de getuige hebben verzocht aan de raadsheer-commissaris de identiteit van de getuige niet bekend te maken. De raadsheer-commissaris is van oordeel dat

  • -

    a. de getuige, met het oog op de door de getuige af te leggen verklaring, zich zodanig bedreigd kan achten dat, naar redelijkerwijze moet worden aangenomen, voor het leven, de gezondheid of de veiligheid van de getuige moet worden gevreesd, en

  • -

    b. de getuige te kennen heeft gegeven wegens deze bedreiging geen verklaring te willen afleggen wanneer de identiteit van de getuige bekend zou worden gemaakt.

De raadsheer-commissaris bepaalt dat de getuige dient te worden gehoord zonder bekendmaking van de identiteit.”

Het hof is - met de raadsvrouw en de advocaat-generaal - van oordeel dat uit de beschikking van de raadsheer-commissaris van [datum] noch anderszins is gebleken van zodanig concrete en objectiveerbare feiten en/of omstandigheden dat daaruit ten aanzien van de getuige X voldoende aannemelijk kan worden geacht dat er sprake is van een zodanige dreiging dat, naar redelijkerwijs moet worden aangenomen, voor het leven, de gezondheid of de veiligheid dan wel de ontwrichting van het gezinsleven of het sociaal-economisch bestaan van de getuige moet worden gevreesd. Feiten of omstandigheden die het hof op dit punt tot een ander oordeel hadden kunnen of moeten leiden zijn niet aannemelijk geworden. Daarmee is niet voldaan aan de in artikel 226a, lid 1 onder a en b, van het Wetboek van Strafvordering gestelde eisen. De raadsheer-commissaris heeft derhalve ten onrechte het bevel gegeven dat van de getuige X, ter gelegenheid van het verhoor bij de raadsheer-commissaris, de identiteit verborgen wordt gehouden.

Het hof komt, alles afwegende, tot het oordeel dat het hoger beroep van de verdachte moet worden toegewezen. De beschikking van de raadsheer-commissaris dient mitsdien te worden vernietigd.

BESCHIKKENDE

Het hof:

Wijst het hoger beroep toe.

Vernietigt de bestreden beschikking van de raadsheer-commissaris.

Deze beschikking is gegeven door mr. R.A.Th.M. Dekkers, voorzitter en

mrs. O.M.J.J. Van de Loo en mr. G.P.M.F. Mols, leden,

in tegenwoordigheid van de griffier mw. B. Kocyilmaz-Yazi

en uitgesproken in raadkamer op 24 september 2018.

Mr. O.M.J.J. van de Loo is buiten staat deze beschikking mede te ondertekenen.

Fiat betekening en tenuitvoerlegging:

's-Hertogenbosch,

De advocaat-generaal,