Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4049

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
02-10-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
200.206.141_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2016:5748
Rechtsgebieden
Arbeidsrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

geen sprake van kennelijk onredelijke opzegging, artikel 7:681 BW (oud).

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 681
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2018-1141
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.206.141/01

arrest van 2 oktober 2018

in de zaak van

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als [appellante] ,

advocaat: mr. M.A.M. Lem te Breda,

tegen

Thermaflex International Holding B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als Thermaflex,

advocaat: mr. S. Wouters te 's-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 12 december 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 14 september 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen [appellante] als eiseres en Thermaflex als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4756734 CV EXPL 16-611)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep d.d 12 december 2016;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de akte uitlating voortgang procedure met een productie van [appellante] ;

  • -

    de antwoordakte van Thermaflex.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende (door de kantonrechter vastgestelde) feiten.

3.1.1

[appellante] , geboren op [geboortedatum] 1971, is op 1 mei 2011 bij Thermaflex in dienst getreden op basis van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Zij was laatstelijk werkzaam in de functie Chief Organisation Development Officer (CODO). De arbeidsomvang was 32 uur per week en het bruto salaris bedroeg laatstelijk € 5.700,80 bruto per maand exclusief vakantietoeslag en overige emolumenten.

3.1.2

De tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst is schriftelijk vastgelegd.

Artikel 1 van het “Contract of employment” luidt als volgt:

This contract of employment is entered into for an indefinite period in compliance with a probationary period of the first two months; unless the contract in question replaces an actual contract. The agreement may be terminated, in writing, by either party with due observance of a notice period of at least two months, except for prior dissolution by a magistrate and discharge during, or immediately after the probationnary period.”

3.1.3

Op 25 februari 2013 heeft [appellante] zich ziek gemeld met spanningsklachten, die naderhand een burn-out bleken te zijn. Na re-integratie activiteiten heeft [appellante] zich op 2 december 2014 beter gemeld.

3.1.4

Op 10 maart 2015 heeft Thermaflex bij het UWV Werkbedrijf een aanvraag ingediend om toestemming te verlenen om het dienstverband met [appellante] te beëindigen, om reden dat de arbeidsrelatie duurzaam ernstig is verstoord. [appellante] heeft daartegen uitvoerig gemotiveerd verweer gevoerd.

3.1.5

Bij beschikking van 8 mei 2015 heeft UWV Werkbedrijf de gevraagde toestemming verleend.

3.1.6

Bij brief van 13 mei 2015 heeft Thermaflex de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 30 juni 2015.

3.2.1

In de onderhavige procedure vordert [appellante] , kort gezegd en voor zover in hoger beroep van belang, om Thermaflex te veroordelen aan [appellante] te voldoen

- een bedrag van € 41.274 bruto ter zake door [appellante] te lijden loonschade;

- een bedrag van € 55.254,-- bruto ter zake door [appellante] te lijden pensioenschade;

- een bedrag van € 5.251,40 netto ter zake de door [appellante] gemaakte kosten ter vaststelling van de door haar geleden schade.

3.2.2

Aan deze vordering heeft [appellante] , kort gezegd, ten grondslag gelegd, dat sprake is van kennelijk onredelijke opzegging als bedoeld in artikel 7:681 BW zoals dat gold tot 1 juli 2015. Volgens [appellante] is de reden die Thermaflex aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd - te weten dat sprake is van een ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie - een valse of voorgewende reden. Daarnaast is volgens [appellante] sprake van kennelijke onredelijk opzegging op grond van het gevolgen criterium.

3.2.3

Thermaflex heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4

In het tussenvonnis van 30 maart 2016 heeft de kantonrechter, kort gezegd, partijen uitgenodigd ter terechtzitting te verschijnen. Van de zitting d.d. 27 juni 2016 heeft de griffier aantekeningen gemaakt.

3.2.5

In het eindvonnis van 14 september 2016, waarvan beroep, heeft de kantonrechter voornoemde vorderingen van [appellante] afgewezen. De proceskosten zijn gecompenseerd.

3.3

[appellante] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis d.d. 14 september 2016 en tot het alsnog toewijzen van voornoemde vorderingen, dan wel een door het hof in goede justitie te bepalen schadevergoeding met veroordeling van Thermaflex in de proceskosten in beide instanties. Het hof begrijpt de vordering van [appellante] aldus dat haar conclusie tot vernietiging van het vonnis slechts ziet op de afwijzing van voornoemde vorderingen, nu tegen de door de kantonrechter uitgesproken verklaring voor recht betreffende een bonusuitkering, geen grief is gericht.

3.4

Met grief 1 betoogt [appellante] dat de door Termaflex aan de ontslagvergunningaanvraag d.d 10 maart 2015 ten grondslag gelegde reden, te weten ‘ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsverhouding’ een niet bestaande reden, valse reden is, ter onderbouwing waarvan Thermaflex gegevens aan het UWV heeft gepresenteerd die niet juist zijn. Thermaflex heeft een valse voorstelling van zaken gegeven van hetgeen zich sinds de ziekmelding van [appellante] d.d. 25 februari 2013 heeft voorgedaan.

Zo heeft Thermaflex, aldus [appellante] , samengevat,

  1. in strijd met de waarheid verklaard dat [appellante] zonder meer arbeidsongeschikt is geraakt en zodra zij voldoende was hersteld om in eigen functie te re-integreren, zou hebben aangegeven een functie buiten Thermaflex te ambiëren. Volgens [appellante] was haar re-integratie niet slechts gericht op het tweede spoor. Nadat [appellante] arbeidsongeschikt was geraakt vanwege de werksituatie is in overleg en overeenstemming met Themaflex en de betrokken arbodienst besloten haar re-integratie langs het eerste en het tweede spoor te laten plaatsvinden. Op 20 mei 2014 heeft [appellante] een aanvang gemaakt met het verrichten van re-integratie werkzaamheden op het kantoor van Thermaflex. Op 22 mei 2014 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen Thermaflex, [appellante] en loopbaan- en coaching-bureau [loopbaan- en coaching-bureau] . Besproken is dat [appellante] de komende 3 maanden zou worden vrijgesteld van werkzaamheden in het eerste spoor en dat gedurende juni t/m augustus 2014 de re-integratie tijdelijk slechts gericht zou worden op het tweede spoor. De bedoeling was dat eerst een loopbaanoriëntatie zou worden afgerond, waarbij [appellante] de gelegenheid werd geboden om even geheel los te komen van Themaflex, voordat kon worden bepaald of [appellante] nog een rol binnen Themaflex zou kunnen vervullen;

  2. in strijd met de waarheid verklaard dat partijen zich uitsluitend op het tweede spoor hebben gericht. Volgens [appellante] hebben partijen zich niet uitsluitend gericht op het tweede spoor;

  3. in strijd met de waarheid verklaard dat [appellante] tijdens het voortgangsgesprek met Thermaflex op 14 november 2014 zou hebben aangegeven dat zij de wens had om een andere baan (buiten Themaflex) te aanvaarden. Nadat [appellante] gedurende 3 maanden het tijdelijk 2e spoor traject via [loopbaan- en coaching-bureau] had doorlopen heeft op 29 augustus 2014 een voortgangsgesprek plaatsgehad tussen [appellante] , Thermaflex en [loopbaan- en coaching-bureau] en zijn de eerste terugkoppelingen weergegeven van het uitgevoerde loopbaanonderzoek. Daaruit is onder andere naar voren gekomen dat [appellante] geen uitvoerende taken en details moest behandelen. [appellante] heeft op 14 november 2014 een presentatie gegeven en aangegeven dat terugkeer in een functie onder strategisch niveau en zonder mandaat van binnen Themaflex geen haalbare gezonde optie voor haar is. Zij heeft voorts aangegeven dat zij de ambitie heeft om door te groeien tot het niveau van CEO. [appellante] betoogt dat zij daarmee heeft bedoeld dat voor een succesvolle terugkeer van haar in haar functie van CODO voortaan het onverkorte mandaat van CEO [CEO van Thermalex] ( [CEO van Thermalex] van Thermaflex, hof) vereist was. Het gesprek op 14 november 2014 had als doel, zo betoogt [appellante] , om te bezien of Thermaflex nog een match kon zijn voor [appellante] . Voorts betoogt [appellante] dat [CEO van Thermalex] - die zijn presentatie voor 14 november 2014, in strijd met de gemaakte afspraken - in het geheel niet had voorbereid, naar het hof begrijpt op 14 november 2014, te kennen heeft gegeven dat hij slechts mogelijkheden voor [appellante] zag ter zake monitoren en coördineren van Organisation Development werkzaamheden. [appellante] stelt vervolgens, op 21 november 2014, tijdens een gesprek tussen haar en CEO [CEO van Thermalex] onverwacht te zijn overvallen door de mededeling van [CEO van Thermalex] dat [appellante] niet meer zou passen binnen de structuur van Themaflex en dat [CEO van Thermalex] tot ontslag van [appellante] wenste te komen, waarbij komt dat Thermoflex reeds op 21 oktober 2014 bij de arbodienst had geïnformeerd over het al dan niet kunnen aanbieden van een vaststellingsovereenkomst aan [appellante] gericht op het einde van haar dienstverband gelet op haar arbeidsongeschiktheid.

  4. in strijd met de waarheid gesteld dat [appellante] zelf om een vaststellingsovereenkomst zou hebben verzocht, gericht op de beëindiging van haar dienstverband. [appellante] stelt dat zij op 28 november 2014 een vervolggesprek heeft gehad met [HR manager] (HR manager) over de wijze waarop Thermaflex tot beëindiging van het dienstverband met [appellante] wenste te komen, aan welke beëindiging Thermaflex vast hield, terwijl aan [appellante] de mogelijkheden daartoe werden geschetst. Aangegeven werd dat [appellante] zich hersteld zou moeten melden, dat zij vervolgens zou worden vrijgesteld van werk bij Thermaflex en dat [loopbaan- en coaching-bureau] [appellante] zou kunnen ondersteunen bij het vinden van ander werk. Afgesproken werd dat [HR manager] aan [appellante] een concept vaststellingovereenkomst zou toesturen. Op 2 december 2014 heeft zij zich beter gemeld en eerst nadat bleek dat de door haar ontvangen concept vaststellingsovereenkomst wel een heel algemene aard had, zonder invulling van ter zake doende gegevens, heeft [appellante] verzocht om een maatwerk ingevulde versie zodat zij het aanbod van Thermaflex ter zake op waarde zou kunnen schatten.

  5. in strijd met de waarheid verklaard dat Thermaflex [appellante] nog een laatste voorstel zou hebben gedaan om in een mediation-traject aan te geven hoe [appellante] denkt de arbeidsrelatie op een zinvolle manier voort te kunnen zetten in de bedongen arbeid, nadat [appellante] met de bedrijfsarts zou hebben gekozen voor spoor 2 nadat zij in haar presentatie de functie van CODO andermaal afwees en zou vasthouden aan beëindiging. Van een poging tot herstel van de arbeidsrelatie was, zo begrijpt het hof het betoog van [appellante] , geen sprake, omdat Thermaflex aan de mediator zou hebben aangegeven dat mediation gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst voorlag. Thermaflex verwijt [appellante] , aldus [appellante] , geheel ten onrechte dat Thermaflex geen vertrouwen meer had in de oprechtheid van [appellante] omdat [appellante] sinds 21 januari 2015 niet met Thermaflex in gesprek zou willen gaan.

3.5

Met grief 2 betoogt [appellante] dat sprake is van een voorgewende reden. Volgens [appellante] wilde Thermaflex haar niet laten re-integreren en heeft Thermaflex de re-integratie eerste spoor ten onrechte en te vroeg afgebroken.

3.6

Met grief 3 betoogt [appellante] in de kern dat de gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Thermaflex bij de opzegging van de arbeidsovereenkomst.

3.7

Thermaflex heeft verweer gevoerd. Dat verweer komt in de kern neer op het volgende. Volgens Thermaflex staat de stelling van [appellante] dat een ernstig verstoorde verhouding niet aan de orde is, haaks op alle al dan niet gefundeerde kritiek van [appellante] op [CEO van Thermalex] , de ambitie van [appellante] om (tegen het advies van de bedrijfsarts en arbeidsdeskundige in) na maandenlange focus op het tweede spoor toch terug te willen keren naar Thermaflex, maar dan wel in een andere, hogere rol, met volledig mandaat, boven partijen en de organisatie staand en zonder uitvoerend werk.

[appellante] verwacht verder volledig mandaat om haar strategie door te voeren. Een onvoorwaardelijk mandaat voor iemand met de rol van Chief Organisation Development Officer is niet aan de orde. Noch voor de rol van CODO, noch voor welke andere rol dan ook. De enige met mandaat is de CEO. De door [appellante] voorgestane rol bestaat niet binnen Thermaflex en daaraan is ook geen behoefte. De wensen van [appellante] nog aangevuld met de wensen die zij al eerder had (geen uitvoerend werk, geen aansturing van uitvoerend werk, geen details) gaan Thermaflex te boven.

3.8

Het hof stelt voorop dat een valse reden een niet bestaande reden is en dat een voorgewende reden een bestaande reden is die niet de werkelijke ontslaggrond is.

Voor zover [appellante] betoogt dat het UWV zich geen oordeel heeft kunnen vormen omtrent het bestaan van de aangevoerde beëindigingsreden en evenmin heeft kunnen beoordelen of Thermaflex heeft getracht de relatie te verbeteren en of overplaatsing binnen de onderneming tot de mogelijkheden behoorde, nu aan het UWV gegevens zijn gepresenteerd die niet juist zijn, stelt het hof het volgende voorop. Het hof dient niet de procedure voor het UWV over te doen, maar dient zelfstandig te oordelen over de vraag of sprake is van kennelijk onredelijke opzegging.

3.9

Ten aanzien van grief 1 oordeelt het hof als volgt.

Wat er ook zij van hetgeen [appellante] met grief 1 heeft aangevoerd, uit hetgeen partijen hebben aangevoerd blijkt dat de functiewensen van [appellante] - niet onder strategisch niveau en met mandaat - niet overeenkomen met de visie van Thermaflex op de door [appellante] uit te oefenen functie. Daarbij komt dat [appellante] niet voldoende heeft onderbouwd dat zo een functie met haar is overeengekomen. Uit hetgeen [appellante] omtrent haar functie, meer specifiek, randnummers 1 tot en met 16 van de dagvaarding in eerste aanleg, heeft aangevoerd volgt niet zondermeer dat deze zuiver strategisch (in de zin van niet uitvoerend en geen details) en met mandaat was. Feiten of omstandigheden waaruit volgt dat afspraken dienaangaande met Thermaflex zijn gemaakt, zijn gesteld noch gebleken. In het licht van het betoog van Thermaflex dat de rol die [appellante] wenste bij Thermaflex niet bestaat, had een onderbouwing als genoemd op haar weg gelegen. Evenmin heeft [appellante] onderbouwd dat binnen Thermaflex diverse functies vergelijkbaar met die van CODO op strategisch niveau en met mandaat zijn gecreëerd. Haar verwijzing naar productie 46 bij dagvaarding betreffende een Chief Business Development Officer en een vacature betreffende Group Organisation Development Coördinator is daartoe niet voldoende. Voor zover [appellante] betoogt dat Thermaflex ook voor haar een functie op strategisch niveau met mandaat diende te creëren gaat dit betoog gezien het voorgaande niet op. Nu [appellante] op 14 november 2014 te kennen heeft gegeven dat terugkeer in een functie onder strategisch niveau en zonder mandaat geen haalbare gezonde optie voor haar was, terwijl is gesteld noch gebleken dat [appellante] - ook niet nadat zij zich hersteld had gemeld - haar functie wilde uitvoeren zonder dat deze volledig aan haar wensen voldeed, dient te worden geoordeeld dat partijen in een situatie zijn beland die als een onherstelbare ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie heeft te gelden. Het voorgaande wordt niet anders wanneer wordt uitgegaan van de juistheid van de betwisting van [appellante] , bij haar akte uitlating voortgang procedure, dat zij zich boven de gehele organisatie en partijen heeft willen plaatsen. Evenmin wordt het voorgaande anders door de betwisting van [appellante] , bij voornoemde akte, dat zij volledig mandaat wilde hebben. In het licht van hetgeen zij bij memorie van grieven heeft aangevoerd, te weten dat voor een succesvolle terugkeer van haar in haar functie van CODO voortaan het onverkorte mandaat van CEO [CEO van Thermalex] vereist was, is haar betwisting dat zij zich boven de organisatie wilde plaatsen of boven partijen wilde staan een onvoldoende betwisting van het betoog van Thermaflex dat [appellante] volledig mandaat wenste. Dat overplaatsing aan de orde zou kunnen zijn is gesteld noch gebleken. Bewijslevering dat sprake is van een valse reden is gezien het voorgaande niet aan de orde. De grief faalt.

3.10

Nu grief 1 faalt komt het hof toe aan de beoordeling van grief 2, welke grief slechts is aangevoerd voor het geval het hof van oordeel is dat van een valse reden geen sprake is.

Naar het oordeel van het hof faalt ook grief 2. Op de gronden als geoordeeld onder 3.9 zijn partijen in een situatie beland die als een onherstelbare ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie heeft te gelden. Dat een verlenging van het eerste spoor tot andere functie wensen van [appellante] zou hebben geleid, in die zin dat zij haar wens dat de functie zuiver strategisch (in de zin van niet uitvoerend en geen details) zou zijn en met mandaat, zou laten vallen, is gesteld noch gebleken. Reeds gezien het voorgaande is van een niet willen laten re-integreren door Thermaflex of van het onterecht en te vroeg afbreken van een re-integratie in het eerste spoor door Thermaflex geen sprake, althans dat is niet of onvoldoende relevant.

3.11

De slotsom van het voorgaande onder 3.8 tot en met 3.10 is dat niet kan worden geoordeeld dat sprake is van een valse of voorgewende reden.

3.12

Thans komt het hof toe aan de beoordeling van grief 3, welke grief is aangevoerd voor het geval het hof van oordeel is dat ook van een voorgewende reden geen sprake is.

3.12.1

Het hof stelt het volgende voorop.

Bij de beoordeling of een opzegging van een arbeidsovereenkomst als kennelijk onredelijk moet worden aangemerkt vanwege het zogenoemde gevolgencriterium (artikel 7:681 lid 2 sub b BW (oud) geldt als maatstaf of, mede in aanmerking genomen de voor de werknemer getroffen voorzieningen en de voor de werknemer bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, de gevolgen van de opzegging voor de werknemer te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de opzegging. Daarbij dienen alle omstandigheden zoals deze zich niet later dan op het tijdstip van ingang van het ontslag voordeden, in aanmerking te worden genomen. Nadien intredende omstandigheden kunnen slechts worden meegewogen voor zover zij aanwijzingen opleveren voor wat niet later dan op voormeld tijdstip kon worden verwacht.

De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor toewijzing van een vordering vanwege kennelijk onredelijk ontslag. Daartoe dienen bijzondere omstandigheden te worden gesteld en zo nodig bewezen, die in de kern inhouden dat het ontslag is gegeven in strijd met algemeen aanvaarde normen van goed werkgeverschap.

3.12.2

Anders dan [appellante] betoogt kan niet worden geoordeeld dat de verstoring in de arbeidsverhouding alleen maar betrekking heeft op de periode die is gevolgd nadat CEO [CEO van Thermalex] op 21 november 2014 aan [appellante] mededeelde de arbeidsovereenkomst te willen beëindigen en de verstoring van de arbeidsrelatie daarmee aan Thermaflex is te wijten. Op de gronden als geoordeeld onder 3.9, kort gezegd, dat de functiewensen van [appellante] niet overeen kwamen met de visie van Thermaflex, dat [appellante] niet heeft onderbouwd dat een functie als door haar gewenst was overeengekomen, dat van Thermaflex niet hoefde te worden verwacht dat zij voor [appellante] een functie als door [appellante] gewenst creëerde en dat [appellante] , ook niet nadat zij zich beter had gemeld, niet op haar wensen is teruggekomen, geldt dat partijen in een situatie zijn beland die als een onherstelbare ernstig en duurzaam verstoorde arbeidsrelatie heeft te gelden. Of [appellante] bij haar indiensttreding bij Thermaflex wist waar zij aan begon, behoeft geen bespreking, nu dat niet relevant is.

Gezien het voorgaande had Thermaflex er alle belang bij de arbeidsovereenkomst op te zeggen.

3.12.3

Voor zover [appellante] beoogt te betogen dat de gevolgen van de opzegging voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Thermaflex bij de opzegging omdat zij ziek is geworden door de situatie op het werk, geldt dat dit betoog niet opgaat, althans onvoldoende gewicht in de schaal legt bij de beoordeling of de gevolgen voor [appellante] te zwaar zijn in vergelijking met het belang van Thermaflex bij de opzegging. Ook wanneer er met [appellante] vanuit moet worden gegaan dat zij ziek is geworden door de situatie op het werk, geldt dat is gesteld noch gebleken dat [appellante] , nadat zij zich op 2 december 2014 hersteld had gemeld, haar functie van CODO wilde uitoefenen zonder dat deze volledig aan haar voornoemde wensen voldeed. Om diezelfde reden - dat is gesteld noch gebleken dat [appellante] , nadat zij zich op 2 december 2014 hersteld heeft gemeld, haar functie van CODO wilde uitoefenen zonder dat deze volledig aan haar voornoemde wensen voldeed - gaat evenmin op het betoog van [appellante] dat Thermaflex, [appellante] de kans heeft ontnomen in het gebruikelijke arbeidsritme te komen en vanuit een arbeidssituatie op de arbeidsmarkt te komen.

3.12.4

Bij het voorgaande komt dat [appellante] hoog is opgeleid. Blijkens het rapport ‘Kansen op de arbeidsmarkt voor mevrouw [appellante] ’ moet ten tijde van het ontslag op 30 juni 2015 rekening worden gehouden met een termijn van 12 maanden voor het vinden van eenzelfde functie en met een termijn van 6-9 maanden voor een lagere functie of een tijdelijke of interimfunctie. Zonder toelichting, die niet, althans onvoldoende is gegeven, valt niet in te zien waarom die termijn ongebruikelijk of onacceptabel is. [appellante] betoogt dat zij al gauw heeft ondervonden dat het lastig is om op haar functie en niveau een andere dienstbetrekking te vinden, maar gesteld noch gebleken is dat [appellante] op functies heeft gesolliciteerd passend bij voornoemde termijn van 6-9 maanden. Daarbij komt dat [appellante] zich al eerder dan 30 juni 2015 (en ook al eerder dan de mededeling van Thermaflex dat zij de arbeidsovereenkomst wilde beëindigen) is gaan oriënteren op de arbeidsmarkt. Die oriëntatie had weliswaar een andere oorzaak (haar ziekte), maar dat neemt niet weg dat [appellante] zich al vanaf mei 2014 feitelijk, met hulp van een (door Thermaflex ingeschakelde) professional (bureau [loopbaan- en coaching-bureau] ) is bezig gaan houden met loopbaanoriëntatie. Dat de begeleiding daarbij door [loopbaan- en coaching-bureau] , naar [appellante] betoogt, geen 12 maanden maar slechts 3 maanden is geweest, is door [appellante] niet voldoende onderbouwd. Blijkens de rapportage van [loopbaan- en coaching-bureau] is in mei 2014 gestart met de re-integratie project 2e spoor [appellante] en is een eindverslag gemaakt op 26 maart 2015. Op de gronden als geoordeeld onder 3.10 geldt voorts dat van een laten liggen van de re-integratie eerste spoor, als [appellante] betoogt, geen sprake is.

3.12.5

Evenmin gaat op het betoog van [appellante] dat de gevolgen van de opzegging voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Thermaflex bij de opzegging, omdat Thermaflex de ten opzichte van [appellante] geldende opzegtermijn van 4 maanden niet in acht heeft genomen. Ook wanneer er met [appellante] vanuit moet worden gegaan dat Thermaflex in het kader van een vaststellingsovereenkomst ter beëindiging van de dienstbetrekking een opzegtermijn van 4 maanden in acht wilde nemen, betekent dat niet, dat het de bedoeling van Thermaflex was, noch dat [appellante] dat mocht begrijpen, dat partijen met de arbeidsovereenkomst een opzegtermijn van 4 maanden waren overeengekomen. Maar ook als partijen al bij aanvang van de arbeidsovereenkomst een opzegtermijn van vier maanden zouden zijn overeengekomen, dan acht het hof dat niet, ook niet in samenhang met de andere omstandigheden, zodanig zwaarwegend, dat het ontslag als kennelijk onredelijk moet worden gekwalificeerd. Daartoe acht het hof van belang (zoals hiervoor al geoordeeld) dat [appellante] zich al, voor de aankondiging van Thermaflex dat zij een einde wilde maken aan de arbeidsovereenkomst, is gaan oriënteren op de arbeidsmarkt.

3.12.6

Gezien hetgeen is geoordeeld onder 3.12. tot en met 3.12.5 faalt grief 3. Niet kan worden geoordeeld dat de gevolgen van de opzegging voor [appellante] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van Thermaflex bij de opzegging, ook niet wanneer het hof alle omstandigheden tezamen in de beoordeling betrekt.

3.13.

Omdat alle grieven falen, dient het vonnis waarvan beroep te worden bekrachtigd. Dit wordt niet anders door het betoog van [appellante] , bij akte, dat [CEO van Thermalex] vanwege kritiek op zijn functioneren door de financier van Thermaflex buiten spel is gezet. Nog daargelaten dat Thermaflex bezwaar heeft gemaakt tegen dit betoog van [appellante] , omdat sprake zou zijn van een onjuiste voorstelling van zaken, geldt dat, voor zover het betoog van [appellante] al juist zou zijn, daarmee niet is gegeven dat binnen Thermaflex een functie als door [appellante] gewenst bestaat dan wel diende te worden gecreëerd.

3.14

Al het voorgaande betekent dat het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd en dat [appellante] zal worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellante] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van Thermaflex op € 5.213,-- aan griffierecht en op € 4.741,50 aan salaris advocaat,

en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het anders of meer gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. M. van Ham, Y.L.L.A.M. Delfos-Roy en G.J.S. Bouwens en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 2 oktober 2018.

griffier rolraadsheer