Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:4014

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
26-11-2019
Zaaknummer
200.241.735_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:4252
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging beëindiging gezag ouders

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 27 september 2018

Zaaknummer : 200.241.735/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/02/339551 / FA RK 17-7145

in de zaak in hoger beroep van:

[de vader] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in het principaal appel,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. E.M.A. Leijser,

tegen

1 [de moeder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel

tevens verzoekster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. T. Möller,

2 Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

verweerder in principaal en incidenteel appel,

hierna te noemen: de raad.

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

  • -

    de gecertificeerde instelling Stichting Jeugdbescherming Brabant (hierna te noemen: de GI);

  • -

    [pleegmoeder] (hierna te noemen: de pleegmoeder), bijgestaan door
    mr. M.C.H.M. van Beurden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, van 6 april 2018.

2 Het geding in hoger beroep zowel in principaal als incidenteel appel

2.1.

Bij beroepschrift met producties in principaal appel, ingekomen ter griffie op 27 juni 2018, heeft de vader het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de ouders over de nader te noemen minderjarige [minderjarige] alsnog af te wijzen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 juli 2018, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 25 juli 2018, heeft de moeder verweer gevoerd in het principaal appel. Zij heeft tevens incidenteel appel ingesteld en het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en het inleidend verzoek van de raad tot beëindiging van het gezag van de ouders over de nader te noemen minderjarige [minderjarige] alsnog af te wijzen.

2.4.

Op het incidenteel appel is geen verweerschrift ingekomen.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 4 september 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. Leijser;

- mr. Möller;

- de raad vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI] ;

- de pleegmoeder, bijgestaan door mr. M.C.H.M. van Beurden.

2.5.1.

De moeder is, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet ter zitting verschenen.

2.5.2.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken.

Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de griffier namens de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de stelbrief van de advocaat van de pleegmoeder d.d. 30 juli 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de (verbroken) relatie van de moeder en de vader is - voor zover hier van belang - op [geboortedatum] 2003 te [geboorteplaats] [minderjarige] (hierna te noemen: [minderjarige] ) geboren.

3.2.

[minderjarige] staat sinds 23 oktober 2013 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 13 oktober 2018.

[minderjarige] is op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 13 oktober 2013 uit huis geplaatst bij de pleegmoeder, waar zij sinds januari 2006 reeds op vrijwillige basis verbleef.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank het gezag van de ouders beëindigd.

3.4.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in (incidenteel) hoger beroep gekomen.

3.5.

De vader voert in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - aan dat hij ondanks het instellen van hoger beroep de wens van [minderjarige] om bij de pleegmoeder te verblijven uitdrukkelijk respecteert.

Sinds de bestreden beschikking heeft de vader geen enkel contact meer kunnen krijgen met [minderjarige] . Het lijkt erop alsof er thans een vrijbrief is afgegeven om op geen enkele wijze meer met hem in contact te treden. De vader heeft hier veel zorgen over. De vader kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat de verstoorde relatie tussen de ouders en de pleegmoeder niets af doet aan de positieve ontwikkeling van [minderjarige] . Voor de identiteitsontwikkeling van [minderjarige] is een positief contact met de ouders ook van belang.

De vader handhaaft zijn standpunt dat [minderjarige] in het pleeggezin kan verblijven in het vrijwillig kader. Derhalve bestaat voor [minderjarige] duidelijkheid over haar toekomstperspectief.

De vader ervaart geen stimulatie vanuit de pleegmoeder jegens [minderjarige] om contact met de ouders aan te gaan en hij heeft het gevoel dat de pleegmoeder [minderjarige] belast met negatieve uitspraken over vader, waardoor [minderjarige] in een loyaliteitsconflict geraakt.

Het conflict dat is ontstaan tussen de pleegmoeder en de ouders dient te worden opgelost door middel van professionele begeleiding.

3.6.

De GI voert (in het verweerschrift, zoals aangevuld) ter zitting, - kort samengevat - aan dat er sinds de bestreden beschikking rust lijkt te zijn gekomen nu er voor [minderjarige] duidelijkheid is over haar perspectief. Dit is terug te zien in haar schoolresultaten en in de contacten die zij heeft met leeftijdsgenoten. Met het oog op de bestreden beschikking is overwogen een nieuwe voogd te benoemen nu de relatie tussen de ouders en de jeugdzorgwerker niet goed te noemen is, doch er is gelet op het belang van [minderjarige] bij continuïteit in de goede relatie die zij heeft met de voogdijwerker toch voor gekozen geen andere instantie hiervoor aan te wijzen.

Thans heeft de moeder een contactregeling met [minderjarige] , waarbij zij elkaar op woensdagmiddag zien en met elkaar leuke dingen ondernemen. Ook ziet [minderjarige] op die momenten haar broertjes, een tweeling. Met de vader is nog geen contact, nu [minderjarige] vooralsnog duidelijk aangeeft dit niet te willen.

3.7.

De moeder voert in het verweerschrift kort samengevat aan dat zij de standpunten uit het beroepschrift van de vader onderschrijft. Ook de moeder stelt nadrukkelijk dat zij de wens van [minderjarige] om bij de pleegmoeder te verblijven, accepteert.

Ook de moeder maakt zich zorgen over het conflict dat is ontstaan tussen de ouders en de pleegmoeder en zij meent dat professionele begeleiding om dit conflict op te lossen geboden is. De moeder wil niet dat [minderjarige] het gevoel heeft te moeten kiezen tussen haar ouders en de pleegmoeder.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Uit zowel de aan het hof overgelegde stukken als het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat zowel de vader en pleegmoeder als de moeder en pleegmoeder niet, dan wel onvoldoende in staat zijn om als ouder respectievelijk verzorger van [minderjarige] op goede wijze met elkaar te communiceren en om te gaan, waardoor [minderjarige] in een ernstig loyaliteitsconflict is geraakt. Het hof is van oordeel dat partijen in het belang van [minderjarige] aan de onderlinge relatie dienen te werken, zodat het familiesysteem rond [minderjarige] heelt. Dit laatste is ook uitdrukkelijk de wens van [minderjarige] , zoals dit naar voren is gekomen in het kindgesprek met haar, voorafgaand aan de mondelinge behandeling. Het is thans en voor de toekomst in het belang van [minderjarige] dat partijen op adequate wijze zonder onderliggende spanning en zonder oud zeer met elkaar leren communiceren.

3.8.2.

Ter zitting heeft het hof met de vader en de pleegmoeder gesproken over hun verstandhouding en de noodzaak voor [minderjarige] om tot een verbetering van die verstandhouding te komen. De vader en de pleegmoeder hebben zich ieder ten doel gesteld hun verstandhouding te verbeteren. Ter zitting zijn de vader en de pleegmoeder tot overeenstemming gekomen over de voortgang van de zaak, inhoudende dat het hof een ouderschapsonderzoek zal gelasten teneinde te onderzoeken of een verbetering van voornoemde verstandhouding gerealiseerd kan worden en – vervolgens – te bezien of dit mogelijk van invloed kan zijn op de uiteindelijke beslissing van het hof omtrent het gezag, dan wel de voogdij.

Het betreft hier een deskundigenbericht in de zin van artikel 194 e.v. Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv).

Vanwege de afwezigheid van de moeder heeft haar advocaat tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling telefonisch overleg met de moeder gevoerd. De moeder heeft zich achter de doelen van de vader en de pleegmoeder gesteld en haar akkoord gegeven voor het ouderschapsonderzoek.

Zowel de raad als de GI heeft het gelasten van een ouderschapsonderzoek uitdrukkelijk ondersteund. Door de GI is daarbij benadrukt dat - gelijk het hof ook reeds had vooropgesteld - het van belang is dat [minderjarige] zelf niet deelneemt aan dit onderzoek, teneinde haar niet verder te belasten. Wanneer de verstandhouding tussen de ouders en de pleegmoeder verbetert, ontstaat voor [minderjarige] de ruimte om ook met de vader contact te gaan onderhouden en het contact met de beide ouders op een voor haar en alle betrokken familieleden tevredenstellende wijze invulling te geven. Het lijkt van belang dat er bij [minderjarige] voorlopig geen druk wordt uitgeoefend.

3.8.3.

Betrokkenen hebben er mee ingestemd de vraagstelling aan de deskundige aan het hof over te laten. Het hof wijst op het bepaalde in artikel 198 lid 3 Rv op grond waarvan partijen verplicht zijn aan het ouderschapsonderzoek mee te werken en dat wanneer partijen niet aan deze verplichting voldoen, het hof daaruit de gevolgtrekking kan maken die het hof geraden acht.

3.8.4.

Het hof zal als deskundigen benoemen:

mr. mr. L.J.G. (René) de Haas

[adres]

[postcode] [plaats]

Postbus: [postbus] , [postcode]

tel: [telefoonnummer]

e-mail: [e-mailadres]

en

mr. drs. Ingeborg Sandig

[adres]

[postcode] [plaats]

tel: [telefoonnummer] of mobiel: [telefoonnummer]

e-mail: [e-mailadres]

Het hof zal tevens een raadsheer-commissaris benoemen onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden. De deskundigen kunnen zich, indien daartoe aanleiding is, met de raadsheer-commissaris verstaan over het verloop en de voortgang van het onderzoek.

3.8.5.

De deskundigen - die zich bereid hebben verklaard het onderzoek te verrichten - worden verzocht tijdens de onderzoeksfase gesprekken met de ouders en pleegmoeder te voeren (bij voorkeur in [woonplaats ouders] ) en zo mogelijk met toepassing van mediation- en/of coachingstechnieken te bewerkstelligen dat de ouders en pleegmoeder in het belang van [minderjarige] in staat zullen zijn tot goed overleg en, waar mogelijk, het verleden een plek te geven en zich te richten op de toekomst van [minderjarige] . [minderjarige] dient niet persoonlijk bij het onderzoek betrokken te worden.

De advocaat van de vader dient binnen 14 dagen nadat deze beschikking is gegeven de deskundigen te voorzien van afschriften van de processtukken.

Het hof zal de behandeling van de zaak aanhouden tot 27 maart 2019 pro forma, teneinde het onderzoek door de deskundige te laten plaatsvinden.

3.8.6.

Het hof verzoekt de deskundige te rapporteren en te adviseren omtrent de volgende vragen:

  1. Hoe is de onderlinge verhouding tussen ouders en pleegmoeder? Is er een herkenbaar patroon in de wijze waarop zij met elkaar omgaan?

  2. Kan de onderlinge relatie zodanig worden verbeterd, dat [minderjarige] buiten de strijd van partijen blijft en zij geen last heeft van de (non)communicatie tussen de volwassenen in haar gezinssysteem?

  3. Kan de communicatie tussen de betrokken volwassenen ten aanzien van [minderjarige] zodanig worden verbeterd dat redelijkerwijs verwacht mag worden dat zij in de toekomst het belang van [minderjarige] voorop kunnen stellen?

  4. In hoeverre zijn de betrokken volwassenen in staat elkaar ruimte te bieden voor onbelast contact met [minderjarige] ?

  5. Kan een verbetering van de onderlinge verhoudingen ertoe leiden dat het ouderlijk gezag in stand kan blijven en dat de plaatsing van [minderjarige] bij de pleegmoeder in het vrijwillig kader kan worden voortgezet?

  6. Ingeval het antwoord op de vraag onder e. negatief luidt, is in dat geval nog denkbaar dat de voogdij bij de pleegmoeder wordt belegd of verdient het aanbeveling dat een professionele instantie met de voogdij belast blijft?

  7. In hoeverre komen er uit het onderzoek bevindingen naar voren die niet aan de orde zijn gekomen in de onderzoeksvragen, maar wel van belang zijn met betrekking tot de ontwikkeling en opvoeding van [minderjarige] ?

De deskundigen dienen het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek en - bij gebreke van overeenstemming - de door het hof gestelde vragen te beantwoorden en het hof zo mogelijk te adviseren omtrent de voorziening in het gezag of voogdij over [minderjarige] .

3.8.7.

Bij toepassing van de artikelen 195, 199 en 200 Rv komen de kosten van een dergelijk onderzoek in dagvaardingsprocedures ten laste van partijen. In verzoekschriftprocedures bepaalt artikel 284 lid 1 Rv die bepalingen van overeenkomstige toepassing, tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet. Indien het in het belang van een kind nodig is dat een ouderschapsonderzoek plaatsvindt, biedt deze bepaling het hof de ruimte de kosten van zo een onderzoek geheel of gedeeltelijk ten laste van het Rijk te brengen indien sprake is van geen of verminderde draagkracht aan de zijde van (een van) de ouders.

Het hof is van oordeel dat de onderhavige zaak ten aanzien van beide ouders aan dit criterium voldoet en zal derhalve bepalen dat de totale kosten van de deskundigen, tot een maximum bedrag van in totaal € 4.500,- inclusief voorschotten en btw, ten laste van het rijk zullen komen. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de totale kosten laatstgenoemd bedrag niet te boven zullen gaan. De deskundigen dienen te declareren aan de hand van een tijdsverantwoording en op basis van een uurtarief (of een gedeelte daarvan) van € 107,50 per uur, exclusief btw.

3.9.

Het hof zal dienovereenkomstig beslissen.

4 De beslissing in het principaal en incidenteel appel

Het hof:


gelast een deskundigenonderzoek zoals in het lichaam van deze beschikking bedoeld;

benoemt tot deskundigen mr. mr. L.J.G. (René) de Haas en mr. drs. Ingeborg Sandig, voornoemd;

bepaalt dat de kosten van de deskundigen ten laste zullen komen van ‘s Rijks kas, een en ander met inachtneming van het hiervoor in rechtsoverweging 3.9.7. bepaalde;

benoemt tot raadsheer-commissaris, onder wiens leiding het onderzoek zal plaatsvinden: mr. C.A.R.M. van Leuven;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de partij die het principaal hoger beroep heeft ingesteld binnen 14 dagen na de datum van deze beschikking (een afschrift van) de processtukken ter beschikking van de deskundige zal stellen;

bepaalt dat het de deskundigen vrij staat in het uit te brengen verslag al datgene op te merken wat naar hun beider inzicht dienstig kan zijn, óók indien dit niet rechtstreeks uit de opdracht voortvloeit;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat betrokkenen door de deskundigen in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

bepaalt dat de deskundigen het hof tijdig, dat wil zeggen vóór 27 maart 2019 schriftelijk zullen rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek;

verzoekt de deskundigen bij eventuele vertraging van het onderzoek de raadsheer-commissaris hierover tijdig schriftelijk, met afschrift aan partijen, te informeren onder vermelding van de oorzaak;

verzoekt de deskundigen een afschrift van de rapportage toe te zenden aan de advocaten van partijen alsmede aan de advocaat van de pleegmoeder, alsook aan de Raad voor de Kinderbescherming en de GI;

houdt in afwachting van het verloop en de resultaten van voornoemd deskundigenonderzoek iedere verdere beslissing pro forma aan tot 27 maart 2019.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, C.N.M. Antens en L.Th.L.G. Pellis en is op 27 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.