Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3994

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
200.240.122_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:2416
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezag

Uithuisplaatsing

IPR: IVRK

Het hof toetst aan de artikelen 3 en 20 IVRK of de betrokken instelling bij het voornemen tot het inzetten van gezagsbeëindiging voldoende rekening heeft gehouden met de band tussen de ouders en de kinderen en de kinderen onderling en met hun culturele achtergrond.

Wetsverwijzingen
Verdrag inzake de rechten van het kind 3
Verdrag inzake de rechten van het kind 20
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PFR-Updates.nl 2018-0234
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 27 september 2018

Zaaknummer : 200.240.122/01

Zaaknummer 1e aanleg : C/03/243524 FA RK 17-4625

in de zaak in hoger beroep van:

[de moeder] ,

en

[de vader] ,

beiden wonende te [woonplaats] ,

appellanten,

hierna te noemen: de ouders en afzonderlijk de moeder en de (stief)vader,

advocaat: mr. D. Dronkers,

Als belanghebbenden worden aangemerkt:

- de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Zuidoost Nederland, locatie [locatie] (hierna te noemen: de raad);

- Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg (hierna te noemen: de Gecertificeerde Instelling (GI));

- Familie [de pleegouders 1] (hierna te noemen: de pleegouders van nader te noemen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] );

- Familie [de pleegouders 2] (hierna te noemen: de pleegouders van nader te noemen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] ).

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 1 maart 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 mei 2018, hebben de ouders verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende primair: het gezag over de minderjarigen weer aan de ouders toe te kennen en subsidiair over te gaan tot benoeming van een deskundige teneinde de noodzaak van een gezagsbeëindiging te onderzoeken en met inachtneming van diens advies het gezag alsnog toe te kennen aan de ouders.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 juli 2018, heeft de GI verzocht de bestreden beschikking te bekrachtigen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 21 augustus 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- de ouders, bijgestaan door mr. Dronkers. Voor de vader is L. Warsame opgetreden als tolk in de Somalische taal;

- de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad 1] en [vertegenwoordiger van de raad 2] ;

- de GI, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de GI 1] , [vertegenwoordiger van de GI 2] en [vertegenwoordiger van de GI 3] ;

- de pleegouders van nader te noemen [minderjarige 3] en [minderjarige 4] ;

- de pleegouders van nader te noemen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .

2.4.

Het hof heeft de minderjarigen [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in de gelegenheid gesteld hun mening kenbaar te maken.

[minderjarige 1] heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

[minderjarige 2] heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.5.

Bij aanvang van de mondelinge behandeling is gebleken dat de ouders, hun advocaat, alsook de raad vooraf geen verweerschrift hebben ontvangen van de GI. Derhalve is door het hof een leespauze ingelast zodat alsnog kennis kon worden genomen van de inhoud van het verweerschrift.

3 De beoordeling

3.1.

Uit de moeder zijn geboren;

- [minderjarige 1] (hierna te noemen: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 2] (hierna te noemen: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2007 te [geboorteplaats] .

De (stief)vader heeft [minderjarige 1] en [minderjarige 2] erkend.

Uit de relatie van de moeder en de (stief)vader zijn geboren:

- [minderjarige 3] (hierna te noemen: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2011 te [geboorteplaats] ;

- [minderjarige 4] (hierna te noemen: [minderjarige 4] ), op [geboortedatum] 2014 te [geboorteplaats] .

De (stief)vader heeft [minderjarige 3] en [minderjarige 4] erkend.

3.2.

De kinderen staan sinds 12 november 2014 onder toezicht van de GI. De ondertoezichtstelling is laatstelijk verlengd tot 12 november 2018.

De kinderen zijn op grond van een daartoe strekkende machtiging sinds 25 november 2014 uit huis geplaatst. [minderjarige 1] en [minderjarige 2] in een accommodatie jeugdhulpaanbieder en [minderjarige 3] en [minderjarige 4] in een voorziening voor pleegzorg. Deze machtigingen zijn eveneens verlengd tot 12 november 2018.

3.3.

Bij de bestreden - uitvoerbaar bij voorraad verklaarde - beschikking heeft de rechtbank ambtshalve het gezag van de ouders beëindigd.

3.4.

De ouders kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De ouders voeren in het beroepschrift, zoals aangevuld ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. In de eerste grief stellen de ouders de niet-ontvankelijkheid van het verzoek in eerste aanleg aan de orde. Volgens de ouders is niet inzichtelijk of de juiste procedurele route bewandeld is en of de daarmee samenhangende termijnen in acht zijn genomen.

De ouders zijn voorts van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat zij niet in staat zijn de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen te dragen. De rechtbank gaat daarbij ten onrechte niet uit van de goede ontwikkelingen en emotionele en opvoedkundige vaardigheden van de ouders, zoals door de raad aangemerkt als reden om het perspectief van de kinderen bij de ouders binnen twee jaar te herzien.

Ten onrechte heeft de rechtbank overwogen dat aan de wens van de beide ouders om zelf zorg te dragen voor de kinderen wordt voorbijgegaan, nu het belang van de kinderen bij continuïteit van de opvoedsituatie en duidelijkheid over het opvoedperspectief zwaarder wegen. Hoe instandhouding van het gezag van de ouders een schadelijk effect zou hebben op de kinderen wordt volstrekt ongemotiveerd en onduidelijk overwogen. De ouders verwijzen hierbij naar een notitie “beslissingen over kinderen in problematische opvoedingssituaties”, waaruit blijkt dat er geen argument is aan te voeren dat het opbouwen van een veilige gehechtheid slechts mogelijk is in de eerste kinderjaren.

De ouders zijn van mening dat de rechtbank ten onrechte van het raadsadvies is afgeweken. De rechtbank had het advies van de raad moeten volgen of in ieder geval een nader onderzoek dienen in te stellen naar de wensen en de belangen van de kinderen en de mogelijkheden van de ouders.

Ter zitting heeft de advocaat van de ouders verklaard onaangenaam verrast te zijn met het verweerschrift, waar pas ter zitting kennis van kon worden genomen. Dit had tijdig per post verzonden moeten worden zodat de ouders zich, ook mentaal, hierop hadden kunnen voorbereiden. Er wordt door de GI steeds opnieuw onrust gezaaid en de ouders voelen zich niet serieus genomen. Graag zou de advocaat de contactpersoon van Altacura meegenomen hebben als informant voor de zitting, maar omdat het erop leek dat de GI geen verweer voerde, is dit helaas nagelaten. De rol van voornoemde contactpersoon, mevrouw [contactpersoon van Altacura] , wordt door de GI thans ten onrechte geminimaliseerd. Mevrouw [contactpersoon van Altacura] vervult al geruime tijd een spilfunctie rondom onder meer de omgang tussen de ouders en de kinderen. Bij ieder gesprek van de ouders op kantoor van de advocaat was mevrouw [contactpersoon van Altacura] ook aanwezig en toonde blijk van een betrokken en kritische houding, ook jegens de ouders. De GI insinueert thans dat Pleegzorg de rol van Altacura zou hebben overgenomen, maar dit is onjuiste informatie. De ouders zijn van mening dat de GI ook de hechting tussen de kinderen en de biologische ouders had moeten stimuleren, hetgeen niet is gebeurd.

De ouders zouden graag nader onderzoek willen op grond van artikel 810 a Rechtsvordering (Rv) om de vraag te beantwoorden waar de kinderen het best op hun plek zijn.

De moeder geeft aan dat zij haar kinderen mist en dat zij er wil zijn voor hen. In de vakantie heeft de moeder de kinderen slechts drie keer kunnen zien en dat maakt haar verdrietig.

De (stief)vader geeft aan dat de situatie van de ouders verbeterd is en dat zij een kans willen krijgen van de GI om zelf voor de kinderen te zorgen.

3.6.

De GI voert (in het verweerschrift, zoals aangevuld) ter zitting, - kort samengevat - het volgende aan. Volgens de GI is het verzoek van de raad in eerste aanleg terecht ontvankelijk bevonden door de rechtbank. Hiertoe heeft de GI correspondentie overgelegd.

Volgens de GI, hierbij verwijzende naar een brief vanuit Pleegzorg, dienen opmerkingen vanuit de hulpverlening omtrent de (on)mogelijkheden van de ouders in de juiste context geplaatst te worden. Er is immers een verschil in opvoeden en invulling geven aan omgangsmomenten. De positieve ontwikkelingen inzake de hulpverleningsprocessen van de ouders zegt iets over de persoonlijke ontwikkeling van de ouders waarin op dit moment voortgang gezien wordt. Dit zegt echter niets over de opvoedingsvaardigheden van de ouders. Ten aanzien van de hechting van de kinderen acht de GI het van belang dat het uitgangspunt is dat er geen kritische periode aangetoond kan worden in de ontwikkeling van hechtingsrelaties, doch dat wel bekend is, zoals ook in de door ouders aangehaalde notitie staat beschreven, dat positieve en correctieve gehechtheidsrelaties helpend blijven, maar dat het in de loop der jaren moeilijker wordt en langer zal duren om veilige gehechtheidsrelaties te realiseren, wanneer kinderen negatieve ervaringen hebben opgedaan.

Volgens de GI bevat het besluit van de raad tegenstrijdigheden die voor de GI niet te verenigen zijn met de belangen van de kinderen. Bij het beoordelen van de vraag naar de aanvaardbare termijn dient uit te worden gegaan van het perspectief van de kinderen vanaf het moment van uithuisplaatsing. De aanhoudende procedures en boodschappen vanuit de ouders gericht op thuisplaatsing geven veel onrust en daarmee een onacceptabele belasting voor de kinderen. De GI sluit zich aan bij de overwegingen van de rechtbank dat de ontwikkelingsbelangen van de kinderen prevaleren boven de wens van de ouders om de opvoeding van de kinderen op zich te nemen.

Door het zich herhalende patroon in de relatie tussen de ouders, met de daarmee gepaard gaande onveiligheid voor de kinderen, stelt de GI, anders dan Altacura, niet de ontwikkelingen bij de ouders, maar de continuïteit in de opvoedingssituatie van de kinderen centraal. Hierdoor hecht de GI een andere waarde aan de ontwikkelingen bij de ouders die natuurlijk wel van belang blijven voor een positieve relatie met de kinderen. Het aanhoudend centraal stellen van de ontwikkelingen bij de ouders, betekent uitstel van de uitspraak over het perspectief van de kinderen, hetgeen de GI schadelijk acht voor de kinderen.

De kinderen maken een goede ontwikkeling door in een veilige en stabiele omgeving die de pleeggezinnen hen bieden. Vanuit deze omgeving is het voor de kinderen mogelijk om een goede relatie op te bouwen met de ouders, mits hun perspectief duidelijk is. Daarvoor is het noodzakelijk dat de ouders deze plaatsing accepteren, waarna het mogelijk is om een goede invulling te geven aan hun rol als ouders.

Ter zitting heeft de GI verklaard dat de ouders de uithuisplaatsing van de kinderen moeilijk kunnen accepteren, waardoor de kinderen blijven worstelen met hun loyaliteit.

De GI heeft verklaard dat de rol van de ouders meer ligt in het invoegen in het leven van de kinderen, zoals meegaan naar de sporten van de kinderen. De nadruk zou volgens de GI niet zozeer moeten liggen op contactmomenten bij de ouders thuis. Voor alle kinderen ligt het perspectief niet meer thuis volgens de GI.

3.7.

De raad heeft ter zitting verklaard dat hij het gezien het raadsonderzoek van 2017 beter vond om geen gezagsbeëindigende maatregel in te zetten. Volgens de raad is eerst beter onderzoek nodig. De raad heeft zich wel bij de beslissing neergelegd en geen appel ingesteld omdat deze juridisch wel klopt, maar geeft aan bezorgd te zijn over hoe de omgang nu verder vorm gegeven gaat worden. Met name de oudste kinderen missen de ouders enorm en willen graag contact met hen. Bij de jongste kinderen speelt dit minder en zij vervreemden dus meer van hun ouders. Bovendien is sprake van een Somalisch gezin, met een andere cultuur, waarvan de kinderen thans weinig meekrijgen. Altacura bevestigt dit volgens de raad ook. Verder vindt Altacura dat begeleiding tijdens de omgang niet nodig is omdat het goed gaat en de kinderen en de ouders genieten van de omgangsmomenten. De raad heeft verklaard dat het niet zozeer uitmaakt waar het gezag over de kinderen moet komen te liggen, maar dat belangrijk is dat goed gekeken wordt naar de ouderrol van de ouders en de invulling van de omgangsregeling. De huidige situatie acht de raad niet in het belang van de kinderen. De GI ziet het perspectief van de kinderen niet thuis en de raad vooralsnog op dit moment ook niet, maar zeker ten aanzien van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] zou dit in de toekomst wel een mogelijkheid kunnen zijn. De raad heeft het hof geadviseerd nader onderzoek te gelasten en de beslissing omtrent de gezagsbeëindigende maatregel aan te houden.

3.8.

Het hof overweegt het volgende.

3.8.1.

Ingevolge artikel 1:266 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan het gezag van een ouder over een of meer van zijn kinderen beëindigd worden indien

a. een minderjarige zodanig opgroeit dat hij in zijn ontwikkeling ernstig wordt bedreigd, en de ouder niet de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding, bedoeld in

artikel 1:247 lid 2 BW, in staat is te dragen binnen een voor de persoon en de ontwikkeling van de minderjarige aanvaardbaar te achten termijn, of

de ouder het gezag misbruikt.

3.8.2.

Het hof wijst daarnaast op het bepaalde in artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind (IVRK), inhoudende dat bij alle maatregelen betreffende kinderen de belangen van het kind de eerste overweging vormen , alsmede op artikel 20 IVRK, voor zo ver in deze zaak van belang samengevat inhoudende dat voor het kind dat niet thuis kan wonen er een vorm van zorg dient te zijn die plaatsing in een pleeggezin kan omvatten; bij het overwegen van oplossingen wordt op passende wijze rekening gehouden met de wenselijkheid van continuïteit in de opvoeding van het kind en met de etnische, godsdienstige en culturele achtergrond van het kind en met zijn of haar achtergrond wat betreft de taal. Het hof zal (ook) nagaan of de betrokken instanties bij weging van de voorgestane beëindiging van het gezag van de ouders, in voldoende mate rekening hebben gehouden met deze verdragsregels.

3.8.3.

Op grond van 1:267 lid 1 BW kan beëindiging van het gezag worden uitgesproken op verzoek van de raad of het openbaar ministerie. In het tweede lid is bepaald dat, indien de raad niet tot een verzoek als bedoeld in het eerste lid overgaat nadat hij een verzoek tot onderzoek hiertoe van de gecertificeerde instelling die de ondertoezichtstelling over de minderjarige uitvoert, heeft ontvangen, hij dit schriftelijk meedeelt aan die gecertificeerde instelling. De gecertificeerde instelling kan na ontvangst van die mededeling de raad verzoeken het oordeel van de rechtbank te vragen of beëindiging van het gezag noodzakelijk is. De raad die van de gecertificeerde instelling zodanig verzoek ontvangt, vraagt binnen twee weken na de dagtekening van dat verzoek het oordeel van de rechtbank of een beëindiging van het gezag moet volgen. In dat geval kan de rechtbank de beëindiging van het gezag ambtshalve uitspreken.

3.8.4.

Uit de overgelegde stukken blijkt dat de raad op 18 juli 2017 een verzoek van de GI heeft ontvangen om onderzoek te doen naar een gezagsbeëindigende maatregel ten behoeve van [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . Naar aanleiding van de uitkomsten van dit onderzoek, neergelegd in de rapportage van de raad van 30 oktober 2017, blijkt dat de raad ten aanzien van de vraag of een gezagsbeëindigende maatregel op zijn plaats is, van mening verschilt met de GI en niet over zal gaan tot het indienen van een verzoek tot beëindiging van het gezag van de ouders over [minderjarige 1] , [minderjarige 2] , [minderjarige 3] en [minderjarige 4] . De GI heeft op 23 november 2017 de Raad verzocht deze rapportage ter beoordeling voor te leggen aan de rechtbank Limburg, locatie Roermond .

De raad heeft op 23 november 2017 het oordeel van de rechtbank verzocht.

Nu voldaan is aan de vereisten van artikel 1:267 lid 1 BW faalt grief 1.

3.8.5.

Het hof is gebleken dat het verweerschrift van de GI niet naar de (advocaat van de) ouders en de raad is toegestuurd zodat het standpunt van de GI in de appelprocedure voor de (advocaat van de) ouders noch de raad kenbaar was.

De raad heeft geen verweerschrift ingediend zodat het standpunt van de raad voor de (advocaat van de) ouders en de GI pas op het moment van de mondelinge behandeling bij het hof kenbaar was.

3.8.6.

De GI is blijkens haar verweerschrift van mening dat de bestreden beschikking bekrachtigd dient te worden, nu aan alle voorwaarden die de wetgever heeft gesteld aan een gezagsbeëindigende maatregel is voldaan.

De raad blijft bij zijn mening dat op dit moment een gezagbeëindigende maatregel niet op zijn plaats is.

3.8.7.

Het hof stelt vast dat de raad en de ouders elkaar vinden in het feit dat dat de kinderen meer bij de leefwereld en de cultuur van de ouders betrokken moeten worden. Het hof stelt verder vast dat de GI weliswaar stelt open te staan voor een “andere” contactregeling maar dat een “andere” contactregeling geen uitbreiding van het huidige contact tussen de ouders en de kinderen impliceert.

Het hof is vooralsnog, gezien ook doel en strekking van de genoemde verdragsbepalingen, van oordeel dat de kinderen er belang bij hebben dat zij in deze situatie meer in de leefwereld van de moeder en de (stief) vader betrokken gaan worden dan tot nu toe het geval is geweest. Daarmee ziet het hof ook meer mogelijkheden ontstaan voor contact tussen de kinderen onderling welk contact op dit moment minimaal is.

3.8.8.

Gelet op de impasse tussen de raad en de GI betreffende de vraag of een gezagsbeëindigende maatregel op dit moment op zijn plaats is en gelet op het belang van een uitbreiding van de omgangsregeling tussen de ouders en de kinderen die mede tot doel heeft de kinderen te betrekken in de leefwereld en de cultuur van de ouders, stelt het hof de (advocaat van de) ouders en de GI in de gelegenheid hun verzoeken en stellingen in hoger beroep nader aan te passen en te concretiseren. Het hof beoogt allereerst van ouders en de GI gedaan te krijgen dat zij zich buigen over de vraag wat er daadwerkelijk zou moeten, dan wel kunnen gebeuren om voor elkaar te krijgen dat de kinderen meer gaan mee krijgen van (de cultuur) van de ouders en dat de kinderen onderling ook meer contact zullen hebben. Het verdient de voorkeur dat de ouders en de GI dat traject allereerst trachten gezamenlijk in te gaan en zo mogelijk tot een door ouders en de GI tezamen ondersteund plan van aanpak te geraken. Bij gebreke van (volledige) overeenstemming volstaat afzonderlijke stellingname ten aanzien van zo een plan van aanpak.

Vervolgens wordt de raad in de gelegenheid gesteld door het hof om op de stukken van de ouders en de GI schriftelijk een reactie te geven en het hof nader te adviseren.

3.9.

Dit leidt tot de navolgende beslissing.

4 De beslissing

Het hof:

stelt de (advocaat van de) ouders en de GI in de gelegenheid om uiterlijk 23 november 2018 hun verzoeken en stellingen aan te passen zoals overwogen in r.o. 3.8.8.van deze beschikking onder verzending van een afschrift van de door hen bij het hof ingediende stukken aan de raad;

stelt de raad in de gelegenheid om 10 januari 2019 schriftelijk nader te adviseren waarbij een afschrift van dit nadere advies tegelijkertijd wordt verstuurd aan de (advocaat van de) ouders en de GI;

houdt de zaak pro forma aan tot 10 januari 2019.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en H.J. Witkamp en is op 27 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.