Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3990

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
27-09-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
200.242.652_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2018:4793
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling (regie bij GI tijdens de ondertoezichtstelling)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 27 september 2018

Zaaknummer: 200.242.652/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/03/247905 / FA RK 18-1053

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. A.W.M. Mans,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. J.F.M. Sondeijker.

Als belanghebbende in deze zaak wordt aangemerkt:

Stichting Bureau Jeugdzorg Limburg,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (GI).

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio Midden-Limburg, locatie [locatie] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 22 mei 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 17 juli 2018, heeft de moeder het hof verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende te bepalen dat:

I. een bijzondere curator wordt benoemd voor de hierna genoemde minderjarige [minderjarige 3] om hem zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen (artikel 1:250 van het Burgerlijk Wetboek (BW));

II. [minderjarige 3] ex artikel 809 lid 1 juncto artikel 809 lid 4 Rv wordt gehoord in deze kwestie;

III. de contactregeling tussen de moeder en [minderjarige 3] wordt gewijzigd, in dier voege dat de navolgende contactregeling tussen de moeder en [minderjarige 3] wordt bepaald, eventueel begeleid door [peetoom van de minderjarige 3] , de peetoom van [minderjarige 3] , :

- eenmaal per twee weken verblijft [minderjarige 3] van vrijdag vanuit school tot maandag naar school bij de moeder;

- wekelijks verblijft [minderjarige 3] op woensdag vanuit school tot 19.00 uur bij de moeder;

- op Moederdag, de verjaardag van de moeder en om en om op de verjaardag van [minderjarige 3] verblijft [minderjarige 3] bij de moeder;

- [minderjarige 3] verblijft in de oneven jaren in de Carnavalsvakantie bij de moeder en in de even jaren bij de vader;

- [minderjarige 3] verblijft in de even jaren in de Herfstvakantie bij de moeder en in de oneven jaren bij de vader;

- [minderjarige 3] verblijft jaarlijks in de eerste week van de Meivakantie bij de moeder en de tweede week bij de vader;

- [minderjarige 3] verblijft in de oneven jaren in de eerste drie weken van de Zomervakantie bij de moeder en de laatste drie weken bij de vader, in de even jaren wisselt dit om;

- Sinterklaasavond wordt gevierd bij de ouder waar [minderjarige 3] op dat moment is, dat geldt tevens voor Koningsdag;

- [minderjarige 3] verblijft in het Hemelvaartsweekeinde (donderdag tot en met zondag) in de even jaren bij de moeder;

- [minderjarige 3] verblijft in het Pinksterweekeinde (vrijdagavond tot maandagavond) in de

oneven jaren bij de moeder;

- [minderjarige 3] verblijft de helft van de vrije studiedagen van [minderjarige 3] bij de moeder;

- [minderjarige 3] verblijft Pasen (Goede Vrijdag t/m Tweede Paasdag avond) in de even jaren bij de moeder;

- Kerstmis (gehele kerstvakantie) bij de moeder;

dan wel een andere (begeleide) contactregeling te bepalen tussen moeder en [minderjarige 3] , dan wel een raadsonderzoek te gelasten ter beantwoording van de vraag op welke wijze vorm dient te worden gegeven aan een (begeleide) contactregeling.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 7 augustus 2018, heeft de vader het hof verzocht, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, al de door de moeder in haar beroepschrift aan het hof voorgelegde verzoeken af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure.

2.3.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 2 augustus 2018, heeft de GI het hof verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen en de beschikking waarvan beroep te bekrachtigen eventueel onder aanvulling en/of verbetering van de gronden.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 augustus 2018.

Gelijktijdig met deze mondelinge behandeling heeft de inlichtingencomparitie plaatsgevonden die door het hof was bepaald in de zaak geregistreerd met het zaaknummer 200.238.338/01. In deze zaak is de moeder in appel gekomen tegen het vonnis van de voorzieningenrechter in de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 6 april 2018 (C/03/247307/KG ZA 18-131) gewezen tussen de moeder als eiseres en de GI als gedaagde.

In de zaken zal afzonderlijk worden beslist.

2.5.

Bij gelegenheid van de mondelinge behandeling zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan mr. R.A.J. van der Leeuw, waarnemend voor mr. Mans;

  • -

    de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. Sondeijker;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door [vertegenwoordiger van de raad] ;

  • -

    de GI, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de GI 1] en [vertegenwoordiger van de GI 2] .

2.5.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 3] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan gebruik gemaakt door het hof een brief te sturen, die ter griffie is ingekomen op 26 juli 2018. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van die brief zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.2.

Ter zitting is door het hof besloten alsnog een kopie van de brief van de Kinder- en Jongerenrechtswinkel Limburg d.d. 23 juli 2018 met bijlagen, waaronder een brief van [minderjarige 3] die was gericht aan de rechtbank en die reeds in het bezit was van het hof en de advocaat van de moeder, aan alle overige belanghebbenden te verstrekken.

3 De beoordeling

3.1.

Uit het inmiddels door echtscheiding ontbonden huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] (hierna: [minderjarige 1] ), op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

  • -

    [minderjarige 2] (hierna: [minderjarige 2] ), op [geboortedatum] 2002 te [geboorteplaats] ,

  • -

    [minderjarige 3] (hierna: [minderjarige 3] ), op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] .

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.2.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 6 april 2011 heeft de rechtbank de hoofdverblijfplaats van de kinderen bepaald bij de moeder en is een regeling ter zake van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna ook: contactregeling) betreffende de kinderen getroffen.

3.3.

De kinderen staan sinds 22 oktober 2013 onder toezicht van de GI. De ondertoezicht-stelling van [minderjarige 3] is laatstelijk bij beschikking van 18 oktober 2017 van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, verlengd tot 21 oktober 2018.

3.4.

Bij beschikking van 24 juni 2015 heeft de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, bepaald dat met ingang van 22 juni 2014 de hoofdverblijfplaats van de kinderen bij de vader zal zijn en daarbij is tevens een contactregeling tussen de moeder en de kinderen vastgesteld.

3.5.

Bij beschikking van 22 juli 2016 is door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, de bij voornoemde beschikking van 24 juni 2015 bepaalde contactregeling tussen de moeder en de minderjarigen gewijzigd, in die zin dat de GI voortaan de regie over de omgang zal voeren, waarbij het tempo en de veiligheid van de kinderen leidend zullen zijn.

3.6.

Bij de beschikking waarvan beroep heeft de rechtbank de verzoeken van de moeder om:

- vaststelling van een regeling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken tussen de moeder en [minderjarige 3] in die zin dat [minderjarige 3] eenmaal per veertien dagen van vrijdag vanuit school tot maandag naar school bij de moeder verblijft, alsmede wekelijks op woensdag vanuit school tot 19:00 uur en de helft van de vakanties en feestdagen conform het schema zoals weergegeven in het verzoekschrift en op Moederdag, de verjaardag van de moeder en om en om op de verjaardag van [minderjarige 3] , dan wel een raadsonderzoek te gelasten ter beantwoording van de vraag op welke wijze vorm dient te worden gegeven aan de contactregeling;

- [minderjarige 3] ex artikel 809 lid 1 jo artikel 809 lid 4 Rv te horen in deze kwestie;

- een bijzondere curator te benoemen voor [minderjarige 3] om hem zowel in als buiten rechte te vertegenwoordigen (artikel 1:250 BW),

afgewezen.

3.7.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen.

3.8.

De moeder voert, samengevat, het volgende aan.

Anders dan de rechtbank ziet de moeder wel een noodzaak tot de benoeming van een bijzondere curator. Er is geen vertrouwensband tussen [minderjarige 3] en de gezinsvoogd. Daarbij komt dat de situatie ten opzichte van die ten tijde van de beschikking van 22 juli 2016 is gewijzigd nu de vader thans niet meer open staat voor contact tussen de moeder en [minderjarige 3] en de GI de vader daarin volgt. De GI is niet neutraal en staat duidelijk aan de zijde van de vader. Er is een belangenstrijd ontstaan waarmee het belang van [minderjarige 3] niet (meer) wordt gediend. Een bijzondere curator kan als neutrale derde inzicht geven in de belangen van [minderjarige 3] en deze belangen dienen.

De rechtbank heeft voorts ten onrechte afgezien van het horen van [minderjarige 3] . Ten onrechte overweegt de rechtbank dat uit het door de GI ter zitting gestelde is gebleken dat [minderjarige 3] niet gehoord wil worden en heeft de rechtbank op de mening van [minderjarige 3] geen acht geslagen en die mening niet bij de beoordeling betrokken. De moeder vermoedt dat [minderjarige 3] volledig wordt afgeschermd. Indien het horen van [minderjarige 3] geen optie is dan verzoekt de moeder het hof een raadsonderzoek te gelasten. Immers de moeder weet dat het de wens is van [minderjarige 3] om contact met haar te mogen hebben.

De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat wijziging van de contactregeling niet in het belang van [minderjarige 3] is en heeft ten onrechte het verzoek van de moeder tot wijziging van de beschikking en vaststelling van een structurele contactregeling afgewezen. De moeder voert daartoe aan dat zij de overweging van de rechtbank ten aanzien van de oorzaak van de klempositie waarin [minderjarige 3] verkeert niet begrijpt. Volgens de moeder verkeert [minderjarige 3] in die positie op grond van alle feiten en omstandigheden die tot de belangenstrijd hebben geleid. Enerzijds is [minderjarige 3] loyaal naar de vader en anderzijds heeft hij de wens om contact te mogen hebben met de moeder. De moeder stelt dat de rol van de GI in het leven van [minderjarige 3] deze klempositie versterkt.

De GI zoekt, volgens de moeder, ten onrechte niet naar alternatieven in het contact tussen de moeder en [minderjarige 3] en biedt geen hulp aan [minderjarige 3] om uit de klempositie te komen.

De moeder stelt verder dat er geen sprake is van een verzoek ex artikel 1:377a BW om de omgang te ontzeggen, dan wel van een ontzeggingsgrond. De GI heeft onvoldoende gedaan om naar behoren uitvoering te geven aan haar taak waardoor het contact tussen de moeder en [minderjarige 3] is verbroken.

De moeder acht de overweging van de rechtbank - dat zij zich eerst dient te wenden tot de GI indien zij omgang wenst met [minderjarige 3] en de GI dan kan bezien wat mogelijk is - onbegrijpelijk en zij stelt dat dit op een misslag berust. De moeder had zich immers al in een eerder stadium gewend tot de GI, waarna de GI heeft laten weten dat er geen herstelmogelijkheid was. De moeder stelt dat de rechtbank haar verantwoordelijkheid - die zij heeft in het kader van bevorderen van een deugdelijke contactregeling - niet heeft genomen. De moeder beschouwt de beschikking waarvan beroep daarom als een verkapte ontzegging van de omgang voor onbepaalde tijd. De rechter kan het contact tussen de moeder en [minderjarige 3] uitsluitend ontzeggen op een van de limitatief opgesomde gronden van artikel 1:377a BW en een verzoek daartoe ligt niet voor. Ook op grond van artikel 8 van het Europese Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft de rechtbank een verplichting zich in te spannen om het recht op family life tussen kinderen en ouders mogelijk te maken en te waarborgen. Er zijn geen feiten gesteld waardoor die inspanningsverplichting begrensd zou moeten worden op grond van de limitatieve gronden genoemd in artikel 1:377a BW. De uitspraak vormt dan ook een ongeoorloofde inbreuk op artikel 9 van het Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en artikel 8 EVRM.

Tot slot is de rechtbank volgens de moeder voorbij gegaan aan de door haar aangedragen alternatieven. Temeer nu de peetoom van [minderjarige 3] , [peetoom van de minderjarige 3] , bereid is om de omgang (weer) te gaan begeleiden en ook begeleiding door een onafhankelijke instantie tot de mogelijkheden behoort.

3.9.

De vader heeft de grieven van de moeder gemotiveerd betwist en voert, samengevat, het volgende aan.

Wat betreft de benoeming van een bijzondere curator verwijst de vader naar de voornoemde beschikking van 22 juli 2016. De situatie is sindsdien niet gewijzigd en daarom dient het verzoek van de moeder te worden afgewezen. Voor zover de moeder stelt dat de situatie wel is gewijzigd dan komt dit volgens de vader door haar houding en opstelling. Het is immers de moeder die adviezen niet opvolgt, medewerkers van verschillende instanties respectloos benadert, feiten verdraait en [minderjarige 3] belast met problematiek.

De GI vervult haar taak zoals door de rechtbank destijds is bepaald, aldus de vader.

De vader sluit zich wat betreft het horen van [minderjarige 3] (door het hof) aan bij de stelling van de GI. [minderjarige 3] zou daardoor onevenredig zwaar worden belast.

Het ontbreekt de moeder volgens de vader aan zelfreflectie, zij diskwalificeert de vader en alle betrokkenen. Ook ziet zij haar eigen aandeel in de problematiek niet, de kinderen komen klem te zitten door de eenzijdig gerichte en dwingende, manipulatieve houding van de moeder. Zij trekt haar eigen plan. Uit de jarenlange procedures volgt dat het voor de moeder onmogelijk is om zich te kunnen verplaatsen in het belang van de kinderen; er is geen verbetering zichtbaar in haar opstelling.

De vader voert voorts aan dat de GI de regie moet houden over de contactregeling tussen de moeder en [minderjarige 3] ; [minderjarige 3] is gebaat bij rust. Voor de vader is onbegeleid contact een brug te ver, temeer nu er volgens de GI nog steeds sprake is van een onveilige situatie.

De moeder leert niet van de opgelegde voorwaarden.

De GI voert de regie over de voornoemde contactregeling goed uit, aldus de vader.

Een raadsonderzoek levert volgens de vader niets op nu de grondhouding van de moeder niet verandert.

Tot slot verzoekt de vader het hof de moeder te veroordelen in de kosten van deze procedure, waarbij hij benadrukt dat de moeder en haar advocaat in eerste aanleg niet op zitting zijn verschenen.

3.10.

De raad heeft ter zitting aangevoerd dat uit de stukken de wens van [minderjarige 3] om de moeder te zien duidelijk naar voren komt. De raad vindt het zeer spijtig dat de (begeleide) contactregeling geen doorgang heeft kunnen vinden. De raad acht het van belang dat er wordt gekeken naar het belang van [minderjarige 3] en op welke (veilige) manier er gehoor kan worden gegeven aan zijn wens. Dit kan volgens de raad middels een raadsonderzoek dan wel de benoeming van een bijzondere curator.

3.11.

De GI voert, samengevat, het volgende aan. De GI onderschrijft dat er sprake is van een belangenstrijd tussen de ouders en dat [minderjarige 3] hierdoor klem komt te zitten. In de benoeming van een bijzondere curator ziet de GI geen toegevoegde waarde nu de reden voor het staken van het contact niet is gelegen in het feit dat de wens van [minderjarige 3] onvoldoende wordt gehoord maar in het voor [minderjarige 3] belastende gedrag van de moeder. Zij laat zich daar niet op aanspreken.

Daarbij komt dat [minderjarige 3] een jongen is die moeite heeft zich verbaal te uiten en zijn verhalen kan aanpassen afhankelijk van de persoon die hij spreekt. Om nog een persoon daaraan toe te voegen geeft een risico dat er een parallel proces gaat plaatsvinden binnen hulpverlening.

De GI ziet geen heil in het inschakelen van een instantie voor het begeleiden van het contact aangezien zij in het gedrag van de moeder de oorzaak van de problematiek alsook de oplossing ziet. De moeder laat een herhalend patroon zien. Haar leerbaarheid bij het ontvangen van feedback is nihil. Zij legt alle verantwoordelijkheid voor de oplossing bij de hulpverlening. Nu [minderjarige 3] de effecten van de niet leeftijdsadequate benadering door de moeder en van haar belastende uitspraken op zijn eigen gedrag niet ziet, is het voor hem moeilijk te begrijpen waar de zorgen van de vader en de hulpverlening liggen.

De GI ziet het als haar taak om de belangen van [minderjarige 3] breder te beschermen dan enkel gehoor te geven aan zijn wensen. Het is de taak van de GI om te onderzoeken welk effect het gehoor geven aan de wens van [minderjarige 3] om de moeder te zien heeft op zijn ontwikkeling en veiligheid.

De GI benadrukt dat [minderjarige 3] een kwetsbare jongen is, die belast wordt door de wijze waarop de moeder invulling geeft aan de contactregeling. De moeder laat zich niet aanspreken en neemt geen verantwoordelijkheid. Dit maakt dat de basis om tot een verandering te kunnen komen ontbreekt. Alternatieven voor begeleide omgang zijn niet aan de orde omdat de onderliggende oorzaak daarmee niet aangepakt wordt.

De GI heeft de moeder meerdere malen gewezen op het belang van hulpverlening voor zichzelf en haar verwezen voor hulpverlening. De GI zet dit in middels GGZ-onderzoek. Omdat de moeder echter geen hulpvraag kan formuleren, kan GGZ niets bieden. Waar de moeder spreekt over een eenmalig meningsverschil met AnaCare wijst de GI erop dat er sprake is van een verstoorde relatie.

Ten aanzien van het besluit tot stopzetting van de omgang voert de GI aan dat de regie over de omgang bij haar ligt. Het besluit is gelegen in het feit dat de moeder niet open stond voor feedback van de GI en de moeder in het geheim contacten met [minderjarige 3] organiseerde.

De GI hecht waarde aan de relatie tussen peetoom [peetoom van de minderjarige 3] en [minderjarige 3] . De GI wijst er echter tevens op dat vanwege de familiaire relatie begeleiding van de omgang door de peetoom deze in een lastige positie brengt waar het gaat om het stellen van de noodzakelijke begrenzing aan de moeder. Daarom meent de GI dat de verantwoordelijkheid voor de begeleiding van de omgang niet meer bij de peetoom moet liggen.

3.12.

Het hof overweegt als volgt.

3.12.1.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de vader en de moeder in hun geschil over de vaststelling van een (begeleide) contactregeling tussen de moeder en [minderjarige 3] op diverse punten van mening verschillen.

Ter zitting van het hof blijft de moeder bij haar standpunt dat de uitnodiging van de rechtbank aan [minderjarige 3] om te worden gehoord hem niet heeft bereikt, althans dat hij daarvan niet op de hoogte was. Ook ten aanzien van het horen van [minderjarige 3] door het hof heeft de moeder niet het vertrouwen dat hij hiervan op de hoogte was. De moeder wil dat er (alsnog) naar [minderjarige 3] wordt geluisterd.

De vader betwist dat [minderjarige 3] niet op de hoogte was van de uitnodigingen van de rechtbank en het hof en stelt dat hij deze uitdrukkelijk met [minderjarige 3] heeft besproken. Hij heeft [minderjarige 3] zelf zijn schriftelijke reactie aan het hof laten verwoorden en was niet op de hoogte van de inhoud daarvan.

De ouders blijken niet in staat onderling overeenstemming te bereiken over de invulling van een contactregeling met de moeder. Zij beroepen zich daarbij ieder op de wensen en belangen van [minderjarige 3] die zij ieder op hun eigen manier invullen. Hun standpunten daarover lopen volstrekt niet parallel.

Daarbij komt dat de GI in het kader van de uitvoering van de ondertoezichtstelling is betrokken en krachtens de voornoemde beschikking van 22 juli 2016 de regie over de omgang tussen [minderjarige 3] en de moeder voert. De GI is op de hoogte van de wens van [minderjarige 3] om contact te hebben met de moeder en ziet het als haar taak om te onderzoeken welk effect het gehoor geven aan die wens op zijn ontwikkeling en veiligheid heeft. De GI stelt zich op het standpunt dat omgang tussen de moeder en [minderjarige 3] op dit moment niet in zijn belang is.

3.12.2.

Op de zitting bij het hof is de benoeming van een bijzondere curator besproken. De moeder heeft hierom uitdrukkelijk verzocht nu er volgens haar geen vertrouwensband is tussen [minderjarige 3] en de gezinsvoogd en zij het van groot belang acht dat er naar [minderjarige 3] wordt geluisterd. De vader en de GI achten de benoeming van een bijzondere curator overbodig nu de rechtbank zich daarover reeds heeft uitgesproken.

3.12.3.

Artikel 1:250 BW bepaalt - voor zover hier van belang - het volgende. Wanneer in aangelegenheden betreffende de verzorging en opvoeding van de minderjarige de belangen van de met het gezag belaste ouders of een van hen in strijd zijn met die van de minderjarige, kan de rechter, indien hij dit in het belang van de minderjarige noodzakelijk acht, daarbij in het bijzonder de aard van de belangenstrijd in aanmerking genomen, op verzoek van een belanghebbende of ambtshalve een bijzondere curator benoemen om de minderjarige ter zake, zowel in als buiten rechte, te vertegenwoordigen.

3.12.4.

Het hof constateert dat er een strijd gaande is tussen de ouders van [minderjarige 3] aangaande de mogelijkheid van een contactregeling tussen [minderjarige 3] en de moeder en dat de wensen en de belangen van [minderjarige 3] daarbij door beide ouders volledig verschillend worden ingevuld. Daardoor komt [minderjarige 3] klem te zitten. Het hof heeft op dit moment onvoldoende zicht op de belangen en wensen van [minderjarige 3] . Het hof acht het van belang dat de stem van [minderjarige 3] , zijn wensen en behoeftes ten aanzien van het contact met de moeder, alsmede zijn belangen bij dit contact duidelijker in beeld worden gebracht dan thans het geval is en dat een onafhankelijke derde hierin voor hem opkomt.

3.12.5.

Het hof acht het op grond van het voorgaande in het belang van [minderjarige 3] noodzakelijk om op de voet van artikel 1:250 BW een bijzondere curator te benoemen die [minderjarige 3] kan vertegenwoordigen en die kan bezien wat de wensen en behoeftes van [minderjarige 3] zijn ten aanzien van het contact met de moeder en die kan bezien of vaststelling van een contactregeling, en zo ja welke, in het belang van [minderjarige 3] moet worden geacht. Hoewel het hof zich ervan bewust is, dat de benoeming van aan bijzondere curator met zich brengt, dat [minderjarige 3] wederom met een nieuw persoon in gesprek moet gaan, acht het hof deze benoeming in het belang van [minderjarige 3] noodzakelijk om een weloverwogen beslissing te kunnen geven omtrent het verzoek van de moeder om een contactregeling vast te stellen.

3.12.6.

Het hof zal, alvorens verder te beslissen, dr. J.L.M. Pisters benoemen tot bijzondere curator. De heer Pisters heeft zich bereid verklaard deze opdracht aan te nemen.

De heer Pisters wordt verzocht de belangen van [minderjarige 3] met inachtneming van hetgeen is overwogen in 3.12.5. te behartigen zowel in als buiten rechte. Het hof verzoekt de heer Pisters daartoe gesprekken te voeren met [minderjarige 3] en, indien nodig, de andere betrokkenen. Voorts staat het de bijzondere curator vrij, indien hij dit nodig acht, informatie op te vragen over [minderjarige 3] bij derden om een zo volledig mogelijk beeld te krijgen van zijn situatie en te kunnen beoordelen wat in zijn belang noodzakelijk is.

3.12.7.

Het hof verzoekt de bijzondere curator bij zijn werkzaamheden de “Leidraad werkwijze en verslag bijzondere curator ex artikel 1:250 BW” in acht te nemen.

Deze Leidraad is als bijlage aan de onderhavige beschikking gehecht.

3.12.8.

Het hof wijst de ouders erop dat zij de verplichting hebben aan de door de bijzondere curator in dit opzicht te geven instructies gevolg te geven en de bijzondere curator in staat te stellen in contact met [minderjarige 3] te treden.

3.12.9.

Het hof zal bepalen dat de advocaten van de ouders de bijzondere curator van adres-, e-mail- en/of telefoongegevens zullen voorzien, zodat zo spoedig als mogelijk afspraken kunnen worden gemaakt. Het hof gaat ervan uit dat ook de GI de eigen contactgegevens zal verstrekken.

3.12.10.

Het hof verzoekt de bijzondere curator uiterlijk 1 december 2018 verslag uit te brengen omtrent zijn bevindingen en een afschrift van zijn rapport te sturen aan de ouders, de GI en de raad.

3.12.11.

In afwachting van het rapport van de bijzondere curator zal het hof de verdere behandeling van het onderhavige hoger beroep en iedere verdere beslissing aanhouden. Na ontvangst van het verslag van de bijzondere curator zullen partijen en de GI in de gelegenheid worden gesteld zich ter zake nader uit te laten.

4 De beslissing

Het hof:

benoemt dr. J.L.M. Pisters, p/a Pisters mediation coaching & hypnotherapie, [adres] , [postcode] te [kantoorplaats] , tot bijzondere curator ten behoeve van de behartiging van de belangen van [minderjarige 3] , geboren op [geboortedatum] 2004 te [geboorteplaats] , en met de taakomschrijving als hiervoor beschreven onder rechtsoverweging 3.12.5 en 3.12.6.;

beveelt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking en een afschrift van alle processtukken aan de bijzondere curator zal toezenden;

bepaalt dat (de advocaten van) de ouders per ommegaande de adres-, telefoon- en/of

e-mailgegevens van de ouders aan de bijzondere curator ter kennis brengen, zodat zo spoedig als mogelijk afspraken kunnen worden gemaakt;

verzoekt de bijzondere curator uiterlijk vóór 1 december 2018 aan het hof schriftelijk verslag te doen van zijn bevindingen ;

bepaalt dat de ouders, de raad en de GI, zo nodig, na ontvangst van het afschrift van het verslag van de bijzondere curator uiterlijk 21 december 2018, desgewenst, hierop schriftelijk kunnen reageren, met een afschrift van deze reactie aan de overige belanghebbenden, de raad en de bijzondere curator.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

houdt iedere verdere beslissing aan pro forma tot 10 januari 2019.

Deze beschikking is gegeven door mrs. E.A.M. Scheij, E.L. Schaafsma-Beversluis, P.M.M. Mostermans en is op 27 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.