Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3986

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
25-09-2018
Datum publicatie
26-09-2018
Zaaknummer
20-003312-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Witwassen. De verdachte is er niet in geslaagd een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogste onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het onder hem op het vliegveld te Eindhoven aangetroffen geldbedrag van € 10.442,00. Derhalve kan het niet anders zijn dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Veroordeling wegens schuldwitwassen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken en verbeurdverklaring van het inbeslaggenomen geldbedrag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003312-16

Uitspraak : 25 september 2018

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant, zitting houdende te ’s-Hertogenbosch, van 1 november 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-880424-15 tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Marokko) op [geboortedatum in het jaar] 1981,

wonende te [woonadres] .

Hoger beroep

Bij vonnis waarvan beroep is de verdachte ter zake van witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 weken. Voorts heeft de politierechter het onder de verdachte inbeslaggenomen geldbedrag ad € 10.442,00 verbeurd verklaard.

Namens de verdachte is tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf en, in zoverre opnieuw rechtdoende, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken.

De raadsvrouw van de verdachte heeft vrijspraak bepleit. Subsidiair is een straftoemetingsverweer gevoerd. Met betrekking tot het inbeslaggenomen geldbedrag is verzocht dit bedrag te retourneren aan de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het bestreden vonnis zal worden vernietigd omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de politierechter.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 22 september 2015 op Eindhoven Airport (als uitreizend passagier bij de securitycheck) in de gemeente Eindhoven, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

- van een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld (tot een bedrag van 10.442 euro), de werkelijke aard en/of de herkomst en/of de vindplaats en/of de vervreemding en/of de verplaatsing heeft verborgen en/of verhuld, althans heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) op dat voorwerp was/waren en/of voormeld voorwerp voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat dat voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf, en/of

- een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld (tot een bedrag van 10.442 euro), heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen en/of omgezet, althans van voormeld voorwerp gebruik heeft gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden, dat voormeld voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 22 september 2015 op Eindhoven Airport (als uitreizend passagier bij de securitycheck) in de gemeente Eindhoven, een voorwerp, te weten een hoeveelheid geld (tot een bedrag van 10.442 euro), voorhanden heeft gehad, terwijl hij, verdachte, redelijkerwijs moest vermoeden dat voormeld voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Meer in het bijzonder acht het hof op grond van het procesdossier en het verhandelde ter terechtzitting niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het – kort samengevat – verhullen van de werkelijke aard en/of herkomst en/of vindplaats van de hoeveelheid geld, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat dat geld afkomstig was uit enig misdrijf (eerste gedachtestreepje tenlastelegging).

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

In de bewijsmiddelen, alsook in de hierna opgenomen bewijsoverwegingen, wordt – tenzij anders vermeld – steeds verwezen naar het eindproces-verbaal van de Koninklijke Marechaussee, district Landelijke en Buitenlandse Eenheden, brigade recherche, registratienummer 1605302340.DOS, op ambtseed opgesteld door verbalisant [verbalisant] , wachtmeester der eerste klasse, afgesloten d.d. 16 juni 2016, inhoudende een verzameling op ambtseed dan wel op ambtsbelofte opgemaakte processen-verbaal met daarin gerelateerde bijlagen, met doorgenummerde dossierpagina’s 1-224.

Bewijsoverwegingen

De raadsvrouw van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep vrijspraak bepleit. Daartoe is aangevoerd dat de verdachte over de herkomst van het geldbedrag een aannemelijke verklaring heeft gegeven, namelijk dat het geld gedeeltelijk afkomstig was uit het café van zijn broer en voor het overige geld van zijn vader betrof. Die verklaring is onderbouwd met stukken van de boekhouder. De verdachte kon niet weten en evenmin had hij redelijkerwijs moeten vermoeden dat het geld mogelijk een criminele herkomst had.

Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Voor een veroordeling ter zake van witwassen is vereist dat voldoende komt vast te staan dat het desbetreffende voorwerp – in dit geval het onder de verdachte aangetroffen geldbedrag – afkomstig is uit enig misdrijf. Indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen tussen het aangetroffen geldbedrag en een bepaald misdrijf, kan niettemin bewezen worden geacht dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is. Het is aan het Openbaar Ministerie om daarvan bewijs aan te dragen waaruit zodanige feiten en omstandigheden kunnen worden afgeleid. Als de vastgestelde feiten en omstandigheden het vermoeden van witwassen rechtvaardigen, mag in beginsel van de verdachte worden verlangd dat hij een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de verdachte zich op 22 september 2015 heeft gemeld bij de securitycheck van Eindhoven Airport. De douane trof bij de verdachte in een envelop een contant geldbedrag van € 10.442,00 aan. Het bedrag bestond onder meer uit 17 coupures van € 500,00 en 16 coupures van € 100,00.1

Bij de beantwoording van de vraag of het niet anders kan zijn dan dat dit geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is, is het hof allereerst uitgegaan van het volgende. Veel vormen van criminaliteit gaan gepaard met het bezit van grote hoeveelheden contant geld. Het is een feit van algemene bekendheid dat criminele transacties met ongebruikelijke coupures van grote waarde – zoals onder de verdachte zijn aangetroffen – plegen te worden afgewikkeld. Deze geldbedragen worden vaak contant vervoerd teneinde het geld aan het zicht van de autoriteiten te onttrekken, waarbij luchthavens veelal als door- of uitvoerhaven worden gebruikt.

De verdachte wilde naar Marokko reizen en heeft, hoewel daartoe wettelijk gehouden2, verzuimd om eigenhandig te melden dat hij meer dan € 10.000,00 aan contanten wilde uitvoeren. Voorts is gebleken dat de verdachte sinds 2011 geen geregistreerd inkomen meer in Nederland heeft.3 Gelet hierop en voormelde uitgangspunten in ogenschouw genomen, waarbij nog moet worden opgemerkt dat het op deze wijze vervoeren van een dergelijk groot geldbedrag risico’s met zich brengt zoals verlies en/of diefstal, is het hof van oordeel dat er voldoende aanwijzingen zijn voor het vermoeden van witwassen.

Alle voornoemde feiten en omstandigheden in aanmerking genomen is het hof van oordeel dat het vermoeden gerechtvaardigd is dat het geldbedrag uit enig misdrijf afkomstig is en dat derhalve van de verdachte mag worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van het geld.

De verdachte heeft dienaangaande wisselend verklaard. Net voordat hij werd aangehouden heeft hij tegenover de marechaussee verklaard dat het geld van zijn broer is en uit diens café [naam café] te Rotterdam komt, hij niet weet of het geld giraal is opgenomen of uit de kas van het café komt, hij geen kwitanties of opnamebewijzen heeft en het geld bedoeld is als gift voor zijn vader in Marokko.4 Bij gelegenheid van zijn verhoor door de marechaussee verklaarde de verdachte dat een deel van het geld ook van zijn vader is. Hij wist toen niet te vertellen hoeveel geld van zijn broer of van zijn vader is. De verdachte stelt het bedrag niet giraal te hebben overgemaakt omdat hij geen bankrekening zou hebben. Echter, even later in zijn verhoor verklaarde verdachte dat hij soms geld van zijn familie ontvangt via zijn bankrekening.5 Daaruit volgt dat hij wel een bankrekening heeft. Ter terechtzitting in eerste aanleg heeft de verdachte verklaard dat een bedrag van € 8.000,00 van zijn broer was en het overige, dus een bedrag van € 2.442,00, van zijn vader was.6

In het kader van het onderzoek naar de herkomst van het geld c.q. de verklaringen van de verdachte ter zake, is door de raadsvrouw op 23 november 2015 een (beperkt) kasoverzicht aan de marechaussee toegestuurd, waaruit kan worden afgeleid dat op 20 september 2015 vanuit de kas van het café een contante opname van € 8.000,00 is gedaan.7 Voorts heeft zij een handgeschreven kwitantie overgelegd die op de contante kasopname betrekking zou hebben.8 De marechaussee heeft vervolgens de broer van verdachte uitgenodigd om een verklaring af te leggen en om kasoverzichten te overleggen over een langere periode, maar de broer heeft geen verklaring afgelegd of dergelijke overzichten verstrekt.9

Onderzoek door de marechaussee heeft uitgewezen dat het gelet op de kasstroomratio van 0,60 onwaarschijnlijk is dat er in september 2015 voldoende geld in de kas van het café aanwezig was om daaruit een privéopname van € 8.000,00 te doen, temeer nu een vermindering van de liquide middelen een directe bedreiging zou betekenen voor het voortbestaan van de onderneming.10 Voorts zouden ook de aan de belastingaangiften te ontlenen omzet en winst van de horecaonderneming van de broer van verdachte erop kunnen wijzen dat er niet € 8.000,00 in de kas van het café aanwezig was.11

Het hof constateert dat de verdachte niet consistent heeft verklaard. Meer specifiek verklaarde verdachte wisselend over zijn bankrekening en over welk deel van het bedrag aan wie toebehoorde. De meest specifieke en laatst afgelegde verklaring van de verdachte houdt in dat een bedrag van € 8.000,00 van zijn broer was, afkomstig uit diens café, en de rest (het hof begrijpt: een bedrag van € 2.442,00) van zijn vader. Hoewel deze verklaring a prima facie niet als hoogst onwaarschijnlijk kan worden aangemerkt, stelt het hof vast dat de verdachte enkel de herkomst van het bedrag van € 8.000,00 heeft onderbouwd door te verklaren dat het geld afkomstig was uit het café van zijn broer. Om die stelling te kunnen verifiëren zijn door de verdediging financiële stukken ingebracht. Die stukken geven echter geen uitsluitsel over de vraag of het onder de verdachte aangetroffen bedrag daadwerkelijk uit de kas van het café komt, mede in aanmerking genomen dat het kasoverzicht slechts betrekking heeft op een relatief korte periode. De verdachte, noch diens broer hebben zich beschikbaar gehouden voor de beantwoording van nadere vragen. Daarmee is de verklaring van verdachte dat het bedrag van € 8.000,00 afkomstig is uit het café en – zo begrijpt het hof – verkregen door legale inkomsten, onvoldoende verifieerbaar. Daarbij komt dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat dit bedrag van € 8.000,00 in de kas van het café heeft gezeten, gelet op het hieromtrent uitgevoerde onderzoek door de marechaussee en de belastinggegevens van de broer van de verdachte.

Met betrekking tot het resterende bedrag van € 2.442,00 geldt dat de verdachte in het geheel geen concrete en verifieerbare verklaring heeft afgelegd, zodat het ervoor moet worden gehouden dat ook dit bedrag uit enig misdrijf afkomstig is.

Het voorgaande leidt het hof tot het oordeel dat de verdachte er niet in is geslaagd een voldoende concrete, verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring te geven over de herkomst van het geldbedrag van € 10.442,00. Derhalve kan het niet anders zijn dan dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.

Uit de bewijsmiddelen volgt niet dat de verdachte ook op de hoogte was van de criminele herkomst van het geld, zodat niet bewezen kan worden dat sprake is van opzettelijk witwassen. Daarentegen heeft de verdachte onder de gegeven omstandigheden, meer in het bijzonder het in ontvangst nemen van een contant geldbedrag met het verzoek dit naar Marokko te brengen, welk bedrag bestond uit in het economisch verkeer ongebruikelijke coupures van grote waarde, redelijkerwijs moeten vermoeden dat dit geldbedrag afkomstig was uit enig misdrijf. De verdachte heeft nagelaten zich nader op de hoogte te stellen van de herkomst van het geld, terwijl dit onder de gegeven omstandigheden van verdachte wel verlangd mocht worden. Anders dan de politierechter en de advocaat-generaal is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan schuldwitwassen.


Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer van de verdediging in al zijn onderdelen.

Resumerend acht het hof, op grond van het vorenoverwogene en de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:

schuldwitwassen.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het schuldwitwassen van een bedrag van € 10.442,00. De verdachte had dit geldbedrag op het vliegveld te Eindhoven bij zich toen hij voornemens was om naar Marokko te reizen. Het hof is van oordeel dat zulks niet anders gezien kan worden dan het wegsluizen van crimineel geld. Met het witwassen van criminele gelden tracht men dat illegaal verkregen geld in het legale circuit te brengen. Dat vormt een bedreiging voor de legale economie en tast de integriteit van het financiële en economische verkeer aan. Het hof rekent het de verdachte dan ook ernstig aan dat hij heeft gehandeld zoals bewezen is verklaard.

Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 juli 2018, betrekking hebbende op het justitieel verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat hij eerder meermalen onherroepelijk voor strafbare feiten is veroordeeld. Daaronder bevindt zich een veroordeling ter zake van witwassen. Deze veroordelingen hebben de verdachte er klaarblijkelijk niet van weerhouden om opnieuw strafbare feiten te plegen.

Voorts heeft het hof gelet op de overige persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken. Ten overstaan van het hof heeft de raadsvrouw naar voren gebracht dat de verdachte een baan heeft, voornemens is om mede-eigenaar te worden van het café van zijn broer, een dochter heeft (voor wie hij niet de dagelijkse zorg heeft) en bij zijn moeder inwoont.

Het hof is van oordeel dat, ondanks de naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde en het justitieel verleden van de verdachte, in verband met een juiste normhandhaving en uit het oogpunt van vergelding, niet kan worden volstaan met het opleggen van een andersoortige of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.

Alles afwegende acht het hof, zoals gevorderd door de advocaat-generaal, oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 3 weken passend en geboden, dit ondanks de omstandigheid dat het hof – anders dan de politierechter en de advocaat-generaal – niet komt tot een bewezenverklaring van opzettelijk witwassen, maar van schuldwitwassen.

Beslag

Het hierna in het dictum te noemen geldbedrag ter hoogte van € 10.442,00, bestaande uit muntgeld en diverse coupures, is onder de verdachte in beslag genomen. Niet is kunnen worden vastgesteld aan wie het geldbedrag toebehoort. Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat met betrekking tot dit geldbedrag het bewezenverklaarde witwasfeit is begaan.

Het hof is derhalve van oordeel dat het inbeslaggenomen geldbedrag vatbaar is voor verbeurdverklaring. Mitsdien zal het hof daartoe overgaan. Bij die beslissing heeft het hof rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 10, 24, 33, 33a en 420quater van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht:

verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het ten laste gelegde heeft begaan;

verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) weken;

verklaart verbeurd het inbeslaggenomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten

een geldbedrag van € 10.442,00 (beslagnummer 15080220).

Aldus gewezen door:

mr. P.J. Hödl, voorzitter,

mr. drs. P. Fortuin en mr. J. Platschorre, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. J.N. van Veen, griffier,

en op 25 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

1 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 22 september 2015, p. 17-18.

2 De EG-verordening liquide middelen nr. 1889/2005 van 26 oktober 2005 stelt in artikel 3 dat alle natuurlijke personen die het grondgebied van de lidstaten van de Europese Unie binnenkomen of verlaten en daarbij € 10.000,00 of meer aan liquide middelen meevoeren, daarvan aangifte moeten doen bij de bevoegde (douane)autoriteiten van de lidstaat waar zij de Gemeenschap binnenkomen of verlaten. Volgens de toelichting op genoemd artikel 3 (overweging 6) geldt deze aangifteverplichting voor de natuurlijke persoon die de liquide middelen vervoert, ongeacht of hij de eigenaar ervan is of niet.

3 Proces-verbaal d.d. 22 september 2015, p. 25.

4 Proces-verbaal van aanhouding d.d. 22 september 2015, p. 18.

5 Proces-verbaal van verhoor d.d. 22 september 2015, p. 22-24.

6 Proces-verbaal van de in het openbaar gehouden terechtzitting van de politierechter in de rechtbank Oost-Brabant te ’s-Hertogenbosch van 1 november 2016, p. 2.

7 Proces-verbaal d.d. 8 november 2015, p. 154 en kasoverzicht, p. 162.

8 Proces-verbaal d.d. 8 november 2015, p. 154 en kwitantie, p. 164.

9 Proces-verbaal d.d. 8 november 2015, p. 154.

10 Proces-verbaal van bevindingen d.d. 24 mei 2016, p. 80-83 en proces-verbaal van bevindingen d.d. 26 mei 2016, p. 159-160.

11 Belastingdienstgegevens inzake belastingplichtige [broer verdachte] , p. 84 e.v.