Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3942

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
17/00401
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:2776, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Art. 6.3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet IB 2001. Aftrekbare onderhoudsverplichtingen. Naar het oordeel van het Hof heeft belanghebbende niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een in rechte vorderbare periodieke uitkering die berust op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud van zijn ex-partner. Tot de stukken van het geding behoort geen schriftelijke vastlegging van een afspraak tussen belanghebbende en zijn ex-partner op grond waarvan belanghebbende “haar” deel van de hypotheekrente voldoet. De voldoening van deze rente kwalificeert, naar het oordeel van het Hof, dan ook niet als een aftrekbare onderhoudsverplichting.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-11-2018
V-N Vandaag 2018/2489
FutD 2018-3036
V-N 2019/2.18.4
VFP 2019/7
Vp-bulletin 2019/6 met annotatie van S.G.M.J. Rebbens MSc, J.M.P. Tobben MSc LLM
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00401

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 28 april 2017, nummer BRE 16/1426 in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende na te melden aanslag en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is voor het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.925. Tevens is bij beschikking een verzuimboete opgelegd van € 226 en is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht van € 312. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, bij in één geschrift vervatte uitspraken, de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 47.867, de verzuimboete verminderd tot € 49 en de in rekening gebrachte belastingrente verminderd tot € 198.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 19 juli 2018 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, en, namens de Inspecteur, [A] en [B] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.6.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende is ongehuwd en heeft in de periode september 2006 tot juli 2009 samengewoond met [C] (hierna: de ex‑partner).

2.2.

Belanghebbende en de ex-partner hebben op 22 december 2006 ieder voor de onverdeelde helft de woning aan de [adres] 39 te [plaats] gekocht (hierna: de woning). De aankoop van de woning is gefinancierd met een hypothecaire geldlening waarvoor belanghebbende en diens ex‑partner ieder hoofdelijk aansprakelijk waren.

2.3.

De ex-partner heeft de woning op 1 juli 2009 verlaten. Belanghebbende is in de woning blijven wonen en heeft in 2016 de onverdeelde helft van de woning van de ex‑partner overgenomen en de financiering geheel op zich genomen.

2.4.

Belanghebbende heeft in 2013 niet alleen het door hem verschuldigde deel van de rente betaald, maar ook het deel van de rente dat de ex‑partner verschuldigd was, in totaal € 11.298.

2.5.

Belanghebbende heeft na daartoe te zijn uitgenodigd, herinnerd en aangemaand de aangifte IB/PVV 2013 niet ingediend. Met dagtekening 23 september 2015 heeft de Inspecteur de aanslag IB/PVV 2013 ambtshalve vastgesteld berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 52.925. Gelijktijdig zijn bij beschikkingen een verzuimboete van € 226 opgelegd en belastingrente van € 312 in rekening gebracht.

2.6.

Belanghebbende heeft daartegen bezwaar gemaakt en heeft ter motivering van dat bezwaar alsnog het aangifteprogramma ingevuld. Hij heeft daarbij de gehele woning aangemerkt als eigen woning in de zin van artikel 3.111 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (Wet IB 2001) en de in 2013 betaalde rente van € 11.298 als kosten van de eigen woning in aftrek gebracht.

2.7.

De Inspecteur heeft bij uitspraken op bezwaar de helft van het eigenwoningforfait en de helft van de betaalde rente bij belanghebbende in aanmerking genomen. Het belastbare inkomen uit werk en woning is daarmee vastgesteld op € 47.867 en de beschikking belastingrente is dienovereenkomstig verminderd. Voorts heeft de Inspecteur de verzuimboete tot € 49 gematigd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft, naar belanghebbende ter zitting uitdrukkelijk heeft verklaard, uitsluitend het antwoord op de vraag of het bedrag van de hypotheekrente dat belanghebbende voor zijn ex‑partner heeft betaald door hem terecht als onderhoudsverplichting in aanmerking is genomen.
Ter zitting van het Hof heeft belanghebbende nadrukkelijk verklaard dat de verzuimboete van € 49 niet in geschil is.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot gegrondverklaring van het hoger beroep, vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraken van de Inspecteur, met uitzondering van de uitspraak betreffende de verzuimboete, en vermindering van de aanslag tot een naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 42.765 en dienovereenkomstige vermindering van de in rekening gebrachte belastingrente.
De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

. Op grond van artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet IB 2001 behoren tot de onderhoudsverplichtingen in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.

4.2.

Een redelijke verdeling van de bewijslast brengt met zich dat belanghebbende de feiten en omstandigheden aannemelijk maakt waaruit volgt dat de door hem voor de ex‑partner gedane betalingen worden aangemerkt als in rechte vorderbare periodieke uitkeringen en verstrekkingen die berusten op een dringende morele verplichting tot voorziening in het levensonderhoud.

4.3.

Belanghebbende stelt dat hij zich moreel verplicht voelde om de ex-partner financieel te ontzien, omdat haar inkomsten slechts € 900 per maand bedroegen en zij medische problemen ondervond. Om die reden heeft belanghebbende, zo stelt hij, ook de door zijn ex‑partner verschuldigde rente betaald.

4.4.

Het Hof stelt vast dat tot de stukken van het geding geen schriftelijke vastlegging behoort van een afspraak tussen belanghebbende en de ex‑partner met betrekking tot de betaling door belanghebbende van de door de ex‑partner verschuldigde rente. Evenmin volgt uit de stukken dat belanghebbende en zijn ex‑partner hebben bedoeld en zijn overeengekomen dat ‘haar’ deel van de rente door belanghebbende zou worden voldaan. Uit de inhoud van de conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, in de zaak die de ex-partner tegen belanghebbende heeft aangespannen voor de Rechtbank Limburg, volgt veeleer het tegendeel, namelijk dat belanghebbende in 2009 pogingen heeft ondernomen de ex‑partner financieel te laten bijdragen in de rentebetalingen en woonlasten. Van een nadien gemaakte afspraak, dat belanghebbende zich jegens de ex-partner gehouden acht om - vanwege haar financiële situatie - ‘haar’ deel van de rente te betalen, is niet gebleken. Het Hof neemt daarnaast in aanmerking dat belanghebbende steeds heeft benadrukt, dat hij niet wenste te worden geconfronteerd met een restschuld en de rentebetalingen heeft voortgezet om niet tot verkoop van de woning over te hoeven gaan. Die omstandigheid vormt, hoe begrijpelijk de keuze vanuit de optiek van belanghebbende ook kan zijn, geen aanwijzing voor zijn stelling dat sprake is van een aftrekbare onderhoudsverplichting (berustende op een dringende morele verplichting) in de zin van artikel 6.3, eerste lid, aanhef en onder f, van de Wet IB 2001.

4.5.

Al hetgeen belanghebbende overigens heeft aangevoerd, brengt het Hof niet tot het oordeel dat sprake is van een afspraak tussen belanghebbende en zijn ex‑partner, waaruit een in rechte vorderbare verplichting volgt om ‘haar’ deel van de rente te voldoen.

De rente die de ex‑partner verschuldigd is, maar door belanghebbende is betaald, kan dan ook niet in aftrek worden gebracht.

4.6.

Het Hof merkt ten overvloede op dat het voorgaande tot gevolg heeft dat de helft van de ter zake van de eigenwoningschuld betaalde hypotheekrente feitelijk niet in aftrek wordt gebracht. Advocaat‑Generaal Niessen heeft hierover in zijn conclusie van 26 april 2018, ECLI:NL:PHR:2018:466, in een vergelijkbare zaak, het volgende opgemerkt, waar het Hof zich bij aansluit:

“5.27 De vraag is of de uitkomst waartoe bovenstaande redenering leidt, bevredigend is.

5.28

Nu belanghebbende de hypotheekrente voor het deel van zijn ex-echtgenote voldoet, kan hij dat bedrag niet als hypotheekrente aftrekken, aangezien hij niet betaalt als eigenaar. De ex-echtgenote kan dit evenmin, aangezien zij niet betaalt en de kosten aldus niet op haar drukken. Een aftrek komt bij haar ook niet tot stand door haar alsnog de hypotheekrenteaftrek toe te staan wegens het feit dat hij voor haar bevrijdend betaalt, want zijn betaling aan haar komt dan toch op haar aftrekpost in mindering.

5.29

De slotsom dat de helft van de hypotheekrente niet kan worden afgetrokken, zal naar het mij voorkomt, niet door eenieder in overeenstemming worden geacht met de ratio van de wettelijke regels.

5.30

Een oplossing zou kunnen zijn het wettelijk regime aldus op te rekken dat belanghebbende de rente toch mag aftrekken voor zover deze het eigenwoningforfait te boven gaat. Een argument daarvoor zou kunnen zijn dat het niet de bedoeling van de wetgever kan zijn om in een situatie als de onderhavige waarin twee ex-echtgenoten nog in de overgangsfase van huwelijk naar volledig afgewerkte echtscheiding verkeren, niet de volledige hypotheekrente in aftrek toe te staan. Hiertegen pleit echter dat een dergelijke beslissing verschillende rechtspolitieke keuzes vergt zodat het niet op de weg van de rechter ligt om hierin te treden.”

Belastingrente

4.7.

Het hoger beroep wordt geacht ook betrekking te hebben op de in rekening gebrachte belastingrente. Belanghebbende heeft tegen de in rekening gebrachte belastingrente geen afzonderlijke grieven aangevoerd. Gesteld noch gebleken is dat de bepalingen met betrekking tot de belastingrente onjuist zijn toegepast. De beschikking belastingrente moet daarom worden gehandhaafd.

Slotsom

4.8.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.9.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door hem betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.10.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Aldus gedaan op 21 september 2018 door M.J.C. Pieterse, voorzitter, J. Swinkels en P.A.M. Pijnenburg, in tegenwoordigheid van A.A. van Wendel de Joode, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.