Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3937

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-09-2018
Datum publicatie
14-11-2018
Zaaknummer
17/00260
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:2385, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslag. Inkomstenbelasting. Winst uit onderneming. Geen omkering van de bewijslast, omdat geen aanmaning is verzonden. Op basis van verklaringen van belanghebbende afgelegd bij de politie in het kader van een ander onderzoek, alsook overige verklaringen en gegevens overgelegd door belanghebbende, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende een hogere winst uit onderneming heeft genoten dan hij heeft aangegeven in de aangifte IB/PVV. De achteraf opgestelde administratie is niet betrouwbaar. Het Hof vermindert evenwel de door de Inspecteur vastgestelde winst uit onderneming.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 14-11-2018
FutD 2018-3048
V-N Vandaag 2018/2506
V-N 2019/2.18.11
NTFR 2018/2717
NLF 2018/2470 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00260

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [plaats 1] (Spanje),

domicilie kiezend te [plaats 2] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 28 februari 2017, nummer BRE 15/849, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna te vermelden aanslag en beschikkingen.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 16 oktober 2013 de aanslag in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) opgelegd, alsmede bij beschikking een boete. Bij beschikking is tevens heffingsrente in rekening gebracht. Het betreft de volgende aanslag en beschikkingen:

Soort aanslag

Jaar

Aanslagnummer [aanslagnummer]

Kenmerk Hof

Belasting

Boete

Heffings- rente

aanslag

IB/PVV

2010

H.06

17/00260

21.234

226

34

Na daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur bij uitspraken de aanslag IB/PVV 2010 verminderd, de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep voor zover gericht tegen de aanslag IB/PVV 2010 en de beschikking heffingsrente ongegrond verklaard, het beroep tegen de boetebeschikking gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar ter zake van de boetebeschikking alsmede de boetebeschikking vernietigd, de Inspecteur veroordeeld in de kosten van belanghebbende ten bedrage van € 495 en de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 45 te vergoeden.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 1 juni 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, bijgestaan door zijn gemachtigden [A] en [B] (hierna: [B] ), alsmede, namens de Inspecteur, [C] en [D] . Te dezer zitting zijn gezamenlijk doch niet gevoegd behandeld de hoger beroepszaken van belanghebbende met zaaknummers 17/00260 tot en met 17/00264 en 17/00267 tot en met 17/00273.

1.5.

De Inspecteur heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende was in de jaren 2008 tot en met 2013 woonachtig in Nederland. Belanghebbende had een woning in [plaats 1] , Spanje.

2.2.

Belanghebbende is op 19 februari 2013 door de politie verhoord als verdachte in verband met illegale handel in onder andere auto’s (hierna ook: het politieverhoor). In het proces-verbaal van het verhoor (PV nr. [nummer] ) zijn de volgende vragen (V) en verklaringen van belanghebbende (A) opgenomen:

“V: Hoeveel verdient u netto per maand?

A: Ik verdien op jaarbasis tussen de 30 en 60.000,- Euro. Vorig jaar heb ik ongeveer 50.000 Euro verdiend. Dit was een redelijk bedrag de jaren daarvoor in de periode 2006 tot en met 2008 verdiende ik meer, zo tussen de 70 en 80.000,- Euro netto.

(…)

V: Wat kunt u verklaren over uw vermogenspositie?

A: Ik vind dat deze goed is. Ik wil op een gegeven moment de positie bereiken dat ik niet meer hoef te werken en kan leven van mijn geld en niet meer moeten werken. Ik ben er nog niet. Ik ben al wel een eind op scheut. Als ik nu wil stoppen zou dat kunnen maar zou ik op een vrij eenvoudige manier kunnen leven. Ik bedoel dan in een klein huisje met zonnecollectoren op het dak en een moestuintje. Mijn voorkeur heeft Spanje.

V: Wat kunt u vertellen over de maandelijkse uitgaven ? hypotheek, vaste lasten, eten, reizen etc?

A: Als ik eea even snel optel schat ik ongeveer tussen de 15 en 1750 Euro.

V: Kunt u van deze inkomsten rondkomen of hebt u nog andere uitkeringen of bijbanen?

A: Ik kan daarvan rondkomen.

V: Wat voor werk doet u precies?

A: Ik ben autohandelaar. (…)

V: Hoe komt u aan de voertuigen? (waarop selecteert u, alleen Spaanse voertuigen, leeftijd, prijsklasse?)

A: Ik kijk wat mij wordt aangeboden. Ik kijk wat interessant is voor de markt en de export. De auto’s moeten goedkoop zijn. Momenteel zijn de Spaanse taxies in trek, Bijvoorbeeld een [merk auto 1] en een [merk auto 2] . Deze auto’s verkoop ik zo door. De kopers knappen de auto’s weer op en verkopen deze weer door.

V: Zijn deze voertuigen voor eigen gebruik? Met welk oogmerk worden deze voertuigen gekocht?

A: Ik koop de auto’s in Spanje met als doel deze weer te verkopen. Per maand verkoop ik in de meest gunstige periode 1 vrachtwagen per 2 weken. Dit zijn ongeveer 9 auto’s In de minst gunstige periode verkocht ik 9 auto’s in anderhalve maand. Een taxi koop ik in voor 1500 a 2000 Euro en verkoop in voor ongeveer 2600 Euro. Mijn marge bedraagt ongeveer 700 Euro. Hiervan gaan de kosten voor het transport en de advertentiekosten De kosten voor het vervoer van Spanje naar Nederland bedragen Euro 220,- per auto.”

2.3.

Op 19 februari 2013 heeft eveneens een gesprek tussen belanghebbende en de Belastingdienst plaatsgevonden in verband met een door de Belastingdienst ingesteld woonplaatsonderzoek. In dat gesprek heeft belanghebbende het volgende verklaard:

“ [belanghebbende] verklaart dat hij momenteel in Spanje wel een autohandel heeft, maar géén bedrijf. Hij koopt auto’s in van een contactpersoon in [plaats 3] en zet deze vervolgens op internet. Het zijn voornamelijk taxi’s.

Dan verkoopt hij deze auto’s met een winstmarge van +/- € 400 á € 500 naar voornamelijk Oosteuropese landen. Het gaat om zo’n 30 tot 40 auto’s per jaar, nu in de crisistijd loopt dat wel wat terug, volgens [belanghebbende]

Wanneer een dergelijke auto op transport moet, wat zo’n 11 á 12 keer per jaar gebeurt, moet [belanghebbende] € 225 per auto betalen voor vervoer naar adres van de koper.

Er bestaat in Spanje geen administratie verplichting, volgens [belanghebbende] , dus houdt hijzelf óók geen administratie bij”

2.4.

In een rapport van 25 juni 2013 met daarin de bevindingen van het woonplaatsonderzoek, heeft de Inspecteur geconstateerd dat belanghebbende niet in Spanje doch in Nederland bij zijn moeder woonachtig was op het adres [adres] 12, te [plaats 4] en dat zijn onderneming vanuit Nederland werd uitgeoefend.

2.5.

Belanghebbende is op 14 juni 2013 uitgenodigd tot het doen van aangifte IB/PVV 2010. Na het verstrijken van de in de uitnodiging en de herinnering vermelde termijn is aan belanghebbende geen aanmaning verzonden.

2.6.

Naar aanleiding van de verklaringen van belanghebbende bij de politie en de bevindingen van het woonplaatsonderzoek, zijn aan belanghebbende diverse belastingaanslagen opgelegd over de jaren 2008 tot en met 2013, waaronder de onderhavige aanslag waarbij € 60.000 als resultaat uit overige werkzaamheden (hierna: RUOW) in aanmerking is genomen.

2.7.

Op 31 juli 2014 heeft de Belastingdienst overleg gehad met [B] , de toenmalige gemachtigde van belanghebbende, naar aanleiding van de ingediende aangifte IB/PVV 2009. De medewerker van de Belastingdienst heeft in een interne e-mail van 1 augustus 2014 zijn bevindingen van dit overleg neergelegd. Daarin komt de desbetreffende medewerker tot de conclusie dat de administratie over 2009 onvolledig en oncontroleerbaar is, onder meer omdat er geen kasboek is en van veel transacties geen inkoop- en verkoopfacturen aanwezig zijn.

2.8.

Belanghebbende heeft in augustus 2014 alsnog een aangifte IB/PVV 2010 ingediend naar een verzamelinkomen van negatief € 23.337, bestaande uit een belastbare winst uit onderneming van negatief € 30.254, negatieve inkomsten uit eigen woning van € 530 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 7.447.

2.9.

Tot de stukken van het geding behoren door belanghebbende opgestelde overzichten van door hem verkochte auto’s.

2.10.

Op 29 oktober 2014 heeft een hoorgesprek plaatsgevonden. In het verslag van dit gesprek is het volgende vermeld:

“8. Grondslag van de aanslagen

Belanghebbende heeft bij het verhoor door de politie/Belastingdienst het verhaal rooskleuriger voorgesteld dan dat het in werkelijkheid is geweest. Hij was tenslotte in de veronderstelling dat hij niet belastingplichtig was in Nederland.

De omzet in de herziene aangiften zijn vastgesteld aan de hand van de in- en verkoop bescheiden, de bankafschriften, een boekje (schriftje) en de RDW gegevens van de in Nederland ingevoerde en verkochte auto’s. Daarnaast is de adviseur middels een kasopstelling de geldstromen nagegaan. Er is in Nederland alleen verkocht, auto’s zijn niet ingevoerd maar rechtstreeks verkocht naar hoofdzakelijk Duitsland, maar ook naar Polen, Oekraïne, Rusland en Litouwen. Als een auto in Spanje wordt verkocht en rechtstreeks wordt geleverd komt deze niet voor in de RDW gegevens. Verkocht is er aan particulieren en ondernemers. Niet van alle verkopen zijn facturen aanwezig.

In 2011 heeft belanghebbende gemiddeld 1 auto per week verkocht. In de periode 2008-2010 is er minder verkocht dan in 2011. De OB-omzet 2009 van € 239.000 betreft een aansluiting bij de oude adviseur, de heer [E] .

Belanghebbende hanteert de volgende marges:

- voor kleine auto’s: +/- € 50

- voor midden auto’s: € 200 tot € 300

- voor dure auto’s: € 1.000 tot € 2.000”

2.11.

Tot de stukken van het geding behoort een door de Inspecteur opgestelde vermogensvergelijking. Daarin komt de Inspecteur tot de volgende conclusies:

2008

2009

2010

2011

2012

winst volgens aangifte

€ 18.985

€ 11.202

€ -23.140

€ -10.225

€ 16.952

uitgaven

€ 50.000

€ 50.000

€ 48.500

€ 48.800

netto privé

€ -31.015

€ -38.798

€ -71.640

€ -56.225

€ -30.648

2.12.

De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de gecorrigeerde inkomsten niet langer als RUOW aangemerkt, maar als winst uit onderneming, en heeft de zelfstandigenaftrek en MKB-winstvrijstelling toegepast. De winst uit onderneming vóór ondernemersaftrek is vastgesteld op € 50.000 en de belastbare winst uit onderneming op € 37.644. Het belastbaar inkomen uit sparen en beleggen is vastgesteld op € 1.524.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag of de aanslag IB/PVV 2010 op het juiste bedrag is vastgesteld.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag ontkennend moet worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de aanslag IB/PVV 2010 conform de ingediende aangifte alsmede vermindering van de beschikking heffingsrente. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Vaststaat dat belanghebbende voor het jaar 2010 is uitgenodigd tot het doen van aangifte, maar na het uitblijven van een aangifte binnen de daartoe gestelde termijn niet is aangemaand. Hierdoor kan geen sprake zijn van omkering van de bewijslast op de grond dat de vereiste aangifte niet is gedaan (zie Hoge Raad 14 april 2017, nr. 16/05276, ECLI:NL:HR:2017:675). De Inspecteur dient aan de hand van de normale regels van stelplicht en bewijslast aannemelijk te maken dat de aanslag niet te hoog is vastgesteld.

4.2.

Het Hof stelt voorop dat het de Inspecteur vrij staat om in (hoger) beroep nieuwe standpunten in te nemen en nadere onderbouwingen te geven ten aanzien van de door hem opgelegde belastingaanslag (vgl. Hoge Raad 10 december 2010, nr. 09/05017, ECLI:NL:HR:2010:BO6786). De Inspecteur heeft ter onderbouwing van de hoogte van de aanslag IB/PVV 2010 gewezen op de onder 2.2 genoemde verklaring van belanghebbende bij de politie. Belanghebbende heeft tegenover de politie verklaard dat hij netto op jaarbasis tussen de € 30.000 en € 60.000 heeft verdiend. Hoewel de vragen zijn gesteld in het kader van een ander onderzoek, waarbij de Nederlandse belastingheffing over de inkomsten geen rol speelde, neemt dat niet weg dat belanghebbende in duidelijke bewoordingen op deze vragen heeft geantwoord. Deze antwoorden zijn ook in overeenstemming met de overige verklaringen van belanghebbende afgelegd bij de politie en vervolgens bij de Belastingdienst omtrent zijn handelsactiviteiten in Nederland, alsook de omzet van € 338.650 en winst van € 36.902 in het door belanghebbende ingebrachte overzicht van de administratie en de door de Inspecteur opgestelde (globale) vermogensvergelijking.

4.3.

Mede gelet op de door belanghebbende gegeven bandbreedte van inkomsten, is het Hof echter van oordeel dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de door belanghebbende genoten winst uit onderneming vóór ondernemersaftrek € 50.000 bedraagt. Daartoe overweegt het Hof voorts dat belanghebbende ter zitting met betrekking tot zijn handelsactiviteiten onweersproken heeft verklaard dat 2006 tot en met 2008 goede jaren waren en het tot het begin van de periode van de crisis voor hem goed ging, maar dat ongeveer vanaf halverwege 2010 of 2011 de handel een beetje inzakte. Hij had evenwel als voordeel dat hij weinig kosten had. Gelet hierop, alsmede de bevestiging ter zitting van het aantal verkopen van auto’s en de marges op de verkoop van taxi’s, alsmede op het feit dat belanghebbende ook nog andere auto’s heeft verkocht en de door belanghebbende tijdens het hoorgesprek genoemde marges, acht het Hof aannemelijk dat belanghebbende een winst uit onderneming vóór ondernemersaftrek van € 40.000 heeft genoten.

4.4.

Het Hof volgt daarmee niet de door belanghebbende in de aangifte IB/PVV 2010 vermelde negatieve winst uit onderneming. Hoewel de in de e-mail van 1 augustus 2014 uiteengezette feiten en omstandigheden en geconstateerde gebreken ten aanzien van de administratie over 2009 niet kunnen zien op het jaar 2010, acht het Hof, zonder nadere onderbouwing, ook de administratie over 2010 niet betrouwbaar. Belanghebbende heeft zelf tegenover de politie verklaard dat hij geen administratie heeft bijgehouden en zoals uit de stukken en de verklaring van [B] ter zitting volgt, is achteraf een administratie opgesteld aan de hand van verschillende bronnen, zoals de gegevens van de RDW, een boek met de kladadministratie, een kladkasboek en bij- en afschrijvingen op de bankrekeningen. Echter, niet van alle verkopen zijn facturen aanwezig. Bovendien komen deze cijfers niet overeen met de onder 4.2 en 4.3 aangehaalde verklaringen van belanghebbende en het door belanghebbende ingebrachte overzicht van administratie, waaruit volgt dat de handel in auto’s in 2010 redelijk goed verliep. Gelet hierop, had het op de weg gelegen van belanghebbende om zijn stelling dat de administratie betrouwbaar was nader te onderbouwen met gegevens. Aan het voorgaande doet niet af dat de Inspecteur bij het hoorgesprek geen nadere vragen heeft gesteld en/of geen nader onderzoek heeft ingesteld. Belanghebbende heeft in (hoger) beroep voldoende gelegenheid gehad om een nadere onderbouwing te geven.

4.5.

Naar het oordeel van het Hof volgt uit de stukken van het geding ook niet dat de Inspecteur onzorgvuldig heeft gehandeld in de bezwaarfase. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat in de bezwaarfase meer feiten en omstandigheden bij de Inspecteur bekend waren, welke naast de bevindingen ten aanzien van de administratie over 2009 onderdeel uitmaken van de onderbouwing van zijn standpunten. De Inspecteur heeft voorts niet in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld door geen nadere vragen te stellen en geen onderzoek in te stellen.

4.6.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen dient de aanslag IB/PVV 2010 te worden verminderd. Uitgaande van een winst uit onderneming vóór ondernemersaftrek van € 40.000, zelfstandigenaftrek van € 7.222 en een MKB-winstvrijstelling van € 3.934, bedraagt de belastbare winst uit onderneming € 28.844. Nadat de aanslag IB/PVV 2010 is opgelegd, heeft belanghebbende de aangifte IB/PVV 2010 ingediend, waarin negatieve inkomsten uit eigen woning van € 530 zijn vermeld. Nu deze aangifte mede dient te worden gezien als motivering van het bezwaar en de Inspecteur deze inkomsten verder niet heeft betwist, zal het Hof deze inkomsten tevens in aanmerking nemen bij zijn beslissing. Het belastbaar inkomen uit werk en woning bedraagt dan (belastbare winst uit onderneming € 28.844 + negatieve inkomsten uit eigen woning € 530 =) € 28.314.

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat het hoger beroep gegrond is. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd, behoudens de beslissingen omtrent de boetebeschikking, het griffierecht en de proceskosten. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Inspecteur inzake de aanslag IB/PVV 2010 en de beschikking heffingsrente vernietigen, de aanslag IB/PVV 2010 verminderen tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.314 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.524.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

Nu de uitspraak van de Rechtbank gedeeltelijk wordt vernietigd, dient de Inspecteur aan belanghebbende het door hem ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 124 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.10.

Daarbij wordt uitgegaan van drie samenhangende zaken waarin belanghebbende gedeeltelijk in het gelijk is gesteld. Dit betreft naast de onderhavige zaak het beroep van belanghebbende met zaaknummers 17/00267 en 17/00270, waarin het Hof ook heden uitspraak heeft gedaan.

4.11.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, op 2 (punten) x € 501 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.002.

4.12.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

4.13.

Het Hof zal in deze zaak en in elk van de overige hiervóór genoemde zaken een proceskostenvergoeding toekennen van € 334.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent de boetebeschikking, het griffierecht en de proceskosten,

  • -

    verklaart het tegen de uitspraken van de Inspecteur ingestelde beroep gegrond,

  • -

    vernietigt de uitspraken van de Inspecteur betreffende de aanslag IB/PVV 2010 en de beschikking heffingsrente,

  • -

    vermindert de aanslag IB/PVV 2010 tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 28.314 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 1.524,

  • -

    vermindert de beschikking heffingsrente dienovereenkomstig,

  • -

    gelast dat de Inspecteur aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 124 vergoedt, en

  • -

    veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 334.

Aldus gedaan op 21 september 2018 door P.C. van der Vegt, voorzitter, M. Harthoorn en F.P.G. Pötgens, in tegenwoordigheid van S.J. Willems-Ruesink, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.