Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3923

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
20-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
200.220.554_01
Rechtsgebieden
Internationaal privaatrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.220.554/01

zaaknummer rechtbank : C/01/315763 / FA RK 16-6454

beschikking van de meervoudige kamer van 20 september 2018

inzake

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (Duitsland),

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. C.H.J.M. van Heugten te Sittard,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. M.M.H. Lenaers te Weert.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 mei 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

De man is op 1 augustus 2017 in hoger beroep gekomen van voormelde beschikking.

2.2

De vrouw heeft op 15 september 2017 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3

De man heeft op 25 oktober 2017 een verweerschrift in het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 13 april 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 1 juni 2018 met bijlagen, ingekomen op 4 juni 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 18 juni 2018 met bijlagen, ingekomen op 19 juni 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 19 juni 2018 met bijlage, ingekomen op 19 juni 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 26 juni 2018 met bijlagen, ingekomen op 27 juni 2018.

2.5

De mondelinge behandeling heeft op 5 juli 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.6

Na de mondelinge behandeling zijn met toestemming van het hof ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de man van 9 juli 2018 met bijlagen, ingekomen op 10 juli 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 16 juli 2018, ingekomen op 16 juli 2018.

3 De feiten

3.1

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2

Het huwelijk van partijen is op 29 december 2016 ontbonden door echtscheiding.

3.3

Bij de echtscheidingsbeschikking van 11 augustus 2016 heeft de rechtbank onder meer bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna: partneralimentatie) aan de vrouw dient te voldoen een bedrag van € 600,-- per maand.

4 De omvang van het geschil zowel in principaal als incidenteel hoger beroep

4.1

Bij de bestreden beschikking is met wijziging van voormelde beschikking van 11 augustus 2016 de partneralimentatie

- over de periode van 29 december 2016 tot 1 april 2017 bepaald op € 152,04 per maand;

- over de periode van 1 april 2017 tot 1 november 2017 bepaald op € 104,76 per maand;

- vanaf 1 november 2017 bepaald op € 152,04 per maand.

4.2

De grieven van de man in het principaal hoger beroep zien op de draagkracht van de man. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en alsnog te bepalen dat de man geen, of althans onvoldoende draagkracht heeft om partneralimentatie aan de vrouw te betalen, althans een zodanige beslissing te nemen als het hof juist acht, met veroordeling van de vrouw in de proceskosten van beide instanties, althans kosten rechtens.

4.3

De vrouw verzoekt de man in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door de man verzochte af te wijzen als onbewezen en/of ongegrond. De grieven van de vrouw in het incidenteel hoger beroep zien op de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man. Zij verzoekt de bestreden beschikking gedeeltelijk te vernietigen en te bepalen dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw een bedrag van € 600,-- per maand dient te voldoen als partneralimentatie, althans een zodanig bedrag als het hof juist acht, zulks met veroordeling van de man in de kosten van de beroepsprocedure.

4.4

De man verzoekt de grieven van de vrouw in incidenteel hoger beroep te verwerpen.

4.5

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep per onderwerp bespreken.

5 De motivering van de beslissing in principaal en incidenteel hoger beroep

Rechtsmacht

5.1

Het internationale karakter van de zaak vraagt een beoordeling van de rechtsmacht van de Nederlandse rechter. Ingevolge artikel 3 verordening (EG) nr. 4/2009 van de Raad van 18 december 2008 betreffende de bevoegdheid, het toepasselijke recht, de erkenning en de tenuitvoerlegging van beslissingen, en de samenwerking op het gebied van onderhoudsverplichtingen (Alimentatieverordening) is bevoegd de rechter van de gewone verblijfplaats van de alimentatiegerechtigde. Nu de vrouw haar gewone verblijfplaats in Nederland heeft, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe met betrekking tot de onderhavige verzoeken.

Ingangsdatum

5.2

De door rechtbank vastgestelde ingangsdatum, 29 december 2016, is niet in geschil zodat het hof deze datum als uitgangspunt neemt.

Hoogte van de (aanvullende) behoefte vrouw

5.3

De vrouw heeft ter zitting haar grief met betrekking tot haar (aanvullende) behoefte ingetrokken, zodat tussen partijen niet langer in geschil is dat de vrouw in ieder geval een aanvullende behoefte heeft van € 600,-- per maand.

Draagkracht van de man

5.4.1

De draagkracht van de man is in geschil.

Inkomen

5.4.2

De vrouw voert aan dat de man tot zijn knieoperatie op 20 juli 2017 werkzaamheden heeft verricht bij [beton] Beton en daaruit (zwarte) inkomsten heeft genoten. Bij de status van de man bij Whatsapp stond in maart 2017 nog “Bei der Arbeid”. Verder is de man op 11 augustus 2017 65 jaar geworden, vanaf welk moment de man pensioen en wellicht een AOW-uitkering ontvangt. Bij gebrek aan informatie over het exacte inkomen van de man dient hij in staat te worden geacht een partneralimentatie te voldoen van € 600,-- bruto per maand.

5.4.3

De man voert aan dat hij in 2015 eenmalig twee dagen werkzaamheden heeft verricht, maar doordat hij hier vanwege zijn zware fysieke klachten niet meer toe in staat was, is dit daarna niet meer gebeurd. Vanaf het moment waarop de man in Duitsland woont, 1 maart 2015, hoeft hij geen belastingaangifte te doen, zodat de man geen aangiften over 2015 en 2016 kan over leggen. Doordat de man maar zeven jaar in Nederland heeft gewerkt komt hij niet in aanmerking voor een AOW-uitkering en ook in Duitsland ontvangt men niet langer vanaf 65 jaar ouderdomspensioen. De man ontvangt enkel een pensioen van het pensioenfonds vervoer.

5.4.4

Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw haar stelling dat de man vanaf 2015 tot zijn knieoperatie werkzaamheden heeft verricht en daarvoor inkomsten heeft genoten onvoldoende onderbouwd, gelet op de gemotiveerde betwisting daarvan door de man. Gelet hierop zal het hof over de periode van 29 december 2016 tot 1 augustus 2017, zijnde de eerste van de maand waarin de man 65 jaar is geworden, uitgaan van een inkomen van € 1.264,79 netto per maand, bestaande uit de volgende niet in geschil zijnde inkomenscomponenten:

- Duits invaliditeitspensioen DRV Westfalen van € 460,59 netto per maand;

- Invaliditeitsuitkering AXA België van € 721,77 netto per maand;

- WIA-uitkering van € 82,43 netto per maand.

Op grond van de door de man overgelegde stukken van het pensioenfonds vervoer is voldoende komen vast te staan dat de man vanaf de maand waarin de man 65 is geworden, derhalve vanaf 1 augustus 2017, naast voormeld netto inkomen van € 1.264,79 per maand, een ouderdomspensioen van € 55,08 netto per maand ontvangt, zodat het totale inkomen van de man vanaf 1 augustus 2017 € 1.319,87 netto per maand bedraagt.

Lasten

5.5.5

Het hof stelt voorop dat bij de beoordeling van de draagkracht van de man met het oog op het vaststellen van zijn wettelijke verplichting om bij te dragen in het levensonderhoud van zijn gewezen echtgenote, in beginsel rekening dient te worden gehouden met alle redelijke uitgaven die ten laste van de man komen.

5.5.6

Het hof houdt rekening met de volgende niet in geschil zijnde lasten:

- het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande;

- het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande;

- een huur van € 395,-- per maand;

- over de periode van 1 april 2017 tot 1 november 2017 de aflossing op de schuld aan ziektekostenverzekeraar CZ van € 50,-- per maand.

5.5.7

De man voert aan dat rekening moet worden gehouden met bijzondere reiskosten en voert in dit verband het volgende aan.

Nu de man vanwege zijn mobiliteitsbeperking voor medische bezoeken is aangewezen op een privé-invalidentaxi, waarvoor hij geen financiële tegemoetkoming van overheidswege ontvangt. Verder dient rekening te worden gehouden met een bedrag van € 145,32 per maand in verband met extra autokosten. De man rijdt op dit moment niet zelf in zijn auto en hij weet niet of hij daar in de toekomst nog toe in staat zal zijn, maar hij hoopt van wel. In de regio van de man is het openbaar vervoer uitermate beperkt, nog afgezien van de hoge kosten die hieraan verbonden zijn. Met de door de man aangeschafte tweedehands “rolstoel/scootmobiel” kan de man geen grote afstanden afleggen.

Voorts voert de man aan dat uit de door hem overgelegde stukken blijkt dat hij genoodzaakt is om een beroep te doen op zorg- en huishoudelijke hulp en dat voldoende aannemelijk is dat hij hiervoor maandelijks € 400,-- betaalt. De man ontvangt hiervoor geen vergoeding van overheidswege maar kan fiscaal onbelast een huishoudhulp nemen. De kosten zijn iets afgenomen doordat de heer [medebewoner] bij de man in het gebouw woont en voorheen mevrouw [voormalige medebewoner] kwam die ook reiskosten had.

De man heeft ook geen recht op de vergoeding van € 125,-- per maand van AOK Gesundheidskasse (Leistungen 2017, Pflegegrad 1) zoals vermeld op het zesde blad van productie 26 van de man.

De man voert verder aan dat nog niet helemaal duidelijk is of de Duitse belastingaanslagen over de jaren 2011 tot en met 2014 van in totaal € 2.392,-- terecht zijn en of de man deze daadwerkelijk moet betalen. Op dit moment vindt hierop geen afbetaling plaats.

5.5.8

De vrouw betwist dat rekening moet worden gehouden met de door de man opgevoerde bijzondere reiskosten en voert het volgende aan. De man heeft deze kosten en zijn medische bezoeken niet nader onderbouwd. Ook is de vrouw ermee bekend dat in Duitsland wel degelijk financiële voorzieningen zijn voor mensen met een ernstige handicap, zoals gratis reizen, passagiersbijstand en vervoer naar het ziekenhuis. Voor de door de man opgevoerde extra autokosten van € 145,32 per maand en de aanschaf van de “rolstoel/scootmobiel” bestaat geen noodzaak en daarbij heeft de man niet inzichtelijk gemaakt dat op de schuld in verband met de aanschaf van de “rolstoel/scootmobiel” wordt afgelost, zodat hiermee geen rekening dient te worden gehouden.

De vrouw bestrijdt voorts de door de man gestelde extra zorgkosten. Uit de door de man overgelegde stukken blijkt niet van een noodzaak voor deze kosten. Daarbij bestaat er wel degelijk een tegemoetkoming voor deze kosten via de ziektekostenverzekering. Ook blijkt uit de overgelegde kwitanties niet dat de man deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt.

Gelet op de inkomsten van de man is het onbegrijpelijk hoe de man de door hem opgevoerde lasten zou kunnen betalen en dat hij daarnaast ook nog een “rolstoel/scootmobiel” heeft aangeschaft. De man komt in ieder geval in aanmerking voor de laagste vergoeding van € 125,-- per maand uit de AOK Gesundheidskasse.

Verder voert de vrouw aan dat met de Duitse belastingschuld geen rekening gehouden dient te worden omdat deze nog niet vaststaat, er op dit moment nog geen aflossingsverplichting is en er evenmin feitelijk wordt afgelost. Ter zitting heeft de vrouw aangevoerd dat indien de man de betaling van de Nederlandse aanslagen op zich neemt, hiermee rekening kan worden gehouden.

5.5.9

Naar het oordeel van het hof heeft de man de noodzaak voor het aanhouden van zijn auto wegens zijn lichamelijke beperkingen onvoldoende aangetoond, zodat geen rekening wordt gehouden met de door de man opgevoerde autokosten. Evenmin heeft de man de noodzaak van de bijzondere reiskosten, zorg- en huishoudelijke hulp en aanschaf “rolstoel/scootmobiel” voldoende aangetoond, noch aannemelijk gemaakt dat hij deze kosten daadwerkelijk maakt alsook dat daartegenover geen vergoeding staat. Het betoog van de vrouw dat de man in aanmerking komt voor de vergoeding van € 125,-- per maand van AOK Gesundheidskasse, heeft de man onvoldoende gemotiveerd betwist. Als er al kosten zijn die niet voor afzonderlijke vergoeding in aanmerking komen, dan is niet gebleken dat deze hoger zijn dan voormelde algemene vergoeding van € 125,-- per maand. Gelet op het voorgaande houdt het hof geen rekening met voormelde lasten.

Nu de Duitse belastingaanslagen nog niet onherroepelijk zijn en de man daarop thans niet aflost, houdt het hof evenmin rekening met enig bedrag aan aflossing op deze schuld. Ten aanzien van de Nederlandse belastingschuld van totaal € 1.060,-- zal het hof, nu de vrouw daarmee heeft ingestemd, rekening houden met een aflossing van € 83,74 per maand over de periode van 1 maart 2018 tot en met 1 april 2019.

5.6

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man:

- over de periode van 29 december 2016 tot 1 april 2017 een draagkrachtruimte van € 161,-- per maand, waarvan 60%, ofwel € 97,-- per maand beschikbaar voor de betaling van partneralimentatie;

- over de periode van 1 april 2017 tot 1 augustus 2017 een draagkrachtruimte van € 111,-- per maand, waarvan 60%, ofwel € 67,-- per maand beschikbaar voor de betaling van partneralimentatie;

- over de periode 1 augustus 2017 tot 1 november 2017 een draagkrachtruimte van € 166,-- per maand, waarvan 60%, ofwel € 100,-- per maand beschikbaar voor de betaling van partneralimentatie;

- over de periode van 1 november 2017 tot 1 maart 2018 een draagkrachtruimte van € 216,-- per maand, waarvan 60%, ofwel € 130,-- per maand beschikbaar voor de betaling van partneralimentatie;

- vanaf 1 maart 2018 een draagkrachtruimte van € 132,-- per maand, waarvan 60%, ofwel € 79,-- per maand beschikbaar voor de betaling van partneralimentatie.

Aftrekbaarheid

5.7.1

De man voert verder aan dat zijn netto beschikbare draagkracht niet gebruteerd dient te worden aangezien hij de door hem te betalen partneralimentatie in Duitsland niet als fiscale aftrekpost kan opvoeren. Alleen indien meer dan 90% van het inkomen uit Nederland afkomstig is, is partneralimentatie in Duitsland aftrekbaar.

5.7.2

De vrouw voert aan dat hetgeen de man naar voren brengt, ziet op de aftrekbaarheid in Nederland. De man kan in Duitsland, alwaar hij belastingplichtig is, de onderhoudsbijdrage wel aftrekken indien de alimentatiegerechtigde ermee instemt dat zij er belasting over moet betalen.

5.7.3

Het hof is van oordeel dat de man zijn stelling dat hij de door hem te betalen partneralimentatie niet als fiscale aftrekpost kan opvoeren met onvoldoende concrete feiten of omstandigheden heeft onderbouwd. Evenals de rechtbank zal het hof aansluiting zoeken bij de tarieven zoals die in Nederland in de eerste belastingschijf worden geheven, zijnde 36,55 procent, nu geen van partijen het hof heeft voorgelicht over voorwaarden ten aanzien van de aftrekbaarheid gelden of met welk belastingtarief gerekend moet worden.

5.7.4

De door de man te betalen partneralimentatie bedraagt derhalve:

- over de periode van 29 december 2016 tot 1 april 2017 € 153,-- per maand;

- over de periode van 1 april 2017 tot 1 augustus 2017 € 106,-- per maand;

- over de periode 1 augustus 2017 tot 1 november 2017 € 158,-- per maand;

- over de periode van 1 november 2017 tot 1 maart 2018 € 205,-- per maand;

- vanaf 1 maart 2018 € 125,-- per maand.

Bewijsaanbod

5.8

Het hof acht het bewijsaanbod van de man, zo daar al aan wordt toegekomen, niet althans onvoldoende concreet en gespecificeerd, gelet op de eisen die daaraan in hoger beroep mogen worden gesteld.

6 De slotsom

in het principaal en het incidenteel hoger beroep

6.1

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, zal het hof de bestreden beschikking vernietigen en beslissen als volgt.

6.2

Het hof zal de proceskosten in beide instanties compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn en de procedure de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw betreft.

6.3

Het hof heeft een vijftal berekeningen van de draagkracht van de man gemaakt. Gewaarmerkt exemplaren van deze berekening zijn aan deze beschikking gehecht en maken daarvan deel uit.

7 De beslissing

Het hof:

vernietigt de tussen partijen gewezen beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 11 mei 2017 en opnieuw beschikkende:

wijzigt de beschikking van de rechtbank van 11 augustus 2016, voor wat betreft de daarbij vastgestelde door de man te betalen bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw, en bepaalt dat de man aan de vrouw als uitkering tot haar levensonderhoud zal voldoen:

- over de periode van 29 december 2016 tot 1 april 2017 € 153,-- per maand;

- over de periode van 1 april 2017 tot 1 augustus 2017 € 106,-- per maand;

- over de periode 1 augustus 2017 tot 1 november 2017 € 158,-- per maand;

- over de periode van 1 november 2017 tot 1 maart 2018 € 205,-- per maand;

- vanaf 1 maart 2018 € 125,-- per maand,

de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de kosten van het geding in beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.N.M. Antens en M.I. Peerboom-van Drunick, bijgestaan door de griffier, en is op 20 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.