Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3860

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
200.237.962_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2018:148, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Het bestreden (verzet)vonnis is onjuist, maar appellant mag door zijn eigen beroep niet in een mindere positie komen te verkeren dan waarin hij door dat (verzet)vonnis is gebracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/361
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.237.962/01

arrest van 18 september 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna: [appellant] ,

advocaat: mr. A.C.F. Berkhof te Goes,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna: [geïntimeerde] ,

in rechte niet verschenen,

op het bij dagvaardingsexploot van 20 maart 2018 ingeleide hoger beroep van het vonnis van de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 3 januari 2018, gewezen tussen [geïntimeerde] als opposant en [appellant] als geopposeerde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer 5951300/17-2207)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld verzetvonnis en het daaraan voorafgegane comparitievonnis van 10 mei 2017 alsmede het verstekvonnis van 15 september 2016, gewezen onder zaaknummer 5371039/16-5490 tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde] als gedaagde.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    het dagvaardingsexploot,

  • -

    het tegen [geïntimeerde] verleende verstek,

  • -

    de conclusie van eis/memorie van grieven van [appellant] met zes grieven en producties.

2.2

Na gevraagd arrest heeft het hof een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op de bovenvermelde stukken en die van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

Als gesteld en niet of onvoldoende betwist, gaat het hof uit van de navolgende feiten.

  1. Tot aan haar overlijden op [datum overlijden betrokkene] 2010 had wijlen mevrouw [betrokkene] (hierna: [betrokkene] ) een affectieve relatie met [appellant] en voerden zij een gemeenschappelijke huishouding.

  2. [geïntimeerde] is de zoon en enig erfgenaam van [betrokkene] en heeft haar nalatenschap zuiver aanvaard.

  3. Op 29 oktober 2010 sloot [appellant] met Uitvaartverzorging [uitvaartverzorging] (hierna: [uitvaartverzorging] ) een overeenkomst waarbij [uitvaartverzorging] zich tegenover [appellant] verbond om de uitvaart van [betrokkene] te verzorgen.

  4. Voor de op 4 november 2010 verzorgde uitvaart bracht [uitvaartverzorging] bij factuur d.d. 13 december 2010 aan [appellant] € 8.566,33 aan uitvaartkosten in rekening. Omdat [appellant] die uitvaartkosten onbetaald liet, vorderde [uitvaartverzorging] in rechte betaling van [appellant] (hierna: de hoofdzaak). Bij het in de hoofdzaak (onder zaaknummer 4990708 CV EXPL 16-2462 gewezen) uitvoerbaar bij voorraad verklaarde vonnis van 11 januari 2017 is, samengevat, [appellant] op vordering van [uitvaartverzorging] veroordeeld tot betaling aan [uitvaartverzorging] van € 10.868,37 aan hoofdsom, te vermeerderen met wettelijke rente vanaf 24 maart 2016 en met € 1.468,73 aan proceskosten. Tegen dat vonnis in de hoofdzaak is geen hoger beroep ingesteld.

3.2.1

Bij het in deze vrijwaringszaak op 15 september 2016 gewezen, uitvoerbaar bij voorraad verklaarde, verstekvonnis is, samengevat, [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] alles te betalen waartoe [appellant] in de hoofdzaak tegen [uitvaartverzorging] wordt veroordeeld en tot betaling van € 620,74 aan proceskosten.

3.2.2

Bij het bestreden (verzet)vonnis is, samengevat, het verstekvonnis vernietigd en is [geïntimeerde] veroordeeld om aan [appellant] € 7.066,33 te betalen onder compensatie van proceskosten.

3.3

In dit hoger beroep concludeert [appellant] in hoofdlijn dat het hof het bestreden (verzet)vonnis zal vernietigen en opnieuw rechtdoende en zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, het verstekvonnis zal bekrachtigen en [geïntimeerde] zal veroordelen tot betaling van de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep.

3.4

Het hof overweegt dat [appellant] door zijn eigen beroep niet in een mindere positie mag komen te verkeren dan waarin hij door het bestreden (verzet)vonnis is gebracht. Dit geding beperkt zich daardoor tot de vordering voor zover die daarbij is afgewezen voor het meerdere dan de onder compensatie van proceskosten aan [appellant] toegewezen € 7.066,33.

Met zijn conclusie dat het hof het verstekvonnis zoveel mogelijk zal bekrachtigen, legt [appellant] aan het hof de vordering voor om het bestreden verzetvonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de veroordeling in het verstekvonnis te bekrachtigen. In dat verstekvonnis is [geïntimeerde] , uitvoerbaar bij voorraad, veroordeeld tot betaling aan [appellant] van

  1. € 10.868,37 aan hoofdsom vermeerderd met wettelijke rente vanaf 24 maart 2016 en met € 1.468,73 aan proceskosten (overeenkomstig het in de hoofdzaak tussen [uitvaartverzorging] en [appellant] gewezen vonnis),

  2. € 620,74 aan proceskosten van de eerste aanleg,

Voorts vordert [appellant] de veroordeling van [geïntimeerde] tot betaling van

de proceskosten in hoger beroep.

3.5

De met vordering a. gevorderde hoofdsom van € 10.868,37 bestaat uit de door [appellant] ingevolge het vonnis in de hoofdzaak aan [uitvaartverzorging] betaalde of te betalen € 8.566,33 aan uitvaartkosten, € 972,02 aan buitengerechtelijke (incasso)kosten en € 1.330,02 aan tot 17 maart 2016 berekende wettelijke rente.

3.6.1

Wat betreft de € 8.566,33 aan uitvaartkosten treft het door [geïntimeerde] in eerste aanleg gevoerde verweer dat [appellant] als (op de rouwkaart genoemde) levenspartner van [betrokkene] de opdracht voor haar uitvaart gaf, geen doel. Dat [appellant] die opdracht aan [uitvaartverzorging] gaf vormt wel de grond voor de aan [uitvaartverzorging] toegewezen vordering in de tegen [appellant] aanhangig gemaakte hoofdzaak, maar zegt nog niets over de onderlinge rechtsverhouding tussen [appellant] en [geïntimeerde] en meer in het bijzonder de kwestie of en in hoeverre [geïntimeerde] tegenover [appellant] verplicht is bij te dragen in die aan [uitvaartverzorging] betaalde kosten.

In zoverre spitst dit geding zich toe op [appellant] ’s stelling dat [geïntimeerde] als erfgenaam verplicht is hem te vrijwaren voor de door hem betaalde uitvaartkosten, omdat die uitvaartkosten een (boedel)schuld van de nalatenschap ex artikel 4:7 lid 1 sub b BW vormen. Nu [geïntimeerde] niet betwist dat hij bij zodanige (boedel)schuld tot die vrijwaring verplicht is, spitst dit geding zich meer in het bijzonder toe op de partijen verdeeld houdende kwestie of en in hoeverre de door [appellant] betaalde uitvaartkosten een (boedel)schuld van de nalatenschap in de zin van de voornoemde wetsbepaling vormen.

3.6.2

Anders dan de kantonrechter, komt het hof aan de beoordeling van die kwestie echter niet toe. Zelfs als de door [appellant] betaalde uitvaartkosten een (boedel)schuld van de nalatenschap ex artikel 4:7 lid 1 sub b BW vormen, verplicht die enkele betaling [geïntimeerde] nog niet zonder meer tot vergoeding van de door [appellant] betaalde uitvaartkosten. Anders dan de kantonrechter klaarblijkelijk aanneemt, regelt voornoemd wetsartikel alleen wat rechtens als (boedel)schuld van een nalatenschap geldt en geeft het daarvoor ook een rangregeling, maar bevat het als zodanig nog geen tot een vergoeding verplichtende rechtsgrond. Daarvoor is een afzonderlijke (te stellen en bij betwisting eventueel te bewijzen) rechtsgrond vereist, terwijl de op die rechtsgrond gebaseerde vordering tot vergoeding van uitvaartkosten vervolgens alleen toewijsbaar is als het door de devolutieve werking voorliggende verjaringsverweer dat [geïntimeerde] in eerste aanleg voerde, faalt.

3.6.3

Voor zover [appellant] meent dat hij onverschuldigd aan [uitvaartverzorging] heeft betaald, geeft enkel dat hem tegenover erfgenaam [geïntimeerde] nog geen recht om een bedrag als onverschuldigd betaald van erfgenaam [geïntimeerde] (op) te vorderen. Dat [appellant] betaalde op grond van de aan [uitvaartverzorging] gegeven opdracht maakt bovendien dat de betaling aan [uitvaartverzorging] niet onverschuldigd werd gedaan.

3.6.4

Gesteld noch gebleken is dat de tot vergoeding verplichtende rechtsgrond is gelegen in een tussen partijen gesloten overeenkomst. Blijkens het proces-verbaal heeft (de advocaat van) [appellant] ter comparitie in eerste aanleg juist ook nadrukkelijk verklaard:

De vordering is niet gebaseerd op een gemaakte afspraak”.

3.6.5

Nu gesteld noch gebleken is dat [appellant] de betaling aan [uitvaartverzorging] willens en wetens ter behartiging van het belang van de nalatenschap(sboedel) althans van erfgenaam [geïntimeerde] heeft gedaan, kan de tot vergoeding door [geïntimeerde] verplichtende rechtsgrond ook niet in zaakwaarneming zijn gelegen. Voor zover [appellant] aanvoert dat “[geïntimeerde] niet in de gelegenheid was” stelt hij daartoe in ieder geval onvoldoende.

3.6.6

Voor zover [appellant] overigens meent schuldeiser van de nalatenschap te zijn, concretiseert of adstrueert [appellant] verder geen relevante feiten die daarvoor een grond(slag) kunnen bieden. Alleen voor zover [appellant] bij herhaling benadrukt dat [geïntimeerde] als erfgenaam uiteindelijk de door hem betaalde uitvaartkosten als (boedel)schuld van de nalatenschap dient te dragen, bedoelt [appellant] mogelijk nog dat erfgenaam [geïntimeerde] met de door [appellant] aan [uitvaartverzorging] betaalde uitvaartkosten ongerechtvaardigd werd verrijkt, hetgeen [geïntimeerde] op grond van artikel 6:212 BW tot schadevergoeding aan hem zou verplichten. Een dergelijke (rechts)vordering verjaart ingevolge artikel 3:310 lid 1 BW echter (door louter tijdsverloop van) vijf jaren na de dag waarop de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Waar onweersproken is dat [appellant] op of omstreeks 13 december 2010 al bekend was met zowel de door [uitvaartverzorging] gefactureerde uitvaartkosten als de daarvoor aansprakelijk geachte erfgenaam [geïntimeerde] , maar hij [geïntimeerde] pas in juni of juli 2016 met die kosten confronteerde, zijn de door [appellant] van [geïntimeerde] gevorderde uitvaartkosten door verjaring dan echter niet (meer) toewijsbaar.

3.7

Nu in het verlengde van het voorgaande ook de op die uitvaartkosten gebaseerde vordering voor het overige niet toewijsbaar is, [appellant] overigens niets aanvoert dat tot een ander oordeel leidt en [appellant] door dit beroep niet in een mindere positie mag komen te verkeren dan waarin hij door het bestreden (verzet)vonnis is gebracht, concludeert het hof dat het hoger beroep moet worden verworpen. Het hof komt aan een beoordeling van de afzonderlijke grieven verder niet toe, zal het bestreden (verzet)vonnis in stand laten, de vordering in hoger beroep afwijzen en zal [appellant] als in het ongelijk te stellen partij in de (voor [geïntimeerde] op nihil te stellen) proceskosten van het hoger beroep veroordelen. Het hof beslist als volgt.

4 De uitspraak

Het hof:

verwerpt het hoger beroep en wijst de vordering in hoger beroep af;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op nihil.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, R.J.M. Cremers, en L.S. Frakes en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 september 2018.

griffier rolraadsheer