Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3855

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
21-09-2018
Zaaknummer
200.210.111_01
Formele relaties
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:3787
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wanprestatie wegens verzet tegen bestemmingsplan terwijl dit in overeenkomst was uitgesloten. Onvoldoende gesteld voor misbruik van omstandigheden en bedrog. Geen dwaling. Schade voldoende aannemelijk voor verwijzing naar schadestaat.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RVR 2018/94
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.210.111/01

arrest van 18 september 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. M.A. Berkvens-van Wijk te 's-Hertogenbosch,

tegen

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde in principaal hoger beroep,

appellante in incidenteel hoger beroep,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. M. Schroevers te Middelburg,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 februari 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 30 november 2016, door de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, gewezen tussen [appellant] als gedaagde en [geïntimeerde] als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/02/311724/HA ZA 16-113)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met producties, tevens houdende memorie van grieven in incidenteel hoger beroep;

  • -

    de memorie van antwoord in incidenteel hoger beroep.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

Tegen de door de rechtbank vastgestelde feiten is geen grief ingediend, zodat het hof van die feiten uitgaat. Kort samengevat gaat het in deze zaak om het volgende. [geïntimeerde] is eigenaar van de [supermarkt] -supermarkt in [plaats] . [appellant] is eigenaar van het tuincentrum [tuincentrum] aan de [adres] in dezelfde plaats. Tussen [geïntimeerde] en [appellant] heeft overleg plaatsgehad om zowel de [supermarkt] als de [tuincentrum] te verplaatsen naar een perceel aan de [laan] te [plaats] . Onderdeel van dit plan was dat [neef van appellant] (hierna: [neef van appellant] ), een neef van [appellant] , de exploitatie van de [tuincentrum] zou overnemen en van [geïntimeerde] bedrijfsruimte zou huren aan de [laan] . Tussen [appellant] als verhuurder en [neef van appellant] als huurder is een huurovereenkomst gesloten inzake de bedrijfsruimte aan de [adres] voor de duur van twee jaar, ingaande op 1 december 2014.

Op 26 januari 2015 is tussen [appellant] als verhuurder en [derde] als huurder een huurovereenkomst gesloten voor de duur van vijf jaar ingaande op 1 februari 2015 met betrekking tot een deel van het perceel van [appellant] .

Op 28 maart 2015 is tussen partijen een overeenkomst gesloten (hierna: de Overeenkomst), die mede is ondertekend door [neef van appellant] , onder meer inhoudende als volgt:

In aanmerking nemende dat:

(…)

  • -

    De gemeente [gemeente] bereid is de planologische procedures voor de locaties [laan] , [straat] en [weg] in samenhang met een omgevingsvergunning voor het bouwen van een pand voor de huisvesting van de supermarkt, de [de vennootschap 2] en [tuincentrum] aan de [laan] te starten;

  • -

    [geïntimeerde] met de heer [neef van appellant] een huurcontract is overeengekomen voor de huur van het deel van het te bouwen pand aan de [laan] dat bedoeld is voor [tuincentrum] ;

  • -

    Er in alle voorgesprekken duidelijk is gemaakt dat er na verhuizing van de [tuincentrum] van de locatie [weg] naar de locatie [laan] op de locatie [weg] geen detailhandel meer mogelijk is, (…)

De Partijen wensen de afspraken te bekrachtigen en sluiten onderhavige overeenkomst onder de navolgende bedingen, bepalingen en voorwaarden:

(…)

1.2

Partijen zullen zich zowel gezamenlijk als ieder persoonlijk inzetten om hetgeen in deze overeenkomst is overeengekomen te realiseren.

Artikel 2 Relatie met de overeenkomst tussen [neef van appellant] en [appellant] en verdere bepalingen

2.1

[neef van appellant] heeft een huurcontract met [appellant] voor de huur van het gehele tuincentrum.

2.2

[appellant] zal alle medewerking verlenen om ‘de vergunning’ welke door de gemeente [gemeente] is afgegeven ten behoeve van een tuincentrum op de [adres] te [plaats] te laten wijzigen in een vergunning ten behoeve van de exploitatie van een tuincentrum aan de [laan] te [plaats] naast de nieuw te bouwen supermarkt door [geïntimeerde] . 2.3 De heer [neef van appellant] zal het tuincentrum aan de [laan] exploiteren.

(…)

Artikel 3 Planologische mogelijkheden [adres]

3.1

In het bestemmingsplan Herontwikkeling [straat] - [laan] - [weg] in [plaats] , waarvan het voorontwerp op 19 februari 2015 ter inzage is gelegd, heeft het perceel aan de [adres] (…) woonbestemming gekregen. (…)

3.2

[appellant] zal deze bestemming en de bijbehorende bepalingen niet aanvechten in de planologische procedure.

3.3.

[appellant] zal het gebruik van de gronden in overeenstemming brengen met de bestemming nadat de exploitatie van [tuincentrum] is verplaatst naar de nieuwbouw aan de [laan] .

(…)

[appellant] heeft zich, net als [derde] , tegen het bestemmingsplan, voor zover het de [weg] betreft, verzet en dit herhaald in zijn zienswijze van 14 augustus 2015. Bij brief van gelijke datum heeft de toenmalige advocaat van [appellant] de buitengerechtelijke vernietiging ingeroepen van de Overeenkomst wegens misbruik van omstandigheden, bedrog dan wel dwaling. Op 14 december 2015 is het gewijzigde bestemmingsplan Herontwikkeling [straat] – [laan] in [plaats] van kracht geworden, waarin de verplaatsing van de [adres] naar de locatie aan de [laan] niet meer is opgenomen, waarna [geïntimeerde] met de bouw is gestart. Op 1 juni 2016 is de [supermarkt] aan de [laan] geopend. [neef van appellant] huurt een deel van de [supermarkt] van [geïntimeerde] . De bestemming van het perceel van [appellant] aan de [weg] is ongewijzigd gebleven; [appellant] drijft de [tuincentrum] nog steeds.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [geïntimeerde] dat de rechtbank bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad

a. zal verklaren voor recht dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenissen ingevolgde de overeenkomst van 28 maart 2015 met [geïntimeerde] , althans onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld,

b. [appellant] zal veroordelen tot vergoeding van de door [geïntimeerde] als gevolg van die tekortkoming geleden schade, welke schade nader dient te worden opgemaakt bij staat en te worden vereffend volgens de wet,

c. [appellant] zal veroordelen in de proceskosten.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft [geïntimeerde] , kort samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

[geïntimeerde] stelt dat [appellant] door het voortzetten van zijn onderneming, het verhuren aan [derde] en het zich verzetten tegen de wijziging van de bestemming van het perceel [adres] in strijd heeft gehandeld met al eerder gemaakte mondelinge afspraken en met het bepaalde in de Overeenkomst, doch in ieder geval jegens haar onrechtmatig heeft gehandeld. De verhuur aan [derde] heeft bewerkstelligd dat ook deze een zienswijze tegen de wijziging van de bestemming van de [weg] heeft ingediend. Hierdoor is de wijziging van de bestemming van, en daarmee het staken van detailhandelsactiviteiten op de [weg] niet doorgegaan en heeft [geïntimeerde] haar plannen voor de [laan] noodgedwongen moeten aanpassen, in die zin dat de winkelruimte kleiner moest worden dan voorzien. Dit leverde een vertraging van de ontwikkeling van de [laan] op, terwijl voorts het aantal m² dat door [neef van appellant] werd gehuurd, aanmerkelijk geringer was dan gepland. [geïntimeerde] heeft hierdoor schade geleden, onder meer bestaande uit extra kosten voor de architect, winstderving als gevolg van het later opengaan van de [supermarkt] , derving huurinkomsten en kosten van juridische bijstand.

3.2.3.

[appellant] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.4.

In het tussenvonnis van 4 mei 2016 heeft de rechtbank een comparitie van partijen gelast.

3.2.5.

In het eindvonnis van 30 november 2016 heeft de rechtbank voor recht verklaard dat [appellant] toerekenbaar tekort is geschoten in de nakoming van zijn verbintenissen ingevolge de Overeenkomst van 28 maart 2015 met [geïntimeerde] . Op grond daarvan heeft de rechtbank [appellant] veroordeeld tot vergoeding van de door [geïntimeerde] als gevolg van die tekortkoming geleden schade, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet en [appellant] veroordeeld in de proceskosten.

3.3.

Het hof stelt voorop dat [appellant] geen grief heeft gericht tegen de overweging van de rechtbank dat de vordering van [geïntimeerde] strekkende tot het verkrijgen van een verklaring voor recht, voor zover zij betrekking heeft op het door [appellant] toerekenbaar tekortgeschoten zijn, voor toewijzing vatbaar is, tenzij [appellant] met recht de overeenkomst heeft vernietigd (zie het vonnis van 30 november 2016 sub 4.1). Dit leidt ertoe dat in geval de hierna te beoordelen grieven 1 en 2 niet slagen, het toerekenbaar tekortschieten van [appellant] , zoals door de rechtbank vastgesteld, ook in hoger beroep het vertrekpunt dient te zijn.

3.4.

[appellant] heeft in hoger beroep drie grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog afwijzen van de vorderingen van [geïntimeerde] , met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.5.

[geïntimeerde] heeft in incidenteel hoger beroep één grief aangevoerd. [geïntimeerde] heeft verzocht het bestreden vonnis gedeeltelijk te vernietigen en voor het overige te bekrachtigen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten en de nakosten.

3.6.

In grief 1 komt [appellant] op tegen de verwerping van zijn verweer dat sprake is van misbruik van omstandigheden dan wel bedrog bij het sluiten van de overeenkomst van 28 maart 2015. Ten onrechte heeft de rechtbank geoordeeld dat [appellant] geen onderbouwing heeft geleverd voor zijn stellingen dat hij ten tijde van de overeenkomst onder invloed van alcohol verkeerde en dat hij wegens een oogoperatie (de inhoud van) van de overeenkomst niet heeft kunnen lezen. De rechtbank heeft het bewijsaanbod van [appellant] ten onrechte gepasseerd.

3.7.

[appellant] heeft aan zijn verweer ten grondslag gelegd dat [neef van appellant] , die wist van het alcoholgebruik van [appellant] , op een avond met de overeenkomst bij [appellant] is langsgegaan. Op die bewuste avond verkeerde [appellant] onder invloed van alcohol. [appellant] kampte toentertijd bovendien met een ernstig oogprobleem. [neef van appellant] heeft [appellant] ertoe aangezet de overeenkomst die avond met [geïntimeerde] te ondertekenen.

3.8.

[geïntimeerde] heeft de lezing van [appellant] bestreden. De overeenkomst is in de ochtend van 26 maart 2015 om 8.18 uur door [geïntimeerde] aan [neef van appellant] gemaild. [neef van appellant] heeft de Overeenkomst die ochtend aan [appellant] overhandigd. [appellant] heeft de overeenkomst ondertekend op 28 maart 2015; [neef van appellant] was daar niet bij aanwezig.

3.9.

Gelet op de gemotiveerde betwisting door [geïntimeerde] had het op de weg gelegen van [appellant] zijn stellingen dat hij de Overeenkomst heeft getekend op een avond in het bijzijn van [neef van appellant] , onder invloed van alcohol terwijl hij de Overeenkomst niet kon lezen vanwege een oogoperatie, nader te onderbouwen (bijvoorbeeld door overlegging van een medische verklaring), wat hij zowel in eerste aanleg als in hoger beroep heeft nagelaten te doen. Door [appellant] is niet toegelicht en onderbouwd wat voor operatie hij heeft ondergaan en wat de gevolgen daarvan waren voor het kunnen lezen van de Overeenkomst van 28 maart 2015. [appellant] heeft tijdens de comparitie verklaard dat de operatie aan één oog heeft plaatsgevonden. Naar eigen zeggen is [appellant] bijziend en hebben zijn beide ogen een afwijking van – 8. Dat en waarom onder deze omstandigheden [appellant] niet in staat was de Overeenkomst te lezen is door [appellant] niet nader toegelicht. Evenmin heeft [appellant] onderbouwd waarom het enkele feit dat hij die bewuste avond onder invloed van drank zou hebben verkeerd, er aan in de weg zou hebben gestaan dat hij kennis heeft kunnen nemen van de inhoud van de Overeenkomst. Het oordeel van de rechtbank dat [appellant] zijn stellingen onvoldoende heeft onderbouwd, is dan ook juist, waardoor de rechtbank niet is toegekomen aan bewijslevering van [appellant] op dit punt.

3.10.

Voor zover in de grief nog wordt aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellant] bekend was met de plannen van [geïntimeerde] inhoudende het overhevelen van de supermarkt naar de [laan] en daar tevens ruimte te creëren voor de [tuincentrum] , merkt het hof op dat [appellant] tijdens de comparitie zelf heeft verklaard dat hij van het begin af aan bij de plannen van [geïntimeerde] betrokken was en dat het de bedoeling was dat [appellant] zijn zaak aan de [weg] zou staken. Dat [appellant] meent dat hij een vergoeding zou ontvangen voor zijn medewerking aan de verplaatsing en bij [neef van appellant] in dienst zou treden, leidt er niet toe dat de overweging van de rechtbank op dit punt onjuist is.

3.11.

De stelling van [appellant] in hoger beroep dat in de Overeenkomst van 28 maart 2015 wordt verwezen naar een eerdere overeenkomst, gesloten tussen [appellant] en [neef van appellant] op 1 maart 2014, waarvan [appellant] stelt dat deze middels valsheid in geschrifte tot stand is gekomen, kan niet eenduidig uit de Overeenkomst worden afgeleid. In de Overeenkomst van 28 maart 2015 is een verwijzing naar de overeenkomst van 1 maart 2014 niet te lezen. Weliswaar heeft artikel 2 als aanhef “Relatie met de overeenkomst tussen [neef van appellant] en [appellant] en verdere bepalingen”, maar dat hiermee gedoeld wordt op de overeenkomst van 1 maart 2014 valt hieruit niet af te leiden. Gelet op het bepaalde in artikel 2.1 waarin vermeld staat dat [neef van appellant] een huurcontract met [appellant] heeft, ligt veeleer voor de hand dat hiermee wordt gedoeld op de gesloten huurovereenkomst tussen [appellant] en [neef van appellant] van 1 december 2014. Door [appellant] is niet toegelicht op grond waarvan aangenomen moet worden dat verwezen wordt naar de overeenkomst van 1 maart 2014. Zelfs indien aangenomen zou moeten worden dat in de Overeenkomst wèl wordt verwezen naar de overeenkomst van 1 maart 2014, dan nog valt zonder nadere toelichting (die ontbreekt) niet in te zien dat een eventuele valsheid van deze laatste overeenkomst maakt dat de Overeenkomst in strijd is met de openbare orde en goede zeden. Dat [geïntimeerde] gehouden zou zijn het origineel van de overeenkomst van 1 maart 2014 in het geding te brengen, is gelet op het voorgaande en nog los van het feit dat [geïntimeerde] gemotiveerd heeft gesteld niet over het origineel van deze overeenkomst te beschikken, niet relevant. Grief 1 faalt.

3.12.

In grief 2 betoogt [appellant] allereerst dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat [geïntimeerde] niet betrokken is geweest bij de dwaling aan de zijde van [appellant] . Er was sprake van een nauwe samenwerking tussen [geïntimeerde] en [neef van appellant] . De rechtbank laat ten onrechte buiten beschouwing dat [appellant] in de veronderstelling verkeerde dat hij een vergoeding zou ontvangen en bij [neef van appellant] in dienst zou treden. [geïntimeerde] had redelijkerwijs moeten weten dat [appellant] zijn exploitatievergunning niet zou overdragen en de bestemmingswijziging niet akkoord zou hebben bevonden, zonder dat daar een tegenprestatie tegenover zou staan. Omdat [geïntimeerde] [neef van appellant] de bevoegdheid heeft gegeven om een overeenkomst met [appellant] te sluiten onder deze omstandigheden, heeft [geïntimeerde] de dwaling door [appellant] bevorderd.

3.13.

[geïntimeerde] heeft gesteld dat zij niet op de hoogte was van het feit dat [appellant] in de veronderstelling verkeerde dat hij een vergoeding zou ontvangen en bij [neef van appellant] in dienst zou treden. Waarom en op grond van welke omstandigheden [geïntimeerde] redelijkerwijs had moeten weten dat [appellant] zijn exploitatievergunning niet zou overdragen en de bestemmingswijziging niet akkoord zou hebben bevonden, zonder dat daar een tegenprestatie tegenover zou staan, is door [appellant] niet toegelicht of onderbouwd. Dat er sprake was van (nauwe) samenwerking tussen [geïntimeerde] en [neef van appellant] , hetgeen overigens door [geïntimeerde] is betwist, is in dit verband onvoldoende. Evenmin kan uit enig stuk blijken dat [geïntimeerde] [neef van appellant] de bevoegdheid heeft gegeven om de Overeenkomst met [appellant] te sluiten; uit de stukken blijkt onomstotelijk dat de overeenkomst is gesloten tussen partijen en mede ondertekend is door [neef van appellant] .

3.14.

Voorts wordt door [appellant] betoogt dat er sprake is van wederzijdse dwaling. De wederzijdse dwaling bestaat er volgens [appellant] in dat [geïntimeerde] in de veronderstelling verkeerde dat [appellant] zonder financiële compensatie akkoord was met overdragen van zijn exploitatievergunning en wijziging van de bestemming van zijn perceel, terwijl [appellant] in de veronderstelling was dat hij wel financieel gecompenseerd zou worden. Nu [geïntimeerde] heeft bestreden dat de door [appellant] genoemde veronderstelling bij haar enige rol heeft gespeeld en [appellant] daarvoor ook geen steekhoudende onderbouwing heeft gegeven, gaat het beroep van [appellant] op wederzijdse dwaling niet op. Ook grief 2 faalt.

3.15.

Grief 3 is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat [geïntimeerde] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij schade heeft geleden als gevolg van de wanprestatie door [appellant] . Volgens [appellant] had [geïntimeerde] haar gepretendeerde schadeposten voor aanvang van de procedure nader kunnen en dienen te concretiseren.

3.16.

Ook deze grief is tevergeefs voorgesteld. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat als onvoldoende gemotiveerd betwist is komen vast te staan dat [geïntimeerde] mogelijk schade heeft geleden als gevolg van de wanprestatie door [appellant] . Dat [geïntimeerde] haar plannen als gevolg van de wanprestatie van [appellant] heeft moeten aanpassen, staat als niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist vast. Hetzelfde geldt voor haar stelling dat [geïntimeerde] de winkelruimte kleiner heeft moeten maken, terwijl het aantal m² dat door [neef van appellant] uiteindelijk werd gehuurd, aanmerkelijk geringer was dan gepland. Het feit dat de [supermarkt] wel is verhuisd naar de nieuwe locatie en dus de plannen in zoverre zijn gerealiseerd , betekent niet dat [geïntimeerde] haar plannen niet heeft moeten aanpassen. Dat zij hiervoor kosten heeft moeten maken, terwijl zij bovendien mogelijk minder huurinkomsten zal ontvangen, vloeit hier dan ook uit voort.

3.17.

De grief in het incidenteel hoger beroep richt zich tegen de overweging van de rechtbank dat het verhuren aan [derde] door [appellant] geen tekortkoming oplevert en evenmin als onrechtmatig kan worden aangemerkt. [geïntimeerde] heeft bij bespreking van deze grief geen belang nu het slagen van de grief niet tot een andere beslissing/ander dictum zal leiden. Ten overvloede merkt het hof op dat van wanprestatie van de zijde van [appellant] op dit punt geen sprake kan zijn, nu de overeenkomst tussen [derde] en [appellant] enkele maanden voor het sluiten van de overeenkomst tussen [geïntimeerde] en [appellant] is aangegaan. Door [geïntimeerde] is voorts onvoldoende onderbouwd gesteld dat en waarom het handelen van [appellant] in dit opzicht een onrechtmatige daad jegens [geïntimeerde] oplevert.

3.18.

De grieven in het principaal hoger beroep falen, de grief in het incidenteel hoger beroep behoeft geen bespreking, zodat het hof het vonnis zal bekrachtigen. [appellant] zal als de in hoger beroep in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld.

4 De uitspraak

Het hof:

in principaal en incidenteel hoger beroep

bekrachtigt het bestreden vonnis van de rechtbank van 30 november 2016;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 716,- aan griffierecht en € 1.074,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- in geval van betekening van het arrest;

compenseert de kosten in het incidenteel hoger beroep in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.I.M.W. Bartelds, E.H. Schulten en J.M.W. Werker en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 18 september 2018.

griffier rolraadsheer