Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3840

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
18-09-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
20-003546-15
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2015:9262, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Schadevergoedingsuitspraak
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

Inrijden op meerdere agenten tijdens een achtervolging. Wijziging tenlastelegging in hoger beroep. Het hof acht bewezen dat de verdachte zich jegens twee verbalisanten schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling. Door met zijn auto accelererend op de verbalisanten af te rijden heeft de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij hen zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Omdat de verbalisanten opzij sprongen, is een aanrijding voorkomen. Ten opzichte van de zes andere verbalisanten, die zich in een dienstvoertuig bevonden, is een bedreiging met zware mishandeling bewezen verklaard. Het hof legt een gevangenisstraf op van acht maanden, met aftrek van voorarrest.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-003546-15

Uitspraak : 18 september 2018

TEGENSPRAAK (ex art. 279 Sv)

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 november 2015 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 03-700165-15 en 03-700476-15, tegen

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] (Joegoslavië) op [geboortedag] ,

wonende te [adres] .

Hoger beroep

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep en in eerste aanleg.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de officier van justitie niet-ontvankelijk zal verklaren in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 03-700165-15 onder 2 ten laste gelegde. Daarnaast is gevorderd dat het hof het beroepen vonnis voor het overige zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, bewezen zal verklaren dat de verdachte zich jegens de verbalisanten [verb. 1] en [verb. 2] schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling en jegens de overige in de tenlastelegging genoemde verbalisanten aan een bedreiging met zware mishandeling en de verdachte ter zake daarvan zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest. Wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen [verb. 1] en [verb. 2] is geëist dat hun vorderingen zullen worden toegewezen tot een bedrag van € 750,00, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel en wat betreft de vorderingen van de benadeelden [verb. 3] en [verb. 4] toewijzing tot een bedrag van € 522,00, eveneens met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft bepleit dat de officier van justitie niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 03-700165-15 onder 2 ten laste gelegde en het in de zaak met parketnummer 03-700476-15 aangaande de verbalisanten [verb. 5] en [verb. 6] ten laste gelegde. Voor het overige is bepleit dat de verdachte van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd. Wat betreft de vorderingen van de benadeelde partijen is niet-ontvankelijk verklaring bepleit, dan wel toekenning van een lager bedrag aan immateriële schadevergoeding.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Het hoger beroep van de officier van justitie is onbeperkt ingesteld. De advocaat-generaal heeft evenwel te kennen gegeven dat de grieven van het openbaar ministerie zich niet richten tegen de vrijspraak door de rechtbank van het in de zaak met parketnummer

03-700165-15 onder 2 ten laste gelegde. Het hof zal de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk verklaren in het hoger beroep voor zover gericht tegen de beslissing van de rechtbank ten aanzien van dat feit.

Namens de verdachte is bepleit dat de officier van justitie tevens niet-ontvankelijk zal worden verklaard in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 03-700476-15 aangaande de verbalisanten [verb. 5] en [verb. 6] ten laste gelegde. Daartoe is aangevoerd dat het gaat om een afzonderlijk verwijt dat cumulatief/alternatief ten laste is gelegd en dat de officier van justitie aangaande de vrijspraak daarvan geen grieven heeft opgegeven. Zoals de raadsman heeft aangevoerd, kan het hof het door de officier van justitie ingestelde hoger beroep in een dergelijk geval op grond van artikel 416, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering niet-ontvankelijk verklaren. Het hof is evenwel van oordeel dat het omtrent de verbalisanten [verb. 5] en [verb. 6] ten laste gelegde desalniettemin dient te worden onderzocht, nu het maatschappelijk belang dat gediend is met de behandeling van het betreffende gedeelte van het hoger beroep zwaarder weegt dan het belang dat is gemoeid met het verbinden van niet-ontvankelijkheid in het hoger beroep aan het verzuim van het openbaar ministerie. Het hof ziet er om die reden vanaf om de officier van justitie niet-ontvankelijk te verklaren in het hoger beroep voor zover gericht tegen de vrijspraak van het in de zaak met parketnummer 03-700476-15 aangaande de verbalisanten [verb. 5] en [verb. 6] ten laste gelegde.

Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het beroepen vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat het niet te verenigen is met de hierna te geven beslissing.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is - na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep - ten laste gelegd dat:

zaak met parketnummer 03-700165-15:

1.
hij op of omstreeks 30 maart 2015 in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Landgraaf, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verb. 7] en/of

[verb. 8] en/of [verb. 1] en/of [verb. 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet rijdende in een door hem, verdachte, bestuurde personenauto

- met hoge snelheid, althans accelererend, met deze door hem, verdachte, bestuurde personenauto is ingereden en/of toegereden op voornoemde [verb. 1] en/of voornoemde [verb. 2] , en/of

- ( vervolgens) met hoge snelheid, althans accelererend, met deze door hem, verdachte, bestuurde personenauto is ingereden en/of toegereden op het dienstvoertuig waarin zich op dat moment voornoemde [verb. 7] en/of [verb. 8] bevonden,

terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en/of

hij op of omstreeks 30 maart 2015 in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Landgraaf, [verb. 7] en/of [verb. 8] en/of [verb. 1] en/of [verb. 2] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid, althans accelererend, met deze door hem, verdachte, bestuurde personenauto ingereden en/of toegereden op voornoemde [verb. 1] en/of voornoemde [verb. 2] , en/of (vervolgens) met hoge snelheid, althans accelererend, met deze door hem, verdachte, bestuurde personenauto ingereden en/of toegereden op het dienstvoertuig waarin zich op dat moment voornoemde [verb. 7] en/of [verb. 8] bevonden;

zaak met parketnummer 03-700476-15:

hij op of omstreeks 30 maart 2015 in de gemeente Landgraaf en/of in de gemeente Heerlen ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verb. 5] en/of [verb. 6] en/of [verb. 4] en/of [verb. 3] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met dat opzet rijdend in een door hem, verdachte, bestuurde personenauto,

- met hoge snelheid, althans accelererend, met deze door hem, verdachte, bestuurde personenauto is ingereden en/of toegereden op het dienstvoertuig waarin zich op dat moment voornoemde [verb. 5] en/of [verb. 6] bevonden (waarbij voornoemde [verb. 5] met kracht heeft moeten remmen teneinde een aanrijding te voorkomen) en/of

- met hoge snelheid, althans accelererend, met deze door hem, verdachte, bestuurde personenauto is ingereden en/of toegereden op het dienstvoertuig waarin zich op dat moment voornoemde [verb. 4] en/of [verb. 3] bevonden (waarbij [verb. 4] met hoge snelheid achteruit heeft moeten rijden teneinde een aanrijding te voorkomen), terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en/of

hij op of omstreeks 30 maart 2015 in de gemeente Heerlen en/of in de gemeente Landgraaf, [verb. 5] en/of [verb. 6] en/of [verb. 4] en/of [verb. 3] , heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling, immers heeft/is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto

met hoge snelheid, althans accelererend, met deze door hem, verdachte, bestuurde personenauto ingereden en/of toegereden op het dienstvoertuig waarin zich op dat moment voornoemde [verb. 5] en/of [verb. 6] bevonden,

en/of met hoge snelheid, althans accelererend, met deze door hem, verdachte, bestuurde personenauto ingereden en/of toegereden op het dienstvoertuig waarin zich op dat moment voornoemde [verb. 4] en/of [verb. 3] bevonden.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-700165-15 onder 1 en in de zaak met parketnummer 03-700476-15 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat:

zaak met parketnummer 03-700165-15:

1.
hij op 30 maart 2015 in de gemeente Heerlen, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan [verb. 1] en [verb. 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet rijdende in een door hem, verdachte, bestuurde personenauto accelererend, met deze door hem, verdachte, bestuurde personenauto is ingereden op voornoemde [verb. 1] en voornoemde [verb. 2] , terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid

en

hij op 30 maart 2015 in de gemeente Landgraaf, [verb. 7] en [verb. 8] heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid ingereden op het dienstvoertuig waarin zich op dat moment voornoemde [verb. 7] en [verb. 8] bevonden;

zaak met parketnummer 03-700476-15:

hij op 30 maart 2015 in de gemeente Landgraaf, [verb. 5] en [verb. 6] en [verb. 4] en [verb. 3] , heeft bedreigd met zware mishandeling, immers is verdachte opzettelijk dreigend met een door hem, verdachte, bestuurde personenauto met hoge snelheid ingereden op het dienstvoertuig waarin zich op dat moment voornoemde [verb. 5] en [verb. 6] bevonden, en met hoge snelheid met deze door hem, verdachte, bestuurde personenauto ingereden op het dienstvoertuig waarin zich op dat moment voornoemde [verb. 4] en [verb. 3] bevonden.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen

Indien tegen dit verkorte arrest beroep in cassatie wordt ingesteld, worden de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij zal worden vrijgesproken van het in de zaken met parketnummers 03-700165-15 en 03-700476-15 ten laste gelegde.

Ten aanzien van de pogingen tot zware mishandeling, zoals ten laste gelegd vanwege de verdachte verweten gedragingen jegens de verbalisanten [verb. 7] , [verb. 8] , [verb. 5] , [verb. 6] , [verb. 4] en [verb. 3] , is daartoe aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat er sprake is geweest van opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Niet bewezen kan worden dat er sprake was van een aanmerkelijke kans op zwaar lichamelijk letsel, noch dat er sprake is geweest van de voor voorwaardelijk opzet vereiste bewuste aanvaarding. Voorts bevat het dossier geen wettig en overtuigend bewijs inzake een bedreiging met zware mishandeling. De raadsman stelt zich op het standpunt dat objectief gezien niet kan worden vastgesteld dat er bij de verbalisanten redelijke vrees kon ontstaan dat verdachte hen zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Immers is niet duidelijk met welke snelheid hij met zijn auto op de verbalisanten kwam afgereden en waar de verbalisanten zich op dat moment bevonden.

Ten aanzien van de pogingen tot zware mishandeling jegens de verbalisanten [verb. 1] en [verb. 2] is eveneens aangevoerd dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat er sprake is geweest van (voorwaardelijk) opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel. Weliswaar hebben deze verbalisanten omtrent hun bevindingen een aanvullend proces-verbaal opgemaakt en zijn zij gehoord bij de raadsheer-commissaris, maar de inhoud ervan is onvoldoende overtuigend om tot een ander oordeel dan de rechtbank – die de verdachte heeft vrijgesproken – te komen. Nog steeds is onvoldoende duidelijk op welke plaats de verbalisanten stonden, wat de afstand tot de auto van de verdachte was en met welke snelheid de verdachte uit stilstand is weggereden. Volgens de raadsman kan ook niet worden beoordeeld hoe betrouwbaar de bevindingen van [verb. 1] en [verb. 2] in het aanvullend proces-verbaal zijn, nu het negen maanden na het incident is opgemaakt en het menselijk geheugen niet onfeilbaar is. Daarbij komt dat de verbalisanten op het moment dat zij het aanvullende proces-verbaal opmaakten wisten dat de verdachte door de rechtbank was vrijgesproken. Om die reden is niet te toetsen in hoeverre de inhoud is ingegeven door emotie, frustratie en/of ergernis. De raadsman heeft er in dit kader op gewezen dat uit jurisprudentie van de Hoge Raad blijkt dat de omstandigheid dat een strafbaar feit is begaan tegen een opsporingsambtenaar zelf kan meewegen bij de waardering en weging van diens in een proces-verbaal neergelegde bevindingen.

Ook wat betreft de verbalisanten [verb. 1] en [verb. 2] is ten aanzien van de ten laste gelegde bedreiging bepleit dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat er sprake is geweest van de redelijke vrees dat zij zwaar lichamelijk letsel zouden oplopen. De objectieve gegevens die daarvoor nodig zijn ontbreken en de onderzoeksresultaten zijn niet of onvoldoende overtuigend of betrouwbaar.

Het hof overweegt als volgt.

[verb. 7] , [verb. 8] , [verb. 5] , [verb. 6] , [verb. 4] en [verb. 3]

Met de advocaat-generaal en de raadsman is het hof van oordeel dat niet bewezen kan worden verklaard dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan een poging tot zware mishandeling jegens de verbalisanten [verb. 7] , [verb. 8] , [verb. 5] , [verb. 6] , [verb. 4] en [verb. 3] . Wel acht het hof bewezen dat de verdachte zich met de hem verweten gedragingen, zoals beschreven in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, schuldig heeft gemaakt aan een bedreiging met zware mishandeling. Op grond van de bewijsmiddelen stelt het hof vast dat de verdachte met het door hem bestuurde voertuig met verhoogde snelheid - die volgens de bevindingen van de verbalisanten niet werd verminderd - is afgereden op de dienstvoertuigen waarin de verbalisanten [verb. 7] , [verb. 8] , [verb. 5] , [verb. 6] , [verb. 4] en [verb. 3] zich bevonden en dat een aanrijding (mede) werd voorkomen doordat de verbalisanten met het dienstvoertuig een noodstop maakten danwel snel achteruit reden. Het hof merkt dit handelen van de verdachte aan als een strafbare bedreiging in de zin van artikel 285 van het Wetboek van Strafrecht. Deze is wat betreft de aard en de omstandigheden waaronder geschied dusdanig geweest dat bij de verbalisanten, stuk voor stuk, redelijke vrees kon ontstaan dat het dienstvoertuig waarin zij zich bevonden zou worden aangereden en dat zij dientengevolge zwaar lichamelijk zouden oplopen. Het verweer wordt verworpen.

[verb. 1] en [verb. 2]

Het hof heeft in de stukken in het dossier, zoals die aan de orde zijn gekomen ter gelegenheid van het onderzoek ter terechtzitting, geen aanleiding gevonden om te veronderstellen dat de verbalisanten [verb. 1] en [verb. 2] zich bij het opmaken van het aanvullende proces-verbaal d.d. 14 december 2015 op ontoelaatbare wijze hebben laten sturen door de aanvullende vragen van de officier van justitie naar aanleiding van het vrijsprekend vonnis van de rechtbank en/of dat zij zich bij het opmaken ervan hebben laten leiden door emotie, frustratie en/of ergernis. Op verzoek van de verdediging zijn de verbalisanten [verb. 1] en [verb. 2] in hoger beroep bij de raadsheer-commissaris gehoord. Bij die gelegenheid hebben zij onder ede verklaard dat de door hen opgestelde processen-verbaal van bevindingen naar waarheid zijn opgemaakt en dat het is gegaan zoals zij in de processen-verbaal hebben vermeld. Het hof vindt in hetgeen de raadsman heeft aangevoerd geen aanleiding om te veronderstellen dat de verbalisanten – die het hof aanmerkt als professionele beroepsbeoefenaren – hun ambtsedige processen-verbaal niet naar eer en geweten hebben opgemaakt. Dat beide verbalisanten bij de raadsheer-commissaris niet geheel gelijkluidend verklaren over de mate van kennis van de inhoud van het vonnis van de rechtbank en de aanleiding voor het opmaken van het aanvullend proces-verbaal doet daar niet aan af. Op geen enkele wijze is getracht te verhullen dat de officier van justitie aanvullende vragen heeft gesteld. Dat is zelfs met zoveel woorden bovenaan het aanvullende proces-verbaal d.d. 14 december 2015 vermeld.

Het hof merkt de bevindingen van de verbalisanten [verb. 1] en [verb. 2] , zoals neergelegd in hun proces-verbaal d.d. 30 maart 2015 en het aanvullende proces-verbaal d.d. 14 december 2015 als betrouwbaar aan en bezigt deze tot het bewijs.

Op grond van de hierboven bedoelde bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, stelt het hof het navolgende vast.

De verbalisanten [verb. 1] en [verb. 2] gaven de verdachte, die reed in een personenauto Audi A8, een stopteken met behulp van het stoptransparant van hun als zodanig herkenbare dienstvoertuig.

De Audi gaf daaraan geen gevolg en reed met hoge snelheid weg. De Audi reed op enig moment harder dan 140 kilometer per uur. Even later wisten de verbalisanten de Audi toch tot stoppen te dwingen. De verbalisanten relateren in proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 maart 2015 dat zij uit het dienstvoertuig stapten en renden in de richting van de bestuurder van de Audi. Toen de verbalisanten voorlangs de Audi liepen hoorden zij de auto accelereren en zagen zij dat de bestuurder vol gas op hen inreed. Zij moesten allebei aan de kant springen en konden zo ternauwernood voorkomen dat zij werden aangereden.

In het aanvullende proces-verbaal van bevindingen d.d. 14 december 2015 relateren de verbalisanten [verb. 1] en [verb. 2] dat zij, toen zij recht voor de motorkap van de Audi liepen, de motor hoorden brullen en zagen dat de bestuurder het voertuig recht op hen afstuurde. Daarbij keek hij hen recht in de ogen aan. De afstand tussen de motorkap van de Audi en de verbalisanten bedroeg op dat moment zo’n drie tot vier meter. Doordat zij de motor hoorden ronken, vermoedden de verbalisanten dat de verdachte vol gas gaf en hadden zij geen andere keuze dan snel aan de kant te springen om zo een aanrijding te voorkomen. Daarbij kwamen zij ten val. Voorts relateren de verbalisanten dat het ledige gewicht van een Audi A8, [type] , 1805 kilogram is en dat een dergelijke auto binnen 8 seconden vanuit stilstand een snelheid van 100 kilometer per uur kan bereiken. De stukken in het dossier geven geen aanleiding te veronderstellen dat dat bij de onder verdachte in beslag genomen Audi anders is geweest.

Op basis van de hiervoor beschreven bevindingen stelt het hof vast dat verdachte met de door hem bestuurde personenauto accelererend op de verbalisanten [verb. 1] en [verb. 2] is ingereden en dat een aanrijding is voorkomen doordat zij wegsprongen.

De volgende vraag die beantwoord moet worden, is of de verdachte, door te handelen als hiervoor omschreven, heeft getracht verbalisanten [verb. 1] en [verb. 2] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen. Zoals hiervoor is vastgesteld, is verdachte accelererend op de verbalisanten - die zich recht voor de auto bevonden op een afstand van drie tot vier meter - afgereden waarbij zij aan de kant moesten springen om niet aangereden te worden. Dit deed verdachte terwijl hij de verbalisanten recht in de ogen keek. Gelet op deze omstandigheden kan het niet anders zijn dan dat hij de verbalisanten heeft gezien. Het is een feit van algemene bekendheid dat wanneer een personenauto met enige snelheid in aanrijding komt met een voetganger, het de aanmerkelijke kans met zich brengt dat die persoon zwaar lichamelijk letsel oploopt. Het kan niet anders zijn dan dat ook de verdachte zich van deze kans bewust is geweest. Door desalniettemin accelererend op de verbalisanten af te rijden, heeft de verdachte welbewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij [verb. 1] en [verb. 2] zou raken en hen daarbij zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. Het hof is derhalve van oordeel dat verdachte opzet – in de zin van voorwaardelijke opzet – heeft gehad om verbalisanten [verb. 1] en [verb. 2] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, waarbij het louter aan het wegspringen/wegduiken van de verbalisanten te danken is dat het slechts bij een poging is gebleven. Het verweer wordt in al zijn onderdelen verworpen.

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

Elk bewijsmiddel wordt - ook in zijn onderdelen - slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezen verklaarde feit, of die bewezen verklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 03-700165-15 onder 1 bewezen verklaarde levert op:

poging tot zware mishandeling, meermalen gepleegd, en bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Het in de zaak met parketnummer 03-700476-15 bewezen verklaarde levert op:

bedreiging met zware mishandeling, meermalen gepleegd.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Namens de verdachte is ter terechtzitting in hoger beroep bepleit dat hij in geen geval terug zal hoeven gaan naar de gevangenis. De duur van het onvoorwaardelijke gedeelte van de op te leggen gevangenisstraf dient de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht niet te boven te gaan en kan gecombineerd worden met een voorwaardelijke straf, eventueel met voorwaarden en/of een onvoorwaardelijke taakstraf. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat de verdachte geen relevante documentatie heeft en dat de kans op recidive betrekkelijk gering moet worden geacht. Verdachte is na de schorsing van de voorlopige hechtenis niet meer in aanraking gekomen met politie en justitie.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijk strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt. Het hof heeft daarbij gelet op de volgende omstandigheden.

Het bewezen verklaarde houdt in dat de verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan tweemaal een poging tot zware mishandeling en zesmaal een bedreiging met zware mishandeling, alle gepleegd jegens politieambtenaren in functie. Verdachte is met zijn auto recht op de verbalisanten [verb. 1] en [verb. 2] afgereden.

Dat zij geen zwaar lichamelijk letsel hebben opgelopen, is niet aan verdachte te danken maar aan de eigen reactie van de agenten, die op tijd opzij zijn gesprongen. Daarnaast is de verdachte met zijn Audi met verhoogde snelheid afgereden op de dienstvoertuigen van de verbalisanten [verb. 7] , [verb. 8] , [verb. 5] , [verb. 6] , [verb. 4] en [verb. 3] . De verbalisanten kregen daardoor de schrik van hun leven.

Met zijn handelen heeft verdachte geen respect getoond voor de persoonlijke integriteit en gezondheid van de politieagenten. Het handelen van verdachte heeft grote impact gehad op de verbalisanten, zoals ook blijkt uit de toelichting bij de namens [verb. 1] , [verb. 2] , [verb. 4] en [verb. 3] ingediende vorderingen tot schadevergoeding. De maatschappij verwacht van politiemedewerkers dat zij optreden in gevaarlijke situaties. Zij verdienen om die reden bijzondere bescherming, om te voorkomen dat zij bij de uitoefening van hun functie van strafbaar handelen slachtoffer worden. Naar het oordeel van het hof dient dit tot uitdrukking te komen in de op te leggen straf.

Voorts betrekt het hof bij zijn oordeel omtrent de straftoemeting de omstandigheid dat uit de stukken in het dossier blijkt dat de verdachte, om aan de politie te ontkomen, bijzonder onverantwoord verkeersgedrag heeft vertoond en ernstige verkeersovertredingen heeft begaan, mede binnen de bebouwde kom. Ook neemt het hof daarbij in aanmerking dat de stukken in het dossier inhouden dat de verdachte op 30 maart 2015 niet in het bezit was van een rijbewijs voor motorvoertuigen.

Ten aanzien van de persoon van de verdachte wordt rekening gehouden met de inhoud van het hem betreffende Uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 5 juli 2018 en zijn overige persoonlijke omstandigheden, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Alles overziend acht het hof het passend en geboden aan de verdachte een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 8 maanden, met aftrek van het voorarrest. Gelet op de ernst van de feiten acht het hof geen termen aanwezig om te volstaan met de oplegging van een gevangenisstraf waarvan het onvoorwaardelijke gedeelte gelijk is aan de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht dan wel een taakstraf.

Redelijke termijn

Door de verdediging is nog aan de orde gesteld dat bij de procedure in hoger beroep het recht van de verdachte op een openbare behandeling binnen een redelijke termijn, zoals bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, is geschonden.

Het dossier is bij het hof ingekomen op 27 juni 2016, derhalve ongeveer zeven maanden na de datum van het instellen van hoger beroep op 17 november 2015. Nu de voorlopige hechtenis van de verdachte op dat moment reeds was geschorst, is het hof van oordeel dat er wat dat betreft geen sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn. Weliswaar wijst het hof een eindarrest na verloop van bijna 3 jaar na het instellen van het hoger beroep, maar de vertraging is in overwegende mate terug te leiden tot verzoeken van de verdediging, te weten het verzoek tot het horen van getuigen en een verzoek om aanhouding. Onder deze omstandigheden is het hof van oordeel dat er geen sprake is van een schending van de redelijke termijn waarbij in de straftoemeting rekening moet worden gehouden.

Vordering van de benadeelde partij [verb. 1]

De benadeelde partij [verb. 1] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 774,00, nog te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten van tenuitvoerlegging. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [verb. 1] als gevolg van verdachtes in de strafzaak met parketnummer

03-700165-15 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht en dat verdachte gehouden is die schade te vergoeden. Voor het hof is voldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van schade in immateriële zin. Gelet op de omstandigheden van het geval acht het hof een smartengeldvergoeding zoals beschreven in de aan de vordering gehechte uitspraak van de rechtbank Amsterdam redelijk en billijk, exclusief de daarin genoemde indexatie. Het hof zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, met een beslissing omtrent de kosten als hierna vermeld. Voor het overige zal de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen.

In hetgeen door de verdediging ter zake van de vordering is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om een lager bedrag aan immateriële schadevergoeding op te leggen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Schadevergoedingsmaatregel ( [verb. 1] )

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [verb. 1] is toegebracht tot een bedrag van € 750,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [verb. 2]

De benadeelde partij [verb. 2] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 774,00, nog te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten van tenuitvoerlegging.

De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [verb. 2] als gevolg van verdachtes in de strafzaak met parketnummer

03-700165-15 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht en dat verdachte gehouden is die schade te vergoeden. Voor het hof is voldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van schade in immateriële zin. Gelet op de omstandigheden van het geval acht het hof een smartengeldvergoeding zoals beschreven in de aan de vordering gehechte uitspraak van de rechtbank Amsterdam redelijk en billijk, exclusief de daarin genoemde indexatie. Het hof zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 750,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, met een beslissing omtrent de kosten als hierna vermeld. Voor het overige zal de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen.

In hetgeen door de verdediging ter zake van de vordering is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om een lager bedrag aan immateriële schadevergoeding op te leggen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Schadevergoedingsmaatregel ( [verb. 2] )

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [verb. 2] is toegebracht tot een bedrag van € 750,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [verb. 3]

De benadeelde partij [verb. 3] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 547,00, nog te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten van tenuitvoerlegging. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [verb. 3] als gevolg van verdachtes in de strafzaak met parketnummer

03-700476-15 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht en dat verdachte gehouden is die schade te vergoeden. Voor het hof is voldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van schade in immateriële zin. Gelet op de omstandigheden van het geval acht het hof een smartengeldvergoeding zoals beschreven in de aan de vordering gehechte uitspraak van de rechtbank Leeuwarden redelijk en billijk, exclusief de daarin genoemde indexatie. Het hof zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 522,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, met een beslissing omtrent de kosten als hierna vermeld. Voor het overige zal de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen.

In hetgeen door de verdediging ter zake van de vordering is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om een lager bedrag aan immateriële schadevergoeding op te leggen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Schadevergoedingsmaatregel ( [verb. 3] )

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [verb. 3] is toegebracht tot een bedrag van € 522,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Vordering van de benadeelde partij [verb. 4]

De benadeelde partij [verb. 4] heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot vergoeding van immateriële schade ter hoogte van € 547,00, nog te vermeerderen met de wettelijke rente en kosten van tenuitvoerlegging. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep niet-ontvankelijk verklaard. De benadeelde partij heeft zich in hoger beroep opnieuw gevoegd voor het bedrag van zijn oorspronkelijke vordering.

Uit het onderzoek ter terechtzitting is het hof voldoende gebleken dat aan de benadeelde partij [verb. 4] als gevolg van verdachtes in de strafzaak met parketnummer

03-700476-15 bewezen verklaarde handelen rechtstreeks schade is toegebracht en dat verdachte gehouden is die schade te vergoeden. Voor het hof is voldoende aannemelijk geworden dat er sprake is van schade in immateriële zin.

Gelet op de omstandigheden van het geval acht het hof een smartengeldvergoeding zoals beschreven in de aan de vordering gehechte uitspraak van de rechtbank Leeuwarden redelijk en billijk, exclusief de daarin genoemde indexatie. Het hof zal de vordering daarom toewijzen tot een bedrag van € 522,00 te vermeerderen met de wettelijke rente, met een beslissing omtrent de kosten als hierna vermeld. Voor het overige zal de vordering van de benadeelde partij worden afgewezen.

In hetgeen door de verdediging ter zake van de vordering is aangevoerd ziet het hof geen aanleiding om een lager bedrag aan immateriële schadevergoeding op te leggen.

Het hof ziet aanleiding te dezer zake de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht op te leggen als na te melden.

Verdachte is naar burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die door het strafbare feit is toegebracht.

Schadevergoedingsmaatregel ( [verb. 4] )

Op grond van het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof in rechte vastgesteld dat door het bewezen verklaarde handelen van de verdachte rechtstreeks schade aan het slachtoffer [verb. 4] is toegebracht tot een bedrag van € 522,00. De verdachte is daarvoor jegens het slachtoffer naar burgerlijk recht aansprakelijk.

Het hof ziet aanleiding om aan de verdachte de maatregel tot schadevergoeding op te leggen ter hoogte van voormeld bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente op de wijze zoals hiervoor is vermeld, nu het hof het wenselijk acht dat de Staat der Nederlanden schadevergoeding aan het slachtoffer bevordert. Het hof zal daarbij bevelen dat vervangende hechtenis voor na te melden duur zal worden toegepast als de verdachte in gebreke blijft bij betaling en geen verhaal biedt, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de op te leggen verplichting tot schadevergoeding niet opheft.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 24c, 36f, 45, 57, 63, 285 en 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Verklaart de officier van justitie niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700165-15 onder 2 ten laste gelegde.

Vernietigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en doet in zoverre opnieuw recht:

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 03-700165-15 onder 1 en in de zaak met parketnummer 03-700476-15 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 03-700165-15 onder 1 en in de zaak met parketnummer 03-700476-15 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Vordering van de benadeelde partij [verb. 1]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verb. 1] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700165-15 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verb. 1] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700165-15 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 maart 2015.

Vordering van de benadeelde partij [verb. 2]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verb. 2] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700165-15 onder 1 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verb. 2] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700165-15 onder 1 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 750,00 (zevenhonderdvijftig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 15 (vijftien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 maart 2015.

Vordering van de benadeelde partij [verb. 3]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verb. 3] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700476-15 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 522,00 (vijfhonderdtweeëntwintig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verb. 3] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700476-15 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 522,00 (vijfhonderdtweeëntwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 maart 2015.

Vordering van de benadeelde partij [verb. 4]

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [verb. 4] ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700476-15 bewezen verklaarde tot het bedrag van € 522,00 (vijfhonderdtweeëntwintig euro) ter zake van immateriële schade, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening.

Wijst de vordering van de benadeelde partij tot schadevergoeding voor het overige af.

Verwijst de verdachte in de door de benadeelde partij gemaakte en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken kosten, tot aan de datum van deze uitspraak begroot op nihil.

Legt aan de verdachte de verplichting op om aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer, genaamd [verb. 4] , ter zake van het in de zaak met parketnummer 03-700476-15 bewezen verklaarde een bedrag te betalen van € 522,00 (vijfhonderdtweeëntwintig euro) als vergoeding voor immateriële schade, bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 10 (tien) dagen hechtenis, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de hierna te noemen aanvangsdatum tot aan de dag der voldoening, met dien verstande dat de toepassing van die hechtenis de verplichting tot schadevergoeding aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Bepaalt dat indien en voor zover de verdachte aan een van beide betalingsverplichtingen heeft voldaan, de andere vervalt.

Bepaalt de aanvangsdatum van de wettelijke rente voor de immateriële schade op 30 maart 2015.

Aldus gewezen door:

mr. W.E.C.A. Valkenburg, voorzitter,

mr. Y.G.M. Baaijens- van Geloven en mr. M.A.M. Wagemakers, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H.M. Vos, griffier,

en op 18 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

mr. M.A.M. Wagemakers is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.