Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:383

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
02-03-2018
Zaaknummer
16/03850
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aan de orde is een ter zake van de aanvraag van de omgevingsvergunning voor de bouw van een woning aan belanghebbende opgelegde legesaanslag. Na vermindering bij uitspraak op bezwaar is in de legesaanslag een ter zake van de behandeling van de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen geheven legesbedrag ter hoogte van € 2.386,60. Naar het oordeel van het Hof zijn de leges ter zake van de activiteit bouwen enkel geheven voor twee administratieve handelingen, te weten het registreren van de aanvraag en het publiceren daarvan in het gemeenteblad. Naar het oordeel van het Hof hebben deze twee administratieve handelingen te weinig ‘substance’ om te kunnen spreken van dienstverlening jegens belanghebbende waarvoor leges kunnen worden geheven tot een bedrag als in het onderhavige geval. Voorts acht het Hof van belang dat belanghebbende geloofwaardig heeft verklaard dat zij de omgevingsvergunning heeft aangevraagd op advies van de behandelend ambtenaar, dat zij op het terrein van de lokale belastingheffing als leek moet worden beschouwd en dat zij zich in haar contacten met de behandelend ambtenaar niet heeft laten bijstaan door een fiscaal adviseur. Het Hof komt tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is en dat de leges ter zake van de activiteiten bouwen ten onrechte zijn geheven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/469
V-N 2018/21.27.17
Belastingblad 2018/172 met annotatie van R.A. Eskes
Viditax (FutD), 02-03-2018
FutD 2018-0584 met annotatie van Fiscaal up to Date
NTFR 2018/661 met annotatie van mr. drs. C.M. Dijkstra
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Enkelvoudige Belastingkamer

Kenmerk: 16/03850

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Limburg (hierna: de Rechtbank) van 30 september 2016, nummer AWB 16/34, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Maasgouw,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te noemen aanslag.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met verzenddatum 10 juni 2015 ter zake van de aanvraag van een omgevingsvergunning voor de bouw van een woning aan de [adres] te [plaats] een legesaanslag (hierna: de legesaanslag) ter hoogte van, in totaal, € 4.370,13 opgelegd. Het legesbedrag bestaat uit een bedrag van € 3.953,13 voor de behandeling van de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen, een bedrag van € 124 voor de eerste welstandsbeoordeling door de omgevingscommissie, een bedrag van € 104 voor de tweede en derde welstandsbeoordeling door de omgevingscommissie en een bedrag van € 85 voor de door belanghebbende gegeven toelichting op de aanvraag.

1.2.

Na tegen de legesaanslag gemaakt bezwaar heeft de Heffingsambtenaar bij uitspraak op bezwaar de legesaanslag verminderd tot een bedrag van, in totaal, € 2.803,60. Het legesbedrag bestaat na deze vermindering uit een bedrag van € 2.386,60 voor de behandeling van de omgevingsaanvraag voor de activiteit bouwen, een bedrag van € 124 voor de eerste welstandsbeoordeling door de omgevingscommissie, een bedrag van € 104 voor de tweede en derde welstandsbeoordeling door de omgevingscommissie en een bedrag van € 85 voor de door belanghebbende gegeven toelichting op de aanvraag.

1.3.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 45. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.4.

Tegen deze uitspraak heeft belanghebbende hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit hoger beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.5.

De zitting heeft plaatsgehad op 29 november 2017 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, alsmede, namens de Heffingsambtenaar, mevrouw [A] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.7.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft een “Verzoek tot beoordeling van een schetsplan” (hierna: het verzoek) met dagtekening 7 december 2014 ingediend bij de gemeente Maasgouw (hierna: de gemeente). Het verzoek betreft de bouw van een woning aan de [adres] te [plaats] op het perceel met het kadastrale nummer [nummer 1] sectie [--] (hierna: de woning). Het indienen van een dergelijk verzoek wordt op grond van de Verordening op de heffing en de invordering van leges Maasgouw 2014 (hierna: de Legesverordening) niet in de legesheffing betrokken.

2.2.

Op 31 december 2014 heeft belanghebbende een aanvraag voor een omgevingsvergunning voor de bouw van de woning (hierna: de aanvraag) ingediend bij de gemeente. Voor zover in hoger beroep relevant, heeft belanghebbende in de aanvraag opgenomen dat de geschatte bouwkosten van de woning, exclusief omzetbelasting, € 95.000 bedragen.

2.3.

Met betrekking tot de aanvraag heeft de gemeente een “Algemene ontvangstbevestiging” (hierna: de ontvangstbevestiging) met dagtekening 6 januari 2015 aan belanghebbende gezonden, waarin, voor zover in hoger beroep relevant, het volgende is opgenomen:

“Op 31 december 2014 hebben wij uw aanvraag om een omgevingsvergunning ontvangen voor het bouwen van een nieuwbouwwoning aan het kadastraal perceelnummer [nummer 1] Sectie [--] in de gemeente Maasgouw. Het betreft een aanvraag voor de volgende activiteiten uit de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: Wabo):

- bouw.

Uw aanvraag is geregistreerd onder nummer [nummer 2] .

U ontvangt van ons binnenkort een brief waarin u wordt geïnformeerd over de behandeling van uw aanvraag. (…)”.

2.4.

De gemeente heeft, in tegenstelling tot hetgeen zij belanghebbende heeft medegedeeld in de ontvangstbevestiging, belanghebbende niet schriftelijk op de hoogte gesteld over de verdere behandeling van de aanvraag.

2.5.

Het plan voor de bouw van de woning is vier keer, namelijk tijdens de vergaderingen van 15 januari 2015, 22 januari 2015, 5 februari 2015 en 12 maart 2015, voorgelegd aan de omgevingscommissie ter uitvoering van een welstandsbeoordeling. Voor zover in hoger beroep relevant, is in het verslag van de vergadering die de omgevingscommissie op 12 maart 2015 heeft gehouden het volgende opgenomen:

10.25 – 10.25 uur Plan voor het bouwen van een woonhuis aan het adres [adres] te [plaats]

De heer [belanghebbende]

Advies15 januari 2015: Aanwezig zijn behalve de architect de opdrachtgeefster en haar partner. De architect licht het plan toe. De architectuur is afgeleid van het modernisme uit de jaren 70 van de vorige eeuw. De commissie omarmt deze keuze, maar kijkt tevens naar de welstandsnota en wel specifiek naar de beoordelingscriteria “historische kern”. Vanuit dit perspectief en vanuit hetgeen in de omgeving gebouwd is en gebouwd gaat worden vindt de commissie dat op een of andere manier een kap toegevoegd zou moeten worden. Concluderend wordt een lessenaars dak het meest passend gevonden bij de gekozen architectuur. Gelet op het feit dat reeds een aanvraag om omgevingsvergunning is ingediend adviseert de commissie om formele redenen negatief. Met de architect is afgesproken dat hij volgende week zijn aangepast plan ter beoordeling voorlegt.

Advies 22 januari 2015: Gelet op het vorige advies vindt de commissie een zadeldak acceptabel, mits het volume van de kap krachtiger wordt. De commissie geeft de secretaris suggesties mee m.b.t. tot een mogelijke kap en mogelijke verbeteringen in de gevelbehandeling, die hij aan de architect kan overleggen.

Advies 5 februari 2015: De commissie constateert dat haar vorige advies ter harte is genomen. De commissie adviseert positief en ziet bij de indiening van de vergunningstekening de uitwerking van de woning m.b.t. details en materialen met belangstelling tegemoet.

Advies: De commissie adviseert positief, onder de voorwaarde dat de kap steiler wordt uitgevoerd.”.

2.6.

Belanghebbende heeft bij brief met dagtekening 24 februari 2015 verzocht om verlenging met drie maanden van de termijn om op de aanvraag te beslissen. De gemeente heeft de termijn om op de aanvraag te beslissen, conform het door belanghebbende ingediende verzoek, verlengd.

2.7.

Bij brief met dagtekening 26 mei 2015 heeft belanghebbende verzocht om de aanvraag in te trekken.

2.8.

Naar aanleiding van voornoemd verzoek heeft de gemeente belanghebbende bij brief met dagtekening 27 mei 2015 medegedeeld dat zij de behandeling van de aanvraag, conform het door belanghebbende ingediende verzoek, heeft beëindigd, doch dat belanghebbende voor het in behandeling nemen van de aanvraag, conform de Legesverordening en de als bijlage bij de Legesverordening gevoegde Tarieventabel leges (hierna: de Tarieventabel), een bedrag aan leges ter hoogte van, in totaal, € 4.370,13 verschuldigd is.

2.9.

De intrekking van de aanvraag is op 10 juni 2015 in het Gemeenteblad 2015 nr. 50027 gepubliceerd.

2.10.

Op 10 juni 2015 heeft de Heffingsambtenaar de legesaanslag ter hoogte van € 4.370,13 aan belanghebbende opgelegd, met dien verstande dat dit legesbedrag bestaat uit een bedrag van € 3.953,13 voor de behandeling van de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen, een bedrag van € 124 voor de eerste welstandsbeoordeling door de omgevingscommissie, een bedrag van € 104 voor de tweede en derde welstandsbeoordeling door de omgevingscommissie en een bedrag van € 85 voor de door belanghebbende gegeven toelichting op de aanvraag.

2.11.

Het legesbedrag van € 3.953,13 dat aan belanghebbende is opgelegd ter zake van de behandeling van de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen is gebaseerd op bouwkosten ter hoogte van € 158.940.

2.12.

Bij uitspraak op bezwaar met dagtekening 4 juli 2015 heeft de Heffingsambtenaar het legesbedrag dat aan belanghebbende is opgelegd ter zake van de behandeling van de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen verminderd tot een bedrag van € 2.386,60. De Heffingsambtenaar heeft deze vermindering als volgt onderbouwd:

Bouwen

De hoogte van de bouwkosten zijn afhankelijk van de bouwkosten. In uw aanvraag omgevingsvergunning is een bedrag van € 95.000,- excl. btw als bouwkosten opgegeven. Aan de hand van door ons gehanteerde richtprijzen zijn de bouwkosten, waarop de legesheffing is gebaseerd, bepaald op € 158.940,-. Omdat dit gedurende de behandeling van uw aanvraag niet met u gecommuniceerd is, hanteer ik voor de bepaling van het tarief de door u opgegeven bouwkosten.”.

2.13.

Na vermindering bij uitspraak op bezwaar bedraagt de legesaanslag € 2.803,60, met dien verstande dat de legesbedragen die aan belanghebbende zijn opgelegd ter zake van de welstandsbeoordelingen door de omgevingscommissie en ter zake van de door belanghebbende gegeven toelichting op de aanvraag zijn gehandhaafd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Heeft de gemeente ter zake van de activiteit bouwen diensten verleend als bedoeld in art. 229, lid 1, onderdeel b, van de Gemeentewet?

2. Bij een bevestigende beantwoording van vraag 1: staat, gelet op de feiten en omstandigheden van het onderhavige geval, de redelijkheid en billijkheid legesheffing ter zake van de activiteit bouwen in de weg?

3.2.

Belanghebbende is primair van mening dat vraag 1 ontkennend moet worden beantwoord. Belanghebbende is subsidiair van mening dat als vraag 1 bevestigend moet worden beantwoord, vraag 2 bevestigend moet worden beantwoord. De Heffingsambtenaar meent dat vraag 1 bevestigend en vraag 2 ontkennend moet worden beantwoord.

3.3.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.4.

Belanghebbende heeft ter zitting, zakelijk weergegeven, onder andere het volgende verklaard:

  • -

    Vanaf de eerste welstandsbeoordeling door de omgevingscommissie werd ik geadviseerd door een ambtenaar van de gemeente met betrekking tot de mogelijkheden om een bouwplan te verwezenlijken dat voldoet aan de hieraan door de omgevingscommissie gestelde eisen. Deze ambtenaar heeft met betrekking tot de door hem verleende advisering, ondanks dat ik hier herhaaldelijk om verzocht heb, niets op papier gezet.

  • -

    Mijns inziens, is het onrechtvaardig dat van mij een legesbedrag ter zake van de activiteit bouwen is geheven, terwijl in dit kader geen werkzaamheden door de gemeente zijn verricht. Bovendien was het, gelet op het ontbreken van een volledige aanvraag, onmogelijk om de aanvraag ter zake van de activiteit bouwen inhoudelijk te toetsen.

3.5.

De Heffingsambtenaar heeft ter zitting, zakelijk weergegeven, onder andere het volgende verklaard:

  • -

    De gemeente heeft zeer weinig schriftelijke correspondentie gevoerd met belanghebbende. Ik kan de (adviserende) rol van de ambtenaren van de gemeente bij de behandeling van de aanvraag echter niet beoordelen.

  • -

    De gemeente heeft een ontvangstbevestiging van de aanvraag aan belanghebbende verzonden. Vervolgens is de aanvraag op volledigheid getoetst. De aanvraag bleek onvolledig te zijn. Desondanks heeft de gemeente grof getoetst of de aanvraag in overeenstemming is met het bestemmingsplan en de redelijke eisen van welstand. In dit kader is de aanvraag voorgelegd aan de omgevingscommissie ter uitvoering van een welstandsbeoordeling. De welstandsbeoordeling maakt deel uit van de behandeling van de aanvraag. Een negatieve welstandsbeoordeling kan namelijk een reden zijn om de aanvraag af te wijzen.

  • -

    Alhoewel ik begrip heb voor de positie van belanghebbende, kan ik niet in individuele gevallen afwijken van hetgeen in de Gemeentewet, Legesverordening en Tarieventabel is opgenomen.

3.6.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de legesaanslag tot een bedrag van € 417. De Inspecteur concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de gemeente uitsluitend diensten heeft verricht ter zake van de welstandsbeoordelingen door de omgevingscommissie en ter zake van de door belanghebbende gegeven toelichting op de aanvraag. Belanghebbende legt aan dit standpunt ten grondslag dat de gemeente ter zake van de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen geen handelingen heeft verricht die kunnen kwalificeren als diensten in de zin van artikel 229, lid 1, onderdeel b, van de Gemeentewet respectievelijk als het “in behandeling nemen” van de omgevingsvergunningaanvraag voor de activiteit bouwen in de zin van de Legesverordening. Voorts wijst belanghebbende erop dat de gemeente met betrekking tot de activiteit bouwen ook nooit diensten verricht kan hebben, aangezien de aanvraag onvolledig was en de aanvraag onmiddellijk na ontvangst van de laatste welstandsbeoordeling is ingetrokken.

4.2.

In artikel 2, onderdeel a, van de Legesverordening is, conform het bepaalde in artikel 229, lid 1, onderdeel b, van de Gemeentewet, opgenomen dat legesrechten geheven kunnen worden ter zake van door of vanwege het gemeentebestuur verstrekte diensten. In artikel 5, lid 1, van de Legesverordening wordt voor de maatstaven en tarieven van de ter zake van deze diensten te heffen leges verwezen naar de Tarieventabel.

4.3.

In de Tarieventabel is, voor zover in hoger beroep relevant, het volgende opgenomen:

Titel 2 Dienstverlening vallend onder fysieke leefomgeving/omgevingsvergunning

(…)

Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning

2.3.

Het tarief bedraagt voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen

van een omgevingsvergunning voor een project: de som van de verschuldigde leges voor de

verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat en

waarop de aanvraag betrekking heeft en de verschuldigde leges voor de extra toetsen die in

verband met de aanvraag moeten worden uitgevoerd, berekend naar de tarieven en

overeenkomstig het bepaalde in dit hoofdstuk en hoofdstuk 4 van deze titel. In afwijking van

de vorige volzin kan ook per activiteit, handeling of andere grondslag een legesbedrag

worden gevorderd.

2.3.1

Bouwactiviteiten

2.3.1.1 Indien de aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op een

bouwactiviteit als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo, bedraagt het tarief:

(…)

2.3.1.1.2. Indien de bouwkosten € 2.200 tot € 450.000 bedragen: € 113,00

vermeerderd met: 2,45 %

van de bouwkosten waarmee de bouwkosten € 2.200 te boven gaan.

(…)

Welstandstoets

2.3.1.2 Onverminderd het bepaalde in subonderdeel 2.3.1.1 bedraagt het tarief,

indien de aanvraag is voorgelegd aan de Welstandscommissie:

2.3.1.2.1 voor de eerste welstandstoets per plan door genoemde commissie: € 124,00

2.3.1.2.2 voor de tweede en volgende welstandstoets per plan per toets door

genoemde commissie: € 104,00

2.3.1.2.3 en de aanvrager tijdens de beoordeling van de in dat onderdeel

bedoelde aanvraag een toelichting wenst te geven, per toelichting € 85,00

(…)

Hoofdstuk 5 Teruggaaf

2.5.1.

Teruggaaf als gevolg van intrekking aanvraag omgevingsvergunning voor bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten

Als een aanvrager zijn aanvraag om een omgevingsvergunning voor een project dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit bouw-, aanleg- of sloopactiviteiten, als bedoeld in de onderdelen 2.3.1, 2.3.2, 2.3.6 en 2.3.7, intrekt terwijl deze reeds in behandeling is genomen door de gemeente, bestaat geen aanspraak op teruggaaf van een deel van de leges. (…)”.

4.4.

De gemeente heft derhalve leges ter zake van diensten die bestaan uit het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning. Het ‘in behandeling nemen’ kan bestaan uit verschillende activiteiten en handelingen; ter zake van die verschillende handelingen en activiteiten zijn in de Tarieventabel afzonderlijke tarieven opgenomen.

4.5.

Het Hof is van oordeel dat in dit specifieke geval de dienstverlening door de gemeente ter zake van de activiteit bouwen dermate gering is geweest, dat naar het oordeel van het Hof de gemeentelijke wetgever niet bedoeld kan hebben tot een bedrag van € 2.386,60 leges te heffen.

4.5.1.

Belanghebbende heeft in eerste instantie enkel een schetsplan ingediend, ter zake waarvan de gemeente geen leges in rekening brengt. In de ‘kop’ van het formulier ‘VERZOEK TOT BEOORDELING VAN EEN SCHETSPLAN’ is, voor zover van belang, opgenomen:

Met dit formulier dient u een verzoek in tot beoordeling van een schetsplan en is bestemd voor het verkrijgen van een advies van de Welstandscommissie en/of globale toets aan het bestemmingsplan en bouwvoorschriften van de gemeente Maasgouw. Dit verzoek wordt niet aangemerkt als een aanvraag om bouwvergunning (…)’.

4.5.2.

In haar hoger beroepschrift en ter zitting heeft belanghebbende gesteld dat zij pas van plan was om een omgevingsvergunning aan te vragen als het op 7 december 2014 ingediende schetsplan zou zijn goedgekeurd door de omgevingscommissie. Belanghebbende heeft de goedkeuring van de omgevingscommissie evenwel niet afgewacht, maar de omgevingsvergunning op 31 december 2014 aangevraagd. Belanghebbende stelt de omgevingsvergunning te hebben aangevraagd op advies van de behandelend ambtenaar, om zodoende te voorkomen dat zij geconfronteerd zou worden met de strengere eisen van het Bouwbesluit 2015 en hogere kosten, en omdat de behandelend ambtenaar haar had verzekerd dat het wel goed zou komen met de aanvraag. Belanghebbende stelt voorts dat zij de omgevingsvergunning nooit voorafgaande aan de verkrijging van een goedkeuring van het schetsplan zou hebben aangevraagd als de behandelend ambtenaar haar daartoe niet geadviseerd had.

4.5.3.

Het oorspronkelijk ingediende schetsplan voorzag in de bouw van een woning met een plat dak. Omdat de omgevingscommissie ter uitvoering van de welstandsbeoordeling het plan niet passend achtte in het perspectief van de ‘historische kern’ en niet in overeenstemming met hetgeen overigens in de omgeving is gebouwd en gebouwd gaat worden, heeft de omgevingscommissie geëist dat op de een of andere manier een kap zou worden toegevoegd. Hierop heeft belanghebbende een tweede schetsplan ingediend met een klein zinken dak. De omgevingscommissie kon zich verenigen met het type dak, maar eiste dat het volume van het dak krachtiger zou worden. Daarop is een derde schetsplan gepresenteerd, ten aanzien waarvan de omgevingscommissie positief geadviseerd heeft, onder de voorwaarde dat de kap steiler zou worden uitgevoerd.

De drie schetsplannen omvatten niet meer dan elk twee A-viertjes met daarop (3D) schetsen van de voorgevel, achtergevel, rechter en linker zijgevel, plattegronden van de begane grond en verdieping(en), een doorsnede- en een situatietekening (1:1000).

Ter zake van deze beoordeling door de omgevingscommissie is overeenkomstig de Tarieventabel (Welstandstoets), onderdelen 2.3.1.2, 2.3.1.2.1, 2.3.1.2.2 en 2.3.1.2.3, in totaal, een bedrag van € 417 in rekening gebracht.

4.5.4.

Behoudens de schetsplannen, vermeld in overweging 4.5.3. heeft belanghebbende geen nadere documentatie overgelegd, zoals bijvoorbeeld uitgewerkte bouwtekeningen voorzien van detailtekeningen, bouw-, constructie- en funderingsberekeningen, isolatiewaarden, informatie met betrekking tot brandveiligheid, gegevens betreffende milieu-aspecten, etc.

4.5.5.

Behalve het uitvoeren van de welstandstoets heeft de gemeente de aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning geregistreerd en gepubliceerd in het gemeenteblad van de gemeente Maasgouw. In zijn verweerschrift in hoger beroep stelt de Heffingsambtenaar dat de legesheffing voor de activiteit bouwen alleen al gerechtvaardigd is, omdat het bouwplan is voorgelegd aan de omgevingscommissie. Naar het oordeel van het Hof is het standpunt van de Heffingsambtenaar niet juist. Gegeven het feit dat in Hoofdstuk 3 Omgevingsvergunning, onderdeel 2.3, van de Tarieventabel is opgenomen dat het tarief voor het in behandeling nemen van een aanvraag tot het verlenen van een omgevingsvergunning bedraagt ‘de som van de verschuldigde leges voor de verschillende activiteiten of handelingen waaruit het project geheel of gedeeltelijk bestaat’ gevoegd bij het feit dat voor die verschillende handelingen en activiteiten afzonderlijke tarieven zijn opgenomen in de Tarieventabel, zoals tarieven voor handelingen en activiteiten die verricht zijn door de omgevingscommissie ter uitvoering van de welstandsbeoordeling en handelingen en activiteiten ter uitvoering van het bouwen, kan een handeling of activiteit die wordt bestreken door de welstandstoets niet ook nog eens worden toegerekend aan de handelingen en activiteiten ter uitvoering van het bouwen.

4.5.6.

Het Hof concludeert uit het vorenstaande dat de leges ter zake van de activiteit bouwen enkel zijn geheven voor twee administratieve handelingen, te weten het registeren van de aanvraag en het publiceren daarvan in het gemeenteblad van de gemeente Maasgouw. Deze twee administratieve handelingen hebben, alhoewel gedaan in het individuele belang van belanghebbende, naar het oordeel van het Hof, te weinig ‘substance’ om te kunnen spreken van dienstverlening jegens belanghebbende waarvoor leges kunnen worden geheven tot een bedrag (€ 2.386,60) als in het onderhavige geval.

4.6.

In het kader van voornoemd oordeel acht het Hof voorts het volgende van belang. Belanghebbende heeft gesteld dat zij de omgevingsvergunning heeft aangevraagd op advies van de behandelend ambtenaar, om zodoende te voorkomen dat zij geconfronteerd zou worden met de strengere eisen van het Bouwbesluit 2015 en hogere kosten, en omdat de behandelend ambtenaar haar had verzekerd dat het wel goed zou komen met de aanvraag; en dat zij de omgevingsvergunning nooit zou hebben aangevraagd voorafgaande aan de verkrijging van een goedkeuring van het schetsplan als de behandelend ambtenaar haar daartoe niet geadviseerd had (laatste twee volzinnen overweging 4.5.2). Het Hof acht het door belanghebbende gestelde geloofwaardig. Daarbij komt dat het door haar gestelde niet, althans onvoldoende, door de Heffingsambtenaar is weersproken. Ter zitting heeft de Heffingsambtenaar desgevraagd enkel verklaard dat hij de rol van de behandelend ambtenaar niet kan beoordelen.

4.6.1.

Alhoewel belanghebbende de keuze had om het advies van de behandelend ambtenaar niet op te volgen en eerst af te wachten of de omgevingscommissie haar schetsplan(nen) zou goedkeuren, zoals aanvankelijk haar bedoeling was, neemt het Hof mede in overweging dat belanghebbende op het terrein van de lokale belastingheffing als leek moet worden beschouwd en dat zij zich in haar contacten met de behandelend ambtenaar niet heeft laten bijstaan door een fiscaal adviseur. Door te vertrouwen op het door de behandelend ambtenaar gegeven advies is zij in het aanvraagtraject terecht gekomen, waar zij zelf, vooralsnog, uit had willen blijven. Ook die omstandigheden staan naar het oordeel van het Hof aan de weg aan een heffing van leges als in het onderhavige geval.

Slotsom

4.7.

De slotsom is dat de leges ter zake van de activiteiten bouwen ten onrechte zijn geheven, dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.8.

Nu de uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd, dient de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door haar ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 45 respectievelijk € 124 te vergoeden.

Ten aanzien van de proceskosten

4.9.

Nu het door belanghebbende ingestelde hoger beroep gegrond is, acht het Hof termen aanwezig de Heffingsambtenaar te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.10.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht, ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank (kosten van door een derde beroepsmatig verleende bijstand ter zitting) op 1 (punt) x € 501 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak), is € 501, vermeerderd met een door het Hof redelijk te achten bedrag aan verletkosten van belanghebbende zelf voor het reizen naar en bijwonen van de zittingen bij de Rechtbank en het Hof van respectievelijk 2 uur x € 50, is € 100, en 3 uur x € 50, is € 150, in totaal, € 751.

4.11.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit proceskosten bestuursrecht heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Heffingsambtenaar bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Heffingsambtenaar;

  • -

    vermindert de legesaanslag naar een bedrag van € 417;

  • -

    gelast dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het beroep bij de Rechtbank en het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht van, in totaal, € 169 vergoedt; en

  • -

    veroordeelt de Heffingsambtenaar in de kosten van het geding bij de Rechtbank en het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op, in totaal, € 751.

Aldus gedaan op 1 februari 2018 door P.A.M. Pijnenburg, voorzitter, in tegenwoordigheid van J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.