Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3784

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
17-09-2018
Datum publicatie
17-09-2018
Zaaknummer
20-000291-16
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewezenverklaring van het medeplegen van het bereiden van een materiaal bevattende MDMA (Art 2 onder B Ow). Er was voldoende informatie om een opsporingsonderzoek jegens verdachte te starten en – meer in het bijzonder – om als basis te dienen voor het bevel tot stelselmatige observatie van verdachte. Er heeft echter nog een observatie van verdachte plaatsgevonden nadat de looptijd van dat bevel was verstreken. Daarmee is sprake van een vormverzuim ex art. 359a Sv. Het hof concludeert dat er desondanks geen reden is voor bewijsuitsluiting. Veroordeling tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden en verbeurdverklaring van een personenauto met behulp waarvan het bewezen verklaarde is voorbereid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-000291-16

Uitspraak : 17 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 26 januari 2016 in de strafzaak met parketnummer 01-993215-15 tegen:

[verdachte 1] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] ,

wonende te [adres 1] .

Hoger beroep

Bij het vonnis, waarvan beroep, is de verdachte – kort gezegd – veroordeeld voor het medeplegen van de productie van een materiaal bevattende MDMA (feit 1) en het medeplegen van het opzettelijk aanwezig hebben van een materiaal bevattende MDMA (feit 2) tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden met aftrek van voorarrest. Voorts heeft de rechtbank een onder verdachte in beslag genomen personenauto verbeurd verklaard.

Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis van de rechtbank zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende:

  • -

    de verdachte zal vrijspreken van feit 2;

  • -

    het onder 1 primair ten laste gelegde bewezen zal verklaren met als pleegperiode 7 en 8 mei 2015 en de verdachte daarvoor zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden;

  • -

    de in beslag genomen personenauto verbeurd zal verklaren.

De verdediging heeft bepleit dat:

  • -

    verdachte integraal zal worden vrijgesproken;

  • -

    indien het hof toch tot een bewezenverklaring komt, aan verdachte een aanzienlijk lagere straf zal worden opgelegd dan de rechtbank heeft gedaan;

  • -

    de in beslag genomen auto zal worden teruggegeven aan de verdachte.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd omdat in hoger beroep de tenlastelegging – en aldus de grondslag van het onderzoek – is gewijzigd.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in hoger beroep – ten laste gelegd dat:

1.

hij in of omstreeks de periode van 22 januari 2015 tot en met 8 mei 2015 te Waalwijk en/of een of meer (andere) plaats(en) in Nederland tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende MDMA, zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, en/of (telkens) één of meer hoeveelhe(i)d(en) van (een) materia(a)l(en) bevattende (een) (ander(e)) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

subsidiair,

hij in de periode van 7 mei 2015 tot en met 8 mei 2015 in de gemeente Waalwijk, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, om een feit als bedoeld in het 4e of 5e lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden van een materiaal bevattende MDMA, een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden, voorhanden heeft gehad:

PMK en/of methanol en/of methylamine en/of platina en/of zoutzuur en/of chemicaliën bestemd voor MDMA-productie, waarvan verdachte wist of ernstige reden had te vermoeden dat die voorwerpen/goederen/stoffen bestemd waren tot het plegen van dat feit;

2.
hij op of omstreeks 8 mei 2015 te Waalwijk tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk aanwezig heeft gehad ongeveer 46.000 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende MDMA (kristallen), zijnde MDMA een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Het dossier biedt onvoldoende bewijs dat verdachte betrokken is geweest bij de productie van de ongeveer 46 kilogram van een materiaal bevattende MDMA die op 8 mei 2015 in het bedrijfspand van medeverdachte [medeverdachte 1] te Waalwijk zijn aangetroffen. Daarnaast zijn er evenmin aanknopingspunten dat verdachte deze 46 kg al dan niet samen met een of meer anderen, aanwezig heeft gehad. Met name kan niet worden bewezen dat verdachte wetenschap heeft gehad dat er in het bedrijfspand van medeverdachte [medeverdachte 1] 46 kg van een materiaal bevattende MDMA aanwezig was. Het hof stelt zich dan ook op het standpunt, evenals de advocaat-generaal en de verdediging, dat verdachte van feit 2 dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.

hij in de periode van 7 mei 2015 tot en met 8 mei 2015 te Waalwijk, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk heeft bereid een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA, zijnde MDMA, een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijs

Bewijsmiddelen

De bewijsmiddelen zijn als bijlage aan dit arrest gehecht.

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door de verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.

A.1.

De verdediging heeft vrijspraak bepleit. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat er ten tijde van de start van het opsporingsonderzoek onvoldoende informatie beschikbaar was om een redelijk vermoeden van schuld jegens verdachte op te baseren. Er was daarmee onvoldoende rechtvaardiging voor het inzetten van bijzondere opsporingsmiddelen, waaronder de stelselmatige observatie van verdachte. Verder was het bevel tot stelselmatige observatie van verdachte verlopen op 7 mei 2015. Desondanks heeft op 7 mei 2015 nog een observatie plaatsgevonden, hetgeen een onherstelbaar vormverzuim in de zin van art. 359a Sv oplevert. Het vormverzuim levert een nadeel voor verdachte op, te weten schending van art. 8 EVRM en art. 6 EVRM. Naar aanleiding van die observatie is de politie het pand aan [adres 2] te Waalwijk binnengetreden en is een amfetaminelaboratorium aangetroffen. Door die vondst wordt de aanwezigheid van verdachte in het pand in combinatie met ander bewijsmateriaal in belastende zin uitgelegd, hetgeen verdachte benadeelt in zijn recht op een eerlijk proces. Op grond van het voorgaande dient bewijsuitsluiting plaats te vinden, aldus de raadsman.

A.2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

A.3.

Vooropgesteld dient te worden dat verdenking van overtreding van de Opiumwet kan worden aangenomen op basis van anoniem aan de politie verstrekte informatie. Uit het proces-verbaal van verdenking d.d. 4 februari 2015 (p. 6 e.v. van bijlage 3 van het zaaksdossier Lab Waalwijk (Onderzoek 26Kotter), hierna zaaksdossier) volgt dat er tweemaal anoniem informatie is verstrekt. Een proces-verbaal van het Team Criminele Inlichtingen van 8 januari 2015 houdt in: ‘In samenwerking tussen [betrokkene] en [verdachte 1] brengt [verdachte 1] de grondstoffen naar het drugslab en brengt hij de drugs vervolgens weg. Hij zorgt ook dat het geld bij [betrokkene] komt’. Op 29 januari 2015 is bij proces-verbaal van het TCI de volgende informatie verstrekt: ‘ [verdachte 1] heeft klanten voor pillen en is met spoed op zoek naar een partij A-olie.’ Naar het oordeel van het hof heeft deze informatie, waarin word gesproken over een drugslab, pillen en A-olie (het hof weet ambtshalve dat hiermee amfetamine-olie wordt bedoeld), onmiskenbaar betrekking op de productie van en de handel in synthetische drugs. Bovendien worden degenen op wie de meldingen betrekking hebben met voor- en achternaam benoemd en wordt zeer specifiek benoemd welke drugsgerelateerde werkzaamheden ‘ [verdachte 1] ’ zou verrichten. Naar het oordeel van het hof was de anoniem verstrekte en zeer recente informatie reeds voldoende specifiek en concreet om een verdenking ex art. 27 Sv op te kunnen stoelen. De omstandigheid dat het TCI geen oordeel heeft kunnen geven over de vermoedelijke betrouwbaarheid van de informatie, maakt dat oordeel niet anders.

A.4.

Uit onderzoek van de politie bleek dat met de in de meldingen genoemde [verdachte 1] de verdachte werd bedoeld. Eveneens werd uit dat onderzoek duidelijk welke persoon werd bedoeld met [betrokkene] . Zowel de verdachte als [betrokkene] bleken in het verleden te zijn veroordeeld voor drugsgerelateerde feiten. Daarnaast was in een ander politieonderzoek reeds gebleken dat [betrokkene] en verdachte elkaar kenden ( [betrokkene] had in dat onderzoek verklaard dat de verdachte een vriend van hem was). Deze nieuwe informatie over de verdachte en [betrokkene] vult de eerder anoniem verstrekte informatie zodanig aan dat daardoor het reeds bestaande redelijk vermoeden van schuld wordt versterkt. Dit leidt ertoe dat al deze informatie tezamen zonder meer toereikend is om een opsporingsonderzoek jegens verdachte te starten en – meer in het bijzonder – om als basis te dienen voor het bevel tot stelselmatige observatie van verdachte d.d. 6 februari 2015.

A.5.

Laatstgenoemd bevel is door de officier van justitie afgegeven voor een periode van drie maanden eindigend op 7 mei 2015 (zie het Algemeen Dossier, bijlage 3: BOB-dossier, p. 44). Het bevel observatie is niet verlengd. Op 7 mei 2015 heeft echter nog een observatie van verdachte plaatsgevonden. Het hof stelt vast dat daarmee sprake is van een vormverzuim ex art. 359a Sv. De verdediging heeft betoogd dat het vormverzuim dient te leiden tot bewijsuitsluiting van, zo begrijpt het hof de verdediging, de informatie die direct is verkregen door die observatie op 7 mei 2015 alsook al hetgeen in het pand aan [adres 2] te Waalwijk door de politie is aangetroffen dat verband houdt met het ten laste gelegde.

A.6.

Volgens bestendige jurisprudentie kan bewijsuitsluiting als op grond van art. 359a lid 1 Sv voorzien rechtsgevolg uitsluitend aan de orde komen indien door de onrechtmatige bewijsgaring een belangrijk (strafvorderlijk) voorschrift of rechtsbeginsel in aanzienlijke mate is geschonden. Bij bewijsuitsluiting gaat het om een bevoegdheid van de rechter, waarvan de uitoefening in de eerste plaats moet worden beoordeeld in het licht van de wettelijke beoordelingsfactoren van art. 359a lid 2 Sv – te weten: het belang dat het geschonden voorschrift dient, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt – en van de omstandigheden van het geval. Opmerking verdient daarbij dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt, niet kan niet worden aangemerkt als een rechtens te respecteren belang en dus niet een nadeel oplevert als bedoeld in art. 359a lid 2 Sv.

A.7.

In de eerste plaats acht het hof van belang dat het in casu niet gaat om een situatie waarbij er nimmer sprake is geweest van een afgegeven bevel tot stelselmatige observatie. Zoals hiervoor reeds is overwogen, heeft de officier van justitie op 6 februari 2015 een bevel tot stelselmatige observatie afgegeven, hetgeen betekent dat op dat moment de inbreuk op de persoonlijke levenssfeer van verdachte en het opsporingsbelang tegen elkaar zijn afgewogen. Verder merkt het hof op dat 7 mei 2015 de eerste dag was dat het bevel niet meer van kracht was. Bovendien is het de officier van justitie zelf geweest die, bij brief van 7 juli 2015, de omissie naar voren heeft gebracht. In die brief wordt geschreven dat het proces-verbaal van verlenging reeds was opgemaakt, maar abusievelijk niet is verzonden en dat het bevel tot verlenging door de officier van justitie zonder enige twijfel was afgegeven, te meer nu er met machtiging van de rechter-commissaris nog een bevel OVC ex art. 126l Sv lag, waarvan de geldigheidsduur nog niet was verstreken.

A.8.

Het hof stelt daarnaast het volgende vast ten aanzien van de observatie op 7 mei 2015. Blijkens het proces-verbaal observatie met bijlage (p.185-188, bijlage 6, van het zaaksdossier) heeft de observatie slechts twee uur en 10 minuten geduurd en heeft deze alleen in de openbare ruimte plaatsgevonden. Gedurende de observatie is verdachte door verbalisanten gezien bij zijn woning te [woonplaats] en bij het bedrijfspand aan [adres 2] te Waalwijk, is hij gevolgd terwijl hij van zijn woning naar dat bedrijfspand is gereden en terwijl hij, kort nadien, rondreed in Waalwijk. Tevens is er gedurende de observatie vanaf de buitenzijde in verdachtes auto gekeken. Gelet op de duur, de intensiteit, de plaats en de wijze waarop de observatie is verricht, heeft deze slechts een zeer beperkte inbreuk gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte en daarmee op art. 8 EVMR. Verder heeft er naar het oordeel van het hof heeft geen schending van art. 6 EVRM plaatsgevonden. Hetgeen de raadsman te dien aanzien naar voren heeft gebracht, komt er – hoewel de raadsman anders heeft betoogd – in de kern op neer dat verdachte nadeel heeft ondervonden omdat hij zich moet verantwoorden vanwege de verdenking van een strafbaar feit, hetgeen zoals hiervoor reeds vermeld niet een rechtens te respecteren belang betreft.

A.9.

Ten slotte overweegt het hof in dit verband nog dat uit het relaas op p. 9 van het zaaksdossier volgt dat, anders dan de raadsman heeft gesteld, niet alleen op grond van de observatie op 7 mei 2015, maar ook naar aanleiding van andere informatie het vermoeden bestond dat in het pand aan [adres 2] te Waalwijk synthetische drugs werden geproduceerd en dat op al deze gronden is besloten het bedrijfspand binnen te treden.

A.10.

Het hof komt op grond van het voorgaande tot de conclusie dat er noch op grond van het geconstateerde vormverzuim noch op grond van enig ander gebrek, aanleiding is voor bewijsuitsluiting van enig op 7 mei en 8 mei 2015 verkregen onderzoeksresultaat. Het verweer slaagt niet.

B.1.

De raadsman heeft betoogd dat niet kan worden bewezen dat er op 7 mei en/of 8 mei 2015 amfetamine is geproduceerd.

B.2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

B.3.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft tijdens zijn verhoor op 9 mei 2015 onder meer verklaard (bewijsmiddel 14):

(p. 406, bijlage 35 van het zaaksdossier)

V: Hoe vaak en per wanneer hebben er in jouw bedrijfspand aan [adres 2] te Waalwijk processen plaats gevonden voor de vervaardiging van synthetische drugs, zoals MDMA?

A: Dat is twee keer geweest. De tweede keer was op 7 en 8 mei 2015.

en

(p. 405 van genoemde bijlage)

V: [medeverdachte 1] , vertel eens wat je allemaal gedaan hebt op donderdag 7 mei 2015?

A: (…) Vervolgens hebben [verdachte 1] en ik samen aan de hand van het papier waarop stond hoe de MDMA gemaakt moest worden, de ketel gevuld met chemicaliën. Daarna hebben we het proces op gang gebracht. (…) Vervolgens hebben [verdachte 1] en ik afgesproken dat we elkaar de dag er na, 8 mei 2015 tussen zeven en acht, op mijn bedrijf aan [adres 2] zouden treffen om weer verder te gaan met het productieproces voor de MDMA. We hebben er weer methanol bij gedaan.

B.4.

Daarnaast is tijdens de doorzoeking in het bedrijfspand [adres 2] te Waalwijk een RVS ketel in beslag genomen die op dat moment in werking was (bewijsmiddel 2). Uit onderzoek door het NFI blijkt dat de vloeistof in die ketel onder meer MDMA bevat (bewijsmiddel 4).

B.5.

Reeds uit deze bewijsmiddelen blijkt dat er op 7 mei en 8 mei 2015 in het bedrijfspand aan [adres 2] in Waalwijk een materiaal bevattende MDMA is geproduceerd. Het verweer van de raadsman wordt verworpen.

C. 1.

De raadsman heeft betoogd dat het medeplegen niet kan worden bewezen.

C.2.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

C.3.

Uit de bewijsmiddelen blijkt onder meer het volgende:

  • -

    medeverdachte [medeverdachte 2] heeft op 21 april 2015 alle spullen die nodig zijn voor de productie van MDMA naar het bedrijfspand van [medeverdachte 1] te Waalwijk gebracht;

  • -

    op 7 mei 2018 heeft verdachte tassen bevattende jerrycans met vloeistoffen ten behoeve van de productie van MDMA uit zijn woning te [woonplaats] gehaald, in zijn auto geplaatst en deze vervolgens naar het bedrijfspand van [medeverdachte 1] te Waalwijk vervoerd. Aldaar zijn deze jerrycans door verdachte en [medeverdachte 1] uit de auto geladen en, op een later moment die dag, naar de bovenverdieping gebracht (alwaar het drugslaboratorium door de politie is aangetroffen);

  • -

    vervolgens zijn verdachte en [medeverdachte 1] op die dag met behulp van een papier met daarop een ‘recept’ om MDMA te produceren (op welk papier een vingerafdruk van verdachte is aangetroffen), bezig gegaan met de productie van MDMA. Toen het productieproces niet goed verliep, heeft verdachte via zijn gsm om hulp gevraagd, waarna [medeverdachte 2] is gekomen. Toen [medeverdachte 2] , [verdachte 1] en [medeverdachte 1] bij elkaar zaten is gezegd dat hetgeen ze hadden geproduceerd niet goed was. Er is afgesproken de volgende dag verder te gaan;

  • -

    op 8 mei 2015 zijn verdachte en [medeverdachte 1] weer verder gegaan met het productieproces;

  • -

    [medeverdachte 1] beschikte over een telefoon waarmee hij contact hield met zowel [medeverdachte 2] als [verdachte 1] . [medeverdachte 1] heeft verklaard hij een gsm had met een simkaart waarop [medeverdachte 2] en [verdachte 1] stonden : ‘omdat ze het praten over het laboratorium niet over de gewone telefoon wilden doen.’ (zie bewijsmiddel 17).

C.4.

Op grond van het bovenstaande stelt het hof vast dat op 7 en 8 mei 2015 sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij het bereiden van een materiaal bevattende MDMA.

Het verweer wordt verworpen.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het onder 1 bewezen verklaarde levert op:

medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen sanctie

Bij de bepaling van de op te leggen straf is gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen.

Ten aanzien van de ernst van de bewezen verklaarde feiten heeft het hof in het bijzonder gelet op:

  • -

    de omstandigheid dat het bewezen verklaarde inhoudt dat de verdachte als medepleger een hoeveelheid van een materiaal bevattende MDMA heeft bereid, terwijl dergelijke harddrugs, eenmaal in handen van gebruikers, grote gevaren voor de gezondheid van die gebruikers opleveren;

  • -

    de mate waarin feiten als het bewezen verklaarde schadelijk zijn voor het milieu vanwege de wijze waarop chemische afvalstoffen van dergelijke productieprocessen vaak illegaal worden afgevoerd in het openbare riool, dan wel middels lozingen in openbare wateren of dumping in de openbare ruimte.

Naar het oordeel van het hof kan, gelet op de ernst van het bewezen verklaarde in de verhouding tot andere strafbare feiten zoals onder meer tot uitdrukking komt in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die een onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor langere duur met zich brengt.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof kennis genomen van:

  • -

    de inhoud van het hem betreffende uittreksel Justitiële Documentatie d.d. 3 juli 2018, waaruit blijkt dat hij in 1998 reeds eerder is veroordeeld tot een gevangenisstraf in verband met overtreding van de Opiumwet. Vanwege de ouderdom van deze veroordeling zal het hof hiermee slechts in beperkte mate rekening houden;

  • -

    de overige persoonlijke omstandigheden van verdachte, zoals daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Verdachte heeft een sturende en organiserende rol gespeeld bij het bewezen verklaarde. Zo heeft hij onder meer vloeistoffen ten behoeve van de productie van MDMA vanuit zijn woning naar het laboratorium gebracht en was hij degene die contact legde met [medeverdachte 2] toen er problemen waren bij het productieproces. Verder heeft verdachte zich ook actief bezig gehouden met de daadwerkelijke productie van MDMA. Ondanks alle aanwijzingen omtrent de betrokkenheid van verdachte bij het bewezen verklaarde, heeft verdachte geen opening van zaken willen geven. Alles overziend acht het hof het passend en geboden een onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen voor de duur van 30 maanden, met aftrek van het voorarrest. Aan het onherstelbare vormverzuim in de zin van art. 359a Sv zal het hof geen rechtsgevolg verbinden, om de reden zoals hierboven reeds vermeld.

Redelijke termijn

Het hof doet niet binnen twee jaar na de datum van het instellen van het hoger beroep op 4 februari 2016 uitspraak, maar iets meer dan zeven maanden nadien. In de eerste plaats stelt het hof vast dat in hoger beroep onder meer op verzoek van de verdediging getuigen zijn gehoord door de raadsheer-commissaris. Daarnaast constateert het hof dat deze strafzaak door de rechtbank voortvarend is behandeld en de procedure in beide instanties na de datum van inverzekeringstelling op 8 mei 2015 nog geen drie en een half jaar heeft geduurd. Gelet op het vorenstaande zal het hof geen consequenties verbinden aan de overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep.

Beslag

Het hierna te noemen in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerp, volgens opgave van verdachte aan hem toebehorend, is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het onder 1 primair ten laste gelegde en bewezen verklaarde is voorbereid (art. 33a lid 1, aanhef en onder c Sr), zoals ook volgt uit de bewijsmiddelen. Het verweer van de raadsman te dien aanzien wordt dan ook verworpen.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting in hoger beroep is gebleken.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 2 en 10 van de Opiumwet en de artikelen 33, 33a en 47 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 2 ten laste gelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart het onder 1 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 (dertig) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, of artikel 27a van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerp, te weten:

- een personenauto, Mercedes Benz C 220, kenteken [kenteken] .

Aldus gewezen door:

mr. K. van der Meijde, voorzitter,

mr. K.J. van Dijk en mr. H.A.W. Vermeulen, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. H. Nieuwendijk, griffier,

en op 17 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.