Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3780

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
14-09-2018
Datum publicatie
08-11-2018
Zaaknummer
17/00523 en 17/00604
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:4438, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur, in lijn met de wettelijke bepalingen en het Kaderbesluit MRB, met betrekking tot belanghebbendes kampeerauto terecht met ingang van 12 november 2015 het kwarttarief als bedoeld in artikel 23a, lid 1, van de Wet MRB toegepast. De omstandigheid dat het voor belanghebbende niet kenbaar was dat hij een verzoek om toepassing van het kwarttarief moest indienen, dient naar het oordeel van het Hof voor rekening en risico van belanghebbende te komen. Voor zover belanghebbende een beroep doet op het zevende lid van artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit MRB, kan het Hof hem daarin niet volgen, omdat de vorige houder, naar de Inspecteur onvoldoende weersproken heeft verklaard, niet het kwarttarief had betaald. Voorts faalt het beroep van belanghebbende op het vertrouwensbeginsel. Het Hof acht, gelet op de omstandigheid dat de Rechtbank op grond van redelijkheid en billijkheid het kwarttarief met ingang van 12 november 2014 heeft verleend, aanleiding om, op de voet van artikel 8:114, lid 2, van de Awb, de griffier op te dragen om aan belanghebbende het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht te vergoeden.

Wetsverwijzingen
Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994
Algemene wet bestuursrecht 8:114
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N Vandaag 2018/2475
NTFR 2018/2743 met annotatie van mr. J. Rolleman
V-N 2019/2.18.15
NLF 2018/2489 met annotatie van
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00523 en 17/00604

Uitspraak op de hoger beroepen van

[belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbende,

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 5 juli 2017, nummer BRE 16/3913, in het geding tussen

belanghebbende,

en

de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde beschikking.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

De Inspecteur heeft bij beschikking nummer [aanslagnummer] (hierna: de beschikking), het verzoek van belanghebbende om toepassing van het bijzonder tarief van artikel 23a van de Wet op de motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: Wet MRB) toegewezen met ingang van 12 november 2015. Het tegen de beschikking gemaakte bezwaar is bij uitspraak van de Inspecteur ongegrond verklaard.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de beschikking gewijzigd, de ingangsdatum van het kwarttarief op 12 november 2014 vastgesteld en de Inspecteur opgedragen het door belanghebbende betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

1.3.

De Inspecteur heeft hoger beroep tegen de uitspraak van de Rechtbank ingesteld bij het Hof, bij het Hof bekend onder kenmerk 17/00523. Belanghebbende heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft eveneens hoger beroep ingesteld bij het Hof, bij het Hof bekend onder kenmerk 17/00604. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.
Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 124.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 29 augustus 2018 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord belanghebbende, vergezeld van zijn gemachtigde de heer [A] , advocaat te [plaats] , alsmede, namens de Inspecteur, mevrouw
[B] en mevrouw [C] .

1.6.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbende is sinds 17 januari 2014 houder van een [merk auto] met kenteken [kenteken] (hierna: de kampeerauto). De datum van eerste toelating is 12 augustus 1992.

2.2.

Op 7 januari 2016 heeft belanghebbende telefonisch verzocht om toepassing van het kwarttarief. De Inspecteur heeft het verzoek gehonoreerd met ingang van 12 november 2015.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de vraag met ingang van welke datum de Inspecteur het kwarttarief dient toe te passen.

Belanghebbende is van mening dat het kwarttarief met ingang van 17 januari 2014 moet worden toegepast. De Inspecteur is de opvatting toegedaan dat het kwarttarief met ingang van 12 november 2015 moet worden toegepast.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden, die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, waarvan de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Partijen hebben ter zitting hun stellingen nader toegelicht. De Inspecteur heeft, evenals in eerste aanleg bij de Rechtbank, verklaard, dat de vorige houder van de kampeerauto geen verzoek om toepassing van het bijzonder tarief van artikel 23a van de Wet MRB (hierna: het kwarttarief) heeft gedaan. Belanghebbende heeft, in tegenstelling tot hetgeen mevrouw [D] in eerste aanleg bij de Rechtbank heeft verklaard, ter zitting verklaard dat hij omstreeks de datum waarop hij houder van de kampeerauto is geworden op de website van de Belastingdienst heeft gekeken. Belanghebbende heeft voorts verklaard dat hij “geen wijs kon” uit de op de website opgenomen passage over de toepassing van het kwarttarief. Voorts heeft belanghebbende ter zitting verklaard dat hij in de veronderstelling verkeerde dat hij geen verzoek om toepassing van het kwarttarief hoefde in te dienen, omdat hij meende dat de verkoper van de kampeerauto dit voor zijn rekening zou nemen.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, tot gegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur, en tot vaststelling van de ingangsdatum van het kwarttarief op 17 januari 2014. De Inspecteur concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en ongegrondverklaring van het bij de Rechtbank ingestelde beroep.

4 Gronden

Wettelijk kader

4.1.

Op grond van artikel 11, lid 1 van de Wet MRB vangt het belastingtijdvak voor een motorrijtuig waarvoor een kenteken is opgegeven aan met ingang van de dag van dagtekening van de eerste tenaamstelling van het voor dat motorrijtuig afgegeven kentekenbewijs en telkenmale drie maanden later.

4.2.

Artikel 23a, lid 1 van de Wet MRB luidt:

“Voor een personenauto waarvan de binnenruimte is ingericht voor het vervoer en verblijf van personen en is voorzien van een vaste kook- en slaapgelegenheid en die voldoet aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde voorwaarden en beperkingen met betrekking tot uiterlijk en inrichting, bedraagt de belasting in afwijking van artikel 23 en onder bij algemene maatregel van bestuur te stellen voorwaarden, een kwart van de ingevolge dat artikel verschuldigde belasting.”

4.3.

Artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit motorrijtuigenbelasting 1994 (hierna: het Uitvoeringsbesluit MRB) bepaalt, voor zover hier van belang:

“ (…)

4. De toepassing van artikel 23a van de wet vindt plaats op verzoek.

5. Het verzoek wordt bij de inspecteur ingediend voor de aanvang van het tijdvak.

6. Bij het verzoek worden bescheiden overgelegd waaruit blijkt dat wordt voldaan aan de in het eerste lid gestelde voorwaarden, alsmede een opgave van het kenteken van de personenauto.

7. Indien een motorrijtuig waarvoor artikel 23a van de wet reeds van toepassing is van houder wisselt, wordt de aanvraag om wijziging van de tenaamstelling aangemerkt als een verzoek om toepassing van artikel 23a, eerste lid, van de wet. Het vijfde en zesde lid zijn alsdan niet van toepassing.

8. De inspecteur beslist op het verzoek bij voor bezwaar vatbare beschikking. Tenzij in de beschikking anders is bepaald, werkt deze terug tot op het tijdstip waarop het verzoek is ingediend.

9. Indien niet of niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 23a, eerste of tweede lid, van de wet, stelt degene aan wie de beschikking is verleend de inspecteur daarvan onverwijld in kennis.

(…).”

4.4.

In onderdeel 12 van het Kaderbesluit MRB (Besluit van 15 juni 2012, BLKB2012/942M, Stcrt. 2012, nr. 12746, gewijzigd bij Besluit BLKB2014/2068M, Stcrt. 2014, nr. 36887; respectievelijk bij Besluit BLKB 2015/151M, Stcrt. 2015, nr. 6459 en BLKB2015/1381M, Stcrt. 2015, nr. 42953) is met toepassing van artikel 63 van de AWR (zgn. hardheidsclausule) goedgekeurd dat het kwarttarief wordt verleend met terugwerkende kracht tot het begin van het tijdvak, waarin het verzoek is binnengekomen.

Beoordeling van het geschil

4.5.

Tussen partijen is niet in geschil dat belanghebbende sinds 17 januari 2014 houder is van de kampeerauto en dat belanghebbende voor het eerst op 7 januari 2016 telefonisch heeft verzocht om toepassing van het kwarttarief. De Inspecteur heeft dit verzoek, overeenkomstig de goedkeuring opgenomen in onderdeel 12 van het Kaderbesluit MRB, bij beschikking met terugwerkende kracht toegewezen met ingang van het begin van het tijdvak, waarin het verzoek is binnengekomen. Dat is in dit geval 12 november 2015. Naar het oordeel van het Hof heeft de Inspecteur daarmee gehandeld in overeenstemming met de wettelijke bepalingen en het Kaderbesluit MRB. Anders dan belanghebbende voorstaat, biedt de Wet MRB of het begunstigende beleid, zoals verwoord in het Kaderbesluit MRB, de Inspecteur geen ruimte voor een verdergaande terugwerkende kracht dan hiervoor is vermeld.

4.6.

De omstandigheid dat het voor belanghebbende niet kenbaar was dat hij een verzoek om toepassing van het kwarttarief moest indienen, ook als sprake is van een voorgaande kentekenhouder, dient naar het oordeel van het Hof voor rekening en risico van belanghebbende te komen. De Belastingdienst heeft daarin geen actieve mededelingsplicht, omdat de wet- en regelgeving voorziet in een verzoekprocedure.

4.7.

Uitzondering op die verzoekprocedure is het - per 1 januari 2013 ingevoerde - lid 7 van artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit MRB, als gevolg waarvan de aanvraag van de houder van een kampeerauto om wijziging van de tenaamstelling wordt aangemerkt als een verzoek om toepassing van het kwarttarief, indien het kwarttarief door de vorige houder ook al werd betaald. Voor zover belanghebbende een beroep doet op het zevende lid van artikel 5aa van het Uitvoeringsbesluit MRB, kan het Hof hem daarin niet volgen, omdat de vorige houder, naar de Inspecteur onvoldoende weersproken heeft verklaard, niet het kwarttarief had betaald.

4.8.

Belanghebbende heeft zich tevens beroepen op de uitspraak van het Hof van 3 maart 2017, nr. 16/00249, ECLI:NL:GHSHE:2017:875. In die zaak kwamen de gevolgen van het achterwege blijven van een verzoek om toepassing van het kwarttarief voor rekening van de Inspecteur, omdat de belastingplichtige op grond van de inlichtingen op de website van de Belastingdienst, die hij had geraadpleegd op het moment van de aanschaf van de auto, mocht menen, dat een afzonderlijk verzoek om toepassing van het kwarttarief in zijn geval niet nodig was. Een dergelijke situatie doet zich hier niet voor. Belanghebbende stelde in eerste aanleg, dat hij pas in 2016 op de website van de Belastingdienst heeft gekeken. In hoger beroep heeft zijn gemachtigde weliswaar gesteld dat belanghebbende in 2014 op of omstreeks het moment dat hij houder werd van de kampeerauto de website van de Belastingdienst heeft geraadpleegd, doch belanghebbende heeft ter zitting van het Hof desgevraagd verklaard, dat hij “er geen wijs uit kon” en dat hij er vanuit ging dat het bedrijf, waar hij de kampeerauto heeft gekocht, een en ander zou regelen. Het Hof acht belanghebbendes stelling in hoger beroep, dat hij reeds in 2014 op de website zou hebben gekeken, gelet op zijn verklaring in eerste aanleg en zijn toelichting ter zitting van het Hof, ongeloofwaardig.
Overigens, ook als het Hof veronderstellenderwijs er van uit zou gaan, dat belanghebbende op of omstreeks 17 januari 2014 de website van de Belastingdienst wel zou hebben geraadpleegd, dan nog slaagt belanghebbendes beroep op het vertrouwensbeginsel niet, omdat hij naar zijn zeggen “er geen wijs uit kon” worden en erop vertrouwde dat de verkoper van de kampeerauto het kwarttarief zou regelen. Uit de uitlating van belanghebbende dat hij “er geen wijs uit kon” volgt dat in 2014 niet het vertrouwen is gewekt dat hij geen verzoek behoefde te doen. Daarmee is naar het oordeel van het Hof geen sprake van een situatie waarin belanghebbende, op grond van inlichtingen van de zijde van de Belastingdienst, mocht menen dat een afzonderlijk verzoek om toepassing van het kwarttarief niet nodig was.
Ook de verkoper van de kampeerauto kan een dergelijk vertrouwen niet wekken, althans het door hem eventueel bij belanghebbende gewekte vertrouwen dat hij een en ander zou regelen, kan niet aan de Inspecteur worden toegerekend.

4.9.

Belanghebbende betoogt verder dat de betalingsomschrijving van motorrijtuigenbelasting misleidend is. Het Hof volgt belanghebbende niet in zijn stelling. Op grond van artikel 11 van de Wet MRB wordt de verschuldigde motorrijtuigenbelasting per drie maanden geheven. Dat bij de maandelijkse afschrijving wordt verwezen naar een tijdvak van drie maanden (een kwartaal), zegt, anders dan belanghebbende veronderstelt, niets over de toepassing van het kwarttarief.

Slotsom

4.10.

De slotsom is dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is en dat van belanghebbende ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank wordt vernietigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.11.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.
Het Hof acht de beslissing van de Rechtbank om op grond van redelijkheid en billijkheid het kwarttarief te verlenen met ingang van 12 november 2014, gelet op de omstandigheid dat de belastingrechter bij zijn beslissing de wet niet terzijde mag stellen op grond van hetgeen de belastingrechter redelijk en billijk vindt (artikel 11 van de Wet van 15 mei 1829, houdende algemeene bepalingen der wetgeving van het Koningrijk (Stb 1822, 10 en Stb 1829, 28)) en de omstandigheid dat de belastingrechter evenmin begunstigend beleid ruimer mag uitleggen op grond van hetgeen de belastingrechter redelijk en billijk vindt, onjuist. In deze gang van zaken vindt het Hof aanleiding om op de voet van artikel 8:114, lid 2, van de Awb de griffier op te dragen om aan belanghebbende het door hem in hoger beroep betaalde griffierecht van € 124 te vergoeden.


Ten aanzien van de proceskosten

4.12.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep ongegrond; en

- gelast dat de griffier aan belanghebbende het door deze ter zake van de behandeling van het hoger beroep bij het Hof betaalde griffierecht ten bedrage van € 124 vergoedt.

Aldus gedaan op 14 september 2018 door J. Swinkels, voorzitter, P. Fortuin en J.W. de Tombe, in tegenwoordigheid van
J.M.A. Beckers, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.