Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3776

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
31-01-2019
Zaaknummer
200.242.543_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef sub b en c Fw op grond van honorering beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 13 september 2018

Zaaknummer : 200.242.543/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/247659/FT RK 18/227

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. B.H.A. Augustin te Gulpen, gemeente Gulpen-Wittem.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, van 3 juli 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 10 juli 2018, heeft [appellante] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, rechtdoende in hoger beroep, te beslissen dat haar verzoek tot toepassing van de schuldsaneringsregeling alsnog wordt toegewezen.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 5 september 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellante] , bijgestaan door mr. Augustin,

  • -

    de heer [beschermingsbewindvoerder] in zijn hoedanigheid van informant, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 4 september 2018;

- de ter zitting in hoger beroep door de advocaat van [appellante] overgelegde stukken, te weten: het procesdossier eerste aanleg, een pleitnota alsmede het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 20 juni 2018. Deze stukken zijn door de advocaat van [appellante] ook toegestuurd bij indieningsformulier van 5 september 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit zijn uitlatingen zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellante] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid hij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om zijn visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 120.433,15. Daaronder bevindt zich een fraudeschuld aan Sociale Zaken Maastricht Heuvelland van € 87.897,26. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest en dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.3.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, onder meer als volgt gemotiveerd:

"2.4. Verzoekster ontvangt al een bijstandsuitkering sinds haar huwelijk. In de rapportage gevoegd bij het verzoekschrift is vermeld dat verzoekster ongeveer negen jaar geleden volledig is afgekeurd en dat zij vijf jaar geleden voor het laatst is gekeurd waarna zij 12 uur per week arbeidsgeschikt werd bevonden. Verzoekster heeft sindsdien alleen vrijwilligerswerk verricht en nooit gesolliciteerd naar een betaalde baan.

Ter zitting heeft verzoekster verklaard dat zij jaarlijks wordt gezien door een bedrijfsarts van de gemeente, maar dat zij daarvan geen rapportage heeft gezien. Volgens verzoekster is zij door de gemeente vrijgesteld van de arbeidsplicht. Dit is echter niet onderbouwd met stukken. Er is alleen een beschikking van de gemeente van 18 januari 2018 overgelegd waarin de gemeente verzoekster toestemming geeft om het vrijwilligerswerk voort te mogen zetten. Er zijn medische stukken overgelegd van de orthopeed dr. [orthopeed] en de huisarts dr. [huisarts] . Uit deze stukken kan echter geen mate van arbeidsongeschiktheid worden afgeleid. Wel valt op te maken dat verzoekster al sinds mei 2015 geen fysiotherapie meer wil volgen vanwege de kosten. In februari 2015 heeft verzoekster nog wel fysiotherapie gehad. Afgaande op het bovenstaande had verzoekster dus minimaal 12 uur per week kunnen werken en had zij dus dienen te solliciteren naar betaald werk. Daarnaast is het aannemelijk dat, indien verzoekster wel de door de orthopeed voorgeschreven fysiotherapie had gevolgd, verzoekster de afgelopen jaren mogelijk zelfs meer uren had kunnen werken. Nu verzoekster beiden heeft nagelaten oordeelt de rechtbank dat verzoekster zich onvoldoende heeft ingespannen om een einde te maken aan haar benarde financiële positie. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verzoekster niet te goeder trouw is geweest ten aanzien van het onbetaald laten van haar schulden.

2.5.

Voorts is naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk geworden dat verzoekster haar uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. De rechtbank baseert dit oordeel op het feit dat de door verzoekster aangegeven beperkingen niet zijn onderbouwd met recente medische informatie waaruit de mate van arbeidsongeschiktheid is af te leiden en verzoekster de afgelopen jaren ook niet heeft gesolliciteerd."

3.4.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] zit niet thuis zonder enige bijdrage te leveren aan de maatschappij. Reeds jarenlang werkt zij op een kinderboerderij als vrijwilligster, hetgeen altijd in goed overleg met de uitkerende instantie is gebeurd. Wanneer [appellante] wel betaald werk had gevonden voor de 12 uur, dan had dit aan haar financiële situatie niets veranderd. [appellante] zou in dat geval namelijk nog altijd minder verdienen dan de bijstandsnorm. Daarnaast wordt [appellante] door de rechtbank verweten dat zij geen fysiotherapie heeft gevolgd. Sterker nog, door de rechtbank wordt aangegeven dat het "aannemelijk" is dat [appellante] bij het volgen van deze behandeling meer uren had kunnen draaien. Laatstgenoemde conclusie wordt echter in totaliteit niet onderbouwd. Daarnaast is [appellante] aangewezen op een basisverzekering, zij staat bekend als wanbetaler, hetgeen haar uitsluit voor het afsluiten van een aanvullende verzekering. De basisverzekering dekt slechts een minimaal aantal fysiotherapiesessies. De beschermingsbewindvoerder geeft in dit kader zelfs aan dat in het onderhavige geval géén enkele sessie vergoed zou worden. [appellante] stond derhalve voor een duivels dilemma, enerzijds kon zij, zonder hiervoor verzekerd te zijn, fysiotherapie gaan volgen, hetgeen rechtstreeks zou leiden tot nieuwe schulden dan wel deze sessies niet te volgen hetgeen haar lichamelijke toestand geen goed doet. Anders dan de rechtbank ziet [appellante] het voorgaande juist als een voorbeeld dat zij alles in het werk stelt om geen nieuwe schulden te maken.

Ten aanzien van het "goede trouw" criterium wordt voorts een beroep gedaan op artikel 288 lid 3 Fw. Uit het schuldenoverzicht, alsook uit de rapportage als opgenomen in het toelatingsverzoek, blijkt dat alle schulden voortkomen uit de periode dat [appellante] gehuwd was met een partner die de financiën "regelde". Direct na de scheiding heeft [appellante] onderkend dat zij te maken had met problematische schulden, waarbij zij twee drastische wijzigingen in haar leven heeft gemaakt. Allereerst heeft zij geen enkele nieuwe schuld gemaakt na 2011 en nu zij zelf van mening was dat zij deze schulden niet zelf kon oplossen en hulp en begeleiding nodig had ter zake haar financiën, heeft zij zich onder beschermingsbewind laten plaatsen. Deze wijzigingen, welke vrijwillig zijn doorgevoerd, hebben erin geresulteerd dat er sprake is van een stabiele situatie waarbij tevens geen nieuwe schulden zijn ontstaan. Gezien het beschermingsbewind is de kans nagenoeg nihil dat de omstandigheden die geleid hebben tot de schuldenlast opnieuw aantreden. Om bewijs te leveren dat [appellante] een zeer betrouwbare partij is wordt voorts een schrijven d.d. 22 juni 2018 afkomstig van de Kinderboerderij [kinderboerderij] overgelegd. Uit dit schrijven blijkt genoegzaam dat [appellante] sinds maart 2012, derhalve al ruim 6 jaar, naar volle tevredenheid op voornoemde locatie als vrijwilliger werkzaam is. Sterker nog, het vertrouwen is dusdanig groot dat aan haar een leidinggevende functie is toebedeeld. Ten aanzien van het niet overleggen van recentere medische stukken wenst [appellante] op te merken dat dit haar niet is aan te rekenen. Zij heeft zich jaarlijks gemeld voor een medische keuring, waarbij de inhoud van het advies enkel mondeling aan haar werd aangegeven. Tot slot heeft [appellante] via Sociale Zaken Maastricht Heuvelland – na bemiddeling door de beschermingsbewindvoerder - reeds een nieuwe medische keuring aangevraagd, uit welke keuring haar daadwerkelijk medische toestand zal blijken, aldus [naam] .

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] geeft aan dat zij op 11 september 2018 een arbeidsdeskundige keuring zal ondergaan. Dit is via re-integratiebureau Annex geregeld. Voorts geeft [appellante] aan dat haar energieschulden voort zijn gekomen uit het buiten haar medeweten en instemming om exploiteren van een hennepkwekerij door haar voormalige echtgenoot in een keet gelegen naast hun toenmalige gezamenlijke woonwagen. [appellante] is zelf in het kader van de kwekerij dan ook niet vervolgd. Ook de fraudeschuld aan de afdeling Sociale Zaken van de gemeente Maastricht is volgens [appellante] door haar voormalige echtgenoot veroorzaakt. Hij had inkomsten uit diverse nevenactiviteiten niet bij de uitkeringsinstantie gemeld en had daardoor gedurende een langere periode teveel uitkeringsgelden ontvangen. Omdat haar voormalige echtgenoot nadien nimmer enig aantoonbaar inkomen is gaan genereren, is er in het kader van deze schuld een derdenbeslag tot aan de beslagvrije voet op het inkomen van [appellante] gelegd,. Zij waren destijds immers in gemeenschap van goederen gehuwd. Dit beslag heeft tot aan het moment waarop door de GKB de stabiliteitsovereenkomst is opgesteld voortgeduurd. De scheiding van [appellante] was echter al op 21 maart 2012 ingeschreven. Met betrekking tot haar vrijwilligerswerk op een kinderboerderij merkt [appellante] op dat het hier niet fysieke, aansturende werkzaamheden betreft, dat zij hier op papier maximaal 20 uur per week werkt, maar dat zij dit aantal, vanwege haar fysieke problemen, in beginsel niet haalt. [appellante] is hier ook een kandidaat voor een eventuele betaalde dienstbetrekking, indien ooit door de kinderboerderij te vergeven. Tot slot benadrukt [appellante] haar beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw waarbij zij aandraagt dat zij thans onder beschermingsbewind staat, er recent geen nieuwe schulden zijn ontstaan en dat zij op dit moment naar maximale vermogen vrijwilligerswerk verricht.

3.7.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – desgevraagd nog het volgende aangevoerd. De beschermingsbewindvoerder onderschrijft de lezing der feiten zoals die met betrekking tot het ontstaan van de energie- en fraudeschulden door [appellante] is aangevoerd. Het is ook juist dat er middels een derdenbeslag al sinds jaar en dag op de fraudeschuld wordt afgelost. De schuld is hierdoor ook al enigszins verminderd, deze zou aanvankelijk meer dan € 90.000,00 hebben bedragen. De beschermingsbewindvoerder is sinds januari 2014 in beeld en direct vanaf die tijd loopt het bewind volgens hem ook goed.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.8.2.

Uit de door [appellante] in het kader van haar toelatingsverzoek overgelegde schuldenlijst ex artikel 285 Fw blijkt dat er sprake is van een aantal substantiële schulden welke naar hun aard in beginsel dienen te worden aangemerkt als schulden welke niet te goeder trouw zijn ontstaan. Het betreft hier met name de fraudeschuld aan Sociale Zaken Maastricht Heuvelland, de diverse (gemeentelijke) belastingschulden en de schulden aan diverse energieleveranciers nu deze schulden, zoals door [appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook is erkend, samenhangen met de wederrechtelijke exploitatie van een hennepkwekerij.

3.8.3.

Vast staat eveneens, temeer nu zij zulks bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook heeft erkend, dat [appellante] , ondanks haar structurele en omvangrijke schuldenlast, nimmer heeft gepoogd om middels een directe dan wel open sollicitatie een (parttime) loonvormende arbeidsbetrekking te verwerven, ook niet in de vijf jaar voorafgaand aan het ingediende verzoek tot toelating.

3.8.4.

Daar staat evenwel tegenover dat uit de door [appellante] overgelegde stukken genoegzaam kan worden afgeleid dat haar schulden, met inbegrip van de schulden waarnaar het hof in r.o. 3.8.2. van dit arrest verwijst, nagenoeg allemaal reeds langere tijd geleden zijn ontstaan. Met uitzondering van één schuld blijken alle schulden te zijn ontstaan voor de termijn van vijf jaren zoals die in artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw bepaald is. Bovendien verricht [appellante] , in overleg met de uitkerende instantie, wel maatschappelijk relevant vrijwilligerswerk en daarmee heeft zij naar het oordeel van het hof toch nadrukkelijk blijk gegeven van een participerende grondhouding. Daar komt nog bij dat [appellante] op korte termijn, nog voor de uitspraakdatum van onderhavig arrest, arbeidsdeskundig zal worden gekeurd zodat er op korte termijn ook een accurate vaststelling van haar actuele arbeidsgeschiktheid zal zijn op grond waarvan er aan [appellante] met betrekking tot haar arbeidsinzet wellicht nieuwe, althans actuele aangescherpte eisen zullen kunnen worden gesteld.

3.8.5.

[appellante] doet een uitdrukkelijk beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw. Zij voert hiertoe, deels in aanvulling op de hiervoor reeds overwogen omstandigheden, aan dat zij op dit moment onder beschermingsbewind staat dat - zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep ook de door de beschermingsbewindvoerder is verklaard - adequaat verloopt, er mede daardoor in elk geval de laatste jaren, maar ook al daarvoor geen nieuwe schulden meer zijn ontstaan en dat zij reeds langere tijd naar volle tevredenheid van de betreffende instelling (de kinderboerderij) met behoud van uitkering vrijwilligerswerk verricht. Het hof is van oordeel dat dit beroep op de hardheidsclausule, gelet op alle omstandigheden zoals hiervoor overwogen, in dit geval dient te worden gehonoreerd. Wil een beroep op artikel 288 lid 3 Fw slagen, dan is in het algemeen vereist dat de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die zich toont in het feit dat hij of zij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem of haar in financiële problemen hebben gebracht. Dat blijkt ook uit het feit dat artikel 288 lid 3 Fw volgens de wetsgeschiedenis vooral ziet op "echte gedragsaspecten" (Handelingen I 2006-2007, nr. 30, blz. 958). Naar het oordeel van het hof is hier in deze zaak, gelet op al hetgeen hiervoor, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, is overwogen, evident sprake van.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal derhalve worden vernietigd en het verzoek van [appellante] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal alsnog worden toegewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

4. De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[appellante] , wonende te

[postcode] [woonplaats] , aan de

[adres] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Maastricht, kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. R.R.M. de Moor, A.P. Zweers-van Vollenhoven en M. Pannevis en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2018.