Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3762

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
13-09-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
200.226.944_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling.

Moeder wil geen zorgregeling tussen vader en zoon.

Vader heeft het hof een brief geschreven waarin hij zich volledig terugtrekt uit het leven van de 12-jarige zoon. Dit staat hem echter niet vrij.

Ouders hebben gezamenlijk gezag en zijn daarmee beiden verantwoordelijk voor verzorging en opvoeding van de minderjarige.

Hof legt reguliere zorgregeling op met concrete startdatum.

Wisselmomenten op school: dit creëert rust voor de ouders en de minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2018/151
PFR-Updates.nl 2018-0220
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 13 september 2018

Zaaknummer: 200.226.944/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/314141 / FA RK 16-5580-2

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.W.F. van Wijk,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

- mevrouw drs. E.A. Klaver, in haar hoedanigheid van bijzondere curator van de hierna nader te noemen minderjarige [minderjarige] ,

kantoorhoudende te [kantoorplaats] ,

hierna te noemen: de bijzondere curator,

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

- de Raad voor de Kinderbescherming, regio Zuidoost-Nederland,

vestiging: [vestigingsplaats] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 21 juli 2017.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 20 oktober 2017, heeft de moeder verzocht voormelde beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat [minderjarige] bij de vader verblijft in de even weken van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd, althans dat het hof een regeling vaststelt die het hof juist acht.

2.2.

De vader heeft geen verweerschrift ingediend.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 31 juli 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door haar advocaat;

  • -

    de bijzondere curator;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mr. [vertegenwoordiger van de raad] .

De vader heeft het hof bericht dat hij niet ter zitting zal verschijnen.

2.4.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid gesteld zijn mening kenbaar te maken. Hij heeft hiervan geen gebruik gemaakt.

2.5.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    de V-formulieren met bijlagen van de advocaat van de moeder van 4 december 2017 en 11 juli 2018;

  • -

    de brief van de vader van 13 juni 2018;

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn van 23 augustus 1996 tot 16 december 2010 met elkaar gehuwd geweest. Uit dit huwelijk is, voor zover thans relevant, geboren:

- [minderjarige] , (hierna: [minderjarige] ), op [geboortedatum] 2006 te [geboorteplaats] .

Partijen zijn gezamenlijk belast met het gezag over [minderjarige] .

[minderjarige] heeft het hoofdverblijf bij de moeder.

Het hof begrijpt uit de inhoud van de stukken dat het laatste contact tussen [minderjarige] en de vader heeft plaatsgevonden in mei 2017.

3.2.

Partijen hebben met elkaar afspraken gemaakt over [minderjarige] , die zij hebben vastgelegd in een ouderschapsplan van 10 oktober 2013. De rechtbank heeft bij beschikking van 6 december 2013 de onderling getroffen regelingen opgenomen. Kort samengevat, en voor zover thans relevant, hield de regeling in dat [minderjarige] wekelijkse anderhalve doordeweekse dag (woensdagmiddag 12.30 uur tot donderdagmorgen) én ieder weekend bij de vader verbleef: de ene week van zaterdagavond 17.30 uur tot maandagmorgen en de andere week van vrijdagavond 17.30 uur tot zaterdagavond 17.30 uur.

3.3.1.

De vader heeft de rechtbank in oktober 2016, onder meer en voor zover thans relevant, verzocht om de zorgregeling te wijzigen zodat [minderjarige] één weekend in de veertien dagen bij hem verblijft van vrijdagavond 18.00 uur tot zondag 20.00 uur alsmede iedere woensdagmiddag tot woensdagavond 20.00 uur.

3.3.2.

De rechtbank heeft bij tussenbeschikking van 23 december 2016 mevrouw Klaver tot bijzondere curator benoemd. Op 20 maart 2017 heeft zij haar rapport uitgebracht waarin zij heeft geadviseerd om de zorgregeling aan te passen zodat [minderjarige] één weekend in de veertien dagen bij de vader verblijft van vrijdagavond 18.00 uur tot maandagmorgen en iedere woensdagmiddag tot donderdagmorgen.

3.3.3.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank de door partijen gemaakte afspraken zoals weergegeven in het ouderschapsplan van 10 oktober 2013 en door de rechtbank opgenomen in de beschikking van 6 december 2013 inzake de zorgregeling aldus gewijzigd, dat [minderjarige] bij vader verblijft:

  • -

    de even weekenden van vrijdagmiddag na school tot maandagochtend voor schooltijd;

  • -

    elke woensdagmiddag na school tot donderdagochtend (de bestaande regeling).

Tevens heeft de rechtbank een gedetailleerde vakantie- en feestdagenregeling vastgelegd. Voor de inhoud daarvan verwijst het hof naar het dictum van de bestreden beschikking.

3.4.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen. In haar appelschrift voert zij, kort samengevat, het volgende aan.

De moeder heeft kort nadat de bestreden beschikking is gegeven, afgewacht en [minderjarige] geprobeerd te stimuleren om contact met de vader te hebben. Er heeft nog geen contact plaatsgevonden. [minderjarige] heeft inmiddels een leeftijd bereikt waarbij zijn mening niet meer kan worden genegeerd en het contact niet geforceerd kan plaatsvinden. Mocht er al sprake zijn van contact, dan moet dit met name plaatsvinden in de weekenden en niet op doordeweekse dagen: dit komt de rust en structuur van [minderjarige] niet ten goede, mede gezien de af te leggen reisafstand.

3.5.

De vader heeft het hof een brief gestuurd, waarin hij – kort gezegd – het volgende heeft verklaard.

[minderjarige] is sinds mei 2017 niet meer bij hem geweest. Dit op eigen verzoek van [minderjarige] , met goedvinden van zijn moeder. In het verleden is keer na keer gebleken dat de contacten tussen de vader en de moeder ertoe leiden dat [minderjarige] tussen twee vuren komt te staan. De vader wil dit niet meer. In november 2017 heeft hij besloten, en dit kenbaar gemaakt aan de gezinsvoogd, dat hij zich uit de dagelijkse zaken van het leven van [minderjarige] naar de achtergrond verplaatst. De vader doet dit om [minderjarige] de rust en ruimte te bieden die hij niet krijgt wanneer de vader een actieve rol in zijn leven blijft spelen. De vader benadrukt dat zijn keuze niets met desinteresse te maken heeft, maar enkel met een zorgvuldige afweging wat het beste is voor zijn zoon. Afwezigheid van de vader in de dagelijkse context biedt [minderjarige] momenteel de meeste rust.

3.6.

De bijzondere curator heeft ter zitting verklaard dat de vader zich niet ‘zomaar’ heeft teruggetrokken. Hij geeft veel om [minderjarige] . Het is echter voor de vader moeilijk om een eigen standpunt in te nemen door de invloed van zijn vriendin [vriendin van de vader] . [minderjarige] komt hierdoor knel te zitten. Het is voor [minderjarige] van belang dat hij weet dat zijn vader van hem houdt. [minderjarige] heeft tijdens het gesprek met de bijzondere curator niet gezegd dat hij zijn vader niet meer wil zien. Een reguliere weekendregeling waarbij [minderjarige] één weekend in de veertien dagen bij de vader verblijft, zou haalbaar moeten zijn. De bijzondere curator verwacht niet dat [vriendin van de vader] hier bezwaar tegen heeft.

3.7.

De raad heeft ter zitting geadviseerd dat er contact moet komen tussen de vader en [minderjarige] .

[minderjarige] heeft zijn twee ouders nodig. De brief die de vader aan het hof heeft gestuurd, zou ook positief geïnterpreteerd kunnen worden. Daar heeft [minderjarige] echter geen boodschap aan. [minderjarige] wil dat het fatsoenlijk wordt geregeld. De zorgregeling moet worden hervat, althans deze moet formeel worden vastgelegd.

Het hof overweegt als volgt.

Vermeerdering verzoek in appel

3.8.

Tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep heeft de moeder haar verzoek vermeerderd in die zin dat zij thans verzoekt te bepalen dat er helemaal geen contact meer plaatsvindt tussen [minderjarige] en de vader; zij wenst de juridische situatie met de feitelijke situatie in overeenstemming te brengen.

Het hof acht het verzoek van de moeder in strijd met de eisen van een goede procesorde. De moeder heeft dit verzoek pas gedaan tijdens de mondelinge behandeling in hoger beroep in afwezigheid van de vader, hetgeen de vader beperkt in zijn mogelijkheden tot verweer. Het hof is voorts niet van feiten of omstandigheden gebleken die na indiening van het beroepschrift zijn voorgevallen en die de vermeerdering van verzoek kunnen rechtvaardigen.

Het hof zal de vermeerdering van het verzoek daarom als zijnde tardief en in strijd met een goede procesorde niet in behandeling nemen.

Zorgregeling

3.9.1.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd.

In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:377e BW in samenhang met artikel 1:253a lid 4 BW, een eerder door de rechter of door de ouders onderling getroffen zorgregeling wijzigen op grond dat nadien de omstandigheden zijn gewijzigd, of dat bij het nemen van de beslissing van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan.

De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt

3.9.2.

Het uitgangspunt van de wetgever is dat een regelmatige en onbelaste omgang van kinderen met hun beide ouders voor hun evenwichtige ontwikkeling van groot belang is.

Dit geldt in dit geval temeer gezien de leeftijdsfase van [minderjarige] . In de fase van de puberteit ontwikkelen kinderen hun eigen identiteit en is het van belang dat zij zich een eigen oordeel over ieder van hun ouders kunnen vormen. Van ouders mag worden verwacht dat zij hun problemen, percepties en gevoelens ondergeschikt maken aan dit belang van hun kinderen, zodanig dat zij een onbelaste omgang met de andere ouder bevorderen.

3.9.3.

Het hof stelt vast dat, hoewel het huwelijk van partijen ruim zeven jaar geleden is ontbonden, de zorgregeling kennelijk bij alle betrokkenen veel stress en discussie oproept.

Beide ouders hebben hierin een aandeel. De gespannen en complexe verstandhouding tussen de ouders heeft er uiteindelijk in geresulteerd dat de vader zich volledig heeft teruggetrokken uit het leven van [minderjarige] . Het laatste contact tussen de vader en [minderjarige] heeft inmiddels anderhalf geleden plaatsgevonden. De moeder is thans van mening dat [minderjarige] geen contact meer wenst met zijn vader. Het hof is daar niet van overtuigd. Uit de inhoud van de stukken en het verhandelde ter zitting, is het hof niet gebleken dat [minderjarige] afwijzend staat tegenover zijn vader. Integendeel, [minderjarige] heeft tegenover de bijzondere curator verklaard dat hij zijn vader meer voor zichzelf alleen wil hebben. Op een uitnodiging van het hof om zijn mening kenbaar te maken (schriftelijk dan wel mondeling) is [minderjarige] helaas niet ingegaan.

Het hof ziet geen contra-indicaties, noch bij de vader, noch bij [minderjarige] , die een regelmatig contact tussen [minderjarige] en zijn vader in de weg staan.

3.9.4.

Het hof acht het in het belang van [minderjarige] dat hij op gezette tijden bij zijn vader verblijft en dat de vader zijn plicht tot verzorging en opvoeding van [minderjarige] nakomt. De ouders zijn immers gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] , waardoor zij beiden verantwoordelijk zijn voor zijn opvoeding en verzorging. Beide ouders hebben een zorgplicht die zij moeten nakomen. Het staat de vader niet vrij, zoals de raad ter zitting terecht heeft opgemerkt, om zich terug te trekken uit het leven van [minderjarige] . Het hof gaat dan ook voorbij aan de strekking van de brief die de vader het hof heeft gestuurd. Het hof doet een dringend beroep op de vader om op dit punt zijn verantwoordelijkheid te nemen.

3.9.5.

Gelet op het bovenstaande zal het aanvankelijk verzoek van de moeder in hoger beroep worden toegewezen. Nu de moeder zelf ter zitting een vurig betoog heeft gehouden over gezamenlijke verantwoordelijkheden van gescheiden ouders met betrekking tot hun kinderen, gaat het hof er vanuit dat zij deze – reguliere – zorgregeling alsnog volledig ondersteunt en hieraan ook uitvoering zal geven. In het belang van [minderjarige] mag van de moeder, als primair verzorgende ouder, een actieve houding worden verlangd en het ligt op haar weg om zo nodig met deskundige hulp [minderjarige] ondubbelzinnig te ondersteunen en te stimuleren in het herstel van contact met zijn vader. In het belang van de ontwikkeling van [minderjarige] mag van de moeder hierin een aanzienlijk grotere inspanning worden verwacht dan zij tot op heden heeft verricht.

3.9.6.

Het voorgaande betekent dat het hof een zorgregeling tussen de vader en [minderjarige] zal wijzigen naar één weekend per veertien dagen van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor school, waarbij [minderjarige] dus op school wordt gehaald en teruggebracht. Op deze wijze hoeft de moeder geen persoonlijk contact te hebben met de vader (en diens partner [vriendin van de vader] ), waardoor rust wordt gecreëerd: rust voor de ouders en met name voor [minderjarige] .

De vader zal zorgdragen voor het halen en terugbrengen van [minderjarige] .

De moeder zal [minderjarige] op vrijdagochtend een tas met weekendspullen meegeven en de vader dient ervoor te zorgen dat [minderjarige] deze spullen maandagmorgen bij zich heeft.

Het hof verwacht dat de ouders uitvoering geven aan deze zorgregeling met ingang van vrijdag 21 september 2018.

3.9.7.

Op grond van het voorgaande zal het hof de beschikking waarvan beroep vernietigen en de zorgregeling als volgt vaststellen.

4 De beslissing

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking, voor zover het de zorgregeling tussen de vader en de minderjarige [minderjarige] betreft;

wijzigt de beschikking van de rechtbank van 6 december 2013 en het daarvan onderdeel uitmakende ouderschapsplan van 10 oktober 2013, beide voor wat betreft de verdeling van de zorg- en opvoedtaken;

en, opnieuw rechtdoende:

stelt vast dat [minderjarige] (geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2006) in het kader van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken in de even weken van vrijdagmiddag na schooltijd tot maandagochtend voor schooltijd bij de vader verblijft, te beginnen op vrijdag 21 september 2018.

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, C.D.M. Lamers en L.Th.L.G. Pellis en is op 13 september 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. D. van der Horst, griffier.