Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3739

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
11-09-2018
Datum publicatie
11-02-2020
Zaaknummer
200.229.613_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:671
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:4913
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afgifte bescheiden

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.229.613/01

arrest van 11 september 2018

gewezen in het incident ex artikel 843a Rv in de zaak van

F. van Lanschot Bankiers N.V., thans genaamd Van Lanschot N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante in het principaal appel,

geïntimeerde in het incidenteel appel,

verweerster in het incident,

advocaat: mr. B.W.G. van der Velden te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te Spanje,

geïntimeerde in het principaal appel,

appellant in het incidenteel appel,

eiser in het incident,

advocaat: mr. P.H.J. Körver te ’s-Gravenhage,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 oktober 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 20 september 2017, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats

’s-Hertogenbosch, gewezen tussen appellante – Van Lanschot – als gedaagde en geïntimeerde – [geïntimeerde] – als eiser.

1. Het geding in eerste aanleg (zaaknummer / rolnummer: C/01/315161 / HA ZA 16-759)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het daaraan voorafgegane tussenvonnis van 25 januari 2017 waarbij een comparitie van partijen is gelast.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord, tevens memorie van grieven in incidenteel appel, tevens wijziging van eis tevens memorie in het incident met producties;

  • -

    de antwoordmemorie in het incident met producties.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald.

3 De beoordeling

In het incident

3.1.

Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de contractsoverneming waarbij Van Lanschot haar rechten en verplichtingen uit de overeenkomst met [geïntimeerde] heeft overgedragen aan Promontoria Holding 107 B.V. (hierna te noemen: Promontoria), nietig is. De rechtbank heeft de cessie van haar vordering op [geïntimeerde] door Van Lanschot aan Promontoria in stand gelaten en de vordering van [geïntimeerde] tot betaling van schadevergoeding wegens vermeend onrechtmatig handelen afgewezen, met veroordeling van Van Lanschot als de op het belangrijkste punt in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten.

3.2.

Van Lanschot en [geïntimeerde] kunnen zich met deze beslissing niet verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen. [geïntimeerde] vordert in het incident bij arrest, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad,

I. Van Lanschot op grond van artikel 843a Rv te veroordelen tot afgifte van:

- De (ongelakte) notulen van de bestuursvergaderingen van de raad van bestuur van

Van Lanschot inzake de vermeende overdracht van de kredieten aan Promontoria

alsmede afschriften van interne correspondentie en memo’s van Van Lanschot

welke zien op de vermeende overdracht van de kredieten aan Promontoria;

- De volledig ongelakte Deed of Transfer of Contract and Assignment van 30

september 2015 met alle bijlagen, eveneens ongelakt;

- De volledig ongelakte Amended and Restated Sale and Purchase Agreement d.d.

30 september 2015 met alle bijlagen, eveneens ongelakt;

en

II. Van Lanschot te veroordelen in de kosten van het incident.

3.3.

Van Lanschot heeft gemotiveerd verweer gevoerd dat hierna bij de beoordeling van de incidentele vordering zal worden betrokken.

3.4.

Het hof stelt voorop dat de zaak internationale aspecten heeft, omdat [geïntimeerde] in het buitenland, namelijk in Spanje, woonachtig is. Het hof dient daarom ambtshalve te beoordelen of de Nederlandse rechter bevoegd is om van het geschil kennis te nemen. Het hof stelt vast dat de Nederlandse rechter op grond van artikel 4 van de van toepassing zijnde herschikte EEX-verordening bevoegd is aangezien de gedaagde in eerste aanleg, Van Lanschot, in Nederland is gevestigd. De exhibitievordering van [geïntimeerde] maakt deel uit van het formele bewijsrecht. Ten aanzien van het formele bewijsrecht is het eigen recht van de aangezochte rechter (lex fori) van toepassing zodat dit met zich brengt dat op het onderhavige incident de Nederlandse regels van burgerlijke rechtsvordering van toepassing zijn. Daarbij is het niet van belang door welk materieel recht de rechtsbetrekking tussen partijen wordt beheerst.

3.5.

Op grond van artikel 843a lid 1 Rv kan degene die daarbij rechtmatig belang heeft op zijn kosten inzage, afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij of zijn rechtsvoorganger partij is, van degene die de bescheiden te zijner beschikking of onder zijn berusting heeft. Op grond van het vierde lid van dat artikel is degene die de bescheiden te zijner beschikking heeft of onder zich heeft niet gehouden aan de vordering te voldoen indien daarvoor gewichtige, door deze partij aan te voeren redenen zijn of indien redelijkerwijs aangenomen kan worden dat een behoorlijke rechtsbedeling ook zonder verschaffing van de gevraagde bescheiden is gewaarborgd.

De (ongelakte) notulen van de bestuursvergaderingen van de raad van bestuur van Van Lanschot

3.6.

[geïntimeerde] beoogt aan de hand van de (ongelakte) notulen van de bestuursvergaderingen van de raad van bestuur van Van Lanschot zijn stelling te bewijzen dat Van Lanschot onrechtmatig heeft gehandeld dan wel wanprestatie heeft gepleegd door de kredieten zonder wezenlijk onderzoek en alleen met het zicht op profijt aan een ongeschikte partij als Promontoria over te dragen. Dat [geïntimeerde] er allerminst zeker van is dat in deze notulen bewijs is te vinden dat zijn stelling ondersteunt, blijkt uit punt 31. van de incidentele memorie, waar [geïntimeerde] stelt:

“Immers, als de notulen het beeld bevestigen (…) dat Van Lanschot vrijwel geen enkel onderzoek heeft gedaan naar haar contractspartij en alleen het gewin voorop heeft laten staan dan is dit bewijs voor de stelling dat verweerster onrechtmatig jegens [geïntimeerde] heeft gehandeld.”

3.7.

Er kan daarom niet anders worden geconcludeerd dan dat sprake is van een zogenaamde ‘fishing expedition’. Het gaat [geïntimeerde] om het verkrijgen van stukken om te bezien of daarin de informatie staat die hij veronderstelt, althans waarop hij hoopt daaraan iets te hebben, terwijl hij die veronderstelling niet voldoende heeft onderbouwd en daarvoor ook geen aanwijzing bestaat. Artikel 843a Rv biedt voor zodanige grondslag geen ruimte.

De interne correspondentie en memo’s van Van Lanschot

3.8.

[geïntimeerde] vordert voorts de afgifte van afschriften van interne correspondentie en memo’s van Van Lanschot met betrekking tot de vermeende overdracht van de kredieten aan Promontoria. [geïntimeerde] laat echter na aan te geven dat en waarom deze specifieke stukken van belang zijn.

3.9.

Voorwaarde voor toewijzing van een vordering ex artikel 843a Rv is dat de eiser tot inzage, afschrift of uittreksel een rechtmatig belang daarbij heeft. De enkele interesse in een stuk is niet genoeg. Het moet gaan om stukken waarbij een direct en concreet belang bestaat. Het ligt op de weg van de eiser tot inzage, afschrift of uittreksel om voldoende concrete feiten en omstandigheden te stellen waaruit dit belang blijkt.

3.10.

Nu [geïntimeerde] in het geheel niet toelicht welk belang hij heeft bij het verkrijgen van afschrift van de hiervoor genoemde interne correspondentie en memo’s, dient dit onderdeel van de incidentele vordering van [geïntimeerde] reeds op die grond te worden afgewezen. Voorkomen moet immers worden dat de houder van de bescheiden (Van Lanschot) nodeloos wordt lastig gevallen.

Indien [geïntimeerde] heeft beoogd zijn vordering te onderbouwen, zoals weergegeven in rechtsoverweging 3.6., wordt op de grond als in rechtsoverweging 3.7. vermeld deze vordering eveneens afgewezen.

De volledig ongelakte Deed of Transfer of Contract and Assignment van 30 september 2015 met alle bijlagen, eveneens ongelakt

3.11.

Op 30 september 2015 heeft Van Lanschot nagenoeg alle zakelijke vastgoedleningen die waren ondergebracht in de afdeling bijzonder beheer vastgoed van haar bedrijfsonderdeel Corporate Banking, aan Promontoria overgedragen. De overdracht, bestaande uit een contractsoverneming in de zin van artikel 6:159 BW en een cessie in de zin van artikel 3:94 BW, is geëffectueerd door middel van de Deed of Transfer of Contract and Assignment van 30 september 2015 (hierna met partijen te noemen: de Akte). Uit punt 2.4 van de antwoordmemorie in het incident blijkt dat een ongelakte kopie van de Akte bij brief van 29 maart 2018 door de advocaat van Van Lanschot aan de advocaat van [geïntimeerde] is verstrekt. Bij deze brief (productie 2 bij antwoordmemorie in het incident) is ook een verklaring gevoegd van de notaris die de Akte heeft gepasseerd (eveneens overgelegd als productie 2 bij antwoordmemorie in het incident) dat de verstrekte kopie een volledige en getrouwe weergave van de Akte betreft. Bij de gevorderde afgifte van de volledige, ongelakte Akte

bestaat dan ook geen belang meer.

3.12.

De vordering van [geïntimeerde] tot afgifte van de ongelakte bijlagen bij de Akte is gebaseerd op de stelling dat Van Lanschot in deze procedure maar ook in andere procedures gevoerd tussen [geïntimeerde] en Van Lanschot versies van de Akte heeft ingebracht waarin relevante passages zijn weggelakt c.q. onleesbaar zijn gemaakt waardoor het [geïntimeerde] onmogelijk wordt gemaakt om een zo goed mogelijk verweer te voeren en een onjuist beeld wordt gecreëerd over (de reikwijdte van) de cessie. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, is onbegrijpelijk dat en waarom de bijlagen bij de Akte in dat verband van belang zijn. [geïntimeerde] heeft zijn belang bij afgifte van de ongelakte bijlagen bij de Akte dan ook niet aannemelijk gemaakt.

De volledig ongelakte Amended and Restated Sale and Purchase Agreement d.d. 30 september 2015 met alle bijlagen, eveneens ongelakt

3.13.

De overdracht van de betrokken kredietovereenkomsten is overeengekomen tussen Van Lanschot en Promontoria in de Amended and Restated Sale and Purchase Agreement d.d. 30 september 2015 (hierna: de SPA). [geïntimeerde] vordert afgifte van de volledig ongelakte SPA met alle, eveneens ongelakte, bijlagen.

3.14.

[geïntimeerde] heeft echter vooralsnog zijn gestelde rechtmatig belang bij afgifte van de overeenkomst met de bijlagen tussen Van Lanschot en Promontoria (de SPA) niet aannemelijk gemaakt. Een uittreksel van de SPA is bij brief van 29 maart 2018 door de advocaat van Van Lanschot aan de advocaat van [geïntimeerde] verstrekt (productie 2 bij antwoordmemorie in het incident). Van Lanschot stelt (in deze brief en bij antwoordmemorie in het incident) dat in het uittreksel van de SPA dat bij brief van 29 maart 2018 aan (de advocaat van) [geïntimeerde] is verstrekt, alle voor [geïntimeerde] relevante definities, die nodig zijn voor uitleg van de Akte, zijn opgenomen. [geïntimeerde] heeft niet toegelicht waarom er bij deze stand van zaken onverminderd belang bestaat bij afgifte van de volledig ongelakte SPA met alle, eveneens ongelakte, bijlagen daarbij.

Slotsom

3.15.

Het hof komt gelet op hetgeen hiervoor is overwogen tot het oordeel dat [geïntimeerde] thans onvoldoende rechtmatig belang in de zin van artikel 843a lid 1 Rv heeft bij zijn vordering tot afgifte van stukken. De slotsom is dan ook dat deze vordering moet worden afgewezen, nu niet is voldaan aan de cumulatieve vereisten genoemd in artikel 843a lid 1 Rv voor toewijzing van een vordering ingevolge dit wetsartikel. Het hof zal de beslissing over de kosten in het incident aanhouden tot het eindarrest in de hoofdzaak.

In de hoofdzaak

3.16.

De zaak wordt naar de rol verwezen voor memorie van antwoord in incidenteel appel aan de zijde van Van Lanschot. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

4 De beslissing

Het hof:

in het incident:

wijst het gevorderde af;

houdt de beslissing over de proceskosten aan tot de einduitspraak in de hoofdzaak.

in de hoofdzaak:

verwijst de zaak naar de rol van 23 oktober 2018 voor memorie van antwoord in incidenteel appel;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. O.G.H. Milar, L.S. Frakes en J.M.H. Schoenmakers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 11 september 2018.

griffier rolraadsheer