Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3708

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
14-09-2018
Zaaknummer
200.221.314_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:1181, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

ex-samenwoners; belang partijen bij verkoop woning (art. 3:178 lid 3 BW); schending art. 21 Rv door appellant

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 3 178
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 21
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.221.314/01

arrest van 4 september 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als de man,

advocaat: mr. J.P. de Man te Rosmalen,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als de vrouw,

advocaat: mr. C.A.M.J. de Wit te Veghel,

op het bij exploot van dagvaarding van 27 maart 2017 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 15 februari 2017, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen de man als gedaagde en de vrouw als eiseres.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/302351 / HA ZA 16-5)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met productie;

  • -

    de memorie van antwoord;

  • -

    de akte overlegging producties met toelichting van de man;

  • -

    de antwoordakte tevens akte overlegging producties van de vrouw.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad. Deze relatie is in 2010 beëindigd.

3.1.2.

Partijen zijn sinds 30 januari 2004 gezamenlijk eigenaar van het appartementsrecht, rechtgevende op het gebruik van een bovenwoning op de eerste verdieping aan het adres [adres] te [plaats 1] , kadastraal bekend gemeente [plaats 1] , sectie [sectie] nr. [sectienummer] (hierna te noemen: het appartement).

3.1.3.

Partijen zijn voor de aankoop van het appartement een aflossingsvrije hypothecaire geldlening met nummer [nummer] aangegaan bij de [bank] (hierna te noemen: de bank) voor een bedrag van € 155.000,-- (hierna te noemen: de hypothecaire geldlening).

3.1.4.

Partijen hebben samengewoond in het appartement. Nadat de relatie van partijen is beëindigd, is de man in het appartement blijven wonen.

3.1.5.

Partijen hebben afgesproken dat het appartement aan de man zal worden toegedeeld. Die verdeling is nog niet geëffectueerd.

3.1.6.

Voorts is afgesproken dat de man aan de vrouw € 20.500,-- zal voldoen voor het aandeel van de vrouw in de overwaarde van het appartement. Partijen hebben hiervoor een betalingsregeling getroffen. Ter uitvoering van die afspraken heeft de man tot en met november 2014 € 14.655,-- aan de vrouw betaald.

3.1.7.

In de onderhavige zaak heeft de vrouw de man op 7 december 2015 gedagvaard. De rechtbank heeft daarop uitspraak gedaan op d.d. 15 februari 2017. Daarbij is de man veroordeeld, op straffe van een dwangsom, kort gezegd mee te werken aan de verkoop van het appartement). De man heeft tegen de uitspraak het onderhavige hoger beroep ingesteld bij appeldagvaarding van 27 maart 2017.

3.1.8.

De vrouw heeft op 8 december 2017 de man ook nog in kort geding gedagvaard. In dit kort geding heeft de vrouw – samengevat – gevorderd dat de voorzieningenrechter zal bepalen dat zij wordt gemachtigd (ex art. 3:299 lid 1 BW) om namens de man een verkoopopdracht aan de makelaar te verstrekken en al datgene te doen wat nodig is om het appartement te verkopen en de koopovereenkomst en leveringsakte tekenen, waarbij de man wordt bevolen het appartement te ontruimen en verlaten (desnoods met behulp van de sterke arm en op verbeurte van een dwangsom). De voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant (zaaknummer C/01//328480 / KG ZA 17-750) heeft de vorderingen van de vrouw (uitvoerbaar bij voorraad) bij vonnis van 18 januari 2018 toegewezen. Tegen dit vonnis is geen hoger beroep ingesteld.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert de vrouw, samengevat:

primair:

  1. de man te bevelen binnen een maand na betekening van het te wijzen vonnis er zorg voor te dragen dat de vrouw wordt ontslagen uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening;

  2. de man te veroordelen aan haar te voldoen € 5.845,-- te vermeerderen met de wettelijke rente per 7 april 2015;

  3. de man te veroordelen in de buitengerechtelijke incassokosten van € 667,25;

subsidiair de verdeling vast te stellen in die zin dat:

  1. het appartement moet worden verkocht, uit welke opbrengst de hypotheek moet worden afgelost en de makelaarskosten moeten worden voldaan, waarna een eventuele restopbrengst tussen partijen wordt gedeeld;

  2. partijen binnen twee weken na het te wijzen vonnis aan [makelaardij] Makelaardij opdracht geven voor deze verkoop zorg te dragen;

  3. de man wordt verplicht zijn medewerking te verlenen aan de verkoop door het ondertekenen van de opdracht tot verkoop, het toestaan van bezichtigingen en al hetgeen nodig is om tot verkoop te komen;

  4. wordt bepaald dat de man een dwangsom verbeurt van € 1.000,-- per weigering met een door de rechtbank vast te stellen maximum.

3.2.2.

Aan deze vordering heeft de vrouw, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd.

Van haar kan niet worden gevergd dat het appartement, een gemeenschappelijk goed, onverdeeld blijft en zij ook verbonden blijft aan een hypothecaire geldlening waarvan zij geen genot heeft. Zij wil komen tot een feitelijke verdeling. Met de man is overeengekomen dat hij met ingang van 15 maart 2012 maandelijks € 1.000,-- zal betalen tot de schuld van € 20.500,-- aan de vrouw is voldaan. De man heeft tot en met november 2014 € 14.655,-- voldaan. Hij had het restant (€ 5.845,--) al aan haar moeten betalen.

3.2.3.

De man heeft de vorderingen weersproken. Hij is niet in staat de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid te ontslaan omdat alleen de bank dit kan doen. Hij zal hiertoe een verzoek indienen bij de bank.

De afspraak om maandelijks € 1.000,-- te betalen, is gemaakt onder het uitdrukkelijke voorbehoud dat hij daartoe in staat is. Vanwege gezondheidsredenen is dit nu niet het geval.

Het bedrag wegens overbedeling is pas verschuldigd wanneer daadwerkelijk wordt verdeeld. Die verdeling heeft nog niet plaats gevonden.

3.2.4.

In het tussenvonnis van 7 december 2016 heeft de rechtbank geoordeeld dat niet van de vrouw kan worden gevergd dat het appartement onverdeeld blijft en zij hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypothecaire geldlening. De man is daarom volgens de rechtbank verplicht zich tot het uiterste in te spannen om haar te laten ontslaan uit de hoofdelijke aansprakelijkheid voor de hypothecaire geldlening. De man is daarom in de gelegenheid gesteld zich bij akte uit te laten over zijn daartoe bij de bank in te dienen verzoek en de reactie daarop van de bank.

3.2.5.

In het (bestreden) eindvonnis van 15 februari 2017 heeft de rechtbank vastgesteld dat de man geen gebruik heeft gemaakt van de gelegenheid om voornoemde akte te nemen. De rechtbank is er daarom van uit gegaan dat medewerking van de man aan ontslag van de vrouw uit de hoofdelijke aansprakelijkheid niet (meer) aan de orde is. De vrouw heeft gesteld dat zij thans toewijzing van haar subsidiaire vorderingen wenst. Die vorderingen zijn door de rechtbank toegewezen en de proceskosten zijn gecompenseerd.

3.3.1.

De man heeft tijdig hoger beroep ingesteld. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het bestreden vonnis en, opnieuw rechtdoende, de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar vorderingen althans deze af te wijzen en daarbij te bepalen dat bij de saldiverrekening het aandeel van de man moet worden vermeerderd met € 19.655,--. Ten slotte heeft hij veroordeling van de vrouw in de proceskosten in beide instanties gevorderd.

De man heeft hiertoe drie grieven aangevoerd. De grieven gaan over:

- het belang van partijen bij de verkoop van het appartement (grieven I en II);

- de verdeling van de overwaarde na verkoop van het appartement (grief III).

3.3.2.

De vrouw heeft de grieven weersproken.

3.3.3.

Het hof zal de grieven hierna bespreken.

Het belang van verkoop van het appartement (grieven I en II)

3.4.

Het gaat in deze zaak om de vraag welk belang het zwaarst weegt: het belang van de vrouw bij verkoop van het appartement zodat de onverdeeldheid van de eenvoudige gemeenschap wordt opgeheven (en zij daarmee door de bank uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid kan worden ontslagen) óf het belang van de man bij het niet verkopen van het appartement.

3.4.1.

De rechtbank heeft de vordering van de vrouw tot verkoop van het appartement toegewezen en daartoe in rov. 2.2. overwogen:

“De vrouw heeft op grond van artikel 3:178 lid 1 BW recht op verdeling van het appartement. Dit is op grond van artikel 3:178 lid 3 BW slechts anders indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van de man aanmerkelijk groter zouden zijn dan de belangen van de vrouw die door de verdeling worden gediend. In dit kader zal de rechtbank de belangen van partijen nader bezien. De rechtbank volgt de man niet in de stelling dat de vrouw geen reëel belang heeft bij verkoop van het appartement. Nu de vrouw mede-eigenaar is van het appartement zonder dat zij het appartement kan gebruiken, heeft zij een reëel belang bij tegeldemaking ervan. De door de man gestelde omstandigheid dat hij de hypotheekrente tijdig zal voldoen, maakt dit niet anders. Tegenover het reële belang van de vrouw staat het reële belang van de man om in het appartement te blijven wonen. De man heeft echter niet gesteld dat hij niet in staat is om andere woonruimte te vinden. Gelet op het voorgaande ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding voor de conclusie dat de door de verkoop van het appartement getroffen belangen van de man aanmerkelijk groter zijn dan de belangen van de vrouw die met die verkoop zijn gediend.”

3.4.2.

De grieven van de man richten zich tegen dit oordeel. Ter onderbouwing van zijn grieven voert de man het volgende aan. Partijen zijn overeengekomen dat de woning aan hem zal worden toegedeeld en dat hij ook de daaraan verbonden hypothecaire verplichtingen zal nakomen. Sprake is van een aflossingsvrije hypotheek en de rente wordt steeds stipt door hem aan de bank voldaan. De vrouw wordt dus niet benadeeld en heeft daarom geen (relevant) belang bij verkoop van het appartement.

De man heeft wel een zwaarwegend belang bij voortzetting van de huidige situatie. Hij is niet in staat vervangende woonruimte te vinden, zeker niet op korte termijn. Hij is onder behandeling van een psycholoog en is werkeloos. Hierdoor is het voor hem zeer moeilijk andere woonruimte te vinden en garanties te bieden voor nakoming van verplichtingen uit bijvoorbeeld een huurovereenkomst. Verkoop van de woning zal hem nopen tot een zwervend en dakloos bestaan. Dit komt zijn psychische gesteldheid niet ten goede. De man heeft verwezen naar een verklaring van zijn behandelend psycholoog, drs. [psycholoog] (productie 2 bij akte van de man) d.d. 12 januari 2018 waarin is vermeld dat sprake is van een behandeling sinds 2013 vanwege stress-gerelateerde lichamelijke klachten en angstklachten. In 2017 werd de man volgens [psycholoog] getroffen door een floride paranoïde psychose. [psycholoog] concludeert:

“Het is (…) al met al uiterst ongewenst, dat de heer [appellant] opnieuw wordt gekonfronteerd met een ernstig stresserende situatie, hetgeen een uithuisplaatsing en een gedwongen verhuizing toch is.”

Bovendien is de man, samen met zijn halfbroer, krachtens erfrecht eigenaar van een drietal panden in [plaats 2] . Besloten is deze panden te verkopen. Op de panden, voortkomend uit de nalatenschap van zijn vader, rust een hypotheek van ongeveer € 125.000,--. De getaxeerde waarde van de panden bedraagt circa € 275.000,-- althans minstens € 250.000,--. Uit de verkoopopbrengst zal de man met de bank een regeling kunnen treffen, in beginsel tot aflossing van de gehele hypotheek die rust op het appartement, althans in ieder geval kan het aandeel van de vrouw daarin worden afgelost.

3.4.3.

De vrouw voert hiertegen het volgende aan. Van haar kan niet worden gevergd dat het appartement (feitelijk) onverdeeld blijft en zij hoofdelijk aansprakelijk blijft voor de hypothecaire geldlening voor een appartement waarvan zij geen genot heeft. Zij ondervindt hinder van deze hoofdelijke verbondenheid ongeacht of de man de hypothecaire lasten voldoet; zij heeft medische klachten door de afwikkeling van de verdeling, de bank kan de gehele hypothecaire geldlening bij haar opeisen en zij is beperkt in het kopen van een woning. Bovendien kan zij door deze kwestie niet worden toegelaten tot de schuldhulpverlening geleid tot medische klachten voor de vrouw

Verder heeft de gemeente [plaats 2] executoriaal beslag gelegd op het appartement ten laste van de onverdeelde helft van de man. De vordering van de gemeente bedraagt € 62.291,78 nog te vermeerderen met rente en kosten. Dit onderstreept het belang van de vrouw bij verkoop. Hieruit blijkt tevens dat niet te verwachten is dat de man uit de nalatenschap nog gelden gaat ontvangen waarna hij alsnog voor ontslag van de vrouw uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid zorg zou kunnen dragen. De man heeft geen stukken overgelegd waaruit (de hoogte van) de opbrengst uit de nalatenschap blijkt. Daarnaast is de man eerder niet in staat gebleken dat financiële afspraak over de betaling van de overwaarde van de woning na te komen.

De vrouw heeft reeds in 2011 (bij de onderhandelingen over de verdeling van de woning) aangekondigd over te willen gaan tot verkoop van het appartement. De man heeft zich sindsdien kunnen voorbereiden op het vinden van vervangende woonruimte. De psychische gezondheid van de man staat daaraan niet in de weg.

Door de voorzieningenrechter (overigens heeft de man – in strijd met art. 21 Rv – nagelaten het hof hierover te informeren) is de vrouw gemachtigd om zonder medewerking van de man al datgene te doen wat nodig is om tot verkoop van het appartement te kunnen komen en is de man gelast de woning te ontruimen zodra een koper is gevonden. Uit dit vonnis blijkt dat er geen reden is om het bestreden vonnis te vernietigen.

3.4.4.

Het hof oordeelt als volgt.

Niet is geschil is dat tussen partijen een verdeling tot stand is gekomen; partijen hebben afgesproken dat het appartement aan de man zal worden toegedeeld (zie rov. 3.1.5. hiervóór) en ook over de financiële consequenties daarvan waren partijen het eens (zie rov. 3.1.6. hiervóór). Daarmee is sprake van een overeenkomst van verdeling (art. 3:182 BW).

Het hof begrijpt de (in eerste aanleg subsidiaire) vordering van de vrouw aldus dat zij ontbinding van die overeenkomst van verdeling vordert waarna een “nieuwe” verdeling dient te worden vastgesteld. De rechtbank heeft de subsidiaire vordering van de vrouw eveneens op deze wijze begrepen en tegen dat oordeel is geen grief gericht. Bovendien gaat het hof er, gelet op de inhoud van de memorie van grieven, van uit dat de man de vordering van de vrouw dienovereenkomstig heeft opgevat. In dat licht bezien zal het hof de grieven van de man beoordelen.

3.4.4.1. De grieven van de man behelzen in de kern genomen een beroep op het bepaalde in art. 3:178 BW (en in het bijzonder het derde lid daarvan). Dit artikel bepaalt (voor zover relevant in deze zaak):

“1. Ieder der deelgenoten, alsmede hij die een beperkt recht op een aandeel heeft, kan te allen tijde verdeling van een gemeenschappelijk goed vorderen, tenzij uit de aard van de gemeenschap of uit het in de volgende leden bepaalde anders voortvloeit.

(…)

3. Indien de door een onmiddellijke verdeling getroffen belangen van een of meer deelgenoten aanmerkelijk groter zijn dan de belangen die door de verdeling worden gediend, kan de rechter voor wie een vordering tot verdeling aanhangig is, op verlangen van een deelgenoot een of meermalen, telkens voor ten hoogste drie jaren, een vordering tot verdeling uitsluiten.”

3.4.4.2. De vrouw heeft de verdeling van een gemeenschappelijk goed gevorderd krachtens het eerste lid van art. 3:178 BW. Naar het oordeel van het hof heeft zij daar belang bij. Van haar kan immers niet worden verlangd tegen haar wil – nu reeds sinds 2011 (het moment waarop zij – onbetwist – kenbaar heeft gemaakt het appartement te willen verkopen) in een onverdeeldheid te blijven.

Bovendien belemmert de hoofdelijke aansprakelijkheid haar in haar eigen financiële onafhankelijkheid. Het is voor haar daardoor niet eenvoudig (zo niet onmogelijk) zelf een financiering bij een bank of andere kredietinstelling te verkrijgen (zij is immers hoofdelijk aansprakelijk voor een hypothecaire geldlening van € 155.000,--) en bovendien, zo blijkt uit een e-mail van de klantmanager schuldhulpverlening van de gemeente [gemeente] d.d. 28 november 2017 (productie 4 bij akte van de vrouw) is het niet mogelijk om een traject van schuldsanering te starten zo lang de vrouw nog mede-eigenaar van het appartement is en daaraan een (onbekende) over- of onderwaarde aan is verbonden. Daarbij klemt temeer dat de man sinds november 2014 niet meer zijn verplichtingen heeft voldaan om het aandeel van de vrouw in de overwaarde van het appartement (€ 41.000,-- / 2 = € 20.500,-- -/- € 14.655,-- = € 5.845,--) te voldoen.

Voorts heeft de vrouw volgens haar huisarts d.d. 28 februari 2018 last van stressgerelateerde klachten die voortvloeien uit de verdelingskwestie en de daarvoor gevoerde en lopende gerechtelijke procedures (productie 3 bij akte van de vrouw).

Ten slotte heeft de vrouw geen genot van haar mede-eigendom; het gebruik daarvan komt immers enkel aan de man toe.

3.4.4.3. De vraag die ter beoordeling van de grief moet worden beantwoord is of de belangen van de man bij het niet verkopen van het appartement aanmerkelijk groter zijn dan de in rov. 3.4.4.2. genoemde belangen van de vrouw. De man heeft een drietal belangen gesteld: zijn psychische gesteldheid, de onmogelijkheid vervangende woonruimte te verkrijgen en zijn aandeel in de nalatenschap van zijn vader waardoor hij – kort gezegd – de hypotheek op het appartement, althans het aandeel daarin van de vrouw, kan aflossen.

psychische gesteldheid en vervangende woonruimte

De verdeling van het appartement is, zo stelt het hof vast, voor beide partijen een stress-vermeerderende omstandigheid. In zoverre verschillen de belangen niet wezenlijk van elkaar en kan niet worden geoordeeld dat het belang van de man aanmerkelijk zwaarder weegt dan het belang van de vrouw. Dat verkoop van het appartement voor de man tevens inhoudt dat hij de woning moet verlaten maakt dat niet anders; immers sinds 2011 is het voor de man kenbaar dat de vrouw het appartement wil verkopen, sinds 2014 komt hij zijn verplichtingen uit de betalingsregeling voor de overwaarde niet meer na en in 2015 heeft de vrouw de man (voor het eerst) in rechte betrokken teneinde de verkoop van het appartement te kunnen bewerkstellingen. Reeds op diverse momenten (waarvan het eerste moment zich zeven jaren geleden voordeed) heeft de man zich dus kunnen – en naar het oordeel van het hof ook moeten – voorbereiden op een vertrek uit de woning. Die periode had de man dienen te benutten om te zoeken naar vervangende woonruimte. Dat de man dit heeft gedaan is gesteld noch gebleken zodat de enkele stelling dat het hem niet lukt vervangende woonruimte te verkrijgen geen doel kan treffen.

Het beroep van de man op zijn psychische gesteldheid treft daarom geen doel.

aandeel in nalatenschap

Pas door kennisneming van het door de vrouw in het geding gebrachte kort geding vonnis (productie 1 bij akte van de man) en het in aansluiting daarop door de vrouw overgelegde proces-verbaal van het door de gemeente [plaats 2] gelegde executoriaal beslag d.d. 27 oktober 2017 (productie 2 bij akte van de vrouw) ten laste van de man op zijn onverdeeld aandeel in het appartement, is het hof over deze voor de beoordeling van de grieven relevante feiten en omstandigheden geïnformeerd. De man heeft nagelaten deze informatie bij zijn akte d.d. 13 februari 2018 over te leggen. Daarmee heeft de man de op hem rustende verplichting ex art. 21 Rv (partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren) geschonden.

Het hof wijst de man erop dat het hof daaruit de gevolgtrekking kan maken die hij geraden acht. Het hof zal van deze discretionaire bevoegdheid evenwel geen gebruik maken, nu het beroep van de man op zijn aandeel in de nalatenschap reeds om andere redenen geen doel kan treffen.

Uit de beslagstukken en het kort geding vonnis blijkt dat op 15 juni 2017 een dwangbevel ten laste van de man is uitgebracht. Het dwangbevel heeft betrekking op de panden in [plaats 2] . Deze panden verkeren in een slechte staat. De gemeente [plaats 2] heeft aanschrijvingen doen uitgaan tot het nemen van bouwkundige maatregelen. Vervolgens heeft de gemeente dwangsommen opgelegd tot een totaalbedrag van € 60.000,--. De man (en zijn halfbroer) hebben die dwangsommen niet betaald. De gemeente heeft vervolgens executoriaal beslag op de panden in [plaats 2] en het appartement gelegd teneinde te komen tot verhaal van de vordering van (inmiddels) € 62.291,78. Gesteld noch gebleken is dat die vordering inmiddels is voldaan.

Gelet op deze feiten en omstandigheden is het hof van oordeel dat de man geenszins voldoende heeft onderbouwd dat hij in staat is tot het “in beginsel [wel kunnen komen] tot aflossing van de gehele hypotheek op het appartement, althans in ieder geval het aandeel van de vrouw daarin af te lossen” en haar te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid.”

Dat sprake is van andere vermogensbestanddelen die de man ten goede zouden komen en die leiden tot het “in beginsel [wel kunnen komen] tot aflossing van de gehele hypotheek op het appartement, althans in ieder geval het aandeel van de vrouw daarin af te lossen” en haar te doen ontslaan uit haar hoofdelijke aansprakelijkheid is ten slotte gesteld noch anderszins gebleken.

Gelet op deze feiten en omstandigheden kan het aandeel van de man in de nalatenschap geen rechtens te respecteren belang in de zin van art. 3:178 lid 3 BW vormen.

3.4.5.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat de grieven I en II falen.

De verdeling van de overwaarde (grief III)

3.5.1.

Grief III keert zich tegen het petitum van het bestreden vonnis waarin is bepaald dat het aandeel van de man in het resterende saldo moet worden vermeerderd met € 19.655,-- (het hof begrijpt: € 14.655,-- + € 5.000,--).

De rechtbank heeft onder 3.1.3. van het dictum geoordeeld:

“partijen dienen het resterende saldo (na verkoop van het appartement – hof) te verdelen, waarbij het aandeel van de man wordt vastgesteld op de helft van het resterende saldo vermeerderd met € 14.655,00 en het aandeel van de vrouw op de helft van het resterende saldo verminderd met € 14.655,00”.

3.5.2.

De man voert ter onderbouwing van zijn grief het volgende aan. Bij een saldoverdeling is de overwaarde reeds verdeeld, omdat de man anders het bedrag twee keer aan de vrouw zou voldoen. De man legt een bankafschrift over waaruit volgt dat hij op 25 november 2011 € 5.000,-- aan de vrouw heeft voldaan. De vordering van de vrouw moet met dit bedrag moet worden verminderd.

3.5.3.

De vrouw voert hiertegen het volgende aan.

Het bedrag van € 5.000,-- had betrekking op de overwaarde van het appartement. Partijen waren overeengekomen dat die overwaarde € 51.000,-- bedroeg. De man zou de helft daarvan, € 25.500,-- aan de vrouw moeten betalen. De eerste betaling vond plaats op 25 november 2011. Vervolgens hebben partijen op 6 april 2012 afgesproken dat de man de resterende helft van de overwaarde (€ 25.500,-- -/- € 5.000,-- = € 20.500,--) nog aan de vrouw moet voldoen. Hierbij is rekening gehouden met de door de man betaalde € 5.000,--.

3.5.4.

Het hof oordeelt als volgt.

Niet in geschil is dat partijen in april 2012 zijn overeengekomen dat de man € 20.500,-- is verschuldigd en dat de restantschuld in november 2014 nog € 5.845,-- bedroeg (€ 20.500,-- -/- € 14.655,--). De man had op dat moment derhalve reeds € 14.655,-- van de overwaarde aan de vrouw voldaan. Dat hij op een eerder moment, dat wil zeggen vóórdat partijen overeenkwamen dat de man (nog) € 20.500,-- aan de vrouw moest voldoen, al een betaling (vanwege de overwaarde van het appartement) aan de vrouw had verricht heeft geen invloed op de vordering wegens overbedeling, nu die betaling moet worden geacht te zijn verdisconteerd in het (eind)bedrag van € 20.500,--. Grief III faalt dan ook.

Bewijsaanbod

3.6.

Het door de man gedane bewijsaanbod is niet voldoende specifiek en onduidelijk is of het ter zake dienend is, zodat het hof daaraan voorbijgaat.

Samenvatting

3.7.

Nu alle grieven falen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen.

Proceskosten

3.8.

Gelet op het bepaalde in art. 237 Rv juncto art. 353 Rv (partijen hebben een affectieve relatie gehad), zal het hof de proceskosten in hoger beroep compenseren, in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 15 februari 2017;

compenseert de proceskosten in hoger beroep in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. van Reijsen, M.J. van Laarhoven en G.J. Vossestein en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 september 2018.

griffier rolraadsheer