Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3707

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
12-09-2018
Zaaknummer
200.205.269_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:3902, Overig
Einduitspraak: ECLI:NL:GHSHE:2019:4219
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgplicht assurantietussenpersoon. Assurantietussenpersoon niet voldaan aan verzwaarde motiveringsplicht en toegelaten tot tegenbewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
PS-Updates.nl 2018-0721
JONDR 2018/1411
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.205.269/01

zaak-rolnummer rechtbank C/01/300056/ HA ZA 15-727

arrest van 4 september 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. G.R.A.G. Goorts te Deurne,

tegen

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 1] ,

advocaat: mr. H. Lebbing te Rotterdam,

en

[de vennootschap 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde 2] ,

advocaat: mr. B. Holthuis te Deventer,

op het bij exploten van dagvaarding van 10 oktober 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 13 juli 2016, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen [appellant] als eiser en [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/300056/HA ZA 15-727)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis en naar het tussenvonnis van 3 februari 2016.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaardingen in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met productie;

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerde 1] ;

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerde 2] ;

  • -

    de akte van [appellant] met productie;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde 1] ;

  • -

    de antwoordakte van [geïntimeerde 2] .

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

3.1.1.

[geïntimeerde 1] exploiteert een onderneming gespecialiseerd in assurantiën. Zij opereert als onafhankelijk assurantietussenpersoon en is lid van Registeradviseurs in Assurantiën (RAIA).

3.1.2.

[appellant] , geboren op [geboortedatum] 1982, was in 2008 startend ondernemer. Samen met zijn broer, [broer] (hierna: [broer] ), exploiteerde hij een bedrijf dat in auto's handelde. Alle verzekeringspolissen behorend bij het bedrijf waren destijds ondergebracht bij [geïntimeerde 1] . Namens [geïntimeerde 1] was de heer [accountmanager bedrijven] (hierna: [accountmanager bedrijven] ), Accountmanager Bedrijven, contactpersoon.

3.1.3.

In het najaar van 2008 heeft [appellant] aan [geïntimeerde 1] opdracht gegeven om te adviseren en te begeleiden bij het sluiten van een arbeidsongeschiktheidsverzekering (hierna: aov). [geïntimeerde 1] heeft [geïntimeerde 2] een drietal offertes d.d. 1 september 2008, 8 september 2008 en 16 september 2008 (productie 1 tot en met 3 dagvaarding) laten uitbrengen met als uitgangspunt een verzekerde jaarrente van € 40.000,00.

3.1.4.

Bij toezending van de offerte d.d. 8 september 2008 heeft mevrouw [medewerker van geïntimeerde 2] van [geïntimeerde 2] een e-mailbericht (productie 1 conclusie van antwoord [geïntimeerde 1] ) cc aan [accountmanager bedrijven] gezonden. Dit e-mailbericht houdt in:

Hierbij de andere offerte voor de heer [appellant] .

Voor beide geldt overigens dat de aangevraagde bedragen erg hoog zijn. Dus hoogte van de maximaal te verzekeren bedragen onder voorbehoud. Ik weet ook niet precies wat voor soort autohandelaren het zijn (bijvoorbeeld dealerschap, tweede hands enz).’

3.1.5.

[appellant] heeft uit een drietal mogelijkheden, genoemd in de offerte van [geïntimeerde 2] van 16 september 2008, voor mogelijkheid 3 gekozen, onder meer inhoudende een verzekerde jaarrente van € 40.000,00 met indexering, uitkering na een jaar, beroepsafhankelijke arbeidsongeschiktheid en een premie van € 123,13 per maand. De offerte met betrekking tot mogelijkheid 3 is door [appellant] getekend en het aanvraagformulier met betrekking tot aov is door [appellant] ingevuld en ondertekend (productie 4 dagvaarding). Beide stukken zijn op 24 oktober 2008 aan [geïntimeerde 1] verstrekt.

3.1.6.

Het aanvraagformulier van [appellant] is voor [geïntimeerde 2] aanleiding geweest om arbeidsdeskundige [arbeidsdeskundige] een risico-inventarisatie te laten opstellen (productie 3 conclusie van antwoord [geïntimeerde 2] ). [arbeidsdeskundige] heeft [appellant] daartoe op 18 november 2008 bezocht.

3.1.7.

Op 5 december 2008 heeft [accountmanager bedrijven] het bedrijf van [appellant] en zijn broer bezocht. Het bezoekverslag is bij brief van 8 december 2008 aan [appellant] toegestuurd. Dit bezoekverslag (productie 2 conclusie van antwoord [geïntimeerde 1] ) houdt onder meer in:

"(...)

Er zijn 2 aov's gesloten. Aan [broer] is een uitsluiting van de maatschappij afgegeven.

(...) "

3.1.8.

[geïntimeerde 2] heeft bij brief van 15 december 2008 aan [geïntimeerde 1] (productie 6 dagvaarding) onder meer bericht:

‘(...)

Geachte relatie,

Inmiddels ontvingen wij alle benodigde informatie. Met plezier berichten wij u dat de verzekering geaccepteerd is.

Gezien de leeftijd van [appellant] in combinatie met het feit dat hij een startende ondernemer is willen wij maximaal € 25.000,-per jaar.

(…)

Als wij 7 dagen na briefdatum niets van u horen, dan maken wij de polis op.

(...)’

3.1.9.

Bij deze brief heeft [geïntimeerde 2] als bijlage een overzicht van polisgegevens meegestuurd waarin onder meer als verzekerd bedrag staat vermeld het bedrag van

€ 25.000,00 (met indexering) en als termijnpremie € 62,11 per maand inclusief aanvangskorting. In de bijlage wordt ook melding gemaakt van de optie voor een verzekerd bedrag van maximaal € 30.000,00 bij een gelijkblijvende uitkering.

3.1.10.

Een interne memo (‘Agenda overzicht’) van [geïntimeerde 1] (productie 4 conclusie van antwoord [geïntimeerde 1] ) houdt onder meer in:

‘(...) [appellant] (...)

(...)

Datum, tijd: 19-12-2008 15:16

Medewerker: [medewerker]

Polis is geaccepteerd, met [voornaam accountmanager bedrijven] (hof: [accountmanager bedrijven] ) besproken, is akkoord. Polis volgt.’

3.1.11.

Bij brief van 14 januari 2009 heeft [geïntimeerde 1] de aov-polis aan [appellant] toegestuurd met het verzoek deze te controleren (productie 5 dagvaarding). De polis houdt onder meer het volgende in:

‘Premie De premie exclusief administratiekosten per jaar € 745,31

Termijnpremie per maand € 62,11

Eerste premie Van 09-12-2008 tot 08-02-2009 € 124,21

Poliskosten € 3,63

Totaal €127,84

(…)

Dekking(en) Periodieke uitkering bij arbeidsongeschiktheid

en verzekerde Rubriek B

bedragen jaarrente in geval van arbeidsongeschiktheid € 25.000

(...)'

3.1.12.

Op 15 juni 2010 heeft [appellant] een ernstig auto-ongeluk gehad, als gevolg waarvan hij voor 80-100 % arbeidsongeschikt is geraakt. Conform de polisvoorwaarden van de aov ontvangt [appellant] vanaf 15 juli 2011 maandelijks een uitkering van [geïntimeerde 2] .

3.1.13.

Bij brieven van 9 november 2011 van zijn gemachtigde van [rechtsbijstand] (productie 7 en 8 dagvaarding) heeft [appellant] [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aansprakelijk gesteld voor de schade die [appellant] stelt te lijden als gevolg van het feit dat het verzekerde bedrag op grond van de aov veel lager is dan het bedrag waarvoor [appellant] dacht verzekerd te zijn.

3.1.14.

Bij brieven van 13 december 2011 (productie 9 dagvaarding) respectievelijk 25 april 2013 (productie 11 dagvaarding) hebben de beroepsaansprakelijkheidsverzekeraars van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] aansprakelijkheid afgewezen.

3.2.1.

[appellant] heeft in eerste aanleg gevorderd:

- een verklaring voor recht dat [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hoofdelijk aansprakelijk zijn voor de door hem geleden en nog te lijden schade;

- primair:

hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van een bedrag van € 71.453,00 ter zake van tot 1 mei 2015 geleden schade, een bedrag van € 559.341,00 ter zake van nog te lijden schade, een bedrag van

€ 1.250,17 ter zake van deskundigenkosten en een bedrag van € 5.160,00 ter zake van buitengerechtelijke incassokosten, alle bedragen te vermeerderen met wettelijke rente;

subsidiair:

hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van schade, nader op te maken bij staat;

- hoofdelijke veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente

3.2.2.

[geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] hebben beide gemotiveerd verweer gevoerd.

3.2.3.

Bij het bestreden vonnis van 13 juli 2016 heeft de rechtbank de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de proceskosten en nakosten.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. Vervolgens heeft hij geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis, tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen en tot veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] tot terugbetaling van al hetgeen [appellant] ter uitvoering van het bestreden vonnis aan hen heeft voldaan, te vermeerderen met wettelijke rente. Ten slotte heeft hij geconcludeerd tot veroordeling van [geïntimeerde 1] en [geïntimeerde 2] in de proceskosten, te vermeerderen met nakosten en wettelijke rente.

3.4.

Het hof zal de grieven 1 tot en met 4 gezamenlijk behandelen, nu met deze grieven het geschil tussen [appellant] en [geïntimeerde 1] in volle omvang ter beoordeling aan het hof wordt voorgelegd. Het hof overweegt ten aanzien hiervan als volgt.

3.4.1.

[appellant] legt aan zijn vorderingen jegens [geïntimeerde 1] ten grondslag dat [geïntimeerde 1] tekort is geschoten in de nakoming van haar zorgplicht jegens [appellant] , in het bijzonder van haar informatie- en/of waarschuwingsplicht. [appellant] verwijt [geïntimeerde 1] dat zij verzuimd heeft hem ervan op de hoogte te stellen dat [geïntimeerde 2] de door hem getekende offerte van 16 september 2008 niet had geaccepteerd en een tegenvoorstel had gedaan voor een aov met een dekking van € 25.000,00 (dan wel een dekking van € 30.000,00 bij gelijkblijvende uitkering) in plaats van de door [appellant] gewenste dekking van € 40.000,00. Vervolgens heeft [geïntimeerde 1] een verzekeringsovereenkomst doen ontstaan tussen [geïntimeerde 2] en [appellant] die [appellant] , gelet op de hoogte van het door [geïntimeerde 2] uit te keren bedrag bij arbeidsongeschiktheid, nimmer gewenst had, aldus [appellant] .

3.4.2.

Het hof stelt voorop dat [geïntimeerde 1] als assurantietussenpersoon de zorg dient te betrachten die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht. Het is zijn taak te waken voor de belangen van de verzekeringnemers bij de tot zijn portefeuille behorende verzekeringen. De aard en omvang van die zorgplicht hangt onder meer af van de aard en de inhoud van de cliëntrelatie en de verleende opdracht. In dit geval staat vast dat [appellant] een arbeidsongeschiktheidsverzekering wenste met een dekking van € 40.000,00 per jaar en een offerte van [geïntimeerde 2] had getekend waarin ook uitgegaan werd van een dekking van € 40.000,00 per jaar. [geïntimeerde 1] diende naar het oordeel van het hof ervoor te zorgen dat het risico van arbeidsongeschiktheid werd verzekerd zoals [appellant] had verzocht dan wel, als bleek dat een aov met de door [appellant] gewenste dekking niet te verkrijgen was, [appellant] daarover te informeren en te adviseren hoe dan te handelen. Met andere woorden: van [geïntimeerde 1] mocht een actieve houding worden verwacht waar het betreft de behartiging van de belangen van [appellant] ter zake van een te sluiten arbeidsongeschiktheidsverzekering. De (kern)stelling van [appellant] is dat [geïntimeerde 1] deze verplichting tegenover hem niet is nagekomen en heeft verzuimd hem ervan op de hoogte te brengen dat [geïntimeerde 2] de door hem getekende offerte van 16 september 2008 niet had geaccepteerd en een tegenvoorstel had gedaan voor een dekking van € 25.000 in plaats van € 40.000.

3.4.3.

[geïntimeerde 1] betwist niet dat zij deze zorgplicht jegens [appellant] had. Zij stelt echter dat zij wel degelijk heeft voldaan aan deze verplichting. Zij voert in dat kader aan dat zij zowel het door [geïntimeerde 2] gemaakte voorbehoud ten aanzien van de hoogte van het door [appellant] gewenste verzekerde bedrag in haar e-mail van 8 september 2008 als de inhoud van de brief van [geïntimeerde 2] van 15 december 2008 met het aanbod van een aov met een dekking van € 25.000,00 bij indexering dan wel een dekking van € 30.000,00 bij gelijktijdige uitkering met [appellant] heeft besproken. Volgens haar is [appellant] vervolgens met de dekking van € 25.000,00 akkoord gegaan. [geïntimeerde 1] stelt dat zij toen verder geen contact meer hoefde op te nemen met [geïntimeerde 2] , aangezien die bij geen reactie de polis zou opmaken overeenkomstig de bij de brief van 15 december 2008 meegestuurde polisgegevens.

3.4.4.

Op [appellant] rust de stelplicht en bewijslast van feiten en omstandigheden die zijn stelling dat [geïntimeerde 1] in de nakoming van haar zorgverplichting is tekort geschoten, kunnen dragen. Hij beroept zich immers op het rechtsgevolg van de door hem gestelde tekortkoming aan de zijde van [geïntimeerde 1] , te weten een verplichting van [geïntimeerde 1] tot vergoeding van de als gevolg van die tekortkoming geleden en te lijden schade (artikel 6:74 BW jo. art. 150 Rv). Naar het oordeel van het hof kan echter van [geïntimeerde 1] worden verlangd dat zij voldoende feitelijke gegevens verstrekt ter motivering van haar betwisting van de door [appellant] gestelde tekortkoming om [appellant] aanknopingspunten voor eventuele bewijslevering te verschaffen. [geïntimeerde 1] geeft zelf aan dat zij niet (meer) kan vaststellen of zij de brief van [geïntimeerde 2] van 15 december 2008 aan [appellant] heeft toegestuurd. Ter onderbouwing van haar verweer dat zij het door [geïntimeerde 2] gemaakte voorbehoud bij de offerte en de inhoud van de brief van 15 december 2008 wel met [appellant] heeft besproken, legt zij alleen een interne memo over van haar medewerkster [medewerker] met betrekking tot een overleg tussen [medewerker] en [accountmanager bedrijven] op 19 december 2008 (zie 2.1.9). Uit deze memo kan niet worden opgemaakt dat er een bespreking is geweest met [appellant] waarbij het door [geïntimeerde 2] gemaakte voorbehoud en de inhoud van de brief van [geïntimeerde 2] van 15 december 2008 met de daarbij gesloten polisgegevens, waaronder de lagere verzekerde som, aan de orde zijn geweest.

3.4.5.

Voor zover [geïntimeerde 1] tot haar verweer aanvoert dat [appellant] (ook) via zijn broer [broer] ervan op de hoogte was dat [geïntimeerde 2] het risico van arbeidsongeschiktheid voor hem wilde verzekeren voor een bedrag van maximaal

€ 25.000,00, kan dit haar evenmin baten. De enkele omstandigheid dat [broer] wat betreft de bedrijfsverzekeringen de hoofdcontactpersoon was van [geïntimeerde 1] en mogelijk uit dien hoofde kennis heeft genomen van het aanbod van [geïntimeerde 2] aan [appellant] , kan niet zonder meer tot de conclusie leiden dat ook [appellant] hiervan op de hoogte was dan wel moet zijn geweest. Deze omstandigheid rechtvaardigt, zonder nadere toelichting die ontbreekt, in ieder geval niet de conclusie dat sprake was van (bevoegde) vertegenwoordiging van [appellant] door [broer] dan wel de schijn daarvan en de omstandigheid dat zijn broer [broer] op de hoogte was ontslaat [geïntimeerde 1] geenszins van haar voorlichtingsverplichting jegens [appellant] zelf. Dit laatste geldt temeer nu de aov een persoonlijke verzekering van [appellant] betrof. Bovendien beroept [geïntimeerde 1] zich daarbij op een e-mail van haar aan [broer] van 30 maart 2009 waarin het verzekerde bedrag van € 25.000,00 van de aov van [appellant] is genoemd, terwijl de verzekeringsovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde 2] bijna drie maanden daarvoor al tot stand was gekomen.

3.4.6.

Het verweer van [geïntimeerde 1] dat zij hoe dan ook niet aansprakelijk kan worden gehouden omdat [appellant] na ontvangst van de polis, waarop de lagere dekking van

€ 25.000,00 stond vermeld, niet heeft gereclameerd, kan het hof niet volgen. Dit laat immers onverlet dat van [geïntimeerde 1] in het kader van haar zorgverplichting verwacht mocht worden dat zij [appellant] er specifiek op wees dat de dekking van de door [geïntimeerde 2] aangeboden aov in belangrijke mate afweek van het door [appellant] gewenste verzekerde bedrag. Op het moment dat [appellant] de polis ontving, was de verzekeringsovereenkomst met de lagere dekking feitelijk ook al tot stand gekomen.

3.4.7.

Op grond van het voorgaande stelt het hof vast dat [geïntimeerde 1] geen omstandigheden aanvoert waaruit kan volgen dat [geïntimeerde 1] [appellant] heeft geïnformeerd over het door [geïntimeerde 2] gemaakte voorbehoud en het aanbod van [geïntimeerde 2] in haar brief van 15 december 2008 en hem daarbij specifiek heeft gewezen op het lagere verzekerde bedrag van € 25.000,00 met indexering en op de optie van een verzekerd bedrag van € 30.000,00 bij gelijkblijvende uitkering. Het ontbreken van schriftelijke vastlegging van dat wat met [appellant] in dat kader is besproken, dient gelet op de op haar rustende zorgplicht voor risico van [geïntimeerde 1] te blijven. Naar het oordeel van het hof voldoet [geïntimeerde 1] dan ook niet aan de hiervoor onder r.o. 3.4.4 genoemde verzwaarde motiveringsplicht. Dit betekent dat het hof voorshands, behoudens tegenbewijs door [geïntimeerde 1] , als bewezen aanneemt dat [geïntimeerde 1] [appellant] niet heeft geïnformeerd. [geïntimeerde 1] biedt ook aan dat (tegen) bewijs te leveren, zodat het hof [geïntimeerde 1] tot het leveren van dat tegenbewijs zal toelaten op de hierna in het dictum aangewezen wijze.

3.4.8.

Slaagt [geïntimeerde 1] er niet in het tegenbewijs te leveren, dan staat daarmee vast dat [appellant] niet is geïnformeerd door [geïntimeerde 1] zodat [geïntimeerde 1] tekort is geschoten in haar zorgverplichting tegenover [appellant] . Als gevolg hiervan is er dan een verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen tussen [appellant] en [geïntimeerde 2] met betrekking tot een aov die niet de dekking geeft die [appellant] meende te mogen verwachten. [geïntimeerde 1] dient in dat geval op grond van artikel 6:74 BW de schade te vergoeden die [appellant] hierdoor heeft geleden en nog zal lijden. [appellant] vordert onder meer als schadevergoeding het bedrag dat hij na het ongeval als uitkering zou hebben ontvangen als [geïntimeerde 2] hem destijds wel een aov had verstrekt met een dekking van € 40.000,00. Hij stelt in dat verband dat hij bij een andere verzekeringsmaatschappij wel voor dit bedrag tegen arbeidsongeschiktheid verzekerd had kunnen worden. Dit wordt door [geïntimeerde 1] betwist. Volgens haar lijdt [appellant] feitelijk geen schade als gevolg van de door hem gestelde tekortkoming, omdat hij elders de door hem gewenste aov evenmin had kunnen afsluiten.

Nu het causaal verband is betwist rust op [appellant] de bewijslast van zijn stelling dat zonder de tekortkoming van [geïntimeerde 1] de schade bij hem niet zou zijn ontstaan. Nu hij in hoger beroep specifiek op dit punt bewijs aanbiedt, zal het hof hem tot dit bewijs toelaten op de hierna in het dictum aangegeven wijze.

3.5.

De vijfde grief van [appellant] richt zich tegen de afwijzing van zijn vordering door de rechtbank jegens [geïntimeerde 2] . [appellant] verwijt [geïntimeerde 2] dat zij in strijd met haar acceptatieprocedure heeft gehandeld door niet bij [appellant] na te gaan of hij akkoord was met de afwijkingen van de door hem getekende offerte van 16 september 2008.

3.5.1.

Het hof begrijpt hieruit dat [appellant] stelt dat [geïntimeerde 2] (naast [geïntimeerde 1] ) een rechtstreekse zorgplicht had jegens [appellant] . Het hof kan [appellant] hierin niet volgen. [appellant] heeft opdracht gegeven aan [geïntimeerde 1] om te adviseren en te begeleiden bij het afsluiten van een aov. In dat kader heeft [geïntimeerde 1] contact gelegd met [geïntimeerde 2] , heeft zij [geïntimeerde 2] drie offertes laten uitbrengen en heeft alle correspondentie tussen [appellant] en [geïntimeerde 2] plaatsgevonden via [geïntimeerde 1] . Gelet hierop en gelet op de hiervoor al genoemde zorgplicht van [geïntimeerde 1] mocht [geïntimeerde 2] erop vertrouwen dat [geïntimeerde 1] erop toezag dat [appellant] de door hem gewenste dekking kreeg en dat zij [appellant] zou informeren over het aanbod van [geïntimeerde 2] in de brief van 15 december 2008. [geïntimeerde 2] had naar het oordeel van het hof niet hiernaast nog een eigen zorgplicht tegenover [appellant] . Na het verstrijken van de in de brief van 15 december 2008 genoemde termijn zonder bericht van [appellant] , mocht [geïntimeerde 2] ervan uitgaan dat [appellant] akkoord was met het aanbod van [geïntimeerde 2] voor de aov met een dekking van € 25.000,00.

3.5.2.

Daar komt bij dat [geïntimeerde 2] hoe dan ook niet in strijd heeft gehandeld met haar eigen acceptatiebeleid. Deze acceptatieprocedure die vermeld staat op de laatste pagina van de aan [appellant] uitgebrachte offertes, houdt onder meer in dat de verzekering bij volledige acceptatie op normale voorwaarden kan ingaan op de datum waarop alle benodigde informatie door [geïntimeerde 2] is ontvangen, bij acceptatie met bijzondere voorwaarden nadat de verzekeringnemer akkoord is gegaan met het voorstel. [geïntimeerde 2] voert aan dat een redelijke uitleg hiervan meebrengt dat sprake is van een acceptatie van het te verzekeren risico op normale voorwaarden, indien het risico zonder uitsluitingsclausules wordt aanvaard door de verzekeraar en dat sprake is van acceptatie op bijzondere voorwaarden, indien een of meer uitsluitingsclausules door de verzekeraar noodzakelijk worden geacht. Deze uitleg wordt niet door [appellant] betwist. Tussen partijen is ook niet in geschil dat de aov van [appellant] tot stand is gekomen zonder uitsluiting van lichamelijke of psychische klachten. Gelet hierop kan de lagere verzekerde som in het aanbod van [geïntimeerde 2] van 15 december 2008 niet worden gezien als acceptatie van het risico op bijzondere voorwaarde, zodat [geïntimeerde 2] om die reden evenmin bij [appellant] afzonderlijk hoefde te verifiëren of hij akkoord was met het aanbod.

3.5.3.

De stelling van [appellant] dat de offerte van [geïntimeerde 2] gezien dient te worden als een onherroepelijk aanbod tot verzekering van de arbeidsongeschiktheid van [appellant] en dat door ondertekening van die offerte en het aanvraagformulier een aov met een dekking van € 40.000,00 tot stand is gekomen, wordt eveneens verworpen. De offerte dient naar het oordeel van het hof te worden gezien als een aanbod onder de opschortende voorwaarde van de indiening van het aanvraagformulier en het daarop volgende risico-onderzoek. Nadat de offerte is getekend, volgt het risico-onderzoek door of namens de verzekeraar om het te verzekeren risico in te schatten. Mede op basis daarvan beslist de verzekeraar onder welke voorwaarden verzekering van het risico wordt aangeboden. De verzekeringsovereenkomst komt pas tot stand wanneer de verzekeringnemer dit laatste aanbod aanvaardt. Op deze wijze van totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst is [appellant] ook gewezen, aangezien in de drie aan [appellant] toegezonden offertes ten aanzien van de totstandkoming van de verzekering steeds wordt opgemerkt:

‘Voor acceptatie van deze offerte is een volledige ingevuld en ondertekende aanvraag nodig. De benodigde medische waarborgen staan op de offerte vermeld. Na ontvangst van alle voor acceptatie van de verzekering benodigde stukken en de acceptatie van de verzekering wordt de polis zo spoedig mogelijk aan u verstuurd.’

3.5.4.

Het hof komt tot de conclusie dat [appellant] [geïntimeerde 2] niets kan verwijten en dat de vordering jegens [geïntimeerde 2] dus niet voor toewijzing in aanmerking komt. Dit betekent dat de vijfde grief faalt.

3.6.

Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden tot na de bewijsfase.

4 De uitspraak

Het hof:

4.1

laat [geïntimeerde 1] toe tegenbewijs te leveren tegen de voorshands bewezen stelling van [appellant] dat [geïntimeerde 1] hem voorafgaand aan de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst tussen [appellant] en [geïntimeerde 2] niet heeft geïnformeerd over het door [geïntimeerde 2] gemaakte voorbehoud in haar e-mail van 8 september 2008 en over het aanbod van [geïntimeerde 2] in haar brief van 15 december 2008;

4.2

laat [appellant] toe bewijs te leveren van zijn stelling dat hij in 2008 bij een andere verzekeringsmaatschappij dan [geïntimeerde 2] wel een aov met een dekking van € 40.000,00 had kunnen afsluiten onder min of meer vergelijkbare of voor [appellant] gunstiger voorwaarden als toen door [geïntimeerde 2] gehanteerd;

4.3

bepaalt, voor het geval partijen (tegen)bewijs door getuigen wil leveren, dat getuigen zullen worden gehoord ten overstaan mr. E.J. van Sandick als raadsheer-commissaris, die daartoe zitting zal houden in het Paleis van Justitie aan de Leeghwaterlaan 8 te 's-Hertogenbosch op een door deze te bepalen datum;

4.4

verwijst de zaak naar de rol van 18 september voor opgave van het aantal getuigen en van de verhinderdata van partijen zelf, hun advocaten en de getuige(n) in de periode van 4 tot 12 weken na de datum van dit arrest;

4.5

bepaalt dat de raadsheer-commissaris na genoemde roldatum dag en uur van het getuigenverhoor zal vaststellen;

4.6

bepaalt dat de advocaten van partijen tenminste zeven dagen voor het verhoor de namen en woonplaatsen van de te horen getuigen zullen opgeven aan de wederpartij en aan de civiele griffie;

4.7

houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. E.J. van Sandick, R.A. van der Pol en R.F. Groos en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 september 2018.

griffier rolraadsheer