Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3706

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
04-09-2018
Datum publicatie
11-09-2018
Zaaknummer
200.210.577_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:2307, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2017:679, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onduidelijkheden in de afhandeling van een nalatenschap door een afwikkelingsbewindvoerder die in de periode voorafgaande aan het overlijden van de erflaatster bewindvoerder in haar meerderjarigenbewind was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF Actueel 2018/354
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ̓s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.210.577/01

arrest van 4 september 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

advocaat mr. H. Nieuwenhuizen te Eindhoven.

tegen:

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

advocaat mr. M.C. Leenhouts te Amsterdam,

op het bij exploot van dagvaarding van 15 februari 2017 ingeleide hoger beroep van de door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven gewezen vonnissen van 20 april 2016 en 1 februari 2017 tussen appellant - [appellant] - als gedaagde in de hoofdzaak, eiser in het incident, en geïntimeerde - [geïntimeerde] - als eiseres in de hoofdzaak, verweerster in het incident.

1 Het geding in eerste aanleg (zaaknummer C/01/300921 / HA ZA 15-789)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen en naar het tussenvonnis van 22 juni 2016.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep van 15 februari 2017;

  • -

    de memorie van grieven van [appellant] van 16 mei 2017 met producties en eiswijziging;

  • -

    de memorie van antwoord van [geïntimeerde] van 25 juli 2017.

Partijen hebben arrest gevraagd. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1

De vaststelling van de feiten in het eindvonnis van 1 februari 2017 is niet bestreden, zodat het hof ook in hoger beroep hiervan uitgaat. Deze vaststelling luidt als volgt, met een door het hof aangebrachte letteraanduiding:

  1. Op [datum overlijden moeder] 1971 is de moeder van [appellant] , mevrouw [moeder] (hierna ook te noemen: [moeder] ), overleden. [moeder] was ten tijde van haar overlijden in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met de vader van [appellant] , de heer [vader] (hierna ook te noemen: [vader] ). [moeder] heeft niet bij testament over haar nalatenschap beschikt en zij heeft als haar enige erfgenamen achtergelaten [vader] , [appellant] en de broer van [appellant] , de heer [broer van appellant] , ieder voor een/derde gedeelte harer nalatenschap.

  2. Op [datum overlijden vader] 2003 is [vader] overleden. [vader] was ten tijde van zijn overlijden onder het maken van huwelijkse voorwaarden (productie 1 bij conclusie van antwoord) in zijnerzijds tweede echt gehuwd met de tante van [geïntimeerde] , mevrouw [erflaatster] (hierna ook te noemen: [erflaatster] ). [vader] heeft bij testament van 20 februari 1980 (productie 2 bij conclusie van antwoord) over zijn nalatenschap beschikt en hij heeft hierbij, voor zover thans van belang, [appellant] en diens broer, voor gelijke delen, tot zijn erfgenamen benoemd, onder de last van het door hem aan [erflaatster] toebedeelde recht van vruchtgebruik van zijn nalatenschap.

  3. Op 22 december 2004 is tussen [erflaatster] , [appellant] en diens broer een vaststellingsovereenkomst gesloten (productie 2 bij dagvaarding), waarin onder meer is opgenomen: “(…) - Na het overlijden van de (…) moeder van de ondergetekenden sub 2 en 3 (…) hebben erflater en de ondergetekenden sub 2 en 3 geen verdeling van haar nalatenschap gemaakt. Tot die nalatenschap behoorde de helft van een woning in [plaats 1] . (…) De ondergetekenden stellen de waarde van de eigendom die de ondergetekenden sub 2 en 3 elk middels vererving van hun moeder hebben verkregen per [datum overlijden vader] 2003 vast op 239.206,97,= euro, derhalve voor ieder van de ondergetekenden op 119.603,48 euro.(…)

A. Ten dage van erflaters overlijden was de nalatenschap samengesteld als volgt. (…)

1. De onverdeelde helft in het woonhuis (…) te [plaats 2] getaxeerd op 310.000,= Euro waarvan de helft 155.000,= euro (…)

Totaal aktief Euro 179.225,49

Totaal passief 63.871,15

Zuiver saldo nalatenschap Euro 115.354,34

B. Het erfdeel van de moeder van de ondergetekenden sub 2 en 3 blijft buiten de verdeling en het vruchtgebruik, als niet behorende tot de nalatenschap van erflater. De ondergetekenden sub 2 en 3 zullen tijdens het bestaan van het vruchtgebruik geen vordering doen tot het (…) uitbetalen van dit erfdeel. (…) [erflaatster] zal hierover een rentevergoeding verschuldigd zijn van 4% per jaar. De rentevergoeding zal pas betaald hoeven worden en derhalve pas opeisbaar worden na beëindiging van het vruchtgebruik (…).

C. Na beëindiging van het vruchtgebruik zal de vordering (…) door vermenging eindigen. (…)”.

Bij notariële akte d.d. 31 mei 2005 (productie 5 bij conclusie van antwoord) is de toebedeling als door [vader] in zijn testament opgenomen door [erflaatster] , [appellant] en diens broer bekrachtigd.

Bij beschikking van de kantonrechter van de rechtbank Breda, locatie Bergen op Zoom, van 13 januari 2009 (productie 3 bij conclusie van antwoord) zijn de goederen van [erflaatster] onder bewind gesteld, met benoeming van [appellant] tot bewindvoerder.

Op [datum overlijden tante] 2011 is [erflaatster] overleden. [erflaatster] heeft bij testament van 19 april 2006 (productie 1 bij dagvaarding) over haar nalatenschap beschikt. [erflaatster] heeft hierbij, voor zover thans van belang, [geïntimeerde] , de broer van [geïntimeerde] , de heer [broer van geïntimeerde] , en de neef van [geïntimeerde] , de heer [neef van geïntimeerde] (hierna ook te noemen: [neef van geïntimeerde] ), voor gelijke delen, tot haar erfgenamen benoemd. Bij gemeld testament is [appellant] tot afwikkelingsbewindvoerder benoemd.

Tussen [appellant] en diens broer enerzijds en [geïntimeerde] , haar broer en [neef van geïntimeerde] anderzijds is onenigheid ontstaan (mede) betrekking hebbende op de - afwikkeling van de - nalatenschap van [erflaatster] .

[appellant] en diens broer hebben [geïntimeerde] , haar broer en [neef van geïntimeerde] in kort geding betrokken voor de rechtbank Dordrecht. Ter comparitie d.d. 30 maart 2012 is een vaststellingsovereenkomst (productie 3 bij dagvaarding) gesloten waarin, voor zover thans van belang, is opgenomen: “ (…) 1. Gedaagden geven hierbij (…) toestemming tot overdracht van de onroerende zaak (…) te [plaats 2] (…).

2. De netto-verkoopopbrengst zal voor de helft in depot gehouden worden door meergenoemd notariskantoor, welk bedrag zal worden aangevuld met (…) € 1.500,= uit het netto aandeel in de verkoopopbrengst voor eiser mr. [appellant] . De andere helft van de netto verkoopopbrengst zal gelijkelijk worden verdeeld tussen eisers, met dien verstande dat eiser sub 1 voorshands dus (…)

€ 1.500,= niet zal ontvangen. (…)

6. Als partijen er niet in slagen om (…) tot een oplossing te komen, zullen zij daartoe nog een poging doen in een (…) bespreking (…), bij gebreke waarvan zij zich (…) ex artikel 96 Rv gezamenlijk tot de kantonrechter (…) wenden om het geschil of restgeschil aan hem voor te leggen. (…)”.

  1. Bij schrijven van 17 juli 2012 (productie 10 bij conclusie van antwoord) heeft [appellant] het geschil tussen partijen voorgelegd aan de kantonrechter.

  2. Op 22 augustus 2012 is tussen [appellant] en diens broer enerzijds en [neef van geïntimeerde] anderzijds een vaststellingsovereenkomst gesloten (productie 5 bij dagvaarding), waarin onder meer is opgenomen: “(…) dat de ondergetekende sub 1 (…) zijn betrokkenheid in het geschil c.q. zijn betrokkenheid bij de afwikkeling van de nalatenschap (…) wenst te beëindigen en dat de ondergetekenden sub 2 en 3 daarmee akkoord zijn gegaan;

komen als volgt overeen:

1. Het een/derde aandeel in het depotbedrag dat geacht kan worden gehouden te worden voor (…) [neef van geïntimeerde] , groot € 31.163,58 alsmede € 500,= (…) wordt overgemaakt.

Ondergetekenden gaan er mee akkoord dat € 28.466,24 wordt overgemaakt op rekening (…) t.n.v. [appellant] (…) en (…) € 3.198,34 op rekening (…) t.n.v. [neef van geïntimeerde] . Gemeld bedrag dat aan (…) [neef van geïntimeerde] toekomt is een tegemoetkoming in de declaraties (…) en griffiegelden (…). (…)

2. (…) Voor wat betreft de afwikkeling van de nalatenschap is elk geschil hierover tussen partijen dan wel tussen derden en de erfgenamen beëindigd (…). (…)

3. ondergetekende sub 1 zal geen aanspraken maken op overige goederen uit de nalatenschap van erflaatster; (…)”.

Bij vonnis d.d. 19 december 2012 (productie 4 bij dagvaarding) heeft de kantonrechter van de rechtbank Breda, team kanton Bergen op Zoom, de zaak verwezen naar de sector civiel, team handelsrecht van diezelfde rechtbank.

Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis d.d. 10 april 2013 (productie 6 bij dagvaarding) heeft de rechtbank Zeeland-West-Brabant, handelsrecht Breda, kort gezegd, in conventie [geïntimeerde] en haar broer veroordeeld om mee te werken aan vrijgave aan [appellant] en diens broer van het bij de notaris in depot staande bedrag ad € 59.190,43, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 19 juli 2012 tot de dag van algehele voldoening, alsook tot vrijgave aan hen van het in depot staande bedrag ad € 1.000,=, onder compensatie van de kosten. In reconventie heeft de rechtbank voor recht verklaard dat de nalatenschap van [erflaatster] vereffend dient te worden conform titel 6 afdeling 3 van boek 4 BW, heeft zij een vereffenaar benoemd en heeft zij voor recht verklaard dat het afwikkelingsbewind is geëindigd. Voorts is [appellant] in reconventie veroordeeld tot afgifte van de administratie van [erflaatster] aan [geïntimeerde] en haar broer, alsmede tot het afleggen van rekening en verantwoording aan hen ten aanzien van het door hem gevoerde afwikkelingsbewind en zijn [appellant] en diens broer veroordeeld om mee te werken aan vrijgave van het in depot staande restantbedrag, onder compensatie van de kosten.

Tegen dit vonnis is door [geïntimeerde] en haar broer hoger beroep ingesteld. Bij arresten d.d. 14 oktober 2014 van het gerechtshof ’s-Hertogenbosch (productie 7 bij dagvaarding en productie 11 bij conclusie van antwoord) zijn zij in hun beroep niet ontvankelijk verklaard.

Ook na het vonnis van 10 april 2013 is er tussen partijen nog sprake van onenigheid betrekking hebbende op de - afwikkeling van de - nalatenschap van [erflaatster] . Ondanks (e-mail)correspondentie tussen (de - toenmalige - advocaten van) partijen, zijn partijen niet tot een oplossing gekomen.

3.2

Bij dagvaarding van 19 oktober 2015 en herstelexploot van 17 november 2015 heeft [geïntimeerde] de onderhavige procedure tegen [appellant] aanhangig gemaakt. In deze procedure stelt [geïntimeerde] dat [appellant] en diens broer [broer van appellant] een bedrag van € 33.871,03 te veel uit de nalatenschap van [erflaatster] hebben ontvangen, en dat [appellant] geen rechten kan doen gelden op de vijf schilderijen zodat hij deze dient af te geven aan de erfgenamen van [erflaatster] .

Op grond hiervan vorderde [geïntimeerde] in de hoofdzaak, samengevat, verklaringen voor recht inzake het bedrag van € 33.871,03 en de vijf schilderijen en veroordeling van [appellant] tot betaling aan de boedel, althans aan [geïntimeerde] , van € 33.871,03, vermeerderd met wettelijke rente, en tot afgifte aan de boedel, althans aan [geïntimeerde] , van de vijf schilderijen, subsidiair tot betaling van de waarde van de schilderijen ten bedrage van € 5.600,=, een en ander met veroordeling van [appellant] in de kosten van de procedure.

[appellant] heeft in het incident de niet-ontvankelijkverklaring van [geïntimeerde] gevorderd en in de hoofdzaak de vorderingen van [geïntimeerde] bestreden. [geïntimeerde] heeft de incidentele vordering van [appellant] bestreden.

3.3

Bij incidenteel vonnis van 20 april 2016 heeft de rechtbank de incidentele vordering van [appellant] afgewezen met veroordeling van [appellant] in de kosten van het incident.

Bij tussenvonnis van 22 juni 2016 heeft de rechtbank een comparitie van partijen bepaald, die op 18 november 2016 heeft plaatsgevonden.

Bij eindvonnis van 1 februari 2017 heeft de rechtbank in de hoofdzaak:

  • -

    voor recht verklaard dat [appellant] en diens broer een bedrag ad € 33.871,03, te verminderen met de door [geïntimeerde] en haar broer aan [appellant] en diens broer te betalen wettelijke rente over € 59.190,43 vanaf 19 juli 2012 tot eind mei 2013, zonder rechtsgrond en derhalve onverschuldigd uit de nalatenschap van [erflaatster] hebben ontvangen;

  • -

    voor recht verklaard dat [appellant] de schilderijen, omschreven in productie 8 bij dagvaarding, voor zover overeenkomend met het aandeel van [geïntimeerde] en haar broer in de nalatenschap van [erflaatster] , zonder recht of titel onder zich houdt en dat hij derhalve gehouden is de waarde van die schilderijen, voor zover overeenkomend met het aandeel van [geïntimeerde] en haar broer in de nalatenschap van [erflaatster] , te vergoeden;

  • -

    [appellant] veroordeeld tot betaling aan de boedel [erflaatster] van een bedrag groot € 33.871,03, te verminderen met de door [geïntimeerde] en haar broer aan [appellant] en diens broer te betalen wettelijke rente over € 59.190,43 vanaf 19 juli 2012 tot de dag van voldoening, en te vermeerderen met de wettelijke rente over het door [appellant] aldus te betalen bedrag met ingang van 29 mei 2013 tot de dag van algehele voldoening;

  • -

    [appellant] veroordeeld tot betaling van de waarde van de schilderijen, voor zover overeenkomend met het aandeel van [geïntimeerde] en haar broer in de nalatenschap van [erflaatster] , derhalve uitmakend een bedrag groot € 3.733,33, aan [geïntimeerde] ,

met veroordeling van [appellant] in de proceskosten met nakosten en met afwijzing van het meer of anders gevorderde.

3.4

Tegen het incidenteel vonnis van 20 april 2016 heeft [appellant] vijf grieven aangevoerd en tegen het eindvonnis van 1 februari 2017 vijftien grieven. Daarnaast vermeldt [appellant] een eiswijziging; dit betreft alleen een vordering tot terugbetaling van hetgeen hij eventueel uit hoofde van de beroepen vonnissen aan [geïntimeerde] heeft betaald. Een reconventionele vordering van zijn kant is in deze procedure niet aan de orde.

3.5

Voor zover de vorderingen van [geïntimeerde] niet volledig zijn toegewezen, blijven deze in dit hoger beroep verder buiten beschouwing aangezien [geïntimeerde] daartegen niet (incidenteel) heeft geappelleerd.

Het incidenteel vonnis van 20 april 2016

3.6

Dit vonnis betreft het beroep van [appellant] op niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde] in haar vorderingen. Daartoe heeft [appellant] verschillende gronden aangevoerd, die door de rechtbank alle zijn verworpen. De hiertegen opgeworpen grieven van [appellant] worden hierna achtereenvolgens besproken.

3.7

Volgens [appellant] zijn de kwesties die [geïntimeerde] in deze procedure aan de orde stelt al afgehandeld in het vonnis van 10 april 2013, aangezien daarin wordt verwezen naar het overzicht van [appellant] van 13 april 2012. In dat overzicht zijn de vijf schilderijen vermeld en zijn twee bedragen van € 10.000,= en € 25.000,= opgenomen die [appellant] op 14 oktober 2011 respectievelijk 21 oktober 2011 van de betaalrekening van [erflaatster] naar zijn eigen bankrekening heeft overgeschreven. Volgens [geïntimeerde] gaat het hierbij om onttrekkingen aan de nalatenschap van [erflaatster] waarvoor geen grondslag bestaat. De rechtbank heeft het beroep van [appellant] op niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde] omdat op deze kwesties al definitief zou zijn beslist, verworpen. Hierop ziet grief I.

3.8

Deze grief wordt verworpen. In het vonnis van 10 april 2013 heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.12 de hoogte van de rentevergoeding bepaald die [erflaatster] aan [appellant] en diens broer verschuldigd was op grond van de vaststellingsovereenkomst van 22 december 2004 tussen hen, die hiervoor in 3.1 onder c) is vermeld. Dat komt uit op een bedrag van € 88.785,64. De rechtbank heeft daarbij met zoveel woorden in aanmerking genomen ‘de onttrekkingen tot 8 augustus 2011 op moederserfdeel die zijn genoemd in het overzicht onder punt 2. gevoegd bij de brief van [appellant] van 13 april 2012’. De rentevergoeding van € 88.785,64 heeft de rechtbank berekend over de periode van [datum overlijden vader] 2003, de dag van het overlijden van de vader van [appellant] tot 8 april 2011 toen het vruchtgebruik van [erflaatster] eindigde dat in de vaststellingsovereenkomst is opgenomen. Van die rentevergoeding waren [geïntimeerde] en haar broer twee/derde deel, € 59.190,43, aan [appellant] en diens broer verschuldigd, aldus het vonnis van 10 april 2013. Hieruit blijkt dat de onttrekkingen van na 8 augustus 2011 niet in de berekening van de rechtbank zijn opgenomen. Ook overigens blijkt nergens uit dat die onttrekkingen, dan wel de vijf schilderen, in die procedure zelf aan de orde zijn geweest en/of dat daarover reeds een partijen bindende beslissing is gegeven. De omstandigheid dat de onttrekkingen en de schilderijen in het overzicht van [appellant] staan vermeld en dat naar dit overzicht wordt verwezen, betekent niet dat deze kwesties in die procedure voorwerp van geschil waren. Door [appellant] zijn ook voor het overige geen feiten of omstandigheden aangevoerd die de conclusie rechtvaardigen dat deze beide kwesties met het vonnis van 10 april 2013 reeds zijn afgehandeld en om die reden in de onderhavige procedure niet meer aan de orde kunnen komen.

3.9

Grief II betreft de verwerping door de rechtbank van de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] naast [appellant] ook diens broer in de procedure had moeten betrekken. Volgens [appellant] is dat het geval omdat sprake van een processueel ondeelbare rechtsverhouding. Deze grief wordt verworpen aangezien de vorderingen zoals deze door [geïntimeerde] zijn ingesteld niet een dergelijke rechtsverhouding betreffen. De vorderingen betreffen immers het handelen van [appellant] met betrekking tot de onttrekkingen in de periode van het meerderjarigenbewind van [erflaatster] en de verwerking daarvan en de afhandeling van de schilderijen door hem in de periode na haar overlijden. De broer van [appellant] heeft daarbij geen positie die op deze grond zijn betrokkenheid in de onderhavige procedure vereist. Grief II wordt daarom verworpen.

3.10

Grief III betreft de stelling van [appellant] dat hij niet in privé gedagvaard had moeten worden maar in zijn hoedanigheid van afwikkelingsbewindvoerder. Nu [geïntimeerde] dat laatste niet heeft gedaan, dient zij volgens [appellant] niet-ontvankelijk verklaard te worden. De rechtbank heeft deze stelling verworpen. Volgens [appellant] zijn de handelingen waar de vorderingen van [geïntimeerde] betrekkingen op hebben, door hem verricht als afwikkelingsbewindvoerder zodat de vraag is of hij gehandeld heeft zoals van een redelijk handelend afwikkelingsbewindvoerder verwacht mag worden. De betalingen zijn ook niet geheel aan hem zelf ten goede gekomen, maar gedeeltelijk doorbetaald aan zijn broer, zodat geen sprake is van onverschuldigde betaling aan hem zelf dan wel van ongerechtvaardigde verrijking van hem als door [geïntimeerde] gesteld.

3.11

Het hof overweegt hierover het volgende. In het vonnis van 10 april 2013 heeft de rechtbank onder meer voor recht verklaard dat het afwikkelingsbewind is geëindigd (onderdeel 3.8 van het dictum), zodat [appellant] ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg niet langer de hoedanigheid van afwikkelingsbewindvoerder bezat. Wat [appellant] na de overschrijving van de twee bedragen op zijn eigen rekening daarmee vervolgens heeft gedaan, is voor de beoordeling van de vorderingen van [geïntimeerde] niet relevant. Ook indien hij deze gedeeltelijk heeft doorbetaald of verrekend, blijft hij degene die erover heeft beschikt. Voor niet-ontvankelijkheid van [geïntimeerde] in haar vorderingen in deze procedure biedt een en ander in ieder geval geen grondslag zodat grief III wordt verworpen.

3.12

Grief IV betreft de stelling van [appellant] dat [geïntimeerde] niet-ontvankelijk verklaard diende te worden omdat zij de procedure alleen voor zichzelf heeft ingesteld en niet namens de overige erfgenamen. Hierbij voert [appellant] aan dat de derde erfgenaam, [neef van geïntimeerde] , zijn aanspraken op de nalatenschap van [erflaatster] heeft overgedragen aan [appellant] en diens broer, bij de vaststellingsovereenkomst van 22 augustus 2012 die hiervoor in 3.1 onder j) is vermeld. De rechtbank heeft deze stelling verworpen op de grond dat artikel 3:171 BW meebrengt dat [geïntimeerde] een vordering kan instellen die aan de gezamenlijke erfgenamen toekomt. Dit oordeel is juist, zodat grief IV wordt verworpen.

3.13

Grief V betreft de afwijzing van de vordering van [appellant] in het incident, de proceskostenveroordeling in het incident en zijn bij vermeerdering van eis ingestelde vordering tot terugbetaling. Uit de verwerping van de voorgaande vier grieven volgt dat het incidentele vonnis van 20 april 2016 in stand blijft. Dat geldt ook voor de daarin opgenomen proceskostenveroordeling zodat voor terugbetaling van die kosten geen grond bestaat. Grief V wordt verworpen en het incidenteel vonnis van 20 april 2016 zal worden bekrachtigd.

Het eindvonnis van 1 februari 2017

3.14.

De grieven VI en VIII betreffen de kwesties die [appellant] ook aan de orde heeft gesteld in verband met het incidenteel vonnis van 20 april 2016 (grief III respectievelijk grief I). Die grieven zijn verworpen; voor de grieven VI en VIII geldt hetzelfde.

3.15

Grief VII betreft de hoedanigheid van [geïntimeerde] . Volgens [appellant] blijkt uit de dagvaarding in eerste aanleg niet dat [geïntimeerde] optrad in haar hoedanigheid van erfgename van [erflaatster] en is de instemmingsverklaring van de erfgenamen van haar broer in dit verband heeft overgelegd (productie 17) onvoldoende aangezien ook [neef van geïntimeerde] erfgenaam was, wiens aanspraken aan [appellant] en diens broer zijn overgedragen. Deze grief wordt verworpen aangezien uit de dagvaarding in eerste aanleg niets anders kan worden afgeleid dan dat [geïntimeerde] haar vorderingen tegen [appellant] heeft ingesteld als erfgename van [erflaatster] en dat deze geheel betrekking heeft op de afwikkeling van de nalatenschap van [erflaatster] . Uit het hele verdere verloop van de procedure blijkt dat [appellant] dat ook zo heeft begrepen. De omstandigheid dat de derde erfgenaam van [erflaatster] , [neef van geïntimeerde] , zijn aanspraken op zijn aandeel in de nalatenschap heeft overgedragen aan [appellant] en diens broer is in dit verband niet relevant, gelet ook op hetgeen hierover eerder bij de bespreking van grief IV is overwogen. Grief VII wordt verworpen.

3.16

De grieven IX tot en met XIV betreffen de vorderingen van [geïntimeerde] inzake het bedrag van € 33.871,03, zoals deze door de rechtbank zijn toegewezen. Hiervoor in 3.3 zijn deze weergegeven bij het eerste gedachtestreepje, de verklaring voor recht, en bij het derde gedachtestreepje, de daarop gebaseerde veroordeling.

3.17

Met de toegewezen verklaring voor recht is vastgesteld, kort gezegd, dat [appellant] en diens broer het bedrag ad € 33.871,03 onverschuldigd uit de nalatenschap van [erflaatster] hebben ontvangen. Die vaststelling betreft niet alleen [appellant] tegen wie [geïntimeerde] op zich een vordering inzake de nalatenschap van [erflaatster] kon instellen, zoals bij de bespreking van het incidenteel vonnis van 20 april 2016 is geconcludeerd, maar ook diens broer [broer van appellant] . Hetgeen [geïntimeerde] aan de vordering ten grondslag heeft gelegd betreft evenwel uitsluitend het handelen en nalaten van [appellant] en niet tevens dat van diens broer. Dit betekent dat de grondslag voor deze vordering niet aansluit bij de inhoud ervan zodat de vordering niet voor toewijzing in aanmerking kan komen. De consequentie hiervan is dat ook de daaruit voortvloeiende veroordeling niet toegewezen kan worden. [geïntimeerde] is dus, zoals hiervoor vastgesteld, wel ontvankelijk in haar vorderingen, maar de vorderingen zoals zij deze op dit onderdeel heeft ingesteld, zijn vanwege een daarvoor ontoereikende grondslag niet toewijsbaar. Dit betekent dat de grieven IX tot en met XIV slagen en dat deze grieven geen afzonderlijke bespreking behoeven. Door [geïntimeerde] zijn voor het overige geen feiten of omstandigheden gesteld die, op grond van de devolutieve werking van het appel aan de orde gekomen, tot een ander oordeel leiden.

3.18

De grieven XV, XVI en XVII betreffen de kwestie van de schilderijen. De rechtbank heeft aangenomen dat de overdracht door [neef van geïntimeerde] van diens aandeel in de nalatenschap van [erflaatster] aan [appellant] en diens broer mede de schilderijen omvat, zodat de vordering van [geïntimeerde] ten aanzien van dat aandeel niet toewijsbaar is. In haar memorie van antwoord merkt [geïntimeerde] op dat zij het er niet mee eens is dat de rechtbank [appellant] als deelgenoot beschouwt, maar dat zij zich kan vinden in de oplossing van de rechtbank. Haar primaire vorderingen die uitgaan van afgifte van de schilderijen zijn in dit hoger beroep niet aan de orde, nu zij tegen de afwijzing daarvan niet is opgekomen. Het gaat er daarmee om of [appellant] ten onrechte de schilderijen onder zich houdt en tweederde van de waarde ervan aan [geïntimeerde] dient te voldoen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dit het geval is. De schilderijen komen toe aan de erfgenamen van [erflaatster] en daar behoort [appellant] niet toe. De vaststellingsovereenkomst die met [neef van geïntimeerde] is gesloten verschaft [appellant] niet de hoedanigheid van erfgenaam van [erflaatster] . De hoedanigheid van afwikkelingsbewindvoerder bezit [appellant] inmiddels niet langer, zodat ook daarin geen grondslag voor het onder zich houden van de schilderijen kan worden gevonden. Enige andere daarvoor toereikende grondslag ontbreekt, zodat de subsidiaire vorderingen van [geïntimeerde] terecht zijn toegewezen. De omstandigheid dat [appellant] de schilderijen aan [geïntimeerde] heeft aangeboden maakt dit niet anders aangezien het op zijn weg lag te bewerkstelligen dat de erfgenamen daadwerkelijk de beschikking over de schilderijen zouden krijgen en dat is niet gebeurd. Gedurende de gehele procedure zijn partijen er kennelijk niet in geslaagd deze kwestie op te lossen, zodat een vergoeding van de waarde als enige reële oplossing resteert. Wat de waarde van de schilderijen betreft heeft de rechtbank aansluiting gezocht bij de begroting van [appellant] zelf. Zijn bezwaar hiertegen is dat hij niet deskundig is op dit terrein zodat van zijn schatting niet mag worden uitgegaan bij de waardebepaling. Het hof ziet dat niet in. Enige andere taxatie of begroting dan zijn eigen opgave is niet beschikbaar, zodat deze door de rechtbank terecht tot uitgangspunt is genomen. De grieven XV, XVI en XVII worden daarom verworpen.

3.19.

Door middel van grief XVIII voert [appellant] aan dat hij alle verweren die hij in eerste aanleg heeft gevoerd, uitdrukkelijk handhaaft. [appellant] heeft in de toelichting op deze grief echter niet heeft toegelicht welke verweren hij hier bedoelt en waarom het onjuist is dat de rechtbank die verweren niet heeft gehonoreerd. De grief voldoet daarmee niet aan de aan een grief te stellen eis dat voor de rechter en de wederpartij voldoende duidelijk moet zijn welk bezwaar tegen het bestreden vonnis wordt aangevoerd. De enkele vermelding dat [appellant] al zijn verweren handhaaft, is niet voldoende om aan te nemen dat bepaalde niet in de memorie van grieven genoemde verweren naast andere wel door appellant in hoger beroep aan de orde gestelde verweren, in hoger beroep opnieuw aan de orde zijn gesteld (HR 05-12-2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ3242). Het hof verwerpt daarom grief XVIII.

3.20

Grief IXX betreft de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Deze grief slaagt aangezien het resultaat van deze procedure compensatie van de proceskosten in eerste aanleg rechtvaardigt.

3.21

Grief XX, ten slotte, betreft het dictum van het eindvonnis van 1 februari 2017. Ook deze grief slaagt, gelet op het gedeeltelijk slagen van de overige grieven van [appellant] . [geïntimeerde] zal worden veroordeeld tot terugbetaling van hetgeen [appellant] uit hoofde van dat vonnis aan [geïntimeerde] heeft voldaan. Het hof zal voor de duidelijkheid het eindvonnis van 1 februari 2017 geheel vernietigen en het dictum in de hoofdzaak opnieuw formuleren. Dat geldt niet voor (het dictum van) het incidenteel vonnis van 20 april 2016 met inbegrip van de daarin opgenomen proceskostenveroordeling, aangezien dat vonnis - zoals hiervoor in 3.13 vastgesteld - in stand blijft.

3.22

Het resultaat van dit hoger beroep in de hoofdzaak rechtvaardigt compensatie van de kosten daarvan.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het incidenteel vonnis van 20 april 2016, met inbegrip van de daarin opgenomen proceskostenveroordeling;

vernietigt het eindvonnis van 1 februari 2017 en in de hoofdzaak opnieuw rechtdoende:

verklaart voor recht dat [appellant] de schilderijen, omschreven in productie 8 bij dagvaarding, voor zover overeenkomend met het aandeel van [geïntimeerde] en haar broer in de nalatenschap van [erflaatster] , zonder recht of titel onder zich houdt en dat hij derhalve gehouden is de waarde van die schilderijen, voor zover overeenkomend met het aandeel van [geïntimeerde] en haar broer in de nalatenschap van [erflaatster] , te vergoeden;

veroordeelt [appellant] tot betaling van de waarde van de schilderijen, voor zover overeenkomend met het aandeel van [geïntimeerde] en haar broer in de nalatenschap van [erflaatster] , derhalve uitmakend een bedrag groot € 3.733,33, aan [geïntimeerde] ;

compenseert de proceskosten van de hoofdzaak in eerste aanleg, in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;

veroordeelt [geïntimeerde] tot terugbetaling aan [appellant] van hetgeen hij - afgezien van de hiervoor vermelde veroordeling inzake de waarde van de schilderijen - uit hoofde van het eindvonnis in de hoofdzaak aan [geïntimeerde] heeft voldaan, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf de datum van betaling tot die van de terugbetaling;

compenseert de proceskosten in hoger beroep, in die zin dat iedere partij daarvan de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, I.B.N. Keizer en M.G.W.M. Stienissen en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 4 september 2018.

griffier rolraadsheer