Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3684

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
05-09-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
20-001144-17
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Op tegenspraak
Inhoudsindicatie

De verdachte wordt vrijgesproken van de aan hem ten laste gelegde oplichting. De aangeefster is met het voorstel van de verdachte om telefoonabonnementen voor dure toestellen op haar naam af te laten sluiten en de telefoons en bijbehorende contracten aan de verdachte te geven akkoord gegaan, omdat zij bang was en zich bedreigd voelde. Nu bedreiging dan wel het uitoefenen van druk niet tot de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht limitatief opgesomde oplichtingsmiddelen behoort, kan de ten laste gelegde oplichting niet bewezen worden verklaard.

Voorts wordt de verdachte wegens 'mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd’ en ‘mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt’ veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 10 maanden.

De verdachte heeft het minderjarige slachtoffer – dat ten tijde van het plegen van het bewezen verklaarde feit vijftien en (later) zestien jaar oud was – in totaal ruim een jaar lang seksueel uitgebuit door haar ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met mannen tegen betaling. Hiertoe is een advertentie op internet geplaatst waarin het slachtoffer werd aangeboden als prostituee. Ook heeft het slachtoffer de helft van het door haar verdiende geld afgegeven aan de verdachte. Nadat de verdachte zelf gedetineerd was geraakt in verband met verdenking van betrokkenheid bij een andere mensenhandelzaak, is een mededader gedurende een periode van drie weken als zaakwaarnemer opgetreden en heeft hij de zaken geregeld. Gedurende deze periode is het bewezen verklaarde feit dan ook in vereniging met die mededader gepleegd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Afdeling strafrecht

Parketnummer : 20-001144-17

Uitspraak : 5 september 2018

TEGENSPRAAK

Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof

's-Hertogenbosch

gewezen op het hoger beroep, ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Middelburg, van 27 maart 2017 in de in eerste aanleg gevoegde strafzaken, parketnummers 02-820128-16 en 02-688095-16, tegen:

[verdachte] ,

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

Hoger beroep

De rechtbank heeft verdachte bij vonnis waarvan beroep vrijgesproken van oplichting (parketnummer 02-688095-16, door de rechtbank genummerd als feit 2) en hem wegens ‘mensenhandel jegens een persoon beneden de achttien jaren, meermalen gepleegd’ en ‘mensenhandel gepleegd door twee of meer verenigde personen jegens een persoon beneden de achttien jaren, meermalen gepleegd’ (parketnummer 02-820128-16, door de rechtbank genummerd als feit 1) veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 jaren met aftrek van voorarrest.

De officier van justitie heeft tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.

Het hof zal – anders dan de rechtbank – de ten laste gelegde feiten aanduiden met de parketnummers van de eerste lijn.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen namens verdachte naar voren is gebracht.

De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het beroepen vonnis zal vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het in de zaak met parketnummer 02-820128-16 en het in de zaak met parketnummer 02-688095-16 ten laste gelegde bewezen zal verklaren en verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren met aftrek van voorarrest.

De verdediging heeft ten aanzien van het in de zaak met parketnummer 02-688095-16 ten laste gelegde vrijspraak bepleit. Voorts heeft de verdediging – met betrekking tot de strafmaat – bepleit dat het hof geen hogere straf aan verdachte zal opleggen dan de rechtbank heeft gedaan.

Vonnis waarvan beroep

Het beroepen vonnis zal worden vernietigd doch uitsluitend ten aanzien van hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 02-820128-16 ten laste is gelegd, omdat het hof ten aanzien van dat feit tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.

Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

Zaak met parketnummer 02-820128-16 – middels nadere omschrijving van de telastelegging –:

hij in of omstreeks de periode van 26 november 2014 tot en met 22 februari 2016 in de gemeente(n) Goes en/of Vlissingen en/of Middelburg, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen,

A)

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] (sub 2°) en/of

B)

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), (telkens) ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met en/of voor een derde tegen betaling dan wel ten aanzien van die [slachtoffer] (telkens) enige handeling(en) heeft ondernomen waarvan hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) wist(en) of redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die [slachtoffer] zich daardoor beschikbaar zou stellen tot het verrichten van die seksuele handelingen (sub 5°) en/of

C)

(telkens) opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] nog niet de leeftijd van 18 jaar had bereikt (sub 8°), en/of

D)

(telkens) met één of meerdere van de onder 1° genoemde middelen, te weten door dwang en/of geweld en/of één of meer (andere) feitelijkheden en/of door dreiging met geweld en/of andere feitelijkheden en/of afpersing en/of misleiding en/of door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en/of door misbruik van de kwetsbare positie die [slachtoffer] heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met en/of voor een derde (sub 9°),

bestaande die enige handeling(en) hieruit dat hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens)

- (pikante) foto's van die [slachtoffer] heeft/hebben laten maken

- (vervolgens) (een) (seks)advertentie(s) heeft/hebben gemaakt/vervaardigd en/of geplaatst op (een) internetsite(s) waarin die [slachtoffer] werd aangeboden als prostituee en/of

- de prijzen heeft/hebben bepaald waartegen die [slachtoffer] de seksuele handelingen zou verrichten en/of

- die [slachtoffer] heeft/hebben overgehaald en/of in de gelegenheid gesteld om (tegen betaling) seks te hebben met een of meer mannen en/of (vervolgens) heeft/hebben tewerkgesteld als prostituee en/of daartoe afspraken heeft/hebben gemaakt en/of laten maken met een of meer (potentiële) klanten en/of

- een (werk)telefoon en/of een emailaccount voor die [slachtoffer] heeft/hebben geregeld en/of ter beschikking gesteld en/of

- het door [slachtoffer] verdiende geld (deels) heeft/hebben ingenomen en/of beheerd en/of (deels) aangewend voor zijn/hun eigen gebruik;

Zaak met parketnummer 02-688095-16:

hij op meerdere tijdstippen op of omstreeks 30 juli 2015 te Goes, in elk geval (telkens) in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, (telkens) met het oogmerk om zich en/of (een) ander(en) wederrechtelijk te bevoordelen door het aannemen van een valse naam en/of van een valse hoedanigheid en/of door een of meer listige kunstgrepen en/of door een samenweefsel van verdichtsels, [aangeefster] heeft bewogen tot de afgifte van meerdere, althans één, mobiele telefoon(s), in elk geval van enig goed, en/of tot het aangaan van een schuld, te weten het afsluiten van meerdere, althans één, telefoonabonnement(en), hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (telkens) met vorenomschreven oogmerk – zakelijk weergegeven – valselijk en/of listiglijk en/of bedrieglijk en/of in strijd met de waarheid

- tegen die [aangeefster] gezegd dat zij meerdere, althans één, telefoonabonnement(en) moest afsluiten en/of

- terwijl die [aangeefster] bang was en zich bedreigd voelde

- tegen [aangeefster] gezegd dat het/de contract(en) van haar naam af gehaald zou(den) gaan worden en/of

- tegen die [aangeefster] gezegd dat zij zo duur mogelijke telefoons moest zien mee te krijgen en/of

- nadat [aangeefster] de/het telefoonabonnement(en) had afgesloten tegen die [aangeefster] gezegd dat zij de telefoon(s) inclusief de/het contract(en) moest afgeven,

- waardoor [aangeefster] werd bewogen tot afgifte van drie, althans één, mobiele telefoon(s) en/of contract(en) en/of het afsluiten van drie, althans één, telefoonabonnement(en),

- terwijl [aangeefster] rekeningen van de telefoonmaatschappij(en) heeft ontvangen.

De in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. Verdachte is daardoor niet geschaad in de verdediging.

Vrijspraak

Ten aanzien van parketnummer 02-688095-16

Met de rechtbank en de verdediging is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich – al dan niet tezamen en in vereniging met een ander of anderen – schuldig heeft gemaakt aan oplichting van [aangeefster] , zoals ten laste is gelegd in de zaak met parketnummer 02-688095-16. Het hof overweegt daartoe als volgt.

Het hof stelt voorop dat voor een veroordeling ter zake van oplichting is vereist dat de verdachte bij een ander door een specifieke, voldoende ernstige vorm van bedrieglijk handelen een onjuiste voorstelling in het leven heeft willen roepen teneinde daarvan misbruik te maken. Daartoe moet de verdachte een of meer van de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde oplichtingsmiddelen hebben gebruikt, door welk gebruik de ander is bewogen tot – zoals in de onderhavige strafzaak – de afgifte van een goed of het aangaan van een schuld.

[aangeefster] heeft in haar aangifte verklaard dat ze op 30 juli 2015 in Goes liep toen ze twee jongens – onder wie verdachte – tegenkwam. Toen aangeefster tegen verdachte zei dat ze op zoek was naar woonruimte voor zichzelf, zei verdachte dat zij in dat geval wel geld nodig zou hebben en dat hij iemand kende in de wereld van de telefoonabonnementen die in de systemen kon om abonnementen van je naam af te laten halen. Aangeefster heeft verklaard dat zij niet dan wel nauwelijks reageerde op deze mededeling van verdachte. Aangeefster voelde dat het gesprek toen een andere wending kreeg. Volgens aangeefster werd verdachte dwingend en wilde hij dat zij de abonnementen direct ging afsluiten. Hij vroeg aangeefster zo duur mogelijke telefoons te nemen bij de abonnementen. Verdachte zou de telefoons verkopen en aangeefster zou de opbrengt hiervan krijgen. Aangeefster heeft verklaard dat zij – naar het hof begrijpt – de mededeling(en) van verdachte niet vertrouwde en dat ze hem vroeg of hij zeker wist dat de abonnementen van haar naam af zouden worden gehaald. Op dat moment ging verdachte volgens aangeefster vlakbij haar staan, keek hij haar dreigend aan en zei hij: “Je hebt het nu al gezegd en nu ga je het doen ook”. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte veel langer is dan zij is en dat hij ‘dicht op haar stond’, waardoor zij bang werd en dat zij daarom akkoord ging met het voorstel van verdachte. Zij voelde zich erg bedreigd. Aangeefster heeft hierop bij twee verschillende winkels (in totaal) drie telefoonabonnementen afgesloten. Hierbij heeft zij éénmaal een iPhone 6 en tweemaal een iPhone 5s ontvangen. Verdachte en de andere, voor aangeefster onbekende jongen bleven beide keren buiten staan terwijl aangeefster in de winkel was. Aangeefster heeft de telefoons en de bijbehorende contracten aan verdachte overhandigd.1

[aangeefster] is op 25 oktober 2016 in de zaak van verdachte bij de rechter-commissaris in de rechtbank Zeeland-West-Brabant als getuige gehoord. Bij de rechter-commissaris heeft zij verklaard dat zij twijfelde over hetgeen verdachte vertelde over het veranderen van dingen in het systeem zodat het abonnement van een telefoon niet op je naam bleef staan. Ook toen verdachte had gezegd dat zij, [aangeefster] , het geld zou krijgen dat het zou opleveren, twijfelde [aangeefster] of zij het wel moest doen. Vervolgens verklaart [aangeefster] : “Toen veranderde zijn houding. Hij is groter dan ik. Hij kwam dichter bij mij staan en nam een bedreigende houding aan en zei dat ik het nu moest doen ook. Ik schrok daar best wel van. Ik wist niet goed wat ik moest doen. Ik schrok omdat zijn houding veranderde, maar ik wist ook hoe hij kon reageren omdat ik met hem op de [instelling] had gezeten. Hij kon heel erg agressief reageren. Hij schreeuwde en gooide met dingen. Hij heeft ook wel eens een ruit kapot geslagen. Als [verdachte] op [instelling] zo reageerde, moesten wij ook direct weg. Ik schrok zo erg dat ik dacht ‘ik doe het maar’. Omdat ik zo schrok, kon ik niet goed nadenken. Ik dacht wel ‘dit is niet goed’, maar ik kon niet anders reageren.”

In voornoemd verhoor bij de rechter-commissaris heeft [aangeefster] ook nog verklaard: “Ik schaamde me dat ik het moest doen van hem en dat ik het gedaan had ook. Ik schaamde me vooral omdat ik geen weerstand kon bieden aan de druk die ik van de kant van [verdachte] voelde.”

Het hof is op grond van bovenstaande verklaringen van aangeefster van oordeel dat zij met het voorstel van verdachte om telefoonabonnementen voor dure toestellen op haar naam af te laten sluiten en de telefoons en bijbehorende contracten vervolgens aan verdachte af te geven akkoord ging, omdat zij bang was en zich bedreigd voelde. Nu bedreiging dan wel het uitoefenen van druk niet tot de in artikel 326, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht limitatief opgesomde oplichtingsmiddelen behoort, is het hof van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de in de zaak met parketnummer 02-688095-16 ten laste gelegde oplichting.

Het hof komt mitsdien net als de rechtbank ten aanzien van dit feit tot een vrijspraak, zulks echter op andere gronden.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het in de zaak met parketnummer 02-820128-16 ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij in de periode van 26 november 2014 tot en met 9 november 2015 in Nederland

A)

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), heeft geworven, met het oogmerk van seksuele uitbuiting van die [slachtoffer] (sub 2°) en

B)

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), telkens ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling (sub 5°) en

C)

telkens opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] nog niet de leeftijd van 18 jaar had bereikt (sub 8°), en

D)

telkens met één van de onder 1° genoemde middelen, te weten door misbruik van de kwetsbare positie die [slachtoffer] heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde (sub 9°),

bestaande die handelingen hieruit dat hij, verdachte, telkens

- een seksadvertentie heeft gemaakt en geplaatst op een internetsite waarin die [slachtoffer] werd aangeboden als prostituee en

- de prijzen heeft bepaald waartegen die [slachtoffer] de seksuele handelingen zou verrichten en

- die [slachtoffer] in de gelegenheid heeft gesteld om tegen betaling seks te hebben met mannen en daartoe afspraken heeft gemaakt met (potentiële) klanten en

- een emailaccount voor die [slachtoffer] heeft geregeld en ter beschikking gesteld en

- het door [slachtoffer] verdiende geld deels heeft ingenomen en aangewend voor zijn eigen gebruik

en

hij in de periode van 10 november 2015 tot en met 1 december 2015 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander

B)

een ander, te weten [slachtoffer] (geboren op [geboortedatum slachtoffer] ), ertoe heeft gebracht zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling (sub 5°) en

C)

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van die [slachtoffer] , terwijl die [slachtoffer] nog niet de leeftijd van 18 jaar had bereikt (sub 8°), en

D)

met één van de onder 1° genoemde middelen, te weten door misbruik van de kwetsbare positie die [slachtoffer] heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van haar seksuele handelingen met een derde (sub 9°),

bestaande die handelingen hieruit dat hij, verdachte, en/of zijn mededader

- die [slachtoffer] in de gelegenheid heeft/hebben gesteld om tegen betaling seks te hebben met mannen en daartoe afspraken heeft/hebben gemaakt met (potentiële) klanten en

- het door [slachtoffer] verdiende geld deels heeft/hebben ingenomen en aangewend voor zijn/hun eigen gebruik.

Het hof acht niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.

Bewijsmiddelen 2

Nu verdachte het in de zaak met parketnummer 02-820128-16 bewezen verklaarde heeft bekend en er ter zake geen vrijspraak is bepleit, zal het hof overeenkomstig het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opgave van de bewijsmiddelen.

Het hof acht voornoemd feit wettig en overtuigend bewezen gelet op de navolgende bewijsmiddelen.

1. De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting in eerste aanleg op 13 maart 2017.

2. Een gegevensblad verdachte [slachtoffer] (dossierpagina 574).

3. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 22 juni 2016 (dossierpagina’s 662-666 van het [dossier] ), inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

4. Een proces-verbaal van getuigenverhoor van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in de rechtbank Zeeland-West-Brabant, d.d. 21 november 2016, inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

5. Een proces-verbaal van verhoor getuige d.d. 29 december 2016 (dossierpagina’s 519 en 520 van het [dossier] 2.0), inhoudende de verklaring van [slachtoffer] .

6. Een proces-verbaal van verhoor verdachte d.d. 21 januari 2016 (dossierpagina’s 1183, 1189 en 1190 van het [dossier] ), inhoudende de verklaring van [getuige] .

7. Een proces-verbaal van bevindingen met bijlagen d.d. 13 juni 2016 (dossierpagina’s 1133-1181 van het [dossier] ), inhoudende het relaas van [verbalisant 1] .

8. Het ambtelijk verslag d.d. 26 juni 2016 (dossierpagina’s 4, 7, derde alinea, 10 van het [dossier] ), inhoudende het relaas van verbalisant [verbalisant 2] .

Bewijsoverwegingen

De beslissing dat het bewezen verklaarde door verdachte is begaan, berust op de

feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven weergegeven bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.

Strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het in de zaak met parketnummer 02-820128-16 bewezen verklaarde levert op:

mensenhandel, terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt, meermalen gepleegd

en

mensenhandel, terwijl het feit wordt gepleegd door twee of meer verenigde personen en terwijl de persoon ten aanzien van wie het feit wordt gepleegd de leeftijd van achttien jaren nog niet heeft bereikt.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezen verklaarde uitsluiten. Het feit is derhalve strafbaar.

Strafbaarheid van de verdachte

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluiten.

Verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezen verklaarde.

Op te leggen straf

De verdediging heeft het hof verzocht aan verdachte geen hogere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan. Als strafmatigende omstandigheden heeft de verdediging aangevoerd dat er sprake was van een relatief gering leeftijdsverschil tussen verdachte en [slachtoffer] en dat er door het tijdsverloop sprake is van een schending van de redelijke termijn.

Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezen verklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in het hierop gestelde wettelijke strafmaximum en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.

Meer in het bijzonder overweegt het hof het volgende.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van ruim een jaar schuldig gemaakt aan mensenhandel, nu hij [slachtoffer] – een kwetsbaar meisje dat ten tijde van het bewezen verklaarde feit vijftien en zestien jaar oud was – in de gelegenheid heeft gesteld om tegen betaling seks te hebben met mannen. Hiertoe heeft hij een seksadvertentie op een website geplaatst en afspraken met klanten gemaakt. Ook heeft verdachte meegedeeld in de opbrengst van deze seksafspraken. Gedurende de laatste drie weken van de bewezen verklaarde periode heeft hij het feit samen met een ander, [mededader] , gepleegd. [mededader] regelde de zaken nadat verdachte zelf gedetineerd was geraakt in verband met verdenking van betrokkenheid bij een andere mensenhandelzaak.

Seksuele uitbuiting is een bijzonder ernstige vorm van mensenhandel, nu het financieel gewin allesbepalend is en de gevolgen voor het slachtoffer vaak zeer ingrijpend zijn. Met zijn handelen heeft verdachte zich schuldig gemaakt aan een ernstig strafbaar feit, waarbij hij de belangen van het slachtoffer ondergeschikt heeft gemaakt aan zijn eigen financiële belangen. Slachtoffers van dergelijke feiten ondervinden hier vaak nog gedurende langere tijd de nadelige psychische en emotionele gevolgen van.

Bij het plegen van het bewezen verklaarde heeft verdachte geen enkele rekening gehouden met de kwetsbaarheid en de jonge leeftijd van het slachtoffer. Nu van een vijftien- dan wel zestienjarig meisje niet kan worden verwacht dat zij een zodanig inzicht in haar handelen heeft dat zij de gevolgen daarvan – ook op langere termijn – volledig kan overzien, is instemming van haar kant met de prostitutiewerkzaamheden niet relevant voor de strafwaardigheid van de faciliterende rol die verdachte hierin heeft gespeeld. Het leeftijdsverschil tussen verdachte en het slachtoffer, dat circa drieënhalf jaar bedraagt en door de raadsman van verdachte ‘relatief gering’ is genoemd, is naar het oordeel van het hof evenmin relevant voor de strafwaardigheid van het handelen van verdachte.

Daarentegen heeft het hof in strafverzwarende zin rekening gehouden met de jonge leeftijd van het slachtoffer ten tijde van het bewezen verklaarde en met de omstandigheid dat de seksuele uitbuiting gedurende een lange periode (weliswaar met enkele tussenpozen doch in totaal ruim een jaar) heeft voortgeduurd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft het hof in de eerste plaats acht geslagen op de inhoud van het hem betreffende uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 20 augustus 2018, waaruit blijkt dat hij voorafgaand aan het plegen van het bewezen verklaarde feit reeds onherroepelijk is veroordeeld ter zake van gewelds- en vermogensdelicten. Hij is in verband met deze feiten door de kinderrechter veroordeeld tot voorwaardelijke en onvoorwaardelijke jeugddetenties en een werkstraf. Tweemaal is daarbij als bijzondere voorwaarde jeugdreclasseringstoezicht opgelegd (in 2011 en 2012) en in 2013 is aan verdachte een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd. Van deze sancties en interventies is kennelijk niet een zodanige preventieve werking uitgegaan dat het verdachte heeft weerhouden van het plegen van het bewezen verklaarde.

Omtrent de persoon van verdachte zijn drie rapportages Pro Justitia uitgebracht, te weten de rapportage van 29 maart 2016 van drs. T. ’t Hoen (gezondheidszorgpsycholoog), zijn aanvullende rapportage van 26 augustus 2016 en de rapportage van 21 november 2016 van drs. R.J.B. Metze (gezondheidszorgpsycholoog). In al deze rapportages wordt geconstateerd dat bij verdachte sprake is van een antisociale persoonlijkheidsstoornis. Dit was volgens de rapporteurs ook het geval ten tijde van het bewezen verklaarde. Volgens hen is er bij verdachte nauwelijks tot geen sprake van empathie. Nu niet kan worden geconcludeerd dat de stoornis van verdachte dermate van invloed was op zijn gedragskeuzemogelijkheden dat zijn gedragsregulatie erdoor werd belemmerd, heeft drs. Metze geconcludeerd dat sprake is van volledige toerekeningsvatbaarheid.

Tot slot heeft het hof bij de strafoplegging rekening gehouden met het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht.

Naar het oordeel van het hof kan – gelet op de vorenomschreven ernst van het feit – niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming voor aanzienlijke duur met zich brengt. Alle omstandigheden afwegende acht het hof een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaren en 10 maanden met aftrek van voorarrest passend en geboden. Deze straf is lager dan de door de advocaat-generaal gevorderde straf, omdat het hof minder bewezen heeft verklaard dan door de advocaat-generaal is gevorderd.

Redelijke termijn

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep nog aangevoerd dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn en dat hiervoor strafkorting op zijn plaats is.

Ten aanzien van de berechting in eerste aanleg overweegt het hof als volgt. Nu verdachte ten tijde van het wijzen van het vonnis in verband met de onderhavige zaak in voorarrest verkeerde, bedroeg de redelijke termijn in eerste aanleg 16 maanden. Deze termijn heeft een aanvang genomen op het moment dat er jegens verdachte een handeling is verricht waaraan hij in redelijkheid de verwachting kon ontlenen dat tegen hem door het openbaar ministerie strafvervolging zou worden ingesteld, zijnde de dag dat verdachte in verzekering is gesteld (15 juni 2016). Nu de rechtbank op 27 maart 2017 – en aldus binnen 10 maanden na de dag waarop de redelijke termijn een aanvang heeft genomen – vonnis heeft gewezen, is de redelijke termijn in eerste aanleg naar het oordeel van het hof niet overschreden.

Ten aanzien van de berechting in hoger beroep overweegt het hof als volgt. Nu verdachte thans niet in voorarrest verkeert, bedraagt de redelijke termijn in hoger beroep 24 maanden. Deze termijn heeft een aanvang genomen op het moment dat de officier van justitie hoger beroep heeft ingesteld tegen het vonnis van de rechtbank (7 april 2017). Nu het hof op 5 september 2018 – en aldus binnen 17 maanden na de dag waarop de redelijke termijn in hoger beroep een aanvang heeft genomen – arrest wijst, is de redelijke termijn in hoger beroep naar het oordeel van het hof evenmin overschreden.

Gelet op het vorenstaande is het hof – anders dan de verdediging – van oordeel dat de redelijke termijn in de onderhavige strafzaak niet is overschreden. Het hof ziet derhalve geen aanleiding de op te leggen straf te matigen vanwege schending van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6 EVRM.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

De beslissing is gegrond op de artikelen 57, 63 en 273f van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep doch uitsluitend ten aanzien van hetgeen aan verdachte in de zaak met parketnummer 02-820128-16 ten laste is gelegd en doet opnieuw recht.

Verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het in de zaak met parketnummer 02-820128-16 ten laste gelegde heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt hem daarvan vrij.

Verklaart het in de zaak met parketnummer 02-820128-16 bewezen verklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 (drie) jaren en 10 (tien) maanden.

Beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Bevestigt het vonnis voor het overige (te weten de vrijspraak van het onder parketnummer 02-688095-16 – door de rechtbank aangeduid als feit 2 – ten laste gelegde), zulks met inachtneming van het hiervoor overwogene.

Aldus gewezen door:

mr. M.L.P. van Cruchten, voorzitter,

mr. M.J.H.J. de Vries-Leemans en mr. J.F. Dekking, raadsheren,

in tegenwoordigheid van mr. Y.L.J. Verhoeven, griffier,

en op 5 september 2018 ter openbare terechtzitting uitgesproken.

Mr. M.L.P. van Cruchten is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

1 Zie [onderzoek] , BVH-nummer 2015213178, politieproces-verbaal incident 4, dossierpagina’s 23-26.

2 Onder dit kopje wordt, tenzij anders vermeld, telkens verwezen naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie, eenheid Zeeland-West-Brabant, dienst Regionale Recherche, AVIM, onderzoek ZBRCC16004 [dossier] , doorgenummerde dossierpagina’s 1-1588 (hierna te noemen: [dossier] ), en naar dossierpagina’s van het doorgenummerde dossier van de politie, eenheid Zeeland-West-Brabant, dienst Regionale Recherche, AVIM, onderzoek ZBRCC16004 [dossier] 2.0, doorgenummerde dossierpagina’s 1-645 (hierna te noemen: [dossier] 2.0). Alle tot het bewijs gebezigde processen-verbaal zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde verbalisanten.