Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3682

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
31-08-2018
Datum publicatie
06-11-2018
Zaaknummer
17/00722
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:5809, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Erflater beschikt over landbouwgrond; het Hof is van oordeel dat daarop de tbs-regeling van toepassing is en dat de waarde van de grond niet tot het inkomen in box 3 behoort. Het Hof is van oordeel dat het, vlak vóór de peildatum, op de derdenrekening van de notaris gestorte bedrag op de peildatum niet het vermogen van erflater heeft verlaten en tot het inkomen in box 3 behoort. Ook een bedrag aan liquide middelen behoort tot het inkomen uit sparen en beleggen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 06-11-2018
V-N Vandaag 2018/2408
FutD 2018-2935 met annotatie van Fiscaal up to Date
NLF 2018/2385 met annotatie van Nicole Gubbels
V-N 2018/62.1.2
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00722

Uitspraak op het hoger beroep van

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

en het incidenteel hoger beroep van

de erven van [belanghebbenden] ,

domicilie kiezende te [plaats] ,

hierna: belanghebbenden,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 6 september 2017, nummer BRE 16/2502 in het geding tussen

de Inspecteur en belanghebbenden.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan [belanghebbenden] (hierna: erflater) is over het jaar 2013 een aanslag in de inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.732 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 86.527, welke aanslag, na daartegen gemaakt bezwaar, bij uitspraak van de Inspecteur is gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbenden zijn van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraak op bezwaar vernietigd, de aanslag verminderd tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 15.664, de Inspecteur veroordeeld in de proceskosten van belanghebbenden ten bedrage van € 1.783,50 en gelast dat de Inspecteur het door belanghebbenden betaalde griffierecht van € 46 aan hen vergoedt.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft de Inspecteur hoger beroep ingesteld bij het Hof. Belanghebbenden hebben een verweerschrift ingediend.

1.4.

Belanghebbende heeft incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank.

1.5.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 5 april 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord [A] en [AA] , belanghebbenden, vergezeld van hun gemachtigde [B] , en van [C] , alsmede, namens de Inspecteur, [D] , [E] , [F] en [G] . Het hoger beroep is gelijktijdig behandeld met het hoger beroep van [A] met kenmerk 17/00720 en het hoger beroep van [AA] met kenmerk 17/00721.

1.6.

Belanghebbenden hebben te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij.

1.7.

Aan het einde van de zitting heeft het Hof het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is een proces-verbaal opgemaakt, dat in afschrift aan partijen is verzonden.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Erflater is op [datum 1] 2013 op 80-jarige leeftijd overleden. Erfgenamen van erflater zijn de nicht en neef: [AA] (hierna: [AA] ) en [A] (hierna: [A] ).

2.2.

Erflater heeft tijdens zijn leven samen met zijn broer een landbouwbedrijf geëxploiteerd. Na de dood van zijn broer in 2009 heeft erflater de boerderij in 2010 verkocht. De bijbehorende grond heeft erflater aangehouden.

2.3.

Erflater was eigenaar van losliggende grond, plaatselijk bekend [adres] (nabij huisnummer 85) (hierna: de landbouwgrond).

2.4.

Op [datum 2] 2012 heeft erflater met [pachter] (hierna: de pachter) met betrekking tot de landbouwgrond met terugwerkende kracht een “geliberaliseerde pachtovereenkomst” (hierna: de pachtovereenkomst) gesloten voor de duur van één jaar, met ingang van 5 januari 2012 tot en met 6 januari 2013. De pachtovereenkomst behoort tot de gedingstukken. De pachter heeft laatstelijk bieten gepoot en deze vóór 1 januari 2013 geoogst.

2.5.

Op 28 december 2012 heeft erflater een schriftelijke overeenkomst gesloten met [bedrijf] B.V. i.o. In deze overeenkomst is onder meer vermeld dat erflater tegen een huurprijs de landbouwgrond ter beschikking stelt aan de vennootschap (in oprichting) voor onbepaalde tijd. Erflater heeft laatstgenoemde overeenkomst ondertekend als verhuurder en namens de vennootschap (in oprichting) als huurder.

2.6.

Op 31 december 2012 heeft erflater [bedrijf] B.V. (hierna: de vennootschap) opgericht. Het gestort aandelenkapitaal van de vennootschap bedraagt € 100. Bestuurder van de vennootschap is [AA] . De akte van oprichting behoort tot de gedingstukken.

2.7.

Op 31 december 2012 heeft erflater onder de vermelding “Agiostorting [bedrijf] B.V.” een bedrag van € 1.500.000 gestort vanaf zijn privébankrekening op een derdenrekening van de notaris. Op 21 januari 2013 is eenzelfde bedrag onder de vermelding “Agiostorting inzake oprichting” vanaf genoemde derdenrekening gestort op de bankrekening van de vennootschap. In de oprichtingsakte van de vennootschap is geen vermelding met betrekking tot een agiostorting opgenomen.

2.8.

Op 1 januari 2013 was de landbouwgrond onbebouwd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil in hoger beroep van de Inspecteur betreft het antwoord op de volgende vragen:

  1. Behoort de landbouwgrond ter waarde van € 271.579 op 1 januari 2013 tot de rendementsgrondslag van box 3?

  2. Behoort het bedrag van de agiostorting ten bedrage van € 1.500.000 op 1 januari 2013 tot de rendementsgrondslag van box 3?

De Inspecteur is van mening dat deze vragen bevestigend moeten worden beantwoord. Belanghebbenden zijn de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Het incidenteel hoger beroep van belanghebbenden betreft het antwoord op de volgende vraag:

c. Behoren de liquide middelen ten bedrage van € 90.000 op 1 januari 2013 tot de rendementsgrondslag van box 3?

Belanghebbenden zijn van mening dat deze vraag bevestigend moeten worden beantwoord. De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.3.

Ter zitting heeft de Inspecteur zijn standpunt dat sprake is van fraus legis ingetrokken.

3.4.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt. Voor hetgeen hieraan ter zitting is toegevoegd, wordt verwezen naar het van deze zitting opgemaakte proces-verbaal.

3.5.

De Inspecteur concludeert (primair) tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank en bevestiging van de uitspraak op bezwaar.

3.6.

Belanghebbenden concluderen (primair) tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vermindering van de aanslag tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 9.732 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 12.063.

4 Gronden

Ontvankelijkheid hoger beroep

4.1.1.

De Inspecteur heeft hoger beroep aangetekend tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het Hof is van oordeel dat het hoger beroep ontvankelijk is. Het Hof overweegt daartoe het volgende.

4.1.2.

Het hoger beroepschrift is bij het Hof ingekomen op 24 oktober 2017. De Rechtbank heeft de uitspraak verzonden op 11 september 2017. Daarvan uitgaande is de in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) neergelegde termijn voor het indienen van hoger beroep met één dag overschreden. Het hogerberoepschrift zat in een gefrankeerde enveloppe, zonder poststempel, maar met een door PostNL aangebrachte geprinte code. Naar het oordeel van het Hof staat daarmee vast dat het beroepschrift per post is verzonden. Bij verzending per post is het beroepschrift tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen (artikel 6:9, lid 2, van de Awb). Het Hof heeft geconstateerd dat het hogerberoepschrift niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Relevant is derhalve wanneer het hogerberoepschrift ter post is bezorgd. Op de enveloppe ontbreekt een poststempel met datum. Indien geen (leesbaar) poststempel op de enveloppe is geplaatst, kan worden aangenomen dat het beroepschrift tijdig ter post is bezorgd indien het op de eerste of tweede werkdag na het einde van de beroepstermijn is ontvangen (zie HR 16 december 2011, nr. 11/00937, ECLI:NL:HR:2011:BU8262). In het onderhavige geval is het hogerberoepschrift op de eerste werkdag na het einde van de beroepstermijn ontvangen. Dat rechtvaardigt het oordeel dat het beroepschrift tijdig is ingediend. Niet is komen vast te staan dat het hogerberoepschrift niet tijdig ter post is bezorgd.

4.1.3.

Gelet op het vorenstaande is het Hof van oordeel dat het hogerberoepschrift tijdig is ingediend en dat het hoger beroep ontvankelijk is.

Vooraf

4.2.

De Inspecteur is voor de zitting door het Hof niet in de gelegenheid gesteld te reageren op het door belanghebbenden ingestelde incidenteel hoger beroep. Ter zitting van het Hof heeft de Inspecteur verklaard dat hem de feiten bekend zijn en dat hij zich niet benadeeld voelt in zijn procespositie. Gelet hierop is het Hof van oordeel dat de Inspecteur niet in zijn verdediging is geschaad door het feit dat hij niet in de gelegenheid is gesteld het incidentele hoger beroep van belanghebbenden te beantwoorden (artikel 8:110, lid 3, van de Awb).

Ten aanzien van het geschil

Ten aanzien van vraag a (landbouwgrond)

4.3.1.

De Inspecteur stelt dat de landbouwgrond op 1 januari 2013 behoort tot de rendementsgrondslag van box 3. De Inspecteur bestrijdt dat de landbouwgrond op 1 januari 2013 ter beschikking is gesteld in de zin van artikel 3.92 van de Wet inkomstenbelasting 2001. Volgens de Inspecteur had erflater, gelet op de pachtovereenkomst die liep tot en met 6 januari 2013, op 1 januari 2013 niet de beschikking over de landbouwgrond. Dat de pachter feitelijk niets met de landbouwgrond deed van 1 januari 2013 tot en met 6 januari 2013 acht de Inspecteur niet relevant. Volgens de Inspecteur behoort de waarde van de landbouwgrond tot 6 januari 2013, en daarmee ook op 1 januari 2013, tot de rendementsgrondslag van box 3.

4.3.2.

Belanghebbenden stellen zich op het standpunt dat erflater de landbouwgrond ultimo 2012 ter beschikking stelde aan de vennootschap. Belanghebbenden wijzen daarbij op de in 2.5 vermelde overeenkomst tussen erflater en [bedrijf] B.V. i.o., welke vennootschap op 31 december 2012 is opgericht. Volgens belanghebbenden behoort de landbouwgrond op 1 januari 2013 dus niet tot de rendementsgrondslag van box 3.

4.3.3.

Het Hof neemt als uitgangspunt dat artikel 3.92 van de Wet IB 2001 ruim moet worden uitgelegd. De terbeschikkingstellingsregeling van genoemd artikel is immers van toepassing indien “vermogensbestanddelen (…) rechtens dan wel in feite (…) ter beschikking worden gesteld aan een vennootschap waarin de belastingplichtige (…) een aanmerkelijk belang heeft”. In de parlementaire geschiedenis bij artikel 3.91 van de Wet IB 2001, waarin ook de zinsnede “rechtens dan wel in feite” voorkomt, is namelijk het volgende vermeld:

“Verder is in het eerste lid met de zinsnede «rechtens dan wel in feite» verduidelijkt dat de bepaling ruim moet worden uitgelegd.”.

Kamerstukken II 1999/2000, 26 727, nr. 89, toelichting vierde NvW, pag. 10.

4.3.4.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur niet aannemelijk heeft gemaakt dat de pachtovereenkomst niet vóór 1 januari 2013 feitelijk is geëindigd. Ter zitting hebben belanghebbenden immers onweersproken gesteld dat de pachter zijn bieten vóór 1 januari 2013 heeft geoogst, dat de pachter gelet op het naderende einde van de pachtovereenkomst geen nieuw gewas kon poten en dat de pachter heeft ingestemd met de beëindiging van de pachtovereenkomst. Derhalve moet worden aangenomen dat de pachtovereenkomst feitelijk op 1 januari 2013 is geëindigd en dat de landbouwgrond op 1 januari 2013 feitelijk ter beschikking van erflater stond. Het Hof acht verder van belang dat erflater op 28 december 2012 de in 2.5 vermelde overeenkomst heeft getekend waarbij hij de landbouwgrond ter beschikking heeft gesteld aan [bedrijf] B.V. i.o.

4.3.5.

Derhalve is het Hof van oordeel dat de landbouwgrond op 1 januari 2013 behoort tot het resultaat uit overige werkzaamheden en niet tot de rendementsgrondslag van box 3 kan worden gerekend.

4.3.6.

De opvatting van de Inspecteur, zoals weergegeven in 4.3.1, moet worden verworpen, gelet op hetgeen is overwogen in 4.3.3.

4.3.7.

Het Hof beantwoordt de onder 3.1 geformuleerde vraag a ontkennend.

4.3.8.

Het inkomen uit sparen en beleggen dient te worden verminderd met € 10.863, namelijk 4 procent van € 271.579.

Ten aanzien van vraag b (agiostorting)

4.4.1.

De Inspecteur heeft gesteld dat een bedrag van € 1.500.000 op 1 januari 2013 tot de rendementsgrondslag van box 3 behoort. Erflater heeft volgens de Inspecteur op 31 december 2012 onverplicht een bedrag van € 1.500.000 gestort op de derdenrekening van de notaris. Noch uit de statuten of de oprichtingsakte van de vennootschap noch uit een aanvullende overeenkomst blijkt volgens de Inspecteur dat erflater verplicht was een bedrag van € 1.500.000 te storten.

4.4.2.

Belanghebbenden hebben verklaard dat het ten tijde van de oprichting van de vennootschap de bedoeling was een bedrag van € 1.500.000 als agio te storten. Belanghebbenden hebben in dat kader verwezen naar e-mailverkeer met de notaris. Belanghebbenden hebben ter zitting van het Hof gesteld dat de vennootschap op 31 december 2012 nog niet over een bankrekening beschikte, omdat een vennootschap in oprichting geen bankrekening kan openen. Ten slotte hebben belanghebbenden gesteld dat de Inspecteur moet worden gehouden aan zijn uitlating ter zitting van de Rechtbank, dat het bedrag van € 1.500.000 per 1 januari 2013 van de vennootschap is.

4.4.3.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur ter zitting van de Rechtbank niet uitdrukkelijk en ondubbelzinnig heeft prijsgegeven zijn stelling dat het bedrag van € 1.500.000 per 1 januari 2013 het vermogen van erflater niet heeft verlaten. Het Hof neemt daarbij in aanmerking dat de Inspecteur tot zijn uitlating is gekomen op basis van een stelling die door de Rechtbank aan de Inspecteur is voorgehouden die schijnbaar waar zou zijn, door het gebruik van de woorden “als dat zo is”.

4.4.4.

Het Hof is van oordeel dat de Inspecteur aannemelijk heeft gemaakt dat het bedrag van € 1.500.000 het vermogen van erflater op 1 januari 2013 niet heeft verlaten. De Inspecteur heeft naar het oordeel van het Hof aannemelijk gemaakt dat erflater op 31 december 2012 niet tot storting van dat bedrag verplicht was. Van een agiostorting blijkt niets uit de oprichtingsakte en de statuten van de vennootschap, noch uit een overeenkomst. E-mailverkeer met de notaris, alsook de schriftelijke verklaring van de notaris dat zich in zijn dossier een telefoonnotitie bevindt waaruit blijkt dat de belastingadviseur heeft aangegeven dat het de bedoeling was om agio te storten, acht het Hof onvoldoende om te kunnen oordelen dat op 31 december 2012 een agiostorting heeft plaatsgehad. Het enkel overmaken van het bedrag van € 1.500.000 op de derdenrekening van de notaris leidt er niet toe dat het bedrag het vermogen van erflater heeft verlaten. Het Hof is verder van oordeel dat degene die gelden heeft gestort op een derdenrekening van de notaris moet worden geacht rechthebbende tot die gelden te zijn. Het Hof verwijst in dit kader naar artikel 25 van de Wet op het notarisambt en de parlementaire geschiedenis (Kamerstukken II 1993-1994, 23 706, nr. 3, blz. 10).

4.4.5.

Derhalve is het Hof van oordeel dat een bedrag van € 1.500.000 op 1 januari 2013 behoort tot de rendementsgrondslag van box 3. Het Hof beantwoordt de onder 3.1 geformuleerde vraag b bevestigend.

Ten aanzien van vraag c (liquide middelen)

4.5.1.

De Inspecteur heeft zich op het standpunt gesteld dat belanghebbenden niet aannemelijk hebben gemaakt dat in 2013 liquide middelen ter beschikking zijn gesteld aan de vennootschap. Volgens de Inspecteur zijn de liquide middelen niet daadwerkelijk gestort op de rekening van de vennootschap en is de terbeschikkingstelling van de liquide middelen niet met stukken onderbouwd.

4.5.2.

Belanghebbenden hebben zich op het standpunt gesteld dat liquide middelen ten bedrage van € 90.000 per 1 januari 2013 dienen te worden geoormerkt om te worden gebruikt voor investeringen door de vennootschap. Volgens belanghebbenden dient een bedrag van € 90.000 geacht te worden ter beschikking te zijn gesteld aan de vennootschap. Volgens belanghebbenden behoort een bedrag van € 90.000 derhalve niet tot de rendementsgrondslag van box 3.

4.5.3.

Belanghebbenden hebben mede een beroep gedaan op het vertrouwensbeginsel. Zij hebben gesteld dat de Inspecteur de aangifte inkomstenbelasting / premie volksverzekeringen 2012 van erflater heeft gevolgd. In die aangifte had erflater het tbs-vermogen verantwoord en een aanmerkelijk belang aangegeven. De Inspecteur heeft het beroep van belanghebbenden op het vertrouwensbeginsel verworpen.

4.5.4.

Dienaangaande heeft de Rechtbank het volgende overwogen:

“4.12. De rechtbank is van oordeel dat de enkele bedoeling om liquide middelen ter beschikking te stellen in de zin van artikel 3.92, eerste lid, van de Wet IB niet voldoende is om de terbeschikkingstelling te doen aanvangen. Daarvoor is vereist dat de BV ook daadwerkelijk de beschikking heeft over de liquide middelen. Het genoemde bedrag is niet vóór 1 januari 2013 (en evenmin in de loop van 2013) op de rekening van [bedrijf] BV gestort. Evenmin is aannemelijk gemaakt dat [bedrijf] BV het bedrag vóór 1 januari 2013 in haar kas had. De inspecteur heeft de liquide middelen daarom terecht tot het box 3 vermogen gerekend.

4.13.

Met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel overweegt de rechtbank als volgt. Voor in rechte te beschermen vertrouwen als hier bedoeld is meer vereist dan de enkele omstandigheid dat de inspecteur gedurende een aantal jaren bij het vaststellen van de aanslag op een bepaald punt de aangifte heeft gevolgd. Omstandigheden die de indruk wettigen dat het volgen van de aangiften berustte op een bewuste standpuntbepaling door de inspecteur en met volledigheid en juistheid van de relevante gegevens, zijn niet gebleken. Met betrekking tot het beroep op het vertrouwensbeginsel in relatie tot de liquide middelen komt daar nog het volgende bij. De rechtbank stelt vast dat de inkomsten uit de terbeschikkingstelling van de liquide middelen voor het eerst zijn aangegeven in de aangifte 2013. Uit de correspondentie tussen belanghebbenden en de inspecteur naar aanleiding van de aangifte 2013 volgt dat de inspecteur zich van meet af aan op het standpunt heeft gesteld dat belanghebbenden de terbeschikkingstelling van de liquide middelen niet aannemelijk hebben gemaakt. Uit het enkele feit dat de inspecteur heeft nagelaten om de inkomsten uit de terbeschikkingstelling in verband met de liquide middelen in box 1 te corrigeren, kunnen belanghebbenden dan naar het oordeel van de rechtbank niet het in rechte te honoreren vertrouwen afleiden dat toch sprake is van terbeschikkingstelling van de liquide middelen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel faalt.

4.14.

Gelet op het overwogene in 4.10 tot en met 4.13 is de rechtbank van oordeel dat de inspecteur terecht de liquide middelen tot de rendementsgrondslag van box 3 heeft gerekend. Ter zitting zijn partijen overeengekomen dat in dat geval een bedrag van (in totaal) € 1.420,62 in mindering moet worden gebracht op het totaal aan aangegeven TBS-inkomsten in box 1. De rechtbank zal dienovereenkomstig oordelen.”.

4.5.5.

Het Hof sluit aan bij de overwegingen van de Rechtbank. In hoger beroep hebben belanghebbenden geen nieuwe argumenten toegevoegd. Derhalve is het Hof van oordeel dat het bedrag van € 90.000 aan liquide middelen op 1 januari 2013 tot de rendementsgrondslag van box 3 behoren; het Hof beantwoordt de onder 3.1 geformuleerde vraag c bevestigend.

4.5.6.

Evenals ter zitting van de Rechtbank hebben partijen er ter zitting van het Hof mee ingestemd dat het resultaat uit een werkzaamheid in dat geval dient te worden verminderd met € 1.421.

Slotsom

4.6.

De slotsom is dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is en het incidenteel hoger beroep van belanghebbenden ongegrond. De uitspraak van de Rechtbank dient te worden vernietigd. Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Inspecteur vernietigen en de aanslag verminderen tot een berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 75.664.

Ten aanzien van het griffierecht

4.7.

Gelet op het feit dat de uitspraak van de Rechtbank niet in stand blijft, is voor het heffen van griffierecht van de Inspecteur inzake het hoger beroep geen plaats.

Ten aanzien van de proceskosten

4.8.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

5 Beslissing

Het Hof:

  • -

    verklaart het hoger beroep van de Inspecteur gegrond;

  • -

    verklaart het incidenteel hoger beroep van belanghebbenden ongegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Rechtbank, behoudens de beslissingen omtrent het griffierecht en de proceskosten;

  • -

    verklaart het tegen de uitspraak van de Inspecteur bij de Rechtbank ingestelde beroep gegrond;

  • -

    vernietigt de uitspraak van de Inspecteur; en

  • -

    vermindert de aanslag tot een aanslag berekend naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 8.311 en een belastbaar inkomen uit sparen en beleggen van € 75.664.

Aldus gedaan op 31 augustus 2018 door A.J. Kromhout, voorzitter, B.F.A. van Huijgevoort en W.M.G. Visser, in tegenwoordigheid van M.M. Stassen-Kanters, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.