Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3663

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
200.226.537_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Kinderalimentatie. Voor herstel vatbaar inkomensverlies.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer : 200.226.537/01

zaaknummer rechtbank : C/02/324877 / FA RK 16-7395

beschikking van de meervoudige kamer van 30 augustus 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] (Brazilië),

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. T.C.P. Christoph te Utrecht,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. W.G. Dictus te Oudenbosch.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 31 juli 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 31 oktober 2017 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking van 31 juli 2017.

2.2.

De vrouw heeft op 5 januari 2018 een verweerschrift ingediend.

2.3

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 3 juli 2018 met bijlagen, ingekomen op 4 juli 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 12 juli 2018 met als bijlage de brief van de man aan het hof d.d. 12 juli 2018 met bijlagen, ingekomen op 13 juli 2018.

2.4.

De hierna te noemen minderjarige [minderjarige] is in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken met betrekking tot het verzoek van de man, maar zij heeft daarvan geen gebruik gemaakt.

2.5.

De mondelinge behandeling heeft op 26 juli 2018 plaatsgevonden. Ter zitting zijn verschenen:

- de vrouw, bijgestaan door haar advocaat,

- de advocaat van de man, namens de man.

De man is met bericht van verhindering niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Het huwelijk van partijen is op 16 november 2017 ontbonden door echtscheiding.

3.3.

Partijen zijn de ouders van de thans minderjarige:

- [minderjarige] ( [minderjarige] ), geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] .

3.4.1.

Bij beschikking betreffende voorlopige voorzieningen van de rechtbank Zeeland- West-Brabant (Breda) van 12 december 2016 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang, de door de man met ingang van 7 oktober 2016 te betalen voorlopige bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] (hierna ook: kinderalimentatie) bepaald op € 650,- per maand en de voorlopige bijdrage van de man in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie) met ingang van 12 december 2016 bepaald op

€ 1.500,- per maand.

3.4.2.

Bij beschikking wijziging voorlopige voorzieningen van 13 december 2017 heeft de rechtbank Zeeland- West-Brabant (Breda) de voorlopige kinderalimentatie met ingang van 7 oktober 2016 nader bepaald op € 395,- per maand en met ingang van 1 januari 2017 op € 403,30 per maand, alsmede de voorlopige partneralimentatie met ingang van 12 december 2016 nader op nihil gesteld.

4 De omvang van het geschil

4.1.

Bij de bestreden beschikking van 31 juli 2017 is, voor zover thans van belang (verkort weergegeven) met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand (16 november 2017) de door de man te betalen partneralimentatie bepaald op € 1.500,- per maand en de kinderalimentatie op € 650,- per maand.

4.2.1.

De grieven van de man zien op de behoefte van [minderjarige] en op de eigen inkomsten van [minderjarige] , op de draagkracht van de man en de draagkracht van de vrouw met betrekking tot de kinderalimentatie en de draagkrachtvergelijking, de zorgkorting, de behoefte van de vrouw, haar behoeftigheid, de draagkracht van de man voor partneralimentatie en de jusvergelijking.

4.2.2.

De man heeft in zijn beroepschrift, zoals gewijzigd bij brief van 12 juli 2018 aan het hof (verkort weergegeven) verzocht de verzoeken van de vrouw tot vaststelling van een door de man te betalen kinderalimentatie van € 650,- per maand en tot vaststelling van partneralimentatie van € 1.500,- per maand, alsnog af te wijzen, althans deze onderhoudsbijdragen met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand te bepalen op een bedrag dat het hof juist acht.

4.3.

De vrouw heeft verzocht de man in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen, kosten rechtens.

5 De motivering van de beslissing

Ingangsdatum

5.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de vast te stellen onderhoudsbijdragen voor [minderjarige] en voor de vrouw, door de man dienen te worden betaald met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand

(16 november 2017), zodat het hof daarvan uitgaat.

Met betrekking tot de kinderalimentatie

Behoefte [minderjarige] ; eigen inkomsten

5.2.1.

De man heeft gesteld dat de behoefte van [minderjarige] , geïndexeerd met ingang van 1 januari 2017, € 653,- per maand bedraagt. De vrouw heeft met dat bedrag ingestemd, zodat het hof daarvan uitgaat.

5.2.2.

Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat de eigen inkomsten van [minderjarige] - althans zoals zijdens de man ter zitting is betoogd in redelijkheid de helft daarvan - in mindering dienen te worden gebracht op de behoefte van [minderjarige] .

[minderjarige] is minderjarig en partijen zijn op grond van de wet onderhoudsplichtig jegens [minderjarige] . Niet [minderjarige] zelf maar de man dient, naast de vrouw, te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] . Door de man is niet gesteld, noch is uit de stukken en hetgeen ter zitting in hoger beroep naar voren is gebracht gebleken, dat er sprake is van zo bijzondere omstandigheden dat die ertoe zouden moeten leiden dat van dit wettelijk uitgangspunt moet worden afgeweken.

Draagkracht man voor kinderalimentatie

5.3.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is, verkort weergegeven, het navolgende gebleken.

De man was tijdens het huwelijk directeur-grootaandeelhouder van [de vennootschap 1] , welke [de vennootschap 1] 100% van de aandelen hield van [de vennootschap 2] , een onderneming met activiteiten in de glasvezelindustrie. Toen het financieel slecht ging met de onderneming is de man in augustus 2016 in loondienst gaan werken bij een bedrijf in Duitsland (hierna: [bedrijf] ), voor welk bedrijf de man voor die tijd vanuit zijn onderneming als zelfstandige werkzaamheden had verricht. Uit de door de man overgelegde salarisstroken blijkt een salaris van de man in Duitsland van € 2.078,- netto per maand.

Met ingang van 15 december 2017 heeft de man zich in Brazilië gevestigd en met ingang van 2 januari 2018 is de man in dienst is getreden van een Braziliaans bedrijf, welk bedrijf ook werkzaam is in de glasvezelindustrie, tegen een salaris van 1.450 Braziliaanse Reaal netto per maand (dit is omgerekend ongeveer € 319,- netto per maand). Op 16 januari 2018 is de man met zijn Braziliaanse vriendin in het huwelijk getreden.

5.4.1.

De man heeft, kort samengevat, gesteld dat voor het berekenen van zijn draagkracht

- voor de periode van 16 november 2017 tot 15 december 2017 moet worden uitgegaan van het Duitse salaris van € 2.078,- netto per maand,

- voor de periode van 15 december 2017 tot 2 januari 2018 van een inkomen van nihil omdat de man in die periode geen inkomsten heeft gehad, en

- met ingang van 2 januari 2018 van het Braziliaanse salaris van € 319,- netto per maand.

5.4.2.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist. De vrouw heeft, kort samengevat, het navolgende aangevoerd.

De man heeft een verdiencapaciteit van ongeveer € 50.000,- bruto op jaarbasis conform het inkomen dat de man tijdens het huwelijk als zelfstandig ondernemer genereerde, waarvan voor de berekening van zijn draagkracht moet worden uitgegaan. Subsidiair moet worden uitgegaan van een verdiencapaciteit van de man conform zijn laatst verdiende Duitse salaris van € 24.936,- netto per jaar (€ 2.078,- per maand). De man heeft voorts onvoldoende financiële gegevens overgelegd met betrekking tot zijn salaris in Brazilië en de Braziliaanse fiscaliteiten, zodat de man zijn Braziliaans inkomen onvoldoende heeft onderbouwd. Indien het Braziliaanse inkomen van de man al zou vaststaan, is er sprake van vrijwillig inkomensverlies dat voor herstel vatbaar is en welk herstel ook van de man kan worden gevergd. Ook was er ten tijde van het huwelijk van partijen sprake van een lijfrente uitkering uit [de vennootschap 1] , op welke uitkering de man thans nog aanspraak kan maken en welke uitkering bij het inkomen van de man moet worden opgeteld.

5.4.3.

Het hof is van oordeel dat er bij de man sedert 15 december 2017 sprake is van vrijwillig en voor herstel vatbaar inkomensverlies, welk herstel ook redelijkerwijs van de man kan worden gevergd. Voor de berekening van de draagkracht van de man gaat het hof uit van het oude inkomen van de man dat hij op 16 november 2017 in loondienst verdiende bij [bedrijf] van € 2.078,- netto per maand. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken dat de man destijds naast zijn salaris van [bedrijf] nog andere inkomsten genoot of daarop aanspraak had. Het hof overweegt daartoe het navolgende.

De vrouw heeft ter zitting nadrukkelijk gesteld dat van een noodzaak tot beëindiging van het dienstverband van de man bij [bedrijf] niet is gebleken, dat de man het inkomensverlies vrijwillig heeft veroorzaakt en dat het inkomensverlies voor herstel vatbaar is. Zijdens de man is ter zitting niet weersproken dat er sprake is van vrijwillig inkomensverlies. Het hof overweegt dat de man niet heeft gesteld en ook anderszins uit de stukken en het verhandelde ter zitting op geen enkele wijze is gebleken dat de inkomensachteruitgang - met ingang van 15 december 2017 en met ingang van 2 januari 2018 - niet door een eigen gedraging van de man is veroorzaakt. Het hof leidt uit de stukken en het verhandelde ter zitting veeleer af dat de man zelf de keuze heeft gemaakt om zijn dienstverband met [bedrijf] te beëindigen, om naar Brazilië te verhuizen om daar met zijn Braziliaanse vriendin te huwen en daar ander werk te vinden.

Het hof volgt de vrouw ook in haar stelling dat het inkomensverlies voor herstel vatbaar is. Zijdens de man is die stelling van de vrouw evenmin weersproken. Het hof overweegt daarbij dat de man weliswaar niet in Brazilië, waar de levensstandaard aanzienlijk lager is dan in Europa, doch zeker wel in Nederland, dan wel in Duitsland, dan wel elders in Europa, mede gelet op zijn leeftijd en zijn werkervaring, een salaris kan verdienen van minimaal € 2.078,- netto per maand, hetgeen ook redelijkerwijs van de man gevergd kan worden. Niet is gesteld of gebleken dat de man noodzakelijkerwijs naar Brazilië heeft moeten verhuizen en dat de man niet in Nederland - of in Duitsland, of elders in Europa - kan wonen en werken. Dat de man met zijn Braziliaanse vriendin is gehuwd doet daar niet aan af, nu evenmin is gesteld of gebleken dat de Braziliaanse echtgenote niet naar Nederland - of naar Duitsland dan wel naar een land elders in Europa - kan verhuizen. Dat de man thans een aanzienlijk lager salaris verdient dan zijn oude salaris in Duitsland dient volledig voor rekening en risico van de man te komen.

Het hof acht het niet reëel, ook niet ter bepaling van het (oude) inkomen van de man, om uit te gaan van een inkomen uit onderneming van € 50.000,- bruto per jaar, zoals de vrouw primair heeft gesteld. Evenals de rechtbank bij beschikking wijziging voorlopige voorzieningen, acht het hof voldoende aannemelijk geworden dat de man sinds augustus 2016 geen inkomsten meer genereert uit zijn Nederlandse ondernemingen. De man kan in redelijkheid ook niet geacht worden dergelijke inkomsten alsnog te verwerven. Ook acht het hof, evenals de rechtbank bij beschikking wijziging voorlopige voorzieningen, voldoende aannemelijk geworden dat sprake is van een zodanig slechte financiële situatie van [de vennootschap 1] dat geen lijfrente uitkeringen meer aan de man kunnen plaatsvinden.

Gelet op het voorgaande stelt het hof het in aanmerking te nemen netto besteedbaar inkomen (NBI) van de man met ingang van 16 november 2017 op € 2.078,- per maand.

5.5.

De draagkracht van de man voor kinderalimentatie dient in beginsel te worden vastgesteld conform de formule 70% [NBI – (0,3 x NBI + € 920,-). Nu uitgegaan wordt van een netto besteedbaar inkomen van de man gebaseerd op zijn laatst genoten salaris in Duitsland, gaat het hof uit van de gebruikelijke forfaitaire woonlast van de man van 0,3 x NBI.

De man heeft gesteld dat in het draagkrachtloos inkomen rekening moet worden gehouden met de aflossing van € 100,- per maand op de restschuld na verkoop van de woning, een huwelijkse schuld, van afgerond € 20.000,-. De vrouw heeft het bestaan van deze huwelijkse schuld en de hoogte ervan erkend, doch zij is van mening dat met de gestelde aflossing geen rekening moet worden gehouden nu de man op deze schuld feitelijk niet aflost. Het hof houdt, gelet op de aard van de schuld, rekening met het door de man gestelde aflossingsbedrag van € 100,- per maand, welk bedrag het hof redelijk acht. Dat op de schuld wellicht tijdelijk niet wordt afgelost, kan niet tot een ander oordeel leiden.

Met de door de man gestelde aflossing van € 114,- per maand ter zake advocaatkosten houdt het hof, conform het Rapport Alimentatienormen, in het kader van de kinderalimentatie geen rekening.

Gelet op het voorgaande becijfert het hof de draagkracht van de man als volgt:

70% [€ 2.078,- – (0,3 x € 2.078,- + € 920,- + € 100,-) = € 304,22 per maand.

Draagkracht van de vrouw voor kinderalimentatie

5.6.

Voor de vaststelling van de draagkracht van de vrouw gaat het hof, evenals de rechtbank bij beschikking wijziging voorlopige voorzieningen, uit van de uitkering die de vrouw op grond van de Participatiewet ontvangt, te vermeerderen met het door de vrouw te ontvangen kindgebonden budget (inclusief alleenstaande ouderkop).

Het hof volgt de man niet in zijn stelling dat de vrouw op dit moment enige verdiencapaciteit kan worden toegedicht teneinde ook van haar kant zoveel mogelijk bij te dragen in de onderhoudskosten van [minderjarige] . De vrouw heeft ter zitting verklaard dat eerst de gemeente [gemeente 1] en later de gemeente [gemeente 2] haar heeft vrijgesteld van sollicitatieplicht. De vrouw heeft ter zitting voorts verklaard dat zij zodanig veel stress ervaart door de zeer frequente bezoeken van deurwaarders in verband met de vele huwelijkse schulden aan diverse crediteuren – aan het verhaal waarvan de man zich door zijn emigratie naar Brazilië moedwillig heeft onttrokken - dat zij het mentaal niet aan kan om te solliciteren, laat staan om door middel van het verrichten van arbeid inkomsten te verwerven. Zijdens de man is ter zitting gesteld dat het Plan van aanpak van de gemeente [gemeente 2] d.d. 24 april 2017 weliswaar vermeldt dat er op dat moment voor de vrouw geen perspectief op werk werd gezien, maar dat de uiterlijke datum voor het behalen van het einddoel (te weten: dat de vrouw in haar eigen inkomen voorziet) werd gesteld op 24 april 2018. De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij thans door een vertrouwenspersoon van de gemeente is verwezen naar een psycholoog, naar het hof begrijpt voor behandeling en begeleiding, en dat zij gedurende dat traject alsnog is vrijgesteld van haar sollicitatieplicht. Gelet op het voorgaande, in onderlinge samenhang beschouwd, overweegt het hof dat de vrouw voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij op dit moment nog niet in staat is om door middel van arbeid inkomsten te verwerven en gaat het hof uit van een draagkracht van de vrouw van € 25,- per maand.

5.7.

Nu de gezamenlijke draagkracht van partijen van € 329,22 per maand de totale behoefte van [minderjarige] van € 653,- per maand niet overstijgt, komt het hof niet toe aan een draagkrachtvergelijking.

Zorgkorting

5.8.

De advocaat van de man heeft de grief met betrekking tot de zorgkorting ter zitting ingetrokken nu de man in Brazilië woont en er geen sprake is van omgangskosten, zodat het hof de zorgkorting buiten beschouwing laat.

Aanvaardbaarheidstoets

5.9.

Waar de man in zijn brief van 12 juli 2018 aan het hof nog een beroep op de aanvaardbaarheidstoets heeft gedaan, gaat het hof aan dat beroep van de man voorbij, nu de man dat beroep niet, althans onvoldoende heeft onderbouwd en niet, althans niet met voldoende cijfermatige onderbouwing en stukken inzichtelijk heeft gemaakt wat de effecten van die toets zouden zijn.

5.10.

Gelet op het voorgaande zal het hof de door de man aan de vrouw te betalen kinderalimentatie met ingang van 16 november 2017 op € 304,22 per maand bepalen en -analoog aan de wettelijke indexering- met ingang van 1 januari 2018 € 308,78 per maand.

Met betrekking tot de partneralimentatie

5.11.

Nu de man onvoldoende draagkracht heeft om volledig in de behoefte van [minderjarige] te voorzien, staat voldoende vast dat bij de man geen draagkracht resteert om partneralimentatie te kunnen betalen. Het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie dient alsnog te worden afgewezen.

Proceskosten

5.12.

Het hof zal de proceskosten in hoger beroep compenseren, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5.13.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Breda) van 31 juli 2017, voor zover het betreft de door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [minderjarige] en de bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw,

en in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de man aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van

[minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2000 te [geboorteplaats] ,

dient te voldoen:

- met ingang van 16 november 2017 tot en met 31 december 2017 een bedrag van

€ 304,22 per maand;

- met ingang van 1 januari 2018 een bedrag van € 308,78 per maand, de toekomstige termijnen telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst alsnog af het verzoek van de vrouw tot vaststelling van een bijdrage in haar levensonderhoud;

compenseert de kosten van het geding in hoger beide instanties in die zin, dat elke partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. H. van Winkel, L.Th.L.G. Pellis en

P.M.M. Mostermans en bijgestaan door de griffier en is op 30 augustus 2018 door

mr. L.Th.L.G. Pellis uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.