Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3661

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
03-10-2018
Zaaknummer
200.228.923_01 en 200.229.091_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummers : 200.228.923/01 en 200.229.091/01

zaaknummer rechtbank : C/02/313446 / FA RK 16-1844

beschikking van de meervoudige kamer van 30 augustus 2018

inzake

[de man] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het principaal hoger beroep,

verweerder in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

advocaat mr. R.A.A. Maat te Goes,

tegen

[de vrouw] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het principaal hoger beroep,

verzoekster in het incidenteel hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. W.M. Smeets te Hellevoetsluis.

1 Het verloop van het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst voor het verloop van het geding in eerste aanleg naar de beschikking van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) van 31 augustus 2017, uitgesproken onder voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

De man is op 29 november 2017 in hoger beroep gekomen van de voormelde beschikking.

2.2.

De vrouw heeft op 19 januari 2018 een verweerschrift tevens houdende incidenteel hoger beroep ingediend.

2.3.

De man heeft op 29 maart 2018 een verweerschrift op het incidenteel hoger beroep ingediend.

2.4.

Deze zaken zijn bij het hof geadministreerd onder de zaaknummers 200.228.923/01 (partneralimentatie) en 200.229.091/01 (vergoeding gebruik echtelijke woning). De zaken zijn gezamenlijk behandeld en worden gezamenlijk beslist.

2.5.1.

Bij het hof zijn voorts de volgende stukken ingekomen:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling eerste aanleg d.d. 6 april 2017;

- een journaalbericht van de zijde van de man van 24 april 2018 met bijlagen, ingekomen op 25 april 2018;

- een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 26 april 2018 met bijlagen, ingekomen op 26 april 2018.

2.5.2.

Het faxbericht met bijlage van de zijde van de vrouw van 4 mei 2018, ingekomen op 4 mei 2018, is ingekomen buiten de in het Procesreglement verzoekschriftprocedures familiezaken gerechtshoven gestelde termijn. De advocaat van de man heeft ter mondelinge behandeling medegedeeld dat hij voldoende heeft kennisgenomen van dit faxbericht met bijlage, dat hij zich voldoende heeft kunnen voorbereiden op een verweer daartegen en dat hij instemt met overlegging van die bijlagen. Het hof slaat daarom ook acht op die bijlagen.

2.6.

De mondelinge behandeling heeft op 8 mei 2018 plaatsgevonden. Partijen zijn in persoon verschenen, bijgestaan door hun advocaten.

2.7.1.

Ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van de man een pleitnota overgelegd, waarvan uitsluitend de laatste alinea van pagina 1 ter zitting is voorgedragen.

2.7.2.

Ter mondelinge behandeling heeft de advocaat van de vrouw zittingsaantekeningen overgelegd waarvan uitsluitend pagina 2 onderaan (vanaf Overwinsten), pagina 3 (met uitzondering van de laatste alinea), pagina 4 (met uitzondering van de onderdelen Netto contante inkomsten en Woonlasten) en pagina 5 (met uitzondering van de onderdelen Limitering en Ten aanzien van de gebruiksvergoeding) is voorgedragen.

3 De feiten

3.1.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten voor zover daartegen in hoger beroep niet is opgekomen. Onder meer staat het volgende vast.

3.2.

Partijen zijn op 25 augustus 1995 te [plaats 1] gehuwd. Het huwelijk van partijen was op het moment van de mondelinge behandeling nog niet ontbonden.

3.3.

Partijen zijn de ouders van twee meerderjarige zelfstandig wonende kinderen.

4 De omvang van het geschil

4.1.1.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank tussen partijen de echtscheiding tussen partijen uitgesproken. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat de vrouw, indien zij op het ogenblik van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking de voormalige echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats 2] bewoont, jegens de man bevoegd is de bewoning en het gebruik van de bij de woning en tot de inboedel daarvan behorende zaken gedurende zes maanden na inschrijving voort te zetten en heeft de rechtbank de man veroordeeld tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partneralimentatie), zolang de vrouw in de voormalige woning verblijft, van € 3.040,- per maand en vanaf het moment dat de vrouw de woning metterwoon heeft verlaten van € 4.757,- per maand. De verzoeken van de man tot limitering van de partneralimentatie en tot vaststelling van een door de vrouw aan de man te betalen vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning van € 880,- per maand heeft de rechtbank afgewezen.

4.1.2.

De behandeling van de zaak met betrekking tot de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden is in de procedure in eerste aanleg afzonderlijk geadministreerd onder zaaknummer C/02/320541 / FA RK 16-5309. Die zaak is bij de bestreden beschikking aangehouden en verwezen naar de parkeerrol van de rechtbank Zeeland-West-Brabant (Middelburg) 4 oktober 2017. De afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden is in dit hoger beroep geen onderwerp van geschil.

4.2.

De grieven van de man in het principaal hoger beroep zien op:

- de vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning;

- de behoefte van de vrouw;

- de behoeftigheid van de vrouw en haar aanvullende behoefte;

- de draagkracht van de man;

- de jusvergelijking;

- de limitering van de partneralimentatie.

De man heeft in principaal hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen en ten laste van de vrouw en ten gunste van de man de in eerste aanleg verzochte gebruiksvergoeding voor het voortgezet gebruik van de echtelijke woning toe te kennen van € 880,- per maand, alsmede het verzoek van de vrouw tot vaststelling van partneralimentatie af te wijzen, althans toe te wijzen tot een bedrag dat het hof juist acht, zulks onder limitering van de termijn gedurende welke deze bijdrage dient te worden betaald, zoals in eerste aanleg door de man verzocht (naar het hof begrijpt na ommekomst van een jaar, althans twee jaar na het geven van de beschikking), kosten rechtens.

4.3.1.

De vrouw heeft in het principaal hoger beroep verzocht de man in zijn grieven niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen en de bestreden beschikking, zo nodig onder verbetering en/of aanvulling van de gronden, te bekrachtigen voor zover de vrouw daartegen niet incidenteel heeft geappelleerd, met veroordeling van de man in de kosten.

4.3.2.

De grieven van de vrouw in het incidenteel hoger beroep zien op:

- haar behoefte en aanvullende behoefte;

- de draagkracht van de man.

De vrouw heeft in incidenteel hoger beroep verzocht de bestreden beschikking te vernietigen voor zover daartegen door de vrouw incidenteel hoger beroep is ingesteld en, in zoverre opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de man aan de vrouw een partneralimentatie dient te voldoen van € 8.300,- bruto per maand, althans een partneralimentatie die het hof juist acht, met veroordeling van de man in de kosten.

4.4.

Het hof zal de grieven in principaal en incidenteel hoger beroep gezamenlijk beoordelen.

5 De motivering van de beslissing

In het principaal en incidenteel hoger beroep

Vol appel

5.1.

Het hof stelt allereerst vast dat de man vol appel heeft ingesteld tegen de bestreden beschikking. Nu de man echter geen grief heeft aangevoerd tegen de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de echtscheiding en uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man zich niet wenst te verzetten tegen de door de rechtbank uitgesproken echtscheiding, zal het hof het verzoek van de man om de beslissing van de rechtbank met betrekking tot de echtscheiding te vernietigen, afwijzen.

5.2.

Ter zitting hebben partijen verklaard te willen trachten met elkaar tot een minnelijke regeling te komen met betrekking tot hetgeen hen in deze zaak voor het overige verdeeld houdt (de verzochte vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning en de partneralimentatie) . Op 29 mei 2018 zijn ingekomen een journaalbericht van de zijde van de man van 29 mei 2018, en een journaalbericht van de zijde van de vrouw van 29 mei 2018, uit welke journaalberichten blijkt dat partijen er niet in zijn geslaagd om tot een minnelijke regeling te komen. Het hof zal terzake de vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning en de partneralimentatie een beslissing geven.

Met betrekking tot de partneralimentatie

Behoefte van de vrouw

5.3.

Beide partijen hebben een grief aangevoerd tegen de door de rechtbank vastgestelde behoefte van de vrouw. Het hof is van oordeel dat de rechtbank een redelijke afweging heeft gemaakt, die het hof overneemt en tot de zijne maakt. Partijen hebben in hoger beroep niets aangevoerd dat tot een ander oordeel zou moeten leiden. Het hof gaat, evenals de rechtbank, uit van een behoefte van de vrouw voor de periode dat zij in de echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats 2] verblijft op een bedrag van € 2.117,- netto per maand en vanaf het moment dat zij eigen woonruimte betrekt met een huurlast van € 950,- per maand op € 3.002,- netto per maand.

Behoeftigheid en aanvullende behoefte van de vrouw

5.4.1.

De man heeft, kort samengevat, aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte fysieke en psychische beperkingen van de vrouw in haar arbeidsmogelijkheden heeft aangegrepen om aan te nemen dat het voor de vrouw minder makkelijk zou zijn volledig in haar levensonderhoud te voorzien, dat de vrouw veel meer werkt dan zij voorwendt en dat er in de regio [plaats 2] een groot tekort bestaat aan personeel - onder meer - in de winkels en in de schoonmaakbranche.

De vrouw heeft de stellingen van de man gemotiveerd betwist.

5.4.2.Het hof overweegt het navolgende.

De vrouw heeft ter zitting verklaard dat zij met ingang van 1 mei 2018 als huishoudelijke hulp in de thuiszorg voor 15 uur per week en voor de duur van een jaar in dienst is getreden bij [onderneming] , zoals ook blijkt uit de door de vrouw overgelegde arbeidsovereenkomst d.d. 13 april 2018, tegen een salaris van € 1.648,73 bruto per maand (basis fulltime), te vermeerderen met vakantiegeld. De vrouw heeft in hoger beroep voorts als productie 13 overgelegde een pro forma loonstrook waaruit blijkt dat de vrouw een salaris ontvangt van € 687,03 bruto per maand, nog te vermeerderen met vakantietoeslag. Gelet op de gezondheidssituatie van de vrouw, zoals deze onder meer blijkt uit de door de vrouw in hoger beroep overgelegde, en door de man niet betwiste, producties 7 tot en met 12, is het hof van oordeel dat de vrouw op dit moment in zekere mate beperkt is in haar arbeidsmogelijkheden en dat van de vrouw, mede gelet haar leeftijd, opleiding en ervaring, op dit moment niet verlangd kan worden om geheel in haar eigen behoefte te voorzien. Nu het hof niet bekend is met nadere salarisgegevens gaat het hof voor het berekenen van de aanvullende behoefte van de vrouw uit van de voormelde pro forma salarisstrook. Het hof becijfert het netto besteedbaar inkomen van de vrouw op € 639,- per maand en de aanvullende behoefte van de vrouw voor de periode waarin de vrouw in de echtelijke woning woont op € 2.845,- bruto per maand (zie de aan deze beschikking gehechte en gewaarmerkte en van deze beschikking deel uitmakende berekeningen).

5.5.

Voor de berekening van de partneralimentatie gaat het hof in deze beschikking uit van de situatie dat de vrouw in de echtelijke woning verblijft. Het hof rekent met de fiscale cijfers met betrekking tot het jaar 2018. Het hof gaat ervan uit dat partijen, nadat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten, de partneralimentatie in de gewijzigde situatie en mede aan de hand van de door het hof in deze beschikking geformuleerde uitgangspunten, nader in onderling overleg zullen berekenen.

Draagkracht van de man

Salaris

5.6.

Tussen partijen is niet in geschil dat de man een inkomen uit zijn bedrijf heeft van

€ 73.953,- bruto per jaar, zoals ook blijkt uit de aangifte Inkomstenbelasting 2016. Onderdeel van dit inkomen is een fiscale bijtelling van de auto van € 3.960,- per jaar, welke bijtelling volgens de gebruikelijke richtlijn voor het berekenen van de draagkracht van de man in mindering op voormeld inkomen dient te worden gebracht.

Overwinst

5.7.1.

De vrouw heeft aangevoerd, kort samengevat, dat de man voldoende draagkracht heeft om in de (aanvullende) behoefte van de vrouw bij te dragen, mede in aanmerking nemend de naar de mening van de vrouw redelijkerwijs uitkeerbare (over)winst.

De man heeft dit gemotiveerd betwist.

5.7.2.

Het hof houdt bij het berekenen van de draagkracht van de man geen rekening met overwinst in de onderneming van de man. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting valt niet af te leiden dat het doen van dividenduitkering tot een vast patroon binnen de onderneming behoorde, hetgeen overigens ter beoordeling van de ondernemer staat en niet ter beoordeling van de onderhoudsgerechtigde. Uit de door de man overgelegde cashflowoverzichten is ook niet gebleken dat er ruimte is voor het uitkeren van dividend, althans de cijfers van de onderneming indiceren zulks niet.

Echtelijke woning

5.8.

Evenals de rechtbank gaat het hof uit van de een WOZ-waarde van de echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats 2] van € 329.000,- per jaar, zoals ook blijkt uit de aangifte Inkomstenbelasting 2016 van de man, en een daaraan gerelateerd eigenwoningforfait van € 2.303,- per jaar (100%, welk percentage de man ook in zijn in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening heeft opgenomen). Weliswaar is de man er in zijn draagkrachtberekening in hoger beroep vanuit gegaan dat de hypotheekrente voor de echtelijke woning niet meer aftrekbaar is, doch ter zitting heeft de man uitdrukkelijk en onweersproken verklaard dat hij bij de gemeentelijke administratie nog op het adres van de echtelijke woning aan de [adres 1] staat ingeschreven en dat de door hem betaalde hypotheekrente van de echtelijke woning nog steeds volledig aftrekbaar is voor de Inkomstenbelasting. Het hof gaat daarvan uit. Gelet op het voorgaande houdt het hof, zoals door de man opgenomen in zijn draagkrachtberekening, rekening met een aftrekbare hypotheekrente van € 2.374,- per jaar (leningnummer [leningnummer 1] ).

Huurinkomsten en kosten

5.9.1.

De vrouw heeft gesteld, kort samengevat, dat rekening gehouden moet worden met huurinkomsten, niet alleen van de [adres 2] te [plaats 2] en [hotel] (zoals de man zelf heeft aangegeven van € 48.208,- per jaar), maar ook met huurinkomsten met betrekking tot de vakantievilla in het park ‘ [park] ’ te [plaats 3] (hierna: ‘ [park] ’). De vrouw heeft ter zitting gesteld dat ‘ [park] ’ in 2016 en 2017 vrijwel het gehele jaar verhuurd is geweest en in 2018 ook alweer is verhuurd. Gelet op de prijslijst 2018 zou de ‘ [park] ’ (een 8 persoonsvilla) een huuropbrengst van

€ 32.000,- per jaar moeten kunnen genereren.

Verder heeft de vrouw gesteld dat het door de man opgegeven bedrag terzake rente en kosten met betrekking tot de verhuur van € 18.054,- per jaar dient te worden verminderd met het rente bedrag van € 10.779,- per jaar nu dit een financiering vanuit de rekeningcourant betreft die niet op de huurinkomsten dient te drukken. Er dient slechts rekening gehouden te worden met een bedrag van € 7.275,- per jaar terzake rente en kosten.

De man heeft de stellingen van de vrouw gemotiveerd betwist.

5.9.2.

Het hof overweegt het navolgende.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man huurinkomsten heeft van € 48.208,- per jaar met betrekking tot de [adres 2] en [hotel] , zoals door de man opgenomen in zijn als productie 22 in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening, van welk bedrag ook de vrouw is uitgegaan.

Voorts gaat het hof uit van huurinkomsten van de man met betrekking tot ‘ [park] ’. De villa staat te koop, maar is nog niet verkocht. Het hof gaat ervan uit dat de villa verhuurd zal blijven. De man heeft ter zitting, na een korte schorsing, verklaard dat de opbrengst van de ‘ [park] ’ in 2017 € 11.500,- bedroeg en dat er in 2017 sprake was van kosten ten bedrage van € 2.200,-. De vrouw heeft deze cijfers ter zitting niet meer weersproken, zodat het hof uitgaat van de stelling van de man. Naar redelijkheid gaat het hof uit van inkomsten (verminderd met de kosten) uit verhuur van de villa op ‘ [park] ’ van afgerond € 9.000,- per jaar.

Met betrekking tot de op de huuropbrengsten in mindering te brengen rente en kosten overweegt het hof het navolgende. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is niet gebleken van een noodzaak om de [adres 2] in 2014 over te brengen naar privé, zodat het hof de door de man opgevoerde rente op de rekeningcourantschuld van € 10.779,- per jaar buiten beschouwing laat. Het hof houdt rekening met een bedrag van € 7.275,- per jaar, zoals door de vrouw is gesteld. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof rekening houdt met huurinkomsten terzake [adres 2] , [hotel] en ‘ [park] ’ van totaal

€ 48.208,- + € 9.000,- = € 57.208,- per jaar. Dit bedrag dient verminderd te worden met voormelde rente en kosten van € 7.275,- per jaar, zodat aan huurinkomsten een bedrag resteert van € 49.933,- per jaar. Nu de man geen adequaat inzicht heeft gegeven in zijn vermogenspositie in box III en de fiscale gevolgen van het box III inkomen, houdt het hof rekening met voormeld bedrag van € 49.933,- per jaar als netto inkomen.

Lasten van de man

Normbedrag Participatiewet

5.10.

Het hof houdt rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

5.11.

Ten aanzien van de woonlasten van de man houdt het hof rekening met de navolgende maandelijkse lasten:

- € 197,84,- aan hypotheekrente terzake de echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats 2] (leningnummer [leningnummer 1] ), zoals door de man opgenomen in zijn draagkrachtberekening, doch in de berekening van het hof als aftrekbare rente gelet op de stelling van de man zoals weergegeven in rechtsoverweging 5.8;

- € 936,- aan aflossing terzake de echtelijke woning (leningnummer [leningnummer 1] ), op welke lening de man ook tijdens huwelijk afloste;

- € 95,- aan (forfaitaire) overige eigenaarslasten terzake de echtelijke woning;

- € 625,- terzake de lasten van de recreatiewoning waar de man tijdelijk woont.

Ziektekosten

5.12.

Het hof houdt rekening met de navolgende onweersproken maandelijkse lasten:

- € 142,- aan basispremie ZVW;

- € 32,- aan verplicht eigen risico,

minus € 35,- zijnde het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Aflossing schulden

5.13.

Het hof houdt geen rekening met het door de man in zijn draagkrachtberekening opgenomen bedrag van € 20.000,- per jaar terzake aflossing op de rekeningcourantschuld bij [de vennootschap] . Uit het door de man als productie 26 in hoger beroep overgelegde financieringsvoorstel van de [bank] van 1 juli 2014 blijkt slechts dat de rekeningcourant vordering op [de man] gemaximeerd dient te worden op € 250.000,- en dat een afbouw dient plaats te vinden. Uit dat voorstel blijkt niet met welk bedrag afgelost dient te worden. Het hof gaat in het kader van de berekening van de partneralimentatie in redelijkheid uit van een aflossing op de rekeningcourantschuld met een bedrag van € 10.000,- per jaar.

5.14.

In zijn in hoger beroep overgelegde draagkrachtberekening houdt de man ten slotte rekening met de aflossingsverplichting van € 1.667,- per maand terzake de lening met leningnummer [leningnummer 2] . De vrouw is van mening dat deze aflossing niet moet worden meegenomen in de draagkrachtberekening.

Het hof laat de aflossing op deze lening, die betrekking heeft op de [adres 2] te [plaats 2] , buiten beschouwing nu, zoals hierboven is overwogen, niet is gebleken van een noodzaak om de [adres 2] in 2014 over te brengen naar privé en van de vrouw niet kan worden gevergd dat zij via een lagere partneralimentatie zou bijdragen aan de vermogensvorming van de man in privé.

5.15.

Met de rente en aflossing op de lening met leningnummer [leningnummer 1] heeft het hof reeds rekening gehouden (zie rechtsoverweging 5.11.) terzake de woonlasten van de echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats 2] .

Vaststelling van de alimentatie

5.16.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van ongeveer € 7.571,- per maand, waarbij rekening is gehouden met de volgende fiscale aspecten: de toepasselijke heffingskortingen, het voormelde eigenwoningforfait, de van de Inkomstenbelasting aftrekbare hypotheekrente betreffende de echtelijke woning aan de [adres 1] te [plaats 2] en de door de werkgever ingehouden inkomensafhankelijke bijdrage ZVW.

5.17.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 3.970,- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage aan de vrouw van € 2.382,- per maand.

5.18.

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de Inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekening houdend met dit te realiseren fiscaal voordeel, heeft de man, zoals blijkt uit de aan deze beschikking gehechte en gewaarmerkte en van deze beschikking deel uitmakende draagkrachtberekening, een draagkracht van € 4.049,- per maand en derhalve voldoende draagkracht om met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn in geschreven in de registers van de burgerlijke stand, een bedrag van € 2.845,- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Zoals reeds overwogen gaat het hof ervan uit dat partijen, nadat de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten, de partneralimentatie in de gewijzigde situatie en mede aan de hand van de door het hof in deze beschikking geformuleerde uitgangspunten, nader in onderling overleg zullen berekenen.

5.19.

Nu de draagkracht van de man ruim voldoende is om in de aanvullende behoefte van de vrouw te voorzien komt het hof niet toe aan het maken van een (door de man verzochte) jusvergelijking.

Limitering

5.20.

De man heeft nog gesteld dat de alimentatieduur beperkt dient te worden en dat de verplichting van de man tot het betalen van een onderhoudsbijdrage aan de vrouw naar redelijkheid dient te eindigen na ommekomst van een jaar, althans twee jaar, althans na een gestaffelde afbouw, hetgeen de vrouw gemotiveerd heeft betwist. Het hof overweegt dat de onderhoudsverplichting van de man op grond van de Wet limitering Alimentatie in beginsel twaalf jaar duurt. In verband met de ingrijpende gevolgen van limitering van deze termijn dienen hoge eisen te worden gesteld aan de te stellen en zo nodig te bewijzen bijzondere omstandigheden die limitering op een kortere termijn rechtvaardigen. Het hof is van oordeel dat de man zijn verzoek onvoldoende heeft onderbouwd en wijst het verzoek van de man tot limitering dan ook af.

Vergoeding gebruik echtelijke woning

5.21.

De man heeft verzocht de vrouw te veroordelen tot betaling van een bedrag van € 880,- als vergoeding voor het gebruik van de echtelijke woning, welk verzoek de vrouw gemotiveerd heeft weersproken. Ingevolge artikel 1:165 Burgerlijk Wetboek (BW) kán de rechter voor het voortgezet gebruik van de echtelijke woning desgevraagd een vergoeding bepalen, bij het bepalen waarvan de eisen van de redelijkheid en de billijkheid een rol spelen en welke vergoeding eerst kan ingaan op de datum waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In het voorgaande heeft het hof bij de vaststelling van de partneralimentatie aan de inkomenszijde van de man geen rekening gehouden met een van de vrouw ontvangen gebruiksvergoeding (evenmin als de man dat in zijn draagkrachtberekening in hoger beroep heeft gedaan) en heeft het hof aan de zijde van de vrouw geen rekening gehouden met een verhoging van haar behoefte vanwege betaling van een gebruiksvergoeding. Gelet op het voorgaande en mede gelet op de financiële middelen waarover de vrouw kan beschikken en de substantiële financiële druk die zij bij het betalen van een dergelijke vergoeding zal ondervinden en (gelet) op de ruimere financiële middelen en mogelijkheden aan de zijde van de man (als ondernemer), wijst het hof, het verzoek van de man af.

Proceskosten

5.22.

De proceskosten van beide instanties worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

5.23.

Het voorgaande leidt tot de navolgende beslissing.

6 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel hoger beroep:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Zeeland- West-Brabant van 31 augustus 2017 uitsluitend voor zover het betreft de vastgestelde bijdrage van de man in het levensonderhoud van de vrouw,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man met ingang van de dag waarop de echtscheidingsbeschikking zal zijn ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud dient te voldoen het bedrag van € 2.845,- per maand, bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige;

compenseert de in beide instanties gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. C.A.R.M. van Leuven, E.L. Schaafsma-Beversluis en E.M.C. Dumoulin en bijgestaan door de griffier en is op 30 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.