Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3660

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
28-09-2018
Zaaknummer
200.229.259_01
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgregeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 30 augustus 2018

Zaaknummer: 200.229.259/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/322371 / FA RK 17-3054

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: de moeder,

advocaat: mr. M.A. Becking,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder,

hierna te noemen: de vader,

advocaat: mr. A.M.B. Snoeks.

In zijn hoedanigheid als omschreven in artikel 810 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering is in de procedure gekend:

de Raad voor de Kinderbescherming,

regio [regio] , vestiging [vestiging] ,

hierna te noemen: de raad.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 september 2017 met voormeld zaaknummer.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 december 2017, heeft de moeder verzocht om bij beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen, uitsluitend voor zover het de zorgregeling betreft, en te

bepalen dat de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt wordt vastgesteld:

- de minderjarigen zijn van zondag vanaf 18.15 uur tot en met woensdag 18.15 uur bij de moeder en de minderjarigen zijn vanaf woensdag 18.15 uur tot en met vrijdag 18.15 uur bij de vader en de weekenden om en om, waarbij een weekend duurt van vrijdagavond 18.15 uur tot zondagavond 18.15 uur, alsmede te bepalen dat steeds de ouders degenen zijn die zorg- en opvoedingstaken op zich nemen, althans een dusdanige regeling te bepalen als het hof juist acht.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 30 januari 2018, heeft de vader verzocht het hoger beroep van de moeder af te wijzen en voormelde beschikking te bekrachtigen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 17 augustus 2017;

  • -

    het V-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 15 december 2017, met bijlagen;

  • -

    het V-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 14 juni 2018, met bijlagen.

2.4.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 26 juni 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de moeder, bijgestaan door mr. Becking;

  • -

    de vader, bijgestaan door mr. Snoeks;

  • -

    de raad, vertegenwoordigd door mevrouw [vertegenwoordiger van de raad] .

Tijdens de mondelinge behandeling is door de advocaat van de moeder een pleitnota overgelegd en voorgedragen.

2.4.1.

Het hof heeft de minderjarige [minderjarige 1] in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken. Zij heeft hiervan gebruik gemaakt en is voorafgaand aan de mondelinge behandeling ter zitting buiten aanwezigheid van partijen en overige belanghebbenden gehoord. Ter zitting heeft de voorzitter de inhoud van dit verhoor zakelijk weergegeven, waarna alle aanwezigen de gelegenheid hebben gekregen daarop te reageren.

2.5.

Na de mondelinge behandeling heeft het hof conform afspraak nog kennisgenomen van:

- het V-formulier van de advocaat van de moeder d.d. 2 augustus 2018, met bijlage;

- het V-formulier van de advocaat van de vader d.d. 2 augustus 2018, met bijlagen.

3 De beoordeling

3.1.

Partijen zijn op 25 augustus 2000 met elkaar gehuwd. Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 11 oktober 2017 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.2.

Uit het huwelijk van partijen zijn geboren:

  • -

    [minderjarige 1] , op [geboortedatum 1] 2004 te [geboorteplaats 1] (hierna: [minderjarige 1] );

  • -

    [minderjarige 2] , op [geboortedatum 2] 2007 te [geboorteplaats 2] (hierna: [minderjarige 2] );

  • -

    [minderjarige 3] op [geboortedatum 3] te 2007 te [geboorteplaats 3] (hierna: [minderjarige 3] ).

3.3.

Partijen oefenen gezamenlijk het ouderlijk gezag over de kinderen uit.

3.4.

Partijen hebben, onder begeleiding van een mediator, afspraken gemaakt over de gevolgen van hun echtscheiding. Deze afspraken zijn neergelegd in een echtscheidingsconvenant, een aanvullend echtscheidingsconvenant, een ouderschapsplan en een aanvullend ouderschapsplan. Partijen hebben geen overeenstemming bereikt over de reguliere zorgregeling en zij hebben de rechtbank gezamenlijk verzocht een zorgregeling vast te stellen die het meeste in het belang van de kinderen is.

3.5.

Bij voormelde beschikking heeft de rechtbank bepaald dat het aangehechte echtscheidingsconvenant, aanvullend echtscheidingsconvenant, ouderschapsplan en

aanvullend ouderschapsplan deel uitmaken van die beschikking, met uitzondering van

hetgeen in het ouderschapsplan en aanvullend ouderschapsplan is doorgehaald.

3.6.

Voorts heeft de rechtbank bij die beschikking bepaald dat de reguliere regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken als volgt zal zijn:

- de minderjarigen [minderjarige 1] , [minderjarige 2] en [minderjarige 3] verblijven de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder, waarbij het wisselmoment plaatsvindt op zondag om 18.15 uur.

3.7.

De moeder kan zich met deze beslissing niet verenigen en zij is hiervan in hoger beroep gekomen, voor zover het zorgregeling betreft.

3.8.

De moeder voert, kort samengevat, het volgende aan.

De huidige regeling (week op week af) verloopt niet goed en is niet in belang van de kinderen. De door de moeder voorgestelde regeling biedt de meeste duidelijkheid en rust. Bovendien zien de kinderen dan elke week beide ouders en zijn zij niet een hele week verstoken van contact met een van de ouders, hetgeen de kinderen te lang vinden. In de week dat de kinderen bij de vader verblijven, laat de vader bovendien geen contact toe tussen de moeder en de kinderen. De kinderen sturen de moeder in die week berichtjes met het verzoek of de moeder naar school wil komen, zodat zij haar even kunnen zien. De week is in de door de moeder voorgestelde regeling bovendien beter tussen de ouders verdeeld, ook in het kader van halen en brengen van en naar (sport)activiteiten, hetgeen voor de moeder moeilijk is. Verder weigert de vader met de moeder te communiceren over (het halen en brengen van) de kinderen en is sinds de echtscheiding dirigerend richting de moeder. De houding van de vader is star en hij wil niet afwijken van afspraken. De kinderen zijn bovendien in de week dat ze bij de vader verblijven op maandag tot en met woensdag vaak alleen thuis of er is een oppas die geen Nederlands spreekt, terwijl de moeder de kinderen dan ook kan opvangen. Verder zien de kinderen er onverzorgd uit in de week dat ze bij de vader verblijven.

3.9.

De vader voert, kort samengevat, het volgende aan.

De huidige regeling (week op week af) verloopt goed en wordt al sinds begin 2016 uitgevoerd, aanvankelijk vanuit de echtelijke woning. De regeling biedt duidelijkheid, structuur en rust; de kinderen weten precies wanneer het wisselmoment is. Dit is met name voor [minderjarige 1] , die een verstandelijke beperking heeft, erg belangrijk. De door de moeder voorgestelde regeling heeft dubbel zoveel wisselmomenten, welke momenten juist voor onrust zorgen, ook vanwege spanningen tussen de ouders. De kinderen vertonen geen signalen dat zij de huidige regeling zwaar zouden vinden. De kinderen mogen bovendien wel contact met de moeder hebben als zij bij de vader verblijven, mits dat het gezinsleven niet in de weg staat. Waarschijnlijk geven de kinderen sociaal wenselijke antwoorden aan de moeder, omdat de moeder hen zo mist. Het door de moeder geschetste probleem met betrekking tot het halen en brengen van en naar (sport)activiteiten heeft niets met de zorgregeling te maken, maar met haar (tijdelijke) verblijf in [plaats] . De vader wil wel met de moeder communiceren, maar zij verwart communicatie met het steeds willen terugkomen op afspraken. Verder werkt de vader (tijdelijk) op dinsdag en donderdag thuis in de week dat de kinderen bij hem zijn en hij zal met zijn leidinggevende in gesprek gaan over de aanpassing van zijn rooster wanneer de definitieve regeling bekend is. De vader betwist dat de kinderen er onverzorgd uitzien.

3.10.

De raad heeft ter zitting naar voren gebracht dat het probleem niet zozeer de zorgregeling lijkt te zijn, maar meer gelegen is in de communicatie tussen de ouders en het feit dat beide ouders bezig zijn met het halen van hun eigen gelijk. De moeder komt in de week dat de kinderen bij de vader zijn, zonder dat de vader dat weet, naar school om de kinderen te zien en dat is niet goed voor de kinderen, want dan moeten zij iets verzwijgen. De vader vraagt via WhatsApp aan de kinderen waarom zij niet hebben gesport, terwijl de ouders dat onderling zouden moeten bespreken. Voorts heeft de raad geconstateerd dat beide ouders bereid zijn om te praten over een oplossing en heeft voorgesteld om de zaak aan te houden, zodat partijen samen met de heer [jeugdzorgwerker] , jeugdzorgwerker in het vrijwillig kader, werkzaam bij de William Schrikker Stichting jeugdbescherming & jeugdreclassering, met elkaar in overleg kunnen.

3.11.

Het hof heeft partijen ter zitting voorgehouden dat het probleem vooral op ouderniveau lijkt te liggen. De vader heeft individuele hulpverlening gehad, maar de moeder lijkt overspoeld te worden door de moeilijke situatie waarin zij zich bevindt en zij is daardoor nog niet aan hulpverlening toegekomen. Het voorgaande is ter zitting door beide advocaten bevestigd. Het hof heeft de zaak vervolgens, met instemming van partijen, aangehouden voor overleg tussen de ouders en de heer [jeugdzorgwerker] .

3.12.

Uit de berichten van partijen van 2 augustus 2018 blijkt dat partijen op 10 juli jl. een gesprek hebben gevoerd, waarbij naast de heer [jeugdzorgwerker] ook mevrouw [medewerkster van het CMD] van het CMD aanwezig was. Zij hebben geen overeenstemming bereikt over de zorgregeling. In het door de vader overgelegde verslag dat mevrouw [medewerkster van het CMD] van dit gesprek heeft gemaakt is, onder meer, omschreven dat de standpunten van de ouders over hoe invulling te geven aan de zorgregeling dusdanig uiteen lopen dat het niet mogelijk is om te werken aan de doelen (zoals geformuleerd bij het beschermtafeloverleg van 25 januari 2018) en tot een constructieve oplossing te komen. Vooral de moeder gaf aan geen vertrouwen te hebben in een oplossing en bleef ergernissen uitspreken naar de vader. De jeugdzorgwerker en mevrouw [medewerkster van het CMD] zijn van mening dat, zeker gezien het feit dat de ouders al veel hulpverlening hebben gehad om te komen tot een betere communicatie, een drangmaatregel de ouders onvoldoende kan helpen en de kinderen en de ouders mogelijk beter geholpen zijn met een kinderbeschermingsmaatregel. Zij zullen de raad verzoeken een onderzoek te doen naar de noodzakelijkheid van een dergelijke maatregel.

De vader verzoekt het hof om een beschikking te wijzen en handhaaft zijn verzoek om de bestreden beschikking te bekrachtigen. Indien het hof reden ziet om de zorgregeling te

wijzigen stelt de vader een aanpassing voor waarbij het wisselmoment op vrijdag komt te

liggen en de kinderen op dinsdag na schooltijd tot ca. 19.00 uur bij de andere ouder verblijven en daar de avondmaaltijd nuttigen.

De moeder verzoekt om aanhouding in afwachting van het onderzoek door de raad en zij merkt daarbij op geen bezwaar te hebben tegen een eventuele ondertoezichtstelling.

Verder handhaaft zij haar verzoek om de door haar voorgestelde zorgregeling vast te leggen. Het wisselmoment dient op zondag te blijven. Een eetmoment op dinsdag acht de moeder niet in het belang van de kinderen, aangezien dit vanwege de sporten van de kinderen in gehaaste sfeer zal plaatsvinden.

3.13.

Ingevolge artikel 1:253a lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) BW kunnen geschillen omtrent de gezamenlijke uitoefening van het ouderlijk gezag aan de rechter worden voorgelegd. In het geval van een geschil omtrent de verdeling van de zorg- en

opvoedingstaken kan de rechter, gelet op artikel 1:253a lid 2, aanhef en sub a, BW, een regeling vaststellen. De rechter neemt een zodanige beslissing als hem in het belang van het kind wenselijk voorkomt.

3.14.

Het hof overweegt dat partijen het erover eens zijn dat co-ouderschap het uitgangspunt voor de zorgregeling is. Zij zijn het niet eens over de concrete invulling van het co-ouderschap. Het hof stelt voorts vast dat er sinds begin 2016 een regeling wordt uitgevoerd (tot november 2017 vanuit de echtelijke woning waarin de ouders tot dan toe om beurten verbleven) waarbij de kinderen de ene week bij de vader en de andere week bij de moeder verblijven. Daarbij merkt het hof op dat de wijze van de verzorging en opvoeding, de opvang van de kinderen daaronder begrepen, aan de ouder is waar de kinderen die week verblijven.

Verder zijn er geen zorgen aannemelijk geworden over het verloop van de huidige regeling, anders dan dat de kinderen de andere ouder missen. De moeder geeft aan met name weerstand te hebben tegen de huidige regeling om deze reden.

Het hof acht het onoverkomelijk dat kinderen de andere ouder missen na een scheiding. [minderjarige 1] heeft het hof verteld dat zij, wanneer zij bij de ene ouder is, de andere ouder mist, maar dat er niets aan de huidige regeling hoeft te veranderen.

Verder is het hof gebleken dat de moeder zich in een zware en hectische periode bevindt sinds de scheiding. Zij is nog niet of onvoldoende toegekomen aan hulpverlening voor zichzelf en lijkt de kinderen erg te missen. Ook lukt het de ouders, ondanks ingezette hulpverlening, niet om op constructieve met elkaar te communiceren en tot oplossingen te komen.

Onder de huidige omstandigheden acht het hof een wijziging in de zorgregeling op dit moment niet in het belang van de kinderen. Het hof acht het in het belang van de kinderen dat er eerst rust wordt gecreëerd. De moeder dient hulp te zoeken voor de moeilijke persoonlijke situatie waarin zij zich bevindt en de ouders dienen hun onderlinge communicatie te verbeteren. Bovendien leidt het voorstel van de moeder tot meer wisselmomenten, terwijl vaststaat dat die momenten gepaard gaan met spanningen en onrust. Ook om die reden wordt thans geen wijziging van de huidige zorgregeling op de door de moeder voorgestane wijze in het belang van de kinderen geacht.

Het hof acht (wederom) een aanhouding van de zaak, zoals door de moeder verzocht, niet aangewezen, nu er nog geen duidelijkheid is over de vraag of er daadwerkelijk een kinderbeschermingsmaatregel zal volgen.

3.15.

Op grond van het vorenstaande zal het hof de beschikking waarvan beroep bekrachtigen en het verzoek van de moeder afwijzen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 september 2017;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. J.C.E. Ackermans-Wijn, C.N.M. Antens en H.J.M. Arkel-van Gasselt en is op 30 augustus 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van de griffier.