Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3632

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
05-09-2018
Zaaknummer
200.207.913_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vordering tot ontruiming van een sociale woningstichting na overlijden huurder. Beroep van ‘achterblijver’ op (analoge) toepassing van artikel 7:266 BW of artikel 7:267 BW. Sauvering van de overschrijding van de zesmaandstermijn van artikel 7:268 lid 2 BW?

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7 266
Burgerlijk Wetboek Boek 7 267
Burgerlijk Wetboek Boek 7 268
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JERF 2018/358
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.207.913/01

arrest van 28 augustus 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. C.A. Gobbens te Breda,

tegen

Stichting [stichting 1] (voorheen Stichting [stichting 2] ),

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. A.A.M. Simons te Breda,

als vervolg op het door het hof gewezen tussenarrest van 13 februari 2018 in het hoger beroep van het door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Breda, onder zaaknummer 4940103 CV EXPL 16-2124 gewezen vonnis van 16 november 2016.

De advocaat van [geïntimeerde] heeft tijdens het pleidooi in deze zaak meegedeeld dat per 1 januari 2018 Stichting [stichting 2] is gefuseerd met Woonstichting [woonstichting] en dat vanwege deze fusie de naam van Stichting [stichting 2] is gewijzigd in Stichting [stichting 1] . In de aanhef van dit arrest is deze naamwijziging reeds tot uitdrukking gebracht.

5 Het verloop van de procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenarrest van 13 februari 2018 waarbij het hof een pleidooi heeft gelast;

  • -

    het pleidooi gehouden op 15 augustus 2018, waarbij partijen pleitnota’s hebben overgelegd;

  • -

    de bij brief van 31 juli 2018 door [appellant] toegezonden productie 3, die hij bij het pleidooi in het geding heeft gebracht.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg. De advocaat van [appellant] heeft wegens tijdgebrek zijn pleitnota niet geheel voorgedragen en gedeeltes daarvan samengevat. Voor zover niet samengevat, bestaat de pleitnota uit herhalingen uit eerdere processtukken van [appellant] . Het hof gaat dan ook voorbij aan het verzoek van [geïntimeerde] (de inhoud van) de pleitnota voor zover niet voorgedragen buiten beschouwing te laten.

6 De beoordeling

6.1.

In het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de volgende feiten als niet weersproken vastgesteld.

“- [appellant] is in de periode van 20 oktober 1972 tot 27 januari 1981 met mevrouw [ex-echtgenote van appellant] (hierna: [ex-echtgenote van appellant] ) gehuwd geweest. Op laatstgenoemde datum is het

echtscheidingsvonnis van 16 december 1980 ingeschreven in de registers van de burgerlijke

stand in [plaats] ;

- Op 29 maart 1982 is [ex-echtgenote van appellant] met de rechtsvoorgangster van [stichting 2] een

huurovereenkomst aangegaan voor huur van de woning aan de [adres] te [plaats]

(hierna: de woning) per 16 april 1982.

- [appellant] en [ex-echtgenote van appellant] hebben vervolgens weer een affectieve relatie gekregen en zijn weer gaan samenwonen;

- Volgens de gegevens van de basisregistratie personen van de gemeente [plaats] staat [appellant] vanaf 12 juli 1985 ingeschreven op het adres [adres] te [plaats] ;

- [ex-echtgenote van appellant] is op [datum overlijden ex-echtgenote van appellant] 2014 overleden.

- Begin september 2015 heeft [stichting 2] van de politie vernomen dat [appellant] in de woning woont en is zij bekend geworden met het overlijden van [ex-echtgenote van appellant] .

- [appellant] heeft vervolgens in september 2015 aan [stichting 2] verzocht om de

huurovereenkomst met betrekking tot de woning op zijn naam te zetten.

- Bij brief van 28 september 2015 heeft [stichting 2] het verzoek van [appellant]

afgewezen en [appellant] verzocht om de woning per direct te verlaten en de sleutels in te

leveren.

- Bij brieven van 5 oktober en 19 oktober 2015 hebben de gemachtigden van partijen

gecorrespondeerd over de bewoning van de woning door [appellant] en heeft [stichting 2]

kenbaar gemaakt vast te houden aan verlating van de woning.

- Op 9 december 2015 heeft [stichting 2] [appellant] in kort geding bij de kantonrechter van deze rechtbank gedagvaard en ontruiming van de woning gevorderd.

- Bij vonnis van 23 december 2015 heeft de kantonrechter de gevorderde ontruiming

toegewezen voor het geval [appellant] niet voor 1 maart 2016 een bodemprocedure inzake

het geschil aanhang zou maken en dat bij tijdige entamering van een bodemprocedure er niet

ontruimd mag worden totdat onherroepelijk in de bodemprocedure is beslist op de vraag of

[appellant] huurbescherming toekomt.

- Van voormeld vonnis in kort geding is geen hoger beroep ingesteld door partijen.”

6.1.2.

De grieven van [appellant] zijn niet gericht tegen deze feitenvaststelling van de kantonrechter, met uitzondering van grief 1 die gericht is tegen de feitenvaststelling na het derde en het zesde gedachtestreepje. Met uitzondering daarvan kan en zal de feitenvaststelling van de kantonrechter ook in hoger beroep het uitgangspunt vormen. Grief 1 wordt hierna behandeld in rov. 6.5.

6.2.1.

In eerste aanleg vorderde [appellant] in conventie dat bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

1. wordt bepaald dat [appellant] met ingang van een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen tijdstip huurder van de woning staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] zal zijn;

althans

wordt bepaald dat [appellant] de tussen [stichting 2] en wijlen mevrouw [ex-echtgenote van appellant] gesloten huurovereenkomst zal voortzetten;

althans

voor recht wordt verklaard dat [appellant] huurbescherming toekomt;

althans

voor recht wordt verklaard dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is indien [stichting 2] zich jegens [appellant] beroept op de gevolgen verbonden aan het ontbreken van een formele huurrelatie;

2. [stichting 2] wordt veroordeeld in de kosten van de procedure, waaronder de nakosten.

6.2.2.

In reconventie vorderde [stichting 2] (thans dus: [geïntimeerde] ) dat [appellant] bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, wordt veroordeeld om de woning, staande en gelegen te ( [postcode] ) [plaats] aan de [adres] binnen acht dagen na betekening van het te wijzen vonnis met alle daarin aanwezige personen en zaken, voor zover deze niet eigendom zijn van [stichting 2] , te verlaten en te ontruimen en vervolgens verlaten en ontruimd te houden, met afgifte van de sleutels ter vrije beschikking van [stichting 2] te stellen, met veroordeling van [appellant] in de proceskosten, vermeerderd met de wettelijke rente en de nakosten.

6.2.3.

Op hetgeen partijen over en weer aan hun vorderingen ten grondslag hebben gelegd, alsmede op de door hen gevoerde verweren, zal het hof voor zover relevant in hoger beroep in het navolgende ingaan.

6.3.1.

Bij het vonnis waarvan beroep heeft de kantonrechter de vorderingen in conventie afgewezen, met veroordeling van [appellant] , uitvoerbaar bij voorraad, in de proceskosten (waaronder de nakosten).

In reconventie is [appellant] , kort gezegd, veroordeeld tot ontruiming van de woning, en wel binnen veertien dagen (in plaats van de gevorderde acht dagen) na betekening van het vonnis waarvan beroep. Ook werd een proceskostenveroordeling ten laste van [appellant] uitgesproken.

6.3.2.

Hetgeen de kantonrechter hiertoe heeft overwogen, zal hierna aan de orde komen waar de grieven daarvoor aanleiding geven.

6.4.

[appellant] heeft in hoger beroep negen grieven aangevoerd. Hij heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot het alsnog toewijzen van zijn vorderingen in conventie en het alsnog afwijzen van de reconventionele vorderingen, met proceskostenveroordeling (waaronder de nakosten) en – gezien het petitum van de memorie van grieven ook – veroordeling tot terugbetaling al hetgeen [appellant] uit hoofde van het vonnis waarvan beroep heeft betaald, vermeerderd met wettelijke rente.

6.5.

Grief 1 heeft, zoals hiervoor in rov. 6.1.2 is weergegeven, betrekking op de feitenvaststelling door de kantonrechter.

De bewuste feitenvaststelling na het derde gedachtestreepje luidt: “ [appellant] en [ex-echtgenote van appellant] hebben vervolgens weer een affectieve relatie gekregen en zijn weer gaan samenwonen”. [appellant] stelt dat [ex-echtgenote van appellant] en hij per april 1982 in de woning zijn gaan wonen en dat zij toen ook weer een affectieve relatie hadden. Mede gehoord hetgeen [appellant] tijdens het pleidooi naar voren heeft gebracht, ziet het hof geen aanleiding om aan de juistheid van deze stelling te twijfelen.

Na het derde gedachtestreepje is opgenomen: “Begin september 2015 heeft [stichting 2] van de politie vernomen dat [appellant] in de woning woont en is zij bekend geworden met het overlijden van [ex-echtgenote van appellant] ”. [appellant] heeft dienaangaande opgemerkt dat [stichting 2] op de hoogte is geraakt van het overlijden van [ex-echtgenote van appellant] doordat de dochter van [appellant] contact opnam met [stichting 2] . [geïntimeerde] heeft dit gemotiveerd betwist. Het hof laat verder in het midden hoe [stichting 2] in september 2015 op de hoogte is geraakt van het overlijden van [ex-echtgenote van appellant] nu dat niet relevant is voor de in deze te nemen beslissingen zoals hierna zal blijken.

Voorts heeft volgens [appellant] te gelden dat [stichting 2] ook daarvoor al wist, althans op grond van de feiten en omstandigheden van het geval had moeten weten, dat [appellant] in de woning woont. [geïntimeerde] heeft dat weersproken. Ook dit acht het hof niet van betekenis voor de onderhavige beoordeling (zie hierna met name rov. 6.9.6 en 6.9.7).

Gezien het voorgaande leidt grief 1 tot aanpassing van de feitenvaststelling van de kantonrechter. Dit heeft echter op zichzelf niet tot gevolg dat het vonnis waarvan beroep dient te worden vernietigd; dat hangt af van de beoordeling van de andere grieven.

6.6.

Het hof ziet aanleiding eerst de grieven 6 en 7 te behandelen. Grief 6 betreft het beroep van [appellant] op (analoge) toepassing van het bepaalde in artikel 7:266 BW, en grief 7 van het bepaalde in artikel 7:267 BW.

6.7.

Artikel 7:266 lid 1 BW bepaalt dat de echtgenoot of geregistreerde partner van een huurder van rechtswege medehuurder is, zolang de woonruimte de echtgenoot of geregistreerde partner tot hoofdverblijf strekt, ongeacht of de huurovereenkomst voor dan wel na het aangaan van het huwelijk of van het geregistreerde partnerschap is gesloten. De kantonrechter heeft – met juistheid – overwogen dat artikel 7:266 BW zich beperkt tot het huwelijk en geregistreerd partnerschap en vast staat dat daarvan tussen [ex-echtgenote van appellant] en [appellant] sinds 27 januari 1981 geen sprake meer is. Evenmin als de kantonrechter ziet het hof ruimte voor analoge toepassing van deze bepaling in het onderhavige geval. Voor een geval als het onderhavige geldt namelijk het bepaalde in artikel 7:268 BW (zie hierna rov. 6.9 e.v.). Dit betekent dat grief 6 faalt.

6.8.

Om dezelfde reden faalt ook grief 7. Artikel 7:267 BW bepaalt dat indien op het gezamenlijk verzoek van een huurder en van een andere persoon die in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de huurder een duurzame gemeenschappelijke huishouding heeft, alsmede van een medehuurder wanneer die er is, de verhuurder niet binnen drie maanden schriftelijk heeft verklaard er mede in te stemmen dat die andere persoon medehuurder zal zijn, de huurder en die andere persoon, alsmede een medehuurder wanneer die er is, gezamenlijk kunnen verzoeken dat de rechter zal bepalen dat deze persoon met ingang van een in het vonnis te bepalen tijdstip medehuurder zal zijn.

Vast staat dat [appellant] (eerst) in september 2015 aan [stichting 2] heeft verzocht om de

huurovereenkomst met betrekking tot de woning op zijn naam te zetten. Zoals de kantonrechter heeft overwogen, was toen geen sprake van een gemeenschappelijk verzoek dan wel een duurzame gemeenschappelijke huishouding, aangezien [ex-echtgenote van appellant] op [datum overlijden ex-echtgenote van appellant] 2014 is overleden en [appellant] sindsdien de woning alleen bewoont. Aan de voorwaarden van artikel 7:267 BW is derhalve niet voldaan. Het hof onderschrijft dan ook het oordeel van de kantonrechter dat het door [appellant] gedane beroep op dat artikel niet opgaat.

6.9.1.

De grieven 2 tot en met 5, die het beroep van [appellant] op artikel 7:268 BW betreffen, lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6.9.2.

Volgens lid 1 van artikel 7:268 BW wordt bij overlijden van de huurder de medehuurder huurder. Lid 2 bepaalt, voor zover thans relevant, dat de persoon die niet op grond van lid 1 huurder wordt, doch wel in de woonruimte zijn hoofdverblijf heeft en met de overleden huurder een duurzame gemeenschappelijk huishouding heeft gehad, de huur voortzet gedurende zes maanden na het overlijden van de huurder, en voorts dat deze persoon de huur ook nadien voortzet, indien de rechter dit heeft bepaald op een daartoe strekkende binnen die termijn ingestelde vordering.

6.9.3.

Niet in geschil is dat [appellant] ten tijde van het overlijden van [ex-echtgenote van appellant] in de woning zijn hoofdverblijf had. Wel staat ter discussie tussen partijen of [appellant] en [ex-echtgenote van appellant] een duurzame gemeenschappelijk huishouding voerden. Er kan naar het oordeel van het hof gevoeglijk van worden uitgegaan dat dit het geval was. De processtukken met de daarbij behorende producties en het tijdens pleidooi verhandelde bevatten voldoende aanwijzingen dat, ondanks de echtscheiding, [appellant] en [ex-echtgenote van appellant] in de woning samenleefden als waren zij (opnieuw) gehuwd. Zo hebben zij daar hun kinderen grootgebracht en heeft [appellant] [ex-echtgenote van appellant] tijdens haar ziekte tot haar overlijden verzorgd.

6.9.4.

In confesso is dat, zoals artikel 7:268 lid 2 BW toestaat, [appellant] gedurende de zes maanden na het overlijden van [ex-echtgenote van appellant] (op [datum overlijden ex-echtgenote van appellant] 2014) in de woning is gebleven, en voorts dat hij daar ook daarna is blijven wonen. Hij heeft evenwel niet binnen deze termijn van zes maanden (dus vóór [datum] 2015) een vordering als bedoeld in artikel 7:268 lid 2 BW ingesteld. Hij heeft dit pas gedaan op 29 februari 2016, bij de inleidende dagvaarding in de onderhavige procedure. [geïntimeerde] beroept zich op deze termijn, stellende dat in het onderhavige geval de overschrijding van deze termijn niet gesauveerd zou moeten worden. Zij betoogt dat [appellant] mitsdien zonder recht of titel in de woning verblijft, welk betoog ten grondslag ligt aan de reconventionele vordering tot, kort gezegd, ontruiming van de woning.

6.9.5.

[appellant] heeft zich op het standpunt dat het naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is dat [geïntimeerde] zich op deze termijnoverschrijding beroept. Bij de beoordeling van dit standpunt stelt het hof voorop dat het in artikel 6:2 lid 2 BW voorkomende criterium ‘onaanvaardbaar’ tot een terughoudende toepassing van deze bepaling noopt (vgl. ten aanzien van artikel 7A:1623i lid 2 BW – de voorloper van artikel 7:628 lid 2 BW – het arrest van de Hoge Raad van 21 maart 2003, ECLI:NL:2003:AF2683, rov. 3.4.4).

6.9.6.

[appellant] heeft in dit verband aangevoerd dat hij zich niet bewust was van zijn juridische positie jegens [stichting 2] en dat na het overlijden van [ex-echtgenote van appellant] gezien zijn rouwproces niet gevergd kon worden dat hij stappen ondernam om zijn juridische positie veilig te stellen. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een verklaring van een psycholoog en een forensisch maatschappelijk werker overgelegd (productie L, akte d.d. 23 september 2016).

Het hof volgt [appellant] hierin niet. In artikel 7:628 lid 2 BW is het initiatief gelegd bij de persoon die de huurovereenkomst wil voortzetten (zie ook voormeld arrest van de Hoge Raad). Aangenomen moet worden dat [appellant] wist dat hij geen (mede)huurder van de woning was, althans dat hij dit redelijkerwijs behoorde te begrijpen. Zoals hij tijdens het pleidooi desgevraagd heeft verklaard, was hij aanwezig bij het aangaan van de huurovereenkomst (op 29 maart 1982). De huurovereenkomst was op naam van [ex-echtgenote van appellant] gesteld en (alleen) zij heeft die als huurder ondertekend. Onomstreden is dat [ex-echtgenote van appellant] deze woning toen met voorrang had gekregen nadat zij was gescheiden van [appellant] . Ook door de echtscheiding had [appellant] moeten beseffen dat hij na het overlijden van [ex-echtgenote van appellant] niet zonder meer in de woning zou mogen blijven. Voor het oordeel dat hij door het rouwproces of om een andere reden niet in staat was om daartoe het initiatief te nemen bestaan onvoldoende aanknopingspunten. Voormelde verklaring van de psycholoog en de forensisch maatschappelijk werker is daarvoor in elk geval onvoldoende, reeds omdat daarin ook is vermeld dat [appellant] bij hen niet bekend was ten tijde van het overlijden van [ex-echtgenote van appellant] en zij daarom geen uitspraken kunnen doen over zijn destijds te nemen verantwoordelijkheden.

Reeds op grond van het voorgaande gaat het hof voorbij aan de stelling van [appellant] dat, nadat hem duidelijk was dat hij geen contractueel huurder was, hij adequate actie heeft ondernomen (met de brief van september 2015 om de huur op zijn naam te zetten).

6.9.7.

[appellant] heeft ook gesteld dat [stichting 2] wist, althans moest weten, dat hij in de woning zijn hoofdverblijf had. Daarbij heeft hij verwezen naar productie 8 bij productie B van de dagvaarding in eerste aanleg. Dit betreft een bewijs van de indiening van een aanvraag huursubsidie d.d. 22 mei 1990 bij het Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer. Daarop is een stempel geplaatst van woningbouwvereniging [woningbouwvereniging] (de rechtsvoorgangster van [stichting 2] ) met een paraaf. Dat [geïntimeerde] (dat wil zeggen, een van haar rechtsvoorgangsters) uit bepaalde feiten en omstandigheden had kunnen afleiden dat [ex-echtgenote van appellant] niet alleen in de woning woonde, acht het hof niet van betekenis voor de onderhavige beoordeling. Artikel 7:268 lid 2 BW legt het initiatief immers bij de persoon die de huurovereenkomst wil voortzetten. Gesteld noch gebleken is dat [appellant] (of [ex-echtgenote van appellant] ) in de jaren dat [appellant] en [ex-echtgenote van appellant] samen in de woning woonden [stichting 2] (of haar rechtsvoorgangster) heeft geïnformeerd dat ook [appellant] in de woning woont.

6.9.8.

Het hof ziet onder ogen dat, als [geïntimeerde] tot ontruiming zou overgaan, dit tot gevolg zou hebben dat [appellant] de woning waar hij inmiddels ruim zesendertig jaar woont zou moeten verlaten. Het hof tijdens het pleidooi nader onderzocht waarin het belang van [appellant] is gelegen om in de woning te blijven wonen. Van de zijde van [appellant] zijn daarbij geen uitzonderlijke omstandigheden naar voren gebracht. Het komt erop neer dat dit voor [appellant] (en zijn familie) een vertrouwde omgeving is. Hierdoor onderscheidt [appellant] zich niet op relevante wijze van andere personen die (moeten) verhuizen. Er zijn geen concrete aanwijzingen dat de leeftijd van [appellant] en/of zijn gezondheidstoestand aan verhuizing in de weg staan.

6.9.9.

Voorts betrekt het hof bij zijn oordeel dat [geïntimeerde] belang heeft bij handhaving van het wettelijk stelsel van huurrecht. Zij heeft erop gewezen dat de woning bestemd is voor een meerpersoonshuishouden, en niet voor [appellant] als alleenstaande. [geïntimeerde] heeft als woningcorporatie een publieke en sociale taak, gericht op een rechtvaardig woning- verdeelsysteem. Ook geeft de termijn van artikel 7:268 lid 2 BW haar zekerheid over wie er in de door haar verhuurde woningen achterblijft en wie zij kan aanspreken op de nakoming van de verplichtingen als huurder. Dit zo zijnde hoeft [geïntimeerde] niet in te gaan op het aanbod van [appellant] om een hogere huurprijs te betalen.

6.9.10.

Op grond van al het voorgaande is het hof van oordeel dat de kantonrechter de overschrijding van zesmaandstermijn – gelet op het voorgaande: terecht – niet heeft gesauveerd. Ook in hoger beroep heeft [appellant] geen bijzondere feiten of omstandigheden gesteld die, niettegenstaande de te betrachten terughoudendheid, het oordeel kunnen rechtvaardigen dat het beroep van [geïntimeerde] op het verstreken zijn van de termijn van artikel 7:268 lid 2 BW naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is.

6.9.11.

Voorts is in de gegeven omstandigheden, anders dan [appellant] meent, geen sprake van misbruik van bevoegdheid als bedoeld in artikel 3:13 BW of van een onrechtmatige daad als [geïntimeerde] zou overgaan tot ontruiming. [appellant] verblijft nu in de woning zonder recht of titel; hij is nooit de contractspartij/huurder van [geïntimeerde] (of haar rechtsvoorgangers) geweest en hij heeft de door de wetgever geboden mogelijkheid om het huurderschap (zonder instemming van de verhuurder) af te dwingen, niet benut. Ook het verweer van [appellant] op grond van artikel 3:303 BW kan niet slagen. In het bijzonder gelet op hetgeen hiervoor is overwogen in rov. 6.9.9 heeft [geïntimeerde] het vereiste belang bij haar rechtsvordering in deze.

6.9.12.

Ten slotte leidt het beroep op artikel 8 EVRM van [appellant] niet tot een ander oordeel. Daarbij is van betekenis dat [appellant] zijn woonbelang had kunnen veiligstellen door binnen de termijn van artikel 7:268 lid 2 BW bedoelde vordering in te stellen (en in de periode vóór overlijden van [ex-echtgenote van appellant] door – samen met [ex-echtgenote van appellant] – een verzoek tot medehuurderschap in te dienen).

6.9.13.

De slotsom is dat de grieven 2 tot en met 5 falen. Aan bewijslevering komt het hof niet toe.

6.10.

Grief 8 houdt in dat [appellant] ten onrechte is veroordeeld tot ontruiming. Uit al het vorenoverwogene volgt dat het hof zich verenigt met de beslissingen van de kantonrechter om de vorderingen in conventie af te wijzen en in reconventie toe te wijzen. Deze grief faalt dus eveneens.

6.11.

Grief 9 is gericht tegen de proceskostenveroordeling in eerste aanleg. Gelet op de uitkomst van de procedure is [appellant] zowel in conventie als in reconventie terecht in de proceskosten veroordeeld. Ook deze grief faalt ten slotte.

6.12.

Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het vonnis waarvan beroep dient te worden bekrachtigd. De vordering van [appellant] tot terugbetaling al hetgeen hij uit hoofde van het vonnis waarvan beroep heeft betaald vermeerderd met wettelijke rente, is daarom niet toewijsbaar. Als de in het ongelijk gestelde partij zal [appellant] worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep zoals door [geïntimeerde] gevorderd.

7 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 718,- aan griffierecht en op € 3.222,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 131,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 199,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.P. de Haan, J.M.H. Schoenmakers en M.J. Pesch en in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 augustus 2018.

griffier rolraadsheer