Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:363

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
13-02-2018
Zaaknummer
200.218.562_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet bescherming persoonsgegevens (Wbp) / verzoek ex art. 46 lid 1 Wbp/ procederen zonder advocaat (ook in hoger beroep) mogelijk / reikwijdte van het inzagerecht ex art. 35 Wbp / volledige harmonisatie van de Richtlijn 95/46/EG / reikwijdte IND-arrest en nadere nationale en concrete duiding, mede gezien ECLI:NL:PHR:2016:1 / ‘fishing expedition’ / beoordelingskader proceskosten / geen proceskostenveroordeling in beide instanties / bekrachtiging beschikking waarin het verzoek is afgewezen en vernietiging van de herstelbeschikking (waarin proceskostenveroordeling eerste aanleg)

Verwezen wordt naar ECLI:NL:GHSHE:2018:166

Wetsverwijzingen
Wet bescherming persoonsgegevens 46
Wet bescherming persoonsgegevens 35
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2018/159
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 1 februari 2018

Zaaknummer: 200.218.562/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/315706 / EX RK 16-21

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

procederend in persoon,

tegen

[bankiers] Bankiers N.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [bankiers] ,

advocaten: mrs. A.J. Haasjes en B.W. Wijnstekers te Amsterdam.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikkingen van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats

‘s-Hertogenbosch, van 21 maart 2017 en van 19 juni 2017 (herstelbeschikking).

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie van dit hof op 21 juni 2017, heeft [appellant] verzocht voornoemde beschikkingen te vernietigen en zijn verzoeken zoals geformuleerd in eerste aanleg alsnog volledig toe te wijzen, met veroordeling van [bankiers] in de kosten van het geding in beide instanties.

2.2.

Bij verweerschrift, ingekomen ter griffie op 22 augustus 2017, heeft [bankiers] verzocht bij beschikking uitvoerbaar bij voorraad [appellant] niet-ontvankelijk te verklaren in zijn beroep, althans zijn verzoek zoals neergelegd in het beroepschrift af te wijzen, met veroordeling van [appellant] in de kosten van beide procedures, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na deze beschikking tot aan de dag der algehele voldoening.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 25 oktober 2017. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant] ;

  • -

    de heer mr. [jurist bij Van Lanschot] , jurist bij [bankiers] , bijgestaan door mr. B.W. Wijnstekers.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg van 31 januari 2017;

  • -

    het formulier d.d. 13 oktober 2017 van [bankiers] , met bijlagen 3 en 4;

  • -

    de brief d.d. 19 oktober 2017 van [appellant] , met als bijlagen de stukken van eerste aanleg;

  • -

    de ter zitting overgelegde en voorgedragen pleitnota van mr. Wijnstekers.

3 De beoordeling

3.1.

Het gaat in deze zaak om het volgende.

- [appellant] en de aan hem verbonden Stichting Beheer Derdengelden [de stichting] (hierna: de Stichting) hadden bankrekeningen bij [bankiers] .

- Bij brief van 11oktober 2016 heeft [bankiers] de bankrelatie opgezegd en bij brief van 4 november 2016 deze opzegging nader toegelicht. Volgens [bankiers] - kort samengevat - had [appellant] de bank verzocht wekelijkse contante geldstortingen te faciliteren die afkomstig waren van [vennootschap naar Belgisch recht] , een Belgische vennootschap die - aldus [bankiers] - actief was in de raamprostitutie en waarvan de bestuurders banden zouden hebben in het criminele circuit. Voorts had [appellant] volgens [bankiers] oneigenlijk gebruik gemaakt van de derdengeldrekening doordat gelden over en weer werden geboekt met [appellant] zelf, en voldeed zijn profiel niet (meer) aan het doelgroepenbeleid van [bankiers] . [appellant] heeft daartegen geageerd en [bankiers] aansprakelijk gehouden voor zover zij daadwerkelijk de bankrelatie heeft beëindigd.

- Bij brief van 14 oktober 2016 heeft [appellant] aan [bankiers] gevraagd om overzicht en afschrift van al zijn persoonsgegevens hoe ook genaamd en in welke vorm dan ook door [bankiers] verwerkt, alsmede de ontvangers van deze gegevens en de beschikbare informatie over de herkomst van deze gegevens.

- [bankiers] heeft bij brief van 31 oktober 2016 op het verzoek van [appellant] gereageerd. In de brief heeft [bankiers] vermeld de volgende persoonsgegevens van [appellant] te hebben verwerkt: naam, adres, geboortedatum, geboorteplaats, geslacht, nationaliteit, identiteitskaartnummer, beroep, e-mailadres en telefoonnummer. Tevens heeft [bankiers] vermeld binnen welke categorie de persoonsgegevens vallen (NAW-gegevens), welke producten en diensten [appellant] afneemt (twee rekeningnummers), de informatiedragers waarin de persoonsgegevens zijn verwerkt (elektronische bestanden) en aan wie (de Belastingdienst) en voor welke doeleinden de persoonsgegevens zijn verwerkt (Identificatie, beoordeling en acceptatie van klanten, sluiten van uitvoeren van overeenkomsten en waarborgen van de veiligheid en integriteit van de financiële sector).

3.2.

[appellant] heeft op 14 december 2016 bij de rechtbank Oost-Brabant (zittingsplaats ’s-Hertogenbosch) een verzoekschrift ingediend, strekkende tot een veroordeling van [bankiers] op grond van artikel 46 lid 1 Wet bescherming persoonsgegevens (hierna: Wbp). Daarin heeft [appellant] de rechtbank verzocht:

1. [bankiers] te veroordelen om binnen vier weken na betekening van de beschikking aan hem mede te delen of door haar persoonsgegevens van [appellant] zijn en/of worden verwerkt met bepaling dat:

a. de schriftelijke mededeling van [bankiers] een volledig overzicht van [appellant] betreffende gegevens dient te bevatten;

b. de schriftelijke mededeling de doeleinden van de verwerking, de categorieën van gegevens waarop de verwerking betrekking heeft, de ontvangers van deze gegevens, alsmede de beschikbare herkomst van de gegevens dient te vermelden;

2. [bankiers] te veroordelen om binnen vier weken na betekening van de in deze te

geven beschikking aan [appellant] af te geven:

a. een fotokopie van alle stukken waarover [bankiers] beschikt en die [appellant] betreffende persoonsgegevens bevatten;

b. een afdruk in begrijpelijke en leesbare vorm, dan wel een digitale en met gangbare programmatuur benaderbare kopie, van alle elektronisch vastgelegde documenten en gegevens, e-mails daaronder begrepen, die betrekking hebben op [appellant] .

3. Te bepalen dat [bankiers] voor iedere dag dat zij in gebreke blijft om aan de

veroordelingen onder 1 en 2 te voldoen van een dwangsom van € 500,-- zal verbeuren;

4. [bankiers] te veroordelen in de kosten van de procedure, waaronder het salaris

van de gemachtigde van [appellant] .

3.3.

Bij beschikking van 21 maart 2017 - hersteld bij beschikking van 19 juni 2017 - heeft de rechtbank voornoemde verzoeken afgewezen en [appellant] veroordeeld in de kosten van de procedure in eerste aanleg.

De rechtbank is in haar beschikking nader ingegaan op de door [bankiers] aangehaalde uitspraak van het Hof van Justitie van de EU van 17 juli 2014 (ECLI:EU:C:2014:2081,

C-141/12 & C-372/12). De Rechtbank heeft voorts - samengevat - overwogen dat gezien de restrictieve interpretatie van het begrip persoonsgegevens door het Hof van Justitie, namelijk dat dit begrip ziet op ‘inhoudsgegevens’, [bankiers] met haar brief van 13 oktober 2016 reeds aan het verzoek van [appellant] op grond van artikel 35 Wbp, als verwoord onder 1a. en 1b. van het verzoekschrift, heeft voldaan. Met een verwijzing naar de uitspraak van het Hof van Justitie en de daarin vermelde beperkte reikwijdte van het inzagerecht kan [appellant] voorts niet afdwingen dat [bankiers] aan hem fotokopieën verstrekt van alle stukken die persoonsgegevens van hem bevatten, noch dat door [bankiers] afdrukken worden overgelegd van alle elektronisch vastgelegde documenten en gegevens, e-mails daaronder begrepen, die op hem betrekking hebben. De rechtbank wijst in dat verband wederom naar de brief van [bankiers] van 31 oktober 2016 waarbij een naar het de rechtbank voorkomt volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van al deze gegevens is gegeven. Daarom dient ook het verzoek zoals verwoord onder 2a. en 2b. van het verzoekschrift, te worden afgewezen.

3.4.

[appellant] kan zich met deze beschikking(en) niet verenigen. [appellant] heeft drie grieven aangevoerd.

In grief 1 stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen (in r.o. 4.3) dat het HvJ uitgaat van een beperkte interpretatie van het begrip persoonsgegevens, waarbij heeft te gelden dat zij alleen inhoudsgegevens (als naam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht, taal) als persoonsgegevens kwalificeert. Volgens [appellant] heeft het HvJ al lang aanvaard dat ook doelgegevens en resultaatinformatie onder het begrip persoonsgegevens vallen en waarvan het datasubject recht op inzage heeft. Voorts heeft de rechtbank miskend dat de Richtlijn 95/46 EG (de Privacyrichtlijn) een minimumharmonisatierichtlijn is en het de lidstaten vrijstaat om in hun nationale regelgeving verdergaande rechten op te nemen. Het begrip persoonsgegevens in de Wbp is breder.

In grief 2 stelt [appellant] dat het oordeel van de rechtbank dat [bankiers] met haar brief van 31 oktober 2016 (reeds) aan het verzoek heeft voldaan niet in stand kan blijven. [appellant] erkent dat het HvJ heeft geoordeeld dat geen fotokopieën van stukken behoeven te worden verstrekt waarin gegevens van het datasubject voorkomen, maar dat laat volgens [appellant] onverlet de verplichting van de verantwoordelijke om het te verstrekken overzicht zodanig vorm te geven dat daarin alle informatie die onder het begrip persoonsgegeven valt op begrijpelijke wijze is weergegeven. Dit impliceert onder meer dat het verband tussen en de samenhang van de onder het inzagebereik vallende gegevens uit een document niet verloren mogen gaan.

Grief 3 is een concluderende grief en gaat voorts over de proceskostenveroordeling. Volgens [appellant] is de proceskostenveroordeling van de datasubject alsmede de heffing van griffierecht in strijd met de Privacyrichtlijn en met artikel 47 van het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie.

3.5.

[bankiers] heeft verweer gevoerd.

Met betrekking tot grief 1 voert [bankiers] aan dat de extensieve uitleg die [appellant] aan het begrip persoonsgegeven geeft, onjuist is en nergens op is gebaseerd. Er is met de Privacyrichtlijn juist sprake van een maximumharmonisatie. Het begrip persoonsgegeven dient (Privacyrichtlijnconform) beperkt te worden uitgelegd, in die zin dat het enkel inhoudsgegevens betreft.

Met betrekking tot grief 2 voert [bankiers] aan dat door [appellant] niet wordt onderbouwd waarom het door de bank verstrekte overzicht niet tegemoet komt aan het doel waarvoor het inzagerecht is gegeven en dat uit het arrest van het HvJ volgt: de betrokkene moet met een beroep op het inzagerecht in staat worden gesteld kennis te nemen van de verwerkte persoonsgegevens en te kunnen controleren of deze gegevens in overeenstemming met de Privacyrichtlijn zijn verwerkt, opdat die betrokkene eventueel correctie- en verzetrechten kan uitoefenen.

Met betrekking tot grief 3 voert [bankiers] aan dat het doel en de strekking van de Privacyrichtlijn niet aan een kostenveroordeling in de weg staan. De regeling van de verzoekschriftenprocedure, dus ook artikel 289 Rv, is van toepassing op verzoeken ex artikel 46 Wbp. Ten aanzien van de heffing griffierecht geldt voorts nog dat de verplichting tot voldoening daarvan niet in deze appelprocedure aan de orde kan komen. Van strijd met artikel 47 Handvest is evenmin sprake. Hieruit volgt volgens [bankiers] niet dat een kostenveroordeling ontoelaatbaar is.

3.6.

Ter zitting in hoger beroep hebben beide partijen hun standpunten nader toegelicht. [appellant] heeft aanvullend aangevoerd dat uit het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 17 juli 2014, hierna te noemen het IND-arrest, meer specifiek uit de conclusie van de AG bij dat arrest, blijkt dat de feitelijke gegevens dienen te worden losgekoppeld van de juridische analysegegevens. Dat betekent in zijn geval dat [bankiers] niet de gevolgtrekking (juridische analyse), dat zij haar relatie met [appellant] opzegt vanwege zijn banden met het criminele milieu, aan hem hoeft te verstrekken. Maar [bankiers] dient hem wel de gegevens te verstrekken waaruit blijkt dat [appellant] , volgens de bank, een band heeft band met het criminele milieu. Met andere woorden [bankiers] dient hem de gegevens te verstrekken die de link tussen Azure en hem weergeven.

Procesrechtelijke aspecten

3.7.

Het hof overweegt allereerst als volgt.

3.7.1.

[appellant] procedeert (ook in hoger beroep) zonder advocaat. Het hof is van oordeel dat [appellant] in zijn hoger beroep kan worden ontvangen, op grond van het volgende.

3.7.1.1. Artikel 46 Wbp lid 4 luidt als volgt:

De indiening van het verzoekschrift behoeft niet door een advocaat te geschieden.”

3.7.1.2. Hoewel de wet het niet duidt, is het hof van oordeel dat dit ook geldt in hoger beroep, zulks onder verwijzing naar de uitspraken van de Hoge Raad van 26 oktober 2001 (ECLI:NL:HR:2001:AD2687) en 22 november 2002 (ECLI:NL:HR:2002:AE9245; NJ 2003/229). In beide arresten wordt het artikel 34 lid 6 van de Wet Persoonsregistraties (hierna: WPR) - in verbinding met artikel 23 lid 1 en lid 2 Wet politieregisters - aangehaald. Artikel 46 (lid 4) Wbp kan worden gelezen als de vervanger van artikel 34 (lid 6) WPR.

3.7.1.3. Artikel 34 lid 6 WPR verklaarde de twaalfde titel van het Eerste Boek (oud) van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (hierna: Rv) van toepassing, met uitzondering van artikel 429d, derde lid. Het derde lid van art. 429d Rv luidde:

"De indiening geschiedt in zaken waarvan een rechterlijk college of zijn president kennis neemt, door een procureur (…)".

Dit brengt mee dat procureursbijstand in verzoekschriftprocedures gebaseerd op 34 WPR niet is vereist.

Art. 429o Rv (oud), dat de indiening van het beroepschrift regelt, verwijst naar 429d Rv, zodat deze bepaling in beginsel ook in hoger beroep geldt. Nu echter art. 34 WPR voor de procedure verwijst naar de gehele twaalfde titel - inclusief de regeling voor het hoger beroep in art. 429o Rv - en hierbij art. 429d Rv algemeen van toepassing uitzondert, geldt deze uitzondering (geen verplichte procureur) ook in hoger beroep.

3.7.1.4. Artikel 34 lid 6 WPR bepaalde dus dat zowel in eerste aanleg als in hoger beroep de algemene regeling van de verzoekschriftprocedure (toen twaalfde titel van het Eerste Boek Rv) van toepassing was, met uitzondering van artikel 429d lid 3 Rv - thans vervangen door artikel 278 lid 3 Rv - zodat verplichte procureursbijstand in eerste aanleg, noch in hoger beroep werd voorgeschreven. De Wbp is de opvolger van de WPR en artikel 46 (lid 4) Wbp kan aldus worden gelezen als de vervanger van artikel 34 (lid 6) WPR. Nu uit de Memorie van Toelichting bij de Wbp niet blijkt dat het huidige artikel 46 lid 4 Wbp beperkter moet worden opgevat dan hetgeen werd voorgeschreven door artikel 34 lid 6 WPR (Tweede Kamer, vergaderjaar 1997-1998, 25 892, nr. 3, p. 25 en p. 175 (MvT)), moet het er naar het oordeel van het hof voor worden gehouden dat ook in hoger beroep een verzoekschrift mag worden ingediend dat niet door een advocaat is ondertekend (zie in gelijke zin ECLI:NL:GHSHE:2006:AV0012 en AV0011, ECLI:NL:GHSHE:2016;5515 en ECLI:NL:GHARN:2010:BN7839 en zie voorts ECLI:NL:GHDHA:2015:2332 en ECLI:NL:GHAMS:2011:BR3020).

3.7.1.5. De conclusie is dat [appellant] ontvangen kan worden in zijn verzoek(en) in hoger beroep.

3.7.2.

De grieven 1 en 2 lenen zich verder voor een gezamenlijke behandeling. Het hof zal hier nader op ingaan, na eerst aandacht te besteden aan het te hanteren beoordelingskader en de door partijen in dat verband betrokken stellingen als hierboven weergegeven.

Minimumharmonisatie of volledige harmonisatie?

3.7.2.1. In het arrest HvJ EG 6 november 2003 (C 101/2001, ECLI:EU:C:2003:596) inzake Bodil Linqvist heeft het Hof van Justitie zich uitgesproken over de vraag of de richtlijn 95 /46/EG van 25 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (hierna de Richtlijn), mede gezien de tekst van considerans onderdeel 8 van de Richtlijn, volledige harmonisatie beoogt:

“95 Zoals met name blijkt uit punt 8 van de considerans van richtlijn 95/46, wil die richtlijn de bescherming van de rechten en vrijheden van personen op het stuk van de verwerking van persoonsgegevens in alle lidstaten op hetzelfde niveau brengen. Punt 10 van de considerans voegt daaraan toe dat de onderlinge aanpassing van de ter zake geldende nationale wetgevingen niet tot een verzwakking van de aldus geboden bescherming mag leiden, maar juist erop gericht moet zijn een hoog beschermingsniveau in de Gemeenschap te waarborgen.

96 De harmonisatie van vorenbedoelde nationale wettelijke regelingen beperkt zich dus niet tot een minimumharmonisatie maar dient in beginsel tot een volledige harmonisatie te leiden .vet, hof DB] Vanuit die optiek wil richtlijn 95/46 het vrije verkeer van persoonsgegevens verzekeren maar tevens een hoog beschermingsniveau verzekeren van de rechten en belangen van de personen waarop die gegevens betrekking hebben.

97 Richtlijn 95/46 kent de lidstaten op bepaalde gebieden inderdaad een manoeuvreerruimte toe, en machtigt hen bijzondere regelingen voor specifieke situaties te handhaven of in te voeren, zoals uit een groot aantal van haar bepalingen blijkt. Die mogelijkheden dienen echter op de in richtlijn 95/46 voorgeschreven wijze te worden benut overeenkomstig haar doel dat erin bestaat een evenwicht tussen het vrije verkeer van de persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te verzekeren.

98 Daarentegen verzet niets zich ertegen dat een lidstaat de draagwijdte van de nationale wettelijke regeling tot omzetting van de bepalingen van richtlijn 95/46 uitbreidt tot niet onder de werkingssfeer daarvan vallende gebieden vet, hof DB], voorzover geen enkele andere bepaling van gemeenschapsrecht daaraan in de weg staat.

99 Gelet op die overwegingen, moet op de zevende vraag worden geantwoord, dat de maatregelen van de lidstaten om de bescherming van de persoonsgegevens te waarborgen, moeten stroken met zowel de bepalingen van richtlijn 95/46 als haar doel dat erin bestaat een evenwicht tussen het vrije verkeer van de persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer te verzekeren. Daarentegen verzet niets zich ertegen dat een lidstaat de draagwijdte van de nationale wettelijke regeling tot omzetting van de bepalingen van richtlijn 95/46 uitbreidt tot niet onder de werkingssfeer daarvan vallende gebieden, voorzover geen enkele andere bepaling van gemeenschapsrecht daaraan in de weg staat.

3.7.2.2. [appellant] kan derhalve in beginsel worden gevolgd in zijn standpunt dat er nog wel enige ruimte bestond (en bestaat) onder de Richtlijn voor enige aanvullende regelgeving (zie ook hierna). Nader zal worden bezien in hoeverre dat ook aan de orde is op door de Richtlijn wel bestreken gebieden, zoals bijvoorbeeld ten aanzien van artikel 35 Wbp dat ertoe strekt artikel 12 van de Richtlijn, als te lezen in samenhang met onder meer artikel 2 Richtlijn, te implementeren ten aanzien van o.m. het ter inzage kunnen verkrijgen van ‘persoonsgegevens’ (als bedoeld in artikel 1 onder a Wbp en artikel 2 Richtlijn).

3.7.2.3. Het hof zal dan ook bij de uitleg van artikel 35 Wbp de door het HvJ gegeven uitleg van artikelen 2 en 12 Richtlijn, als onder meer te vinden in het IND arrest (HvJ 17 juli 2014, C-141/12 en C-372/12; ECLI:EU:C:2014:2081), waar beide partijen naar hebben verwezen, tot uitgangspunt nemen.

Reikwijdte van het IND arrest en nadere nationale en concrete duiding.

3.7.2.4. Het Hof van Justitie EG heeft op 17 juli 2014 (C-141/12 & 372/12, ECLI:EU:C:2014:2081) in twee gevoegde zaken zich uitgelaten omtrent de uitleg van “persoonsgegevens” en de reikwijdte van het inzagerecht van artikel 12 Richtlijn, en wel in een Nederlandse zaak waarin artikel 35 Wbp derhalve eveneens aan de orde was.

Het hof overweegt onder meer:

37 In dit verband dient in herinnering te worden gebracht dat artikel 2, sub a, van richtlijn 95/46 „persoonsgegevens” omschrijft als „iedere informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon”.

38 Het lijdt geen twijfel dat de gegevens betreffende de aanvrager van een verblijfstitel die in een minuut staan, zoals diens naam, geboortedatum, nationaliteit, geslacht, etniciteit, religie en taal, informatie vormen betreffende deze natuurlijke persoon, die in die minuut wordt geïdentificeerd door onder meer zijn naam, en dat die informatie bijgevolg moet worden aangemerkt als „persoonsgegevens” (zie in die zin met name arrest Huber, C 524/06, EU:C:2008:724, punten 31 en 43). 39 De juridische analyse in een minuut kan daarentegen weliswaar persoonsgegevens bevatten, maar vormt op zich niet een dergelijk gegeven in de zin van artikel 2, sub a, van richtlijn 95/46.

40 Zoals in wezen is opgemerkt door de advocaat-generaal in punt 59 van haar conclusie alsmede door de Nederlandse, de Tsjechische en de Franse regering, vormt een dergelijke juridische analyse immers geen informatie over de aanvrager van de verblijfstitel, maar hooguit, voor zover die analyse niet beperkt blijft tot een zuiver abstracte uitlegging van het recht, informatie over de beoordeling en de toepassing van dat recht door de bevoegde autoriteit op de situatie van de aanvrager, waarbij die situatie met name wordt vastgesteld middels de hem betreffende persoonsgegevens waarover die autoriteit beschikt.

41 Die uitlegging van het begrip „persoonsgegevens” in de zin van richtlijn 95/46 volgt niet alleen uit de bewoordingen van artikel 2, sub a, daarvan, maar vindt tevens steun in het doel en de opzet ervan.

42 Volgens artikel 1 ervan beoogt deze richtlijn in verband met de verwerking van persoonsgegevens de fundamentele rechten en vrijheden van natuurlijke personen, inzonderheid hun persoonlijke levenssfeer, te beschermen en zo het vrije verkeer van deze gegevens tussen de lidstaten mogelijk te maken.

43 Volgens punt 25 van de considerans van richtlijn 95/46 komen de daarin vervatte beginselen van bescherming van natuurlijke personen enerzijds tot uiting in de verplichtingen die worden opgelegd aan de personen die de die personen betreffende verwerkingen uitvoeren, en anderzijds in het feit dat aan personen wier gegevens het voorwerp van verwerkingen zijn, het recht wordt verleend om daarvan in kennis te worden gesteld, tot die gegevens toegang te krijgen, de rectificatie ervan te verlangen en zelfs om zich in bepaalde omstandigheden tegen verwerking te verzetten.

44 Wat deze in richtlijn 95/46 bedoelde rechten van de betrokkene betreft, moet worden vastgesteld dat de bescherming van het fundamentele recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer met name impliceert dat de betrokkene zich ervan kan vergewissen dat zijn persoonsgegevens juist zijn en rechtmatig worden verwerkt . vet, hof DB] Zoals blijkt uit punt 41 van de considerans van deze richtlijn, moet de betrokkene, teneinde de nodige controles te kunnen verrichten, krachtens artikel 12, sub a, daarvan over het recht beschikken om toegang te verkrijgen tot de hem betreffende gegevens die het voorwerp van een verwerking vormen. Dit recht op toegang is met name noodzakelijk opdat de betrokkene eventueel van de voor de verwerking verantwoordelijke gedaan kan krijgen dat deze zijn gegevens rectificeert, uitwist of afschermt, en bijgevolg het in artikel 12, sub b, van die richtlijn bedoelde recht kan uitoefenen (zie in die zin arrest Rijkeboer, C 553/07, EU:C:2009:293, punten 49 en 51).

45 Anders dan de gegevens betreffende de aanvrager van de verblijfstitel die in de minuut staan en de feitelijke basis kunnen vormen voor de juridische analyse daarin, kan een dergelijke analyse, zoals de Nederlandse en de Franse regering hebben opgemerkt, zelf niet door die aanvrager worden gecontroleerd op de juistheid ervan en worden gerectificeerd uit hoofde van artikel 12, sub b, van richtlijn 95/46.

46 In die omstandigheden zou met de uitbreiding van het recht op inzage van de aanvrager van een verblijfstitel tot die juridische analyse in werkelijkheid niet het doel van deze richtlijn worden gediend, dat erin bestaat de bescherming van het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van die aanvrager te waarborgen met betrekking tot de verwerking van hem betreffende gegevens, maar het doel dat erin bestaat hem een recht van toegang tot bestuurlijke documenten te verzekeren, waarop richtlijn 95/46 echter niet ziet.

(….) 48 Uit het voorgaande volgt dat op de eerste en de tweede vraag in zaak C 141/12 en op de vijfde vraag in zaak C 372/12 dient te worden geantwoord dat artikel 2, sub a, van richtlijn 95/46 in die zin moet worden uitgelegd dat de gegevens over de aanvrager van een verblijfstitel die in de minuut zijn weergegeven, en in voorkomend geval die welke in de juridische analyse in die minuut zijn weergegeven, „persoonsgegevens” zijn in de zin van deze bepaling, maar dat die analyse als zodanig niet aldus kan worden gekwalificeerd.

(...) 57 Hoewel richtlijn 95/46 de lidstaten aldus verplicht te waarborgen dat iedere betrokkene van de voor de verwerking van persoonsgegevens verantwoordelijke verstrekking kan verkrijgen van alle hem betreffende gegevens van deze aard die deze verantwoordelijke verwerkt, laat zij het aan de lidstaten over om te bepalen welke concrete materiële vorm die verstrekking moet krijgen, mits deze „begrijpelijk” is . [vet, hof DB] Dat wil zeggen dat de betrokkene daardoor in staat wordt gesteld kennis te nemen van die gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met deze richtlijn, opdat die betrokkene eventueel de hem bij de artikelen 12, sub b en c, 14, 22 en 23 daarvan verleende rechten kan uitoefenen (zie in die zin arrest Rijkeboer, EU:C:2009:293, punten 51 en 52).

58 Voor zover aan de met dat recht op inzage nagestreefde doelstelling volledig kan worden voldaan met een andere vorm van verstrekking, kan de betrokkene dus noch aan artikel 12, sub a, van richtlijn 95/46 noch aan artikel 8, lid 2, van het Handvest het recht ontlenen om een afschrift te verkrijgen van het originele document of bestand waarin die gegevens staan. vet, hof DB] Teneinde de betrokkene geen toegang te geven tot andere informatie dan de hem betreffende persoonsgegevens, kan hij een afschrift krijgen van het originele document of bestand waarin die andere informatie onleesbaar is gemaakt.”

3.7.2.5. [appellant] heeft zich tijdens de mondelinge behandeling nog uitdrukkelijk beroepen op de conclusie van Advocaat-Generaal Sharpston bij het IND arrest van 12 december 2013 (C-141/12 & 372/12, ECLI:EU:C:2014:2081), meer in het bijzonder de onderdelen 70 tot en met 80.

Bedoelde onderdelen bevatten de navolgende inhoud:
70.

De verwijzende rechter in zaak C-372/12 wijst in dit verband ook op artikel 8, lid 2, van het Handvest. Hoewel artikel 8 van het Handvest werd opgesteld tegen de achtergrond van onder meer richtlijn 95/46, kent het een zelfstandig recht toe op de bescherming van persoonsgegevens.

Het formuleert evenwel geen eigen norm inzake de vorm waarin inzage moet worden gegeven. Gelezen in samenhang met de beginselen van evenredigheid en rechtszekerheid, leg ik artikel 8, lid 2, van het Handvest aldus uit dat inzage niet verder hoeft te gaan dan noodzakelijk is om het doel ervan te bereiken en de betrokkene volledig op de hoogte te brengen van de persoonsgegevens die door deze bepaling worden beschermd. Het vereiste van artikel 12 van richtlijn 95/46 is met deze beginselen in overeenstemming. Ik acht een afzonderlijke bespreking van de vorm van inzage in het licht van artikel 8 van het Handvest derhalve overbodig.

71.

Richtlijn 95/46 verleent geen recht van toegang tot elk document of dossier waarin persoonsgegevens worden vermeld of gebruikt. Evenmin beperkt zij de materiële vorm waarin de persoonsgegevens ten aanzien waarvan zij de toegang waarborgt, moeten worden verstrekt.

72.

De richtlijn bepaalt wel dat de gegevens die worden verwerkt alsmede alle beschikbare informatie over de oorsprong van de gegevens „in begrijpelijke vorm” aan de betrokkene worden verstrekt.

73.

Al naargelang de omstandigheden kan een afschrift nodig noch voldoende zijn.

74.

Richtlijn 95/46 vereist niet dat persoonsgegevens waartoe een recht van toegang bestaat, worden verstrekt in de materiële vorm waarin zij zijn vervat of oorspronkelijk werden vastgelegd. In dat opzicht beschikt elke lidstaat over een ruime beoordelingsvrijheid om op basis van de specifieke omstandigheden van elk geval, de vorm te bepalen waarin hij persoonsgegevens toegankelijk maakt.

75.

Bij die beoordeling dient een lidstaat in het bijzonder rekening te houden met: (i) de materiële vorm(en) waarin die informatie is vervat en aan de betrokkene kan worden verstrekt, (ii) de aard van de persoonsgegevens en (iii) de ratio van het recht van toegang.

76.

Wat betreft het eerste punt: persoonsgegevens kunnen in verschillende vormen zijn vervat. Gegevens die bijvoorbeeld tijdens een gesprek zijn opgenomen en vervolgens opgeslagen, kunnen berusten op een geluidsband of een elektronisch bestand, of zijn uitgeschreven. Wanneer persoonsgegevens zijn ontleend aan een gesprek, schrijft artikel 12 van richtlijn 95/46 derhalve niet voor of die gegevens verstrekt moeten worden in de vorm van de geluidsband, het elektronische bestand, de uitgeschreven versie of van een andere drager. Ongeacht de gekozen vorm dienen de gegevens evenwel beschikbaar te worden gesteld in een stoffelijke vorm die duurzaam is en een volledig samenstel van persoonsgegevens kan bevatten.

77.

Ten tweede garandeert artikel 12 van richtlijn 95/46 de betrokkene toegang tot zijn of haar aan verwerking onderworpen persoonsgegevens, maar niet tot enige andere informatie, bijvoorbeeld die aangaande een andere betrokkene. Daarom moet zowel een overzicht van de persoonsgegevens in (bijvoorbeeld) een afzonderlijk document als een afschrift van de minuut waarin alles wat geen persoonsgegeven is wordt gewist of onleesbaar gemaakt, als geldige vorm worden aangemerkt. Een document dat slechts data en tijden van telefonische oproepen vanaf een mobiel nummer vermeldt, moet echter wellicht volledig worden getoond, omdat het verstrekken van die informatie in een andere vorm niet praktisch of denkbaar is.

78.

Ten derde moeten de verstrekte gegevens het de betrokkene mogelijk maken de inhoud ervan te vernemen en te begrijpen, en zo nodig de rechten uit te oefenen die artikel 12, sub b en c, van richtlijn 95/46 hem verleent, of bijvoorbeeld het recht om zich tegen de verwerking van zijn persoonsgegevens te verzetten (artikel 14) en om zich tot de rechter te wenden wanneer hij schade lijdt (artikelen 22 en 23). De gegevens moeten derhalve een vorm hebben die de betrokkene in staat stelt deze te raadplegen en te begrijpen, zich van de juistheid en de rechtmatigheid van de verwerking te vergewissen, om de rectificatie ervan te verlangen en om zich eventueel tegen (verdere) verwerking te verzetten. De vorm van inzage is zo tevens afhankelijk van de rechten die de betrokkene beoogt uit te oefenen.

79.

Het feit dat persoonsgegevens zijn vervat in een document als een minuut, geeft de betrokkene niet automatisch een recht op die materiële vorm, dat wil zeggen, een afschrift of uittreksel van dat document.

Uitzonderingen en beperkingen (zesde vraag in zaak C-372/12)

80.

Ik heb mij op het standpunt gesteld dat richtlijn 95/46 geen grondslag biedt om toegang tot een juridische analyse in een minuut te verlangen. Hieruit volgt dat het niet nodig is om een weigering tot het verlenen van toegang te rechtvaardigen met een beroep op artikel 13 van de richtlijn.

3.7.2.6. Uit bovengenoemd citaat blijkt dat ook de AG - net zoals het Hof van Justitie - ruimte ziet voor nationale invulling van de vorm waarin persoonsgegevens ter inzage worden verstrekt, mits voldaan wordt aan het gestelde kader (HvJ r.o. 57; AG onderdeel 78). Anders dan door [appellant] betoogd leest het hof in het citaat echter niet dat elk digitaal gegeven of bestand waarin persoonsgegevens voorkomen als zodanig en in totaliteit ook kwalificeert als ‘persoonsgegeven”.


3.7.2.7. Uit het IND arrest blijkt juist dat het HvJ EU een beperkte uitleg geeft aan ‘persoonsgegevens’ waarvan inzage moet worden geboden, zoals door dit hof in zijn arrest van 11 december 2014 (ECLI:NL:GHSHE:2014:5221) als volgt samengevat:

7.3. Volgens het Hof van Justitie zijn de gegevens over de aanvrager van een verblijfstitel die in de ‘minuut’ zijn weergegeven, en in voorkomend geval die welke in de juridische analyse in die minuut zijn weergegeven, “persoonsgegevens” in de zin van artikel 2, sub a, van de Richtlijn, maar kan die analyse als zodanig niet aldus worden gekwalificeerd (arrest van het Hof van Justitie, punten 38 en 39).

7.4.

Bijgevolg heeft het recht op inzage waarop deze aanvrager zich krachtens artikel 12, sub a, van de Richtlijn en artikel 8, lid 2, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie kan beroepen, uitsluitend betrekking op die gegevens (toevoeging hof: en niet op de juridische analyse als zodanig) (arrest van het Hof van Justitie, punt 59).

7.5.

Opdat aan dit recht op inzage wordt voldaan, volstaat het dat aan de aanvrager van de verblijfstitel een volledig overzicht, in begrijpelijke vorm, van al deze gegevens wordt gegeven, dat wil zeggen in een vorm die deze aanvrager in staat stelt kennis te nemen van die gegevens en te controleren of zij juist zijn en zijn verwerkt in overeenstemming met de(ze) richtlijn, opdat hij eventueel de hem bij die richtlijn verleende rechten kan uitoefenen (arrest van het Hof van Justitie, punt 59):

3.7.2.8. In genoemd arrest uit 2014 heeft dit hof vervolgens ten aanzien van een verzoek (r.o. 7.12.5) “onder punt B. van dat petitum om de Rabobank te veroordelen om aan [verzoeker] c.s. “kopieën en/of afschriften en/of uittreksels te verstrekken van alle [cursivering: hof DB] bescheiden waarop de persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. en/of hun vennootschappen voorkomen”, overwogen dat (r.o. 7.12.6) “Het verzoek van [verzoeker] c.s. heeft aldus betrekking op een groot aantal bescheiden, terwijl van meer dan een vermoeden dat de gevraagde bescheiden meer of andere persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. bevatten dan die reeds aan hen zijn verstrekt, geen sprake is”.

3.7.2.9. Dit heeft het hof in bedoeld arrest uit 2014 tot het oordeel gebracht dat “Deze formulering is zo weinig specifiek, dat de Rabobank gedwongen wordt alle bij haar aan te treffen (digitale) documenten, niet één uitgezonderd, te doorzoeken om daaruit die stukken te selecteren waarin (telkens) tenminste één van de persoonsgegevens van [verzoeker] c.s. voorkomt en in dat verband kosten te maken”, hetgeen het hof in genoemd arrest tot het eindoordeel brengt dat “Hiermee is het hof van oordeel dat het kennisnemingsverzoek van [verzoeker] c.s. zo weinig concreet is dat gesproken moet worden van een ontoelaatbare “fishing expedition”.

3.7.2.10. Tegen genoemd arrest van het hof is cassatieberoep ingesteld, dat door de Hoge Raad is verworpen met een beroep op artikel 81 RO (HR 25 maart 2016, ECLI:NL:HR:2016:508).
In de conclusie van AG Wuisman van 15 januari 2016 (ECLI:NL:PHR:2016:1) bij het arrest van de Hoge Raad van 25 maart 2016 staat onder meer opgenomen:

2.2.1. De klacht slaagt niet. Hetgeen het hof in de rov. 7.12.1 t/m 7.12.3 overweegt, moet men bezien in het licht van zijn vaststelling in rov. 7.8 dat [verzoeker] c.s. de uitspraak van het Hof van Justitie aldus interpreteren dat er een recht bestaat op inzage in èlk stuk waarin persoonsgegevens zijn verwerkt en dat [verzoeker] c.s. dan ook van mening zijn dat Rabobank hen inzage moet geven in àlle in hun verzoekschrift genoemde bescheiden, de interne notities van medewerkers van Rabobank daaronder begrepen, voor zover daarin persoonsgegevens zijn verwerkt. Dat standpunt verwerpt het hof in de rov. 7.12.1 t/m 7.12.3. Voor wat artikel 12 aanhef en sub a EG-richtlijn 95/46 betreft doet het hof dat terecht, gelet op rov. 59 van de uitspraak van 17 juli 2014 van het Hof van Justitie. Maar ook voor artikel 35 Wbp geldt dat dat artikel niet zonder meer recht geeft op inzage in een (afschrift van een) stuk, waarin een persoonsgegeven is opgenomen [vet, hof DB]. Zoals uit het hiervoor in 2.3 vermelde citaat uit rov. 3.6 van het Dexia-arrest van 29 juni 2007 blijkt, hangt het van de omstandigheden af of inzage dient te worden verleend in (een afschrift van) het stuk waarin een persoonsgegeven is opgenomen.
Bedoeld citaat luidt als volgt: (…)

“Verder zal de verantwoordelijke bij de voldoening aan de door artikel 35 lid 2 Wbp op haar gelegde verplichting om aan de betrokkenen een volledig overzicht van de verwerkte persoonsgegevens te verschaffen niet mogen volstaan met de verstrekking van globale informatie, doch zal zij alle relevante informatie over de betrokkene moeten verschaffen, hetgeen, afhankelijk van de omstandigheden, vaak zal kunnen – en zo nodig op aanwijzing van de rechter zal moeten – gebeuren door het verstrekken van afschriften, kopieën of uittreksels.”

Voorts overweegt de AG Wuisman in zijn conclusie (onderdeel 2.9.1 )
(…) “Gelet op wat het hof in de rov. 7.13.5 t/m 7.12.6 en 7.12.7 overweegt, valt veeleer aan te nemen dat het hof met ‘fishing expedition’ in rov. 7.12.8 niet meer beoogt aan te geven dan dat het algemene verzoek van [verzoeker] c.s. een veel te omvangrijke en daarmee kostbare zoektocht binnen bij Rabobank aanwezige documenten, waaronder ook documenten van digitale aard, meebrengt en dat dit in redelijkheid niet van Rabobank valt te vergen. Dit vindt nog hierin bevestiging dat het hof in rov. 7.12.8 over het kennisnemingsverzoek van [verzoeker] c.s. opmerkt dat het zo weinig concreet is. Een en ander voert tot de slotsom dat de klachten in de onderdelen 9 en 10 geen doel treffen wegens gemis aan feitelijke grondslag”.

3.7.3.

In de onderhavige zaak is eveneens (zie r.o. 3.2.) sprake van een algemeen verzoek en heeft [bankiers] zich er eveneens op beroepen dat [appellant] misbruik van bevoegdheid maakt (spreekaantekeningen onderdeel 2; verweerschrift eerste aanleg onderdeel 25). Tevens heeft [bankiers] zich erop beroepen dat [appellant] in het geheel niet duidelijk heeft gemaakt waarom het aan hem verstrekte overzicht als opgenomen in de brief van 31 oktober 2016 niet zou voldoen.

3.7.4.

[appellant] heeft zich in algemene zin erop beroepen dat van hem als datasubject niet kan worden verlangd dat hij specificaties geeft. Voor zover voorts [appellant] tijdens de mondelinge behandeling heeft beoogd zijn verzoek aan te vullen, verzet de in vaste jurisprudentie aangenomen “twee conclusieregel” (zie recent o.m. HR 22 december 2017, ECLI: NL:HR:2017: 3238) zich ertegen dat het hof daar thans op ingaat.

3.7.5.

Voor zover [appellant] heeft beoogd zich aan de twee conclusieregel of andere regels van appelprocesrecht te onttrekken door zich te beroepen op de verplichting van het hof over te gaan tot ambtshalve toetsing geldt het volgende.
Door [appellant] is niet toegelicht hoe de door hem in algemene zin aangehaalde rechtspraak ter zake ambtshalve toetsing in consumentenzaken in de onderhavige zaak ook toepassing zou (dienen te) vinden. Nu het [appellant] bovendien vrijstaat op korte termijn (“vrijelijk en met redelijke tussenpozen”, artikel 35 lid 1 Wbp) een gericht en duidelijk onderbouwd nieuw verzoek te doen aan [bankiers] , vermag het hof voorts niet in te zien dat en zo ja welk ambtshalve optreden zijnerzijds hier aan de orde zou (kunnen) zijn.

3.7.6.

In het onderhavige geval is in ieder geval van een concreet en - mede in het licht van de al wel verstrekte informatie - nader onderbouwd verzoek geen sprake.
Het voorgaande betekent dat het hof in het onderhavige geval eveneens sprake acht van een ‘fishing expedition”, nu [appellant] (althans geacht moet worden) slechts een algemeen verzoek heeft (te hebben) gedaan zonder ook maar een begin van verduidelijking te geven waar hij, gegeven de informatieverstrekking als opgenomen in de brief van 31 oktober 2016, meer duidelijkheid over wenst.

3.7.7.

Voor zover [appellant] daarenboven onverkort om afschriften (“fotokopie”/kopie) heeft verzocht geldt dat ingevolge het IND arrest [appellant] daarop in beginsel geen onverkorte aanspraak heeft, gezien hetgeen het Hof van Justitie in genoemd arrest in overweging 58 heeft overwogen (hiervoor reeds weergegeven onder r.o. 3.7.2.4. (eind)).

3.7.8.

Artikel 15 van de Algemene Verordening Gegevensbescherming (EU) 2016/679 (AVG), waar [appellant] zich eveneens op heeft beroepen, mist gezien artikel 99 lid 2 AVG temporele toepassing, zoals [bankiers] ook heeft aangevoerd. De AVG is immers eerst met ingang van 25 mei 2018 van toepassing.

Proceskosten

3.8.1.

In het kader van grief 3 bestrijdt [appellant] de – alsnog bij herstelbeschikking – aan hem opgelegde veroordeling in de proceskosten van [bankiers] in eerste aanleg. Hetgeen [appellant] in dat verband aanvoert geldt evenzeer onverkort voor de beoordeling of in hoger beroep een proceskostenveroordeling aan de orde is, zoals overigens door [bankiers] expliciet verzocht. Ingevolge artikel 32 lid 3 Rv staat tegen de herstelbeschikking tot aanvulling van de oorspronkelijke beschikking wel hoger beroep open en via het beroepschrift is dit tijdig door [appellant] ingesteld.

3.8.2.

Voor zover [appellant] bezwaar heeft tegen het hem in hoger beroep opgelegde griffierecht, geldt dat daartoe een aparte procedure dient te worden gevolgd. Het hof is er ambtshalve mee bekend dat [appellant] deze procedure ook aanhangig heeft gemaakt bij dit hof onder zaaknummer 200.221.396/01.

3.8.3.

Het hof acht het zinvol ook hier eerst aandacht te besteden aan het beoordelingskader, als nader geschetst in HvJ EU 27 september 2017 C-73/16 inzake Peter Puškár tegen Finančné riaditeľstvo Slovenskej republiky, Kriminálny úrad finančnej správy, ECLI:EU:C:2017:725. Het Hof van Justitie overweegt onder meer:

54 Artikel 22 van richtlijn 95/46 verlangt uitdrukkelijk dat de lidstaten bepalen dat eenieder zich tot de rechter kan wenden wanneer de rechten die hem worden gegarandeerd door het op de betrokken verwerking van persoonsgegevens toepasselijke nationale recht worden geschonden.


55 Die richtlijn, die geen bepaling bevat die specifiek regelt onder welke voorwaarden dat beroep kan worden ingesteld, sluit echter niet uit dat het nationale recht ook de beroepsmogelijkheden bij de bestuurlijke instanties vastlegt. Integendeel, voormeld artikel 22 geeft uitdrukkelijk aan dat de lidstaten „[o]nverminderd de administratieve voorziening die met name bij de in artikel 28 [van richtlijn 95/46] bedoelde toezichthoudende autoriteit kan worden getroffen voordat de zaak aanhangig wordt gemaakt voor de rechter” bepalen dat eenieder zich tot de rechter kan wenden.(… )

57 Het is immers vaste rechtspraak van het Hof dat het overeenkomstig het in artikel 4, lid 3, VEU neergelegde beginsel van loyale samenwerking aan de rechterlijke instanties van de lidstaten is om de rechterlijke bescherming van de rechten die de justitiabelen aan het Unierecht ontlenen te verzekeren, waarbij de lidstaten voorts bij artikel 19, lid 1, VEU de verplichting wordt opgelegd te voorzien in de nodige rechtsmiddelen om daadwerkelijke rechtsbescherming op de onder het Unierecht vallende gebieden te verzekeren (zie onder meer arresten van 8 november 2016, Lesoochranárske zoskupenie VLK, C 243/15, EU:C:2016:838, punt 50, en van 26 juli 2017, Sacko, C 348/16, EU:C:2017:591, punt 29).

58 Deze aan de lidstaten opgelegde verplichting beantwoordt aan het recht dat is neergelegd in artikel 47 van het Handvest, met het opschrift „Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht”, op grond waarvan eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, recht heeft op een doeltreffende voorziening in rechte (zie in die zin arresten van 16 mei 2017, Berlioz Investment Fund, C 682/15, EU:C:2017:373, punt 44, en van 26 juli 2017, Sacko, C 348/16, EU:C:2017:591, punt 30).


59 Hieruit volgt dat wanneer de lidstaten de procedurele bepalingen vastleggen voor beroepen in rechte die worden ingesteld ter vrijwaring van de door richtlijn 95/46 toegekende rechten, zij de eerbiediging moeten waarborgen van het in artikel 47 van het Handvest neergelegde recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht, dat een herbevestiging van het beginsel van effectieve rechterlijke bescherming vormt (zie in die zin arresten van 15 september 2016, Star Storage e.a., C 439/14 en C 488/14, EU:C:2016:688, punt 46, en van 26 juli 2017, Sacko, C 348/16, EU:C:2017:591, punt 31)

60 Derhalve moeten de kenmerken van het in artikel 22 van richtlijn 95/46 bedoelde beroep worden bepaald in overeenstemming met artikel 47 van het Handvest (zie naar analogie arresten van 17 december 2015, Tall, C 239/14, EU:C:2015:824, punt 51, en van 26 juli 2017, Sacko, C 348/16, EU:C:2017:591, punt 31). (…)

70 In dit verband heeft het Hof reeds geoordeeld dat het – in artikel 47 van het Handvest herbevestigde – beginsel van effectieve rechterlijke bescherming niet in de weg staat aan nationale rechtsvoorschriften die het voeren van een buitengerechtelijke procedure van bemiddeling en mediation als voorwaarde stellen om beroep in rechte op het gebied van elektronischecommunicatie- en consumentendiensten te kunnen instellen, indien deze procedure niet tot een bindende beslissing voor de partijen leidt, geen wezenlijke vertraging voor het instellen van beroep in rechte meebrengt, de verjaring van de betrokken rechten schorst en geen of zeer geringe kosten meebrengt voor de partijen, mits de elektronische weg niet de enige manier van toegang tot die procedure vormt en voorlopige maatregelen kunnen worden gelast in de uitzonderlijke gevallen waarin de spoedeisendheid van de situatie dit verlangt (zie in die zin arresten van 18 maart 2010, Alassini e.a., C 317/08–C 320/08, EU:C:2010:146, punt 67, en van 14 juni 2017, Menini en Rampanelli, C 75/16, EU:C:2017:457, punt 61).(…)

75 Zoals de advocaat-generaal in de punten 68 en 69 van haar conclusie met betrekking tot de kosten van voorafgaand administratief bezwaar ook heeft opgemerkt, staat het de lidstaten in beginsel weliswaar vrij om een passende vergoeding voor de instelling van beroep voor een bestuurlijke instantie vast te stellen, maar mag die vergoeding niet op een niveau liggen waardoor zij de uitoefening van het door artikel 47 van het Handvest gewaarborgde recht op een doeltreffende voorziening in rechte kan belemmeren .vet, hof DB] Daarbij moet in aanmerking worden genomen dat die heffing kosten doet ontstaan naast de kosten voor de voorziening in rechte. [vet, hof DB]

76 Gelet op al het voorgaande moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat artikel 47 van het Handvest aldus moet worden uitgelegd dat het niet in de weg staat aan nationale wettelijke bepalingen op grond waarvan een persoon die beweert dat zijn door richtlijn 95/46 gewaarborgde recht op bescherming van persoonsgegevens is geschonden, pas beroep in rechte kan instellen nadat hij eerst de beschikbare administratieve beroepswegen heeft uitgeput, mits de wijze waarop in concreto over die beroepswegen kan worden beschikt, het in die bepaling bedoelde recht op een doeltreffende voorziening in rechte niet onevenredig aantast. In het bijzonder mag voorafgaande uitputting van de beschikbare administratieve beroepswegen de instelling van beroep in rechte niet in aanzienlijke mate vertragen, moet de verjaring van de betrokken rechten erdoor worden geschorst en mogen er geen buitensporig hoge kosten vet, hof DB] aan verbonden zijn.

3.8.4.

Bovenstaande overwegingen van het Hof van Justitie geven het hof in dat in het kader van verzoeken en beroepen als gerelateerd aan de Wbp (als geïmplementeerd ter uitvoering van de Richtlijn) in beginsel reden is de verzoeker/ natuurlijk persoon die van zijn rechten in het kader van de Wbp/ Richtlijn gebruik maakt en in dat kader een gerechtelijke procedure aanhangig maakt, ook als hij in het ongelijk wordt gesteld, niet in de proceskosten te veroordelen van de aangesproken bewerker van zijn persoonsgegevens. Dit brengt - als bestreken door artikel 289 Rv - de aard van de procedure, als nader te duiden in de sleutel van hetgeen het Hof van Justitie in bovengenoemd arrest overweegt, met zich.

3.8.5.

Voor zover de regel als onder meer voortvloeiend uit HR 4 december 2015 (ECLI:NL:HR: 2015: 3477), inhoudende dat afwijzing van het beroep van de oorspronkelijk verzoeker moet leiden tot bekrachtiging en kostenveroordeling, in het onderhavige geval ook geldt, is het hof van oordeel dat die regel in dit verband, mede gezien de gebruikelijk te begroten omvang van de kosten van rechtsbijstand in zowel eerste aanleg als hoger beroep, als mede belemmerend voor bovenstaande positie van de verzoeker en dus ten aanzien van door de Richtlijn bestreken verzoeken als in strijd met artikel 47 Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie moet worden aangemerkt. Het hof zal bedoelde regel om die reden buiten toepassing laten.

3.8.6.

Grief 3 als gericht tegen de beschikking van 19 juni 2017 slaagt derhalve. Aldus zal het hof dan ook onverkort gebruik maken van haar in artikel 289 Rv neergelegde bevoegdheid ook voor zover het de eerste aanleg betreft, nu het beroep van [appellant] zich ook specifiek tegen de proceskostenveroordeling als zodanig richt, los van de uitkomst van de inhoudelijke kant van het hoger beroep en overigens daadwerkelijk een verschil van inzicht ter zake de uitvoering van de Wbp aan de orde is (geweest). Het hof zal dan ook in beide instanties een proceskostenveroordeling achterwege laten en de beschikking van 19 juni 2017 als betrekking hebbend op de proceskostenveroordeling in eerste aanleg vernietigen.

3.9.

De beschikking van 21 maart 2017 waarvan beroep zal worden bekrachtigd. De beschikking van 19 juni 2017 zal worden vernietigd. Hetgeen door [appellant] respectievelijk [bankiers] in hoger beroep en eerste aanleg meer of anders is verzocht, zal worden afgewezen.

4 De beslissing

Het hof:

bekrachtigt de beschikking van de rechtbank van 21 maart 2017 waarvan beroep,

vernietigt de beschikking van de rechtbank van 19 juni 2017 waarvan beroep,

en opnieuw rechtdoende:

wijst af het in eerste aanleg en hoger beroep meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. R.R.M. de Moor, S.M.A.M. Venhuizen en T. van der Valk en in het openbaar uitgesproken op 1 februari 2018.