Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3629

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
28-08-2018
Datum publicatie
04-09-2018
Zaaknummer
200.199.722_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:584, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Dexia waiverzaak: beroep op verjaring en art. 1:88 jo art. 1:89 BW

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Burgerlijk Wetboek Boek 1 89
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.199.722/01

arrest van 28 augustus 2018

in de zaak van

Dexia Nederland B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als Dexia,

advocaat: mr. I.M.C.A. Reinders Folmer te Amsterdam,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. J.B. Maliepaard te Bleiswijk,

op het bij exploot van dagvaarding van 8 maart 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 11 februari 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats Eindhoven, gewezen tussen Dexia als eiseres en [geïntimeerde] als gedaagde.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 3739149 CV EXPL 15-23)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord met productie;

  • -

    de akte van [geïntimeerde] ;

  • -

    de antwoordakte met productie van Dexia.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan worden uitgegaan van de volgende feiten.

a. Tussen Dexia en [geïntimeerde] zijn op respectievelijk 5 juli 1996 en 23 oktober 2000 twee overeenkomsten van effectenlease gesloten met respectievelijk de nummers [nummer 1] en [nummer 2] (productie 2 bij dagvaarding). [geïntimeerde] is deze overeenkomsten met geleend geld aangegaan.

b. Ten tijde van het sluiten van beide overeenkomsten was [geïntimeerde] gehuwd met [echtgenote] .

c. De overeenkomst d.d. 5 juli 1996 met nummer [nummer 1] heeft geresulteerd in een batig saldo. Op de overeenkomst d.d. 23 oktober 2000 met nummer [nummer 2] heeft [geïntimeerde] een verlies geleden.

d. Op 13 maart 2003 heeft onder andere de Stichting [stichting] op de voet van art. 3:305a BW Dexia gedagvaard voor de rechtbank Amsterdam (hierna: de [stichting] procedure). Gevorderd werd daarin voor recht te verklaren (vordering A:) dat op de door Dexia aangeboden leaseovereenkomsten het bepaalde in art. 1:88 en 1:89 BW van toepassing is en (vordering B:) dat de leaseovereenkomsten die in de periode van 29 januari 2000 tot en met 1 mei 2002 zonder toestemming van de echtgenoot of geregistreerd partner met Dexia zijn gesloten, vernietigd zijn, althans vernietigbaar zijn op grond van art. 1:89 BW (hierna samen: de collectieve actie). Bij vonnis van 25 augustus 2004 heeft de rechtbank Amsterdam vordering A toegewezen en vordering B afgewezen.

e. Gedurende het door Dexia tegen dit vonnis ingestelde hoger beroep is tussen Dexia en de betrokken belangenorganisaties - waaronder de Stichting [stichting] - een schikking tot stand gekomen, die is neergelegd in een "Hoofdovereenkomst" van

23 juni 2005.

f. In augustus 2005 is de [stichting] procedure geroyeerd.

g. Op 18 november 2005 hebben Dexia en (onder andere) de Stichting [stichting] een verzoek als bedoeld in art. 7:709 BW ingediend bij het Gerechtshof Amsterdam en daarin verzocht om de tussen hen bereikte minnelijke regeling verbindend te laten verklaren (hierna: de WCAM-procedure).

h. Bij brief van 22 maart 2006 heeft [echtgenote] ter zake van de overeenkomst met nummer [nummer 2] aan Dexia onder meer het volgende meegedeeld (productie 2 conclusie van antwoord):

" (…) Mij is onlangs gebleken dat door mijn echtgenoot bovengenoemd contract is afgesloten.

Ik heb daarvoor geen toestemming verleend en ik vernietig hierbij het contract op grond van de artikelen 1:88 lid 1 sub d en 89 BW. (…)"

i. Bij beschikking van het gerechtshof Amsterdam van 25 januari 2007 is de WCAM- overeenkomst verbindend verklaard. Het geheel van de hier bedoelde afspraken wordt aangeduid als de Duisenbergregeling.

j. [geïntimeerde] heeft door middel van een schriftelijke mededeling (opt-outverklaring) als bedoeld in art. 7:908 lid 2 BW tijdig laten weten dat hij niet gebonden wenst te zijn aan de Duisenbergregeling.

k. Bij brief d.d. 25 januari 2012 heeft [geïntimeerde] aan Dexia laten weten dat hij zijn rechten ten aanzien van alle vorderingen op Dexia voorbehoudt.

l. Bij brief van 19 augustus 2014 heeft Dexia aan [geïntimeerde] meegedeeld dat hij onder het Hofmodel geen aanspraak meer kan maken op een schadevergoeding van Dexia (productie 6 bij dagvaarding). [geïntimeerde] is hierbij de mogelijkheid geboden om aan te tonen dat hij desondanks nog recht zou hebben op enige schadevergoeding en hem werd verzocht, voor het geval hij zou menen dat hij geen recht meer had op enige schadevergoeding, om een bijgevoegde waiver te ondertekenen en te retourneren.

m. Dexia heeft binnen de in de brief genoemde termijn van een maand geen reactie van [geïntimeerde] ontvangen.

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert Dexia een verklaring voor recht dat Dexia ten aanzien van de tussen haar en [geïntimeerde] gesloten overeenkomsten van effectenlease met nummers [nummer 1] en [nummer 2] aan al haar verplichtingen heeft voldaan en derhalve niets meer aan [geïntimeerde] verschuldigd is, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding.

3.2.2

[geïntimeerde] heeft gemotiveerd verweer gevoerd. [geïntimeerde] voert, kort samengevat, aan dat zijn echtgenote bij brief van 22 maart 2006 de verlieslatende overeenkomst met nummer [nummer 2] op grond van art. 1:88 BW heeft vernietigd, zodat hij een vordering heeft op Dexia uit hoofde van onverschuldigde betaling, zodat de vordering van Dexia moet worden afgewezen. Dat verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.3.

In het eindvonnis van 11 februari 2016 heeft de kantonrechter de vordering van Dexia afgewezen, met veroordeling van Dexia in de proceskosten.

3.4.

Dexia heeft in hoger beroep één grief aangevoerd. Dexia heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vordering, met veroordeling van [geïntimeerde] in de kosten van het geding in beide instanties.

3.5.

De grief komt erop neer dat de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld dat het beroep van [geïntimeerde] op vernietiging van de effectenleaseovereenkomst met nummer [nummer 2] op 22 maart 2006 door [echtgenote] doel treft, zodat de vordering van Dexia wordt afgewezen. Met deze grief komt de vraag aan de orde of het beroep op verjaring van de bevoegdheid om de effectenleaseovereenkomst te vernietigen slaagt, zoals Dexia stelt en [geïntimeerde] betwist.

3.6.

De grief faalt. Het hof overweegt te dien aanzien als volgt.

De effectenleaseovereenkomst moet worden aangemerkt als overeenkomst van koop op afbetaling (huurkoop) in de zin van art. 1:88 lid 1, aanhef en onder d BW. Op grond van art. 1:88 lid 1 sub d BW geldt dat voor het aangaan van een effectenleaseovereenkomst, nu deze worden aangemerkt als huurkoop, de schriftelijke toestemming van de echtgenoot van de afnemer was vereist. Artikel 1:89 lid 1 BW biedt de niet-handelende echtgenoot als geen toestemming voor het sluiten van de effectenleaseovereenkomst is verleend de mogelijkheid de effectenleaseovereenkomst te vernietigen. Uit artikel 3:52 lid 1 aanhef en onder d BW in samenhang met artikel 1:89 lid 1 BW volgt dat de rechtsvordering tot vernietiging van een overeenkomst wegens het ontbreken van de krachtens artikel 1:88 BW vereiste toestemming verjaart na drie jaren gerekend vanaf het moment waarop deze bevoegdheid tot vernietiging aan de echtgenote van wie de toestemming vereist was, ten dienste is komen te staan.

3.6.1.

Volgens vaste rechtspraak vangt de verjaringstermijn van de rechtsvordering tot vernietiging aan op het moment dat de betrokken echtgenoot daadwerkelijk – subjectief – bekend is geworden met het bestaan van de overeenkomst. Beslissend zijn de feiten en omstandigheden die bij de echtgenoot bekend zijn en niet de bekendheid van de echtgenoot met de juridische beoordeling daarvan. Het gaat erom wanneer de echtgenoot wist van de overeenkomst en niet om de vraag op welk moment de echtgenoot wist of begreep dat hij bevoegd was de effectenleaseovereenkomst te vernietigen (HR 10 juli 2015, ECLI:NL:HR:2015:1866). Daarnaast geldt dat op degene die zich op verjaring beroept, in dit geval Dexia, de stelplicht rust en, bij voldoende betwisting, de bewijslast van de feiten en omstandigheden waaruit die bekendheid van de echtgenoot met de overeenkomst kan worden afgeleid.

3.6.2.

Dexia stelt dat de echtgenote van [geïntimeerde] vanaf het moment van het sluiten van de overeenkomst op de hoogte was van het bestaan van de overeenkomst. Dit is door [geïntimeerde] erkend, althans niet weersproken, zodat op dat moment (23 oktober 2000) de verjaringstermijn voor de vernietiging van de overeenkomst is aangevangen. De verjaringstermijn voor vernietiging op deze grond bedraagt drie jaren (en eindigt daarmee dus op 23 oktober 2003), zodat de buitengerechtelijke vernietiging van de effectenleaseovereenkomst door de echtgenote van [geïntimeerde] d.d. 22 maart 2006 - meer dan drie jaren na dat moment - niet tijdig heeft plaatsgevonden, tenzij de verjaring daarvoor al was gestuit.

3.6.3.

[geïntimeerde] stelt dat de verjaring tijdig is gestuit door het uitbrengen van de dagvaarding door onder meer de Stichting [stichting] op 13 maart 2003 in een collectieve actie op de voet van art. 3:305a BW.

Dexia voert in de toelichting op de grief aan dat die [stichting] procedure in juni 2005 door een minnelijke regeling (of in ieder geval in augustus 2005 door royement) is beëindigd in de zin van art. 3:316 lid 2 BW en niet, zoals de kantonrechter ten onrechte heeft geoordeeld, pas met de beëindiging van de WCAM procedure. Aangezien de echtgenote van [geïntimeerde] pas in maart 2006 een vernietigingsverklaring heeft afgelegd, derhalve meer dan zes maanden na het einde van de [stichting] procedure, is de rechtsvordering tot vernietiging van de overeenkomst volgens Dexia verjaard.

3.6.4.

Het hof neemt in aanmerking dat de Hoge Raad in zijn arrest van 9 oktober 2015 (ECLI:NL:HR:2015:3018) heeft geoordeeld dat als gevolg van de op 13 maart 2003 ingestelde collectieve actie door onder meer de Stichting [stichting] de bevoegdheid van de echtgenoten tot het uitbrengen van een buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging is gestuit. Omdat voor de onderhavige rechtsvordering tot vernietiging een verjaringstermijn van drie jaar geldt, betekent dit dat de bevoegdheid tot vernietiging van de echtgenoten is gestuit voor alle overeenkomsten die zijn gesloten vanaf 13 maart 2000, waaronder begrepen de onderhavige overeenkomst die op 23 oktober 2000 is gesloten met [geïntimeerde] .

3.6.5.

Uit het arrest van de Hoge Raad van 19 mei 2017 (ECLI:NL:HR:2017:936) blijkt voorts dat de eenmaal aangevangen stuiting doorloopt tot 6 maanden na het einde van de collectieve procedure. Die procedure is op 25 januari 2007, met de beslissing op het verzoek tot verbindendverklaring van de WCAM-overeenkomst, geëindigd op andere wijze dan door toewijzing van de vordering (zoals bedoeld in artikel 3:316 lid 2 BW). Derhalve diende, tot behoud van de stuitende werking van die procedure, uiterlijk op 25 juli 2007 een vordering of buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomsten te worden ingesteld, respectievelijk uitgebracht.

3.6.6.

Dexia heeft bij antwoordakte in hoger beroep betoogd dat de motivering van de Hoge Raad in voormeld arrest van 19 mei 2017 berust op een onjuiste feitelijke vaststelling, welke vaststelling dragend is voor het uiteindelijke oordeel. De Hoge Raad overweegt volgens Dexia ten onrechte dat partijen zich bij de Hoofdovereenkomst ertoe hebben verbonden om de overeenkomst op de voet van art. 7:907 BW verbindend te doen verklaren. Dit is volgens Dexia onjuist. Dexia had juist de mogelijkheid om hiervoor te kiezen, en als zij dat deed, dan waren de belangenorganisaties verplicht hieraan mee te werken. Deze onjuiste vaststelling leent zich voor eenvoudig herstel, volgens Dexia. Dexia verwijst daarbij naar de door de cassatieadvocaat [cassatieadvocaat] aan de Hoge Raad verstuurde brief (productie 1, antwoordakte). Dexia is dan ook van mening dat nog geen duidelijkheid kan worden gegeven over de einddatum van de collectieve actie en verzoekt dan ook om het wijzen van het arrest waarbij deze einddatum een rol speelt, aan te houden.

3.6.7.

Het hof passeert het verzoek om aanhouding en overweegt te dien aanzien als volgt.

Los van de vraag of Dexia zich in de Hoofdovereenkomst heeft verbonden om de overeenkomst op de voet van art. 7:907 BW verbindend te doen verklaren, stelt het hof vast dat Dexia het daartoe strekkende verzoek op 18 november 2005 tijdig heeft ingediend bij het gerechtshof te Amsterdam. Met dit verzoek is de op 13 maart 2003 reeds aangevangen stuitende werking van de verjaring in stand gebleven tot en met 25 juli 2007.

3.6.8.

In de onderhavige zaak is de buitengerechtelijke verklaring tot vernietiging van de effectenleaseovereenkomst door de echtgenote van [geïntimeerde] op 22 maart 2006 aan Dexia uitgebracht, zodat deze vernietiging tijdig heeft plaatsgevonden.

3.6.9.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep op verjaring van Dexia van de bevoegdheid om de effectenleaseovereenkomst (buitengerechtelijk) te vernietigen door de echtgenote van [geïntimeerde] niet slaagt, zodat deze overeenkomst rechtsgeldig is vernietigd en hij een vordering heeft op Dexia uit hoofde van onverschuldigde betaling.

3.7.

Dit betekent dat de onderhavige vordering van Dexia op de door haar gestelde grond niet toewijsbaar is, omdat thans niet kan worden vastgesteld dat zij niets meer aan [geïntimeerde] is verschuldigd.

3.8.

Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het hof tot dezelfde conclusie komt als de kantonrechter, namelijk dat de vordering van Dexia moet worden afgewezen. Dexia heeft voor het overige geen feiten en omstandigheden gesteld die, indien bewezen, tot een ander oordeel leiden, zodat haar bewijsaanbod als niet terzake dienend wordt gepasseerd.

3.9.

Dexia zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van het hoger beroep, waaronder begrepen de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf de vijftiende dag na deze uitspraak.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis, waarvan beroep;

veroordeelt Dexia in de proceskosten van het hoger beroep en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van [geïntimeerde] op € 314,- aan griffierrecht en op € 1.611,- aan salaris advocaat, en voor wat betreft de nakosten op € 157,- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 239,- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden en

bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in art. 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening;

verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.J. Verhoeven, E.A.M. van Oorschot en M.W.M. Souren en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 28 augustus 2018.

griffier rolraadsheer