Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3618

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
30-08-2018
Datum publicatie
13-09-2018
Zaaknummer
200.239.777_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vernietiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw nu schuldenaar ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest op grond van honorering beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 30 augustus 2018

Zaaknummer : 200.239.777/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/01/331827 FT RK 18/231

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. O.A. Huisman te Maastricht.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Oost-Brabant van 18 mei 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 25 mei 2018, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en te bepalen dat hij wordt toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, dan wel te bepalen dat de behandeling in hoger beroep wordt aangehouden alsmede aan hem een termijn te verlenen om eventuele tekortkomingen in het beroepschrift te herstellen, op het moment dat het hof ter zitting niet direct kan vaststellen of aan de verplichtingen van de schuldsaneringsregeling is voldaan.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 22 augustus 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    [appellant] , bijgestaan door mr. Huisman,

  • -

    mevrouw [beschermingsbewindvoerder] in haar hoedanigheid van informante, hierna te noemen: de beschermingsbewindvoerder.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 18 mei 2018;

- het indieningsformulier met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 4 juli 2018;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 27 juni 2018 en 29 juni 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit haar uitlatingen zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid zij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellant] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellant] blijkt een totale schuldenlast van € 26.840,83. Daaronder bevinden zich een viertal belastingschulden voor een totaalbedrag van € 11.275,33 alsmede een schuld aan het UWV van € 7.763,43. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellant] afgewezen.

De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.2.3. Het is aan verzoeker om voldoende aannemelijk te maken dat hij te goeder trouw is geweest ten aanzien van zijn schulden. Hierin is hij naar het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de schulden aan de belastingdienst en het UWV niet geslaagd. De rechtbank merkt daarbij op dat voorgaande vorderingen tezamen zo'n 65% van de totale schuldenlast van verzoeker beslaan. Met betrekking tot de schulden aan de belastingdienst en het UWV verwijst de rechtbank naar "Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling' (hierna: Bijlage IV), behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken (hierna: het Procesreglement).

Daarin is onder meer het volgende bepaald: "Van een situatie als bedoeld in artikel 288. eerste lid. aanhef en onder b Fw is in beginsel geen sprake, indien in de in dit artikel genoemde periode van vijf jaar (..) de verzoeker schulden heeft aan het UWV of de Belastingdienst die betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen of het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting.

Met betrekking tot de belastingschulden overweegt de rechtbank dat die schulden zijn ontstaan als gevolg van het meermalen niet (tijdig) verstrekken van de juiste gegevens aan de belastingdienst. Hierdoor heeft de belastingdienst verzoeker steeds teveel toeslagen uitbetaald. Voornoemde schulden dienen naar hun aard in beginsel te worden aangemerkt als schulden welke niet te goeder trouw zijn ontstaan. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden die tot een ander oordeel leiden. Dat verzoeker een tijd lang wisselende inkomsten had maakt dit niet anders. Verzoeker had elke verhoging van zijn inkomen immers direct moeten melden bij de fiscus, en hij had bovendien rekening moeten houden met een terugvordering van (reeds) teveel ontvangen gelden. Het voorgaande geldt ook voor de schuld aan het UWV. Een schuld aan een uitkeringsinstantie die is ontstaan als gevolg van het niet (tijdig) verstrekken van (inkomens)gegevens dient naar zijn aard in beginsel ook te worden aangemerkt als een schuld welke niet te goeder trouw is ontstaan. Verzoeker had kunnen en moeten begrijpen dat hij geen recht had op een WW-uitkering naast zijn inkomen uit arbeid. Gesteld noch gebleken is van omstandigheden die tot een ander oordeel leiden.”

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. Het is juist te stellen dat er schulden zijn ontstaan bij het UWV doordat [appellant] een WW-uitkering heeft ontvangen welke hij moest terug betalen. [appellant] was in de veronderstelling dat de betalingen vanuit het UWV klaarblijkelijk terecht waren. Hij heeft immers meermalen gebeld met het UWV waarbij hem telkenmale werd verteld dat hij daadwerkelijk recht had op deze betalingen. Dat deze betalingen onterecht zijn verricht staat vast. Het is echter gezien de inspanningen van [appellant] te kort door de bocht om te stellen dat de schuld die het gevolg is van deze ten onrechte gedane betalingen niet te goeder trouw is ontstaan. De schuld bij de belastingdienst is inderdaad het gevolg van het niet tijdig doorgeven van wijzigingen in het inkomen zoals de rechter in eerste aanleg terecht opmerkt. Hierbij dient echter een kanttekening te worden gemaakt. Ten gevolge van het te laat doorgeven van wijzigingen heeft [appellant] teveel toeslagen ontvangen. Hij is in de problemen geraakt in verband met de terugbetaling hiervan, maar heeft niet moedwillig valse gegevens doorgegeven. [appellant] ziet echter wel in dat hij anders had moeten handelen. Hierbij moet niet uit het oog worden verloren onder welke omstandigheden vorenstaande heeft plaatsgevonden. Namelijk de omstandigheid dat hij verslaafd was aan cannabis. Hij is met succes behandeld voor zijn verslaving bij Trubendorffer te [vestigingsplaats] , een gespecialiseerde instelling om verslavingsproblematiek aan te pakken. De behandeling is in 2016 succesvol afgerond en [appellant] is genezen van zijn verslaving. Daar de behandelend specialist inmiddels niet meer werkzaam is bij voornoemde instelling heeft [appellant] geen verklaring kunnen overleggen van het met succes afronden van deze behandeling. Tevens dient hierbij te worden opgemerkt dat [appellant] diepgaand inzicht heeft getoond in zijn eigen problematiek door bewindvoering aan te vragen en zichzelf onder behandeling te stellen. Vorenstaande omstandigheden zijn bij de behandeling van het verzoekschrift in eerste aanleg - naar het zich laat aanzien - onvoldoende aan bod gekomen. Voor zover nodig doet [appellant] expliciet een beroep op toepassing van artikel 288 lid 3 Fw. Er zijn drie omstandigheden, of buffers, die zullen voorkomen dat hij wederom in financiële moeilijkheden zal komen indien hij zal worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling. Enerzijds is daar de begeleiding van zijn beschermingsbewindvoerder en anderzijds is daar de begeleiding vanuit de verslavingszorg waarop [appellant] te allen tijde een beroep kan doen mocht een terugval dreigen. Ten derde, en dit is wellicht het meest belangrijke aspect, hij heeft zelf inzicht getoond, hij is zich bewust van zijn valkuilen en weet hoe te handelen indien er gebeurtenissen zijn waar hij niet mee weet om te gaan. [appellant] is zich bewust van het gevaar dat schuilt in het onbetaald laten van rekeningen en het voeren van een slechte financiële administratie, aldus [appellant] .

3.6.

Hieraan is door en namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellant] geeft aan dat de vermelding op zijn verklaring ex artikel 284 Fw, dat er van een verslaving geen sprake zou zijn (geweest), op een omissie berust. Er is in het verleden immers sprake geweest van een cannabisverslaving, zodanig dat [appellant] feitelijk de hele dag onder invloed was, hetgeen zijn inschattingsvermogen en vermogen tot het maken van de juiste keuzes destijds danig heeft beïnvloed. Als gevolg hiervan zijn dan ook de schulden aan het UWV en de Belastingdienst ontstaan. [appellant] heeft onder invloed van cannabis niet adequaat gehandeld. Hij is echter tot inkeer gekomen, is met professionele hulp van de cannabis afgekickt, heeft een beschermingsbewindvoerder in de arm genomen en beschikt over een inkomen uit arbeid zodat er recent geen nieuwe schulden meer zijn ontstaan. De belastingschuld uit 2017 ziet immers op een naheffing zorgtoeslag over 2015. Overigens heeft [appellant] de gelden welke hij aan het UWV en de Belastingdienst had dienen te voldoen niet aangewend voor de aankoop van cannabis: hij heeft hiervan onder meer een nieuw paspoort voor zijn toenmalige vriendin bekostigd. De bedoeling was dat zij na aankomst in Nederland ook een inkomen zou gaan genereren, maar vanwege een hartaandoening, waaraan zij ook geopereerd is, is het hier niet van gekomen, met alle gevolgen voor hun gezamenlijke financiële huishouding van dien. [appellant] heeft ook al het nodige op zijn schuldenlast afgelost. Zijn inkomen bij zijn vorige werkgever bedroeg circa € 2.000,00 netto, zodat er ook de nodige afloscapaciteit aanwezig was. Bij zijn huidige werkgever verdient hij echter nog maar circa € 1.700,00 bruto, hetgeen zijn aflossingscapaciteit drastisch heeft ingeperkt. Tot slot geeft de advocaat van [appellant] aan dat het wellicht raadzaam zou zijn als [appellant] in de toekomst nog een behandeling of therapie zou ondergaan teneinde de onderliggende problematiek, welke ook mede aanleiding voor het ontstaan van de toenmalige cannabisverslaving zou zijn geweest, aan te pakken. [appellant] zelf ziet de toekomst zonnig in. Hij geeft met betrekking tot zijn cannabisgebruik nadrukkelijk en bij herhaling aan al enige jaren abstinent te zijn en thans bezig te zijn om onder doktersbegeleiding ook te stoppen met roken. Hij geeft aan een baan te hebben welke hij, indien hij zal worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling, niet alleen zal kunnen behouden, maar waarbinnen hij buiten zijn reguliere werktijden in de avonduren ook een opleiding tot facilitair medewerker zal kunnen gaan volgen. [appellant] overweegt een extra baan te zoeken voor zaterdag en zondag. [appellant] herhaalt en benadrukt derhalve zijn beroep op de hardheidsclausule.

3.7.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – desgevraagd nog het volgende aangevoerd. De beschermingsbewindvoerder is, nadat het bewind als zodanig in oktober 2016 is opgestart, zelf sinds 1 juli 2017 in beeld. Zij benadrukt dat [appellant] voorafgaand aan zijn toelatingsverzoek een betalingsregeling had met het UWV, maar dat deze, vanwege het toelatingsverzoek, in overleg met het UWV tot 1 september 2018 is “geparkeerd”. Wat [appellant] op dit moment met zijn huidige inkomen aan de boedel zou kunnen gaan aflossen weet de bewindvoerder nog niet. Hiertoe zal een nieuwe vtlb-berekening gemaakt moeten worden/ Bij de laatste vtlb-berekening is immers nog uitgegaan van het oude inkomen van [appellant] . Tot slot geeft de beschermingsbewindvoerder aan dat [appellant] een stabiele indruk maakt, veel contact met haar onderhoudt, zeer gemotiveerd is om zijn schulden af te lossen en nimmer enig blijk of indicatie van een (gecontinueerde) cannabisverslaving heeft gegeven.

3.8.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.8.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.8.2.

Er is, zoals door [appellant] zowel in zijn beroepschrift als bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep nadrukkelijk is erkend, sprake van schulden aan de Belastingdienst en het UWV. Schulden aan het UWV of de Belastingdienst die, zoals in onderhavige zaak het geval is, betrekking hebben op een opgelegde boete, het niet nakomen van aangifteverplichtingen, het niet nakomen van verplichtingen tot afdracht van (omzet)belasting of wanneer door de verzoeker genoten uitkeringen wegens fraude zijn teruggevorderd dienen ingevolge punt 5.4.4. van de “Bijlage IV landelijk uniforme beoordelingscriteria toelating schuldsaneringsregeling” behorend bij het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken en welke bepaling uiting geeft aan de jurisprudentie op dit punt, naar zijn aard in beginsel te worden aangemerkt als schulden welke niet te goeder trouw zijn ontstaan. Het hof is reeds op grond hiervan van oordeel dat niet voldoende aannemelijk is gemaakt dat [appellant] ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het betreffende verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest. Het hof gaat hierbij voorbij aan het, overigens eerst in hoger beroep geformuleerde, verweer van [appellant] dat het ontstaan en onbetaald laten van deze schulden hem in mindere mate zou zijn toe te rekenen nu hij destijds, onder constante invloed van cannabis, niet in staat zou zijn geweest tot het maken van beredeneerde en logische beslissingen met betrekking tot zijn financiële huishouding. Het hof baseert zijn oordeel hierbij mede op de eigen verklaring van [appellant] zoals deze gevoegd was bij zijn toelatingsverzoek en waarin [appellant] de door hem naar aanleiding van zijn constatering dat hij mogelijk ten onrechte een uitkering genoot ondernomen acties nauwgezet uiteengezet heeft. Daarbij is het hof, zo cannabisgebruik al aan de verwijtbaarheid als zodanig af zou kunnen doen, van oordeel dat geenszins is gebleken dat de daarbij door [appellant] in zijn woorden ‘gemaakte fouten’ (deels) aan zijn cannabisgebruik zouden kunnen worden toegeschreven.

3.8.3.

[appellant] doet tevens een beroep op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw. Hij is van mening dat hij de omstandigheden die bepalend zijn geweest voor het ontstaan en onbetaald laten van zijn schulden thans duurzaam onder controle heeft gekregen. Zo stelt [appellant] allereerst uitdrukkelijk dat hij met betrekking tot zijn cannabisgebruik inmiddels ruim twee jaren geheel abstinent is. Dat hij hiertoe geen recent afgegeven verklaring als bedoeld in artikel 5.4.2. van voornoemde bijlage kan overleggen is volgens [appellant] een gevolg van het feit dat hij sindsdien, nu er van een cannabisverslaving geen enkele sprake meer is, ook geen reguliere behandeling of begeleiding meer heeft plaatsgevonden. Uit de door [appellant] hiertoe wel overgelegde rapportage, in casu de rapportage van Trubendorffer Ambulante Verslavingsbehandeling van oktober 2016, blijkt dat er destijds sprake was van een nog prille abstinentie. Het hof ziet daarbij geen aanleiding dan wel indicaties dat [appellant] sinds oktober 2016 wel weer (met enige regelmaat) cannabis zou zijn gaan gebruiken en merkt in het kader van de toetsing van het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule daarbij bovendien nog op dat uit de stukken noch het verhandelde ter zitting in hoger beroep kan worden afgeleid dat de voormalige cannabisverslaving, en de eventueel daaruit voortvloeiende gedragsverandering, van grote dan wel enig invloed op het ontstaan en onbetaald laten van de schuldenlast is geweest, behoudens de logische conclusie dat [appellant] voor de aanschaf van cannabis gelden moet hebben aangewend die hij daardoor niet ter aflossing op zijn schuldenlast heeft kunnen aanwenden.

3.8.4.

Voorts geeft [appellant] aan dat hij thans, vanaf oktober 2016, onder beschermingsbewind staat, dat er sindsdien geen nieuwe schulden meer zijn ontstaan en dat hij, doordat hij gedurende de laatste jaren structureel een inkomen uit arbeid heeft weten te verwerven, in staat was en is om op zijn schuldenlast af te lossen, hetgeen hij voorafgaand aan zijn toelatingsverzoek ook steeds heeft gedaan. Wil een beroep op artikel 288 lid 3 Fw slagen, dan is in het algemeen vereist dat de schuldenaar een zekere (persoonlijke) ontwikkeling heeft doorgemaakt die zich toont in het feit dat hij greep heeft gekregen op de omstandigheden die hem in financiële problemen hebben gebracht. Dat blijkt ook uit het feit dat artikel 288 lid 3 Fw volgens de wetsgeschiedenis vooral ziet op "echte gedragsaspecten" (Handelingen I 2006-2007, nr. 30, blz. 958). Het hof is van oordeel dat hiervan in deze specifieke zaak sprake is en dat het beroep van [appellant] op de hardheidsclausule ex artikel 288 lid 3 Fw dan ook gehonoreerd dient te worden. [appellant] geeft blijk van het feit de oorzaken van het ontstaan en onbetaald laten van zijn schuldenlast doorgrond te hebben en geeft daarbij, zoals ter zitting in hoger beroep ook door zijn beschermingsbewindvoerder uitdrukkelijk is onderschreven, bovendien blijk van een gemotiveerde en saneringsgezinde grondhouding.

3.9.

Het vonnis waarvan beroep zal derhalve worden vernietigd en het verzoek van [appellant] tot toelating tot de schuldsaneringsregeling zal alsnog worden toegewezen. Nu de toepassing van de schuldsaneringsregeling voor het eerst in hoger beroep wordt uitgesproken, zal het hof toepassing geven aan het bepaalde in artikel 292 lid 9 Fw.

3.10

In het kader van het toelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling merkt het hof nog nadrukkelijk op dat [appellant] ter zitting in hoger beroep op herhaalde vragen van het hof telkens uitdrukkelijk heeft verklaard dat hij sinds de start van zijn behandeling tegen zijn cannabisverslaving -derhalve vanaf juni, althans augustus 2016- (met uitzondering van één enkele terugval als bij het hof uit de stukken bekend) geen cannabis meer heeft gebruikt. Het hof is bij zijn oordeel dan ook van de volledige juistheid van deze verklaringen uitgegaan.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis waarvan beroep;

en opnieuw rechtdoende:

verklaart de schuldsaneringsregeling van toepassing ten aanzien van:

[appellant] , wonende te

[postcode] [woonplaats] , aan de

[adres] ;

bepaalt dat de griffier van dit hof onverwijld aan de griffier van de rechtbank Oost-Brabant kennis geeft van deze uitspraak in verband met de benoeming van een rechter-commissaris en een bewindvoerder.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.P. Zweers-van Vollenhoven, R.R.M. de Moor en M. Breur en in het openbaar uitgesproken op 30 augustus 2018.