Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:361

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
200.211.484_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

verdeling: bewijswaardering

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 1 februari 2018

Zaaknummer: 200.211.484/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/284747 / FA RK 14-5446_2

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante in principaal appel,

verweerster in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. B. Kaya,

tegen

[verweerder] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerder in principaal appel,

appellant in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. S. Wagter.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 december 2016.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 9 maart 2017, heeft de vrouw verzocht voormelde beschikking te vernietigen en opnieuw rechtdoende de wijze van verdeling te gelasten van de gemeenschappelijke goederen van partijen, “als zijnde”:

- vernietiging van de veroordeling van de vrouw tot afgifte aan de man van de

op de lijst van de man aangegeven fiets, betonplexplaten, een computer IMac

21,5 en een gereedschapskist, zulks op eerste verzoek van de man;

- vernietiging van de veroordeling van de vrouw tot betaling van een bedrag ad

€ 59.038,-- aan de man;

  • -

    dat de vrouw ontvankelijk dient te worden geacht in haar verzoek met betrekking tot het gestelde bedrag ad € 130.000,--;

  • -

    de man te veroordelen tot betaling van de helft van € 130.000,-- aan de vrouw;

  • -

    de man te veroordelen tot betaling van de helft van de waarde p.m. , nader te

bepalen door een deskundige, van de voorraad van zijn gordijnen en het decoratiemateriaal van de gordijnenwinkel;

- benoeming van een deskundige die een waardebepaling dient op te stellen van

de voorraad gordijnen en decoratiemateriaal.

2.2.

Bij verweerschrift met productie, ingekomen ter griffie op 24 mei 2017, heeft de man verzocht de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren, althans de stellingen van de vrouw ongegrond en/of onbewezen te verklaren en het door haar in het beroepschrift verzochte af te wijzen.

Tevens heeft de man incidenteel appel ingesteld en verzocht voormelde beschikking te vernietigen voor zover daarbij de rechtbank heeft geoordeeld dat de man niet is geslaagd in het bewijs van zijn stellingen dat verdeling heeft plaats gevonden van de gemeenschappelijke middelen ad € 52.000,-- en hij derhalve gehouden is de helft van dit bedrag, zijnde

€ 27.000,--, aan de vrouw te voldoen.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel, ingekomen ter griffie op 4 juli 2017, heeft de vrouw verzocht de man in zijn incidenteel appel niet-ontvankelijk te verklaren, dan wel af te wijzen als zijnde ongegrond en/of onbewezen.

2.3.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 december 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Kaya;

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Wagter.

2.4.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 8 december 2017.

3 De beoordeling

In het principaal en incidenteel appel

3.1.

Partijen zijn op 30 september 2005 te Helmond gehuwd in algehele gemeenschap van goederen.

3.2.1.

Op 7 oktober 2014 heeft de man het verzoek tot echtscheiding ingediend.

3.2.2.

Bij beschikking van 17 augustus 2015 heeft de rechtbank Oost-Brabant onder meer de echtscheiding tussen partijen uitgesproken, welke beschikking op 20 november 2015 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. Voorts heeft de rechtbank iedere beslissing op de verzoeken van partijen voor zover die betrekking hebben op de verdeling van de huwelijksgemeenschap pro forma aangehouden.

3.3.

Bij de bestreden beschikking van 9 december 2016 heeft de rechtbank, voor zover thans van belang:

  • -

    de vrouw niet-ontvankelijk verklaard in haar verzoek met betrekking tot het gestelde bedrag van € 130.000,-- dat de man aan contant geld uit de kluis zou hebben gehaald;

  • -

    de man veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 27.000,--;

  • -

    het meer of anders verzochte afgewezen.

3.4.

Partijen kunnen zich op onderdelen niet met deze beslissing verenigen en zij zijn hiervan in hoger beroep gekomen.

3.5.

De vrouw heeft in principaal appel één grief gericht tegen de bestreden beschikking, welke grief in twee onderdelen uiteenvalt, te weten (1) het geldbedrag van € 130.000,-- en (2) de voorraad van de gordijnenwinkel. De man heeft in zijn incidenteel appel eveneens één grief gericht tegen de beschikking waarvan beroep. Deze grief heeft betrekking op de bewijswaardering.

3.6.

Het hof zal deze onderwerpen hierna bespreken.

Rechtsmacht en toepasselijk recht

3.7.

Ingevolge artikel 4 lid 3 Rv brengt rechtsmacht in de echtscheidingszaak (waarvan hier sprake is op grond van art. 3 Brussel IIbis: partijen hebben hun gewone verblijfplaats in Nederland) ook rechtsmacht met betrekking tot het verdelingsverzoek mee, ongeacht de plaats van ligging van de boedelbestanddelen.

De rechtbank heeft vastgesteld dat ten aanzien van de verdeling Nederlands recht van toepassing is en heeft vervolgens ook Nederlands recht toegepast. Daartegen zijn geen grieven gericht, zodat (zie de conclusie van AG Vlas voor HR 27 april 2012, ECLI:NL:PHR:2012:BV6684) ook het hof Nederlands recht zal toepassen.

Omvang hoger beroep

3.8.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de vrouw verklaard de eerste twee onderdelen van zijn petitum niet langer te handhaven. Mitsdien behoeven deze onderdelen geen verdere bespreking. De omvang van het principaal appel is aldus beperkt tot het verzoek met betrekking tot het geldbedrag van € 130.000,-- en het verzoek met betrekking tot de voorraad van de gordijnenwinkel.

Het geldbedrag van € 130.000,-- (grief 1 principaal appel, onderdeel 1)

3.9.1

Het eerste onderdeel van grief 1 van de vrouw houdt in dat de rechtbank de man ten onrechte niet heeft veroordeeld tot betaling van de helft van € 130.000,-- aan de vrouw.

Ter toelichting op haar grief voert de vrouw aan dat zij voldoende gesteld en aannemelijk heeft gemaakt dat het geldbedrag van € 130.000,-- in de kluis aanwezig was. Het is daarom aan de man om aan te tonen en te bewijzen dat hij dit bedrag (het hof begrijpt: niet) heeft onttrokken aan de boedel.

3.9.2.

De man heeft hiertegen verweer gevoerd. Hij ontkent ten stelligste een bedrag van € 130.000,-- uit de kluis van partijen te hebben gehaald en begrijpt niet waar de vrouw het over heeft.

3.9.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof begrijpt de grief van de vrouw aldus, dat zij zich op het standpunt stelt dat een contant bedrag van € 130.000,-- tot de ontbonden huwelijksgemeenschap van partijen behoort, dat de vrouw recht heeft op de helft van dit bedrag en dat de man veroordeeld dient te worden tot betaling van de helft van dit bedrag aan de vrouw.

De vrouw heeft echter, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, onvoldoende onderbouwd gesteld waaruit kan worden afgeleid dat op de peildatum een contant geldbedrag van € 130.000,-- tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Er is sprake van een blote stelling. Iedere onderbouwing en concretisering ontbreekt; over de herkomst van het geld heeft de vrouw met geen woord gerept. Aan bewijslevering wordt reeds daarom niet toegekomen. Daar komt ook nog bij dat de advocaat van de vrouw ter zitting in hoger beroep desgevraagd uitdrukkelijk heeft verklaard niets te kunnen aantonen. Mitsdien faalt op dit onderdeel de grief van de vrouw.

De voorraad van de gordijnenwinkel (grief 1 principaal appel, onderdeel 2)

3.10.1.

Het tweede onderdeel van grief 1 van de vrouw houdt in dat de man heeft achtergehouden dat hij een voorraad van zijn gordijnenwinkel in zijn bezit heeft, waarvan de waarde nog dient te worden vastgesteld. Ter toelichting voert de vrouw aan dat de man kort voor de echtscheiding zijn bedrijfswerkzaamheden heeft gestaakt om zo onder zijn verplichting tot verdeling uit te komen.

3.10.2.

De man voert hiertegen het volgende aan. De ouders van de man dreven een v.o.f. genaamd, [de VOF] . Zij hebben deze v.o.f. beëindigd op 1 april 2003.

De onderneming is toen op naam van de man gezet, die daarin verder geen activiteiten heeft uitgeoefend. Op 9 december 2011, ruim drie jaar voor de indiening van het verzoek tot echtscheiding, is de onderneming opgeheven.

3.10.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Het hof begrijpt de grief van de vrouw aldus, dat zij aanspraak maakt op de helft van de waarde van de voorraad van de gordijnenwinkel. Op basis van de stellingen van partijen en de in hoger beroep overgelegde producties, kan het hof niet vaststellen dat de voorraad van de gordijnenwinkel op de peildatum 7 oktober 2014 nog deel uitmaakte van de huwelijksgemeenschap. De door de vrouw in het geding gebrachte foto’s zijn daartoe ontoereikend. Deze zijn bij gebrek aan datering nietszeggend. De man is al ruim drie jaar voor de indiening van het verzoek tot echtscheiding gestopt met de gordijnenwinkel (zie prod. 1 verweerschrift man). Het is dan niet aannemelijk dat de man met de winkel is gestopt om die winkel of de voorraad gordijnen niet te hoeven delen met de vrouw. Eerder is dit ook een aanwijzing ervoor dat de voorraad gordijnen geen deel meer uitmaakte van de huwelijksgemeenschap op het jaren later gelegen moment van ontbinding daarvan.

De vrouw heeft, in het licht van de gemotiveerde betwisting door de man, mitsdien onvoldoende onderbouwd gesteld waaruit kan worden afgeleid dat de voorraad van de gordijnenwinkel op de peildatum tot de huwelijksgemeenschap behoorde. Net als bij het geld uit de kluis heeft de advocaat van de vrouw ter zitting in hoger beroep desgevraagd verklaard van de stelling over de gordijnen geen (overig) bewijs te kunnen leveren. Ook aan (nadere) bewijslevering wordt dan niet toegekomen. Derhalve faalt ook het tweede onderdeel van de grief van de vrouw.

Het geldbedrag van € 52.000,-- (grief 1 incidenteel appel)

3.11.1.

Grief 1 van de man in incidenteel appel richt zich, kort samengevat, tegen de bewijswaardering. Met deze grief betoogt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft beslist dat hij, mede bij gebrek aan aanvullende bewijsmiddelen, niet is geslaagd in het bewijs van zijn stellingen dat reeds een verdeling had plaatsgevonden van de gemeenschappelijke middelen van € 52.000,--. (Op grond daarvan heeft de rechtbank beslist dat de man gehouden is de helft van dit bedrag, € 26.000,--, aan de vrouw te voldoen [hof: de rechtbank noemt een bedrag van € 27.000,--. Partijen zijn het er over eens dat dit een typefout betreft en dat het € 26.000,-- moet zijn].)

3.11.2.

De man voert, kort samengevat, aan dat hij reeds in eerste aanleg als aanvullend bewijsmiddel een geluidsopname heeft overgelegd van een telefoongesprek tussen de man en de vrouw d.d. 8 juli 2014. Uit deze geluidsopname blijkt dat de vrouw zegt “jij hebt helemaal geen schuld. Jij gaat gewoon met nul, ja € 25.000 heb jij”. Waarop de man antwoordt: “Ja”. Uit niets blijkt dat de rechtbank bij de beoordeling rekening heeft gehouden met de inhoud van dit telefoongesprek.

3.11.3.

De vrouw heeft verweer gevoerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de man niet is geslaagd in het bewijs van zijn stellingen dat de verdeling heeft plaatsgevonden van de gemeenschappelijke middelen van € 52.000,--. De tekst van de geluidsopname waarbij de vrouw zegt: “jij hebt helemaal geen schuld. Jij gaat gewoon met nul, ja € 25.000 heb jij” bewijst niet dat er een geldbedrag van € 27.000,-- door de man aan de broer van de vrouw is meegegeven. Nergens uit het gesprek blijkt dat dit relevantie heeft met het geldbedrag van € 52.000,--.

3.11.4.

Het hof zal eerst verkort weergeven wat de getuigen hebben verklaard en vervolgens zelfstandig het bewijs waarderen. Het hof stelt hierbij vast dat het uit het dossier niet heeft kunnen opmaken of partijen conclusies na getuigenverhoor hebben genomen.

3.11.5.

De vader van de man heeft, onder meer, verklaard:

“Op uw vraag wat ik weet van de verdeling van het bedrag van € 52.000,- verklaar ik dat ik niet wist dat mijn zoon een bedrag van € 52.000,- had. Ik was er wel bij toen mijn zoon een bedrag aan zijn zwager gaf. (…) Volgens mij ging het om een bedrag van € 27.000,-. Ik denk dat te weten omdat mijn zoon in mijn aanwezigheid dit bedrag heeft geteld. De zwager van mijn zoon heeft het bedrag ontvangen en is weggegaan. Vervolgens was ik erbij toen mevrouw mijn zoon opbelde. Ik hoorde niet wat zij zei. Wel begreep ik uit de reactie van mijn zoon dat mevrouw vond dat ze te weinig had ontvangen. (…). Het was geld waar ik niks van wist.”

3.11.6.

De moeder van de man heeft, onder meer, verklaard:

“In antwoord op uw vragen verklaar ik dat ik niet wist dat mijn zoon € 52.000,- had. Toen mijn zoon vertelde dat zijn zwager een bedrag kwam halen hoorden wij daarvan voor het eerst. (…) De betreffende zwager en zijn vriendin kwam op (…) 22 juni 2014 het geld ophalen. Ik heb ze binnengelaten. Ik wist niet waar hij voor kwam. (…) Dat geld zou [verweerder] [mijn zoon] hebben weggehaald bij zijn vrouw. (…) Mijn zoon is vervolgens gekomen. Hij heeft op tafel in mijn bijzijn een bedrag van € 27.000,- uitgeteld. (…) Het bedrag is vervolgens in een enveloppe gedaan en door de zwager meegenomen. (…) Waar het geld vandaan kwam weet ik niet.”

3.11.7.

De broer van de vrouw heeft, onder meer, verklaard:

“In antwoord op uw vragen antwoord ik dat ik op geen enkel moment van meneer [verweerder] een bedrag in contanten heb ontvangen van om en de nabij € 27.000,-- met als doel om dit aan mijn zuster, mevrouw [appellante] , af te geven. Het klopt dat ik op enig moment, partijen waren toen al uit elkaar, bij meneer ben geweest die op dat moment aanwezig was in de woning van zijn ouders. Als ik het me goed herinner moet dat geweest zijn in of rond mei 2014. Het doel van dit gesprek, waarbij mijn vriendin aanvankelijk ook aanwezig was, was om een poging te doen om tot een voor beide partijen goede regeling te komen. Dat is helaas in dit gesprek niet gelukt. In dit gesprek noch op een later of eerder tijdstip heb ik van meneer een bedrag in contanten gekregen ten behoeve van mijn zuster.”

3.11.8.

De partner van de broer van de vrouw heeft verklaard:

“Na het uiteengaan van partijen hebben ik en mijn partner, meneer [appellante] , een gesprek gepland met meneer [verweerder] dat zou plaatsvinden in de woning van zijn ouders. Dat gesprek was bedoeld als poging om tot een voor beide partijen minnelijke regeling te komen. Toen wij aankwamen bij het huis van de ouders van meneer [verweerder] was meneer [verweerder] nog niet aanwezig. We hebben toen een gesprek gehad met zijn ouders. Al vrij snel in het gesprek werd de moeder van meneer [verweerder] erg boos en heeft zij mij het huis uitgezet. (…) Op enig moment is mijn partner ook naar buiten gekomen en zijn we samen weggegaan. Ik heb van mijn partner niet gehoord noch heb ik gezien dat hij enig bedrag bij zich had gekregen van meneer [verweerder] bestemd voor mevrouw [appellante] . (…).”

3.11.9.

Het hof stelt met de rechtbank vast dat de verklaringen van de getuigen, waarvan de meest relevante passages hiervóór zijn weergegeven (met aan de ene kant de ouders van de man en aan de andere kant de broer van de vrouw en diens partner) niet met elkaar zijn te verenigen. De door de ouders afgelegde verklaringen moeten worden bezien in het licht van de tussen de man en zijn ouders bestaande familierelatie die het risico in zich draagt van belangenvermenging en daarmee af kan doen aan de bewijskracht van die verklaringen.

Tegenover de verklaring van de ouders dat de man een bedrag van € 27.000,-- heeft overhandigd aan de broer van de vrouw, staat de verklaring van die broer dat hem geen geld is overhandigd. Aldus is geen beslissend antwoord te geven op de vraag of het geld daadwerkelijk is overhandigd. Hierbij komt dat de verklaringen van de ouders ook geen uitsluitsel geven over de herkomst van het bedrag van € 27.000,--. De ouders hebben in dat verband immers verklaard dat het geld betrof waarvan ze niets wisten of niet wisten waar het vandaan kwam. In die zin zijn de verklaringen, mede in het licht bezien van de familierechtelijke relatie tussen de man en zijn ouders in hun hoedanigheid van getuigen, dan ook ontoereikend ten bewijze van de stelling van de man. Nadere gedingstukken die wel de stelling van de man kunnen bevestigen, ontbreken. Weliswaar heeft de man als aanvullend bewijsmiddel in het geding gebracht een geluidsopname van een volgens de man op 8 juli 2014 gehouden telefoongesprek tussen de man en de vrouw, welk gesprek is uitgetypt (8 pagina’s) en is overgelegd als onderdeel van productie 18 bij het verweerschrift van de man. De man wijst daarbij in het bijzonder op de volgende passage, waarbij de vrouw zegt: “jij hebt helemaal geen schuld. Jij gaat gewoon met nul, ja € 25.000 heb jij”. Waarop de man antwoordt: “Ja”. Zonder verdere toelichting die ontbreekt, is – ook in samenhang met de rest van het transcript gelezen – voor het hof niet duidelijk waar partijen het over hebben, laat staan dat hieruit kan worden afgeleid dat tussen partijen het bedrag van € 52.000,-- is verdeeld, zoals de man betoogt.

Het voorgaande in onderling verband en samenhang bezien leidt tot de conclusie dat ook het hof van oordeel is dat de man niet is geslaagd in het bewijs van zijn stelling dat verdeling heeft plaatsgevonden van de gemeenschappelijke middelen van € 52.000,--.

Mitsdien faalt de grief van de man.

3.12.

Waar de rechtbank vanwege het tussen partijen te verdelen geldbedrag van € 52.000,-- in het dictum de man heeft veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 27.000,--, zijn partijen het er over eens dat dit moet zijn een bedrag van € 26.000,--. Om die reden zal het hof de bestreden beschikking op dat punt vernietigen en de man veroordelen tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 26.000,--.

4 De beslissing

Het hof:

op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 9 december 2016, doch uitsluitend voor zover daarbij de man is veroordeeld tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 27.000,--,

en in zoverre opnieuw rechtdoende:

veroordeelt de man tot betaling aan de vrouw van een bedrag van € 26.000,--;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, voor het overige;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. G.J. Vossestein, P.P.M. van Reijsen en T.J. Mellema-Kranenburg en is op 1 februari 2018 uitgesproken in het openbaar in tegenwoordigheid van mr. A.C. Kaemingk, griffier.