Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3590

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
30-08-2018
Zaaknummer
200.212.674_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBLIM:2016:8080, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Appelrecht. Verzuim om een grief te richten tegen de dragende overweging waar de beslissing in eerste aanleg op berust.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.212.674/01

arrest van 21 augustus 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] (D),

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. J.J. Baltus te Landgraaf,

tegen

1 [geïntimeerde 1] ,

2. [geïntimeerde 2] ,

3. [geïntimeerde 3] ,

4. [geïntimeerde 4] ,

5. [geïntimeerde 5] ,

6. [geïntimeerde 6]

allen wonende te [woonplaats] (D),

geïntimeerden,

advocaat: mr. Y.G.M.J. Breukers te Roermond,

op het bij exploot van dagvaarding van 20 december 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 21 september 2016, door de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, gewezen tussen [appellant] als eiser in conventie, verweerder in reconventie en geïntimeerden als gedaagden in conventie, eisers in reconventie. Geïntimeerden sub 2 tot en met 5 zijn de erfgenamen van [de moeder van geïntimeerde 2 tot en met 5] , in eerste aanleg als gedaagde in conventie en eiseres in reconventie in het geding betrokken.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/03/200129 HA ZA 14-742)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven van 6 juni 2017;

  • -

    de memorie van antwoord van 18 juli 2017.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep kan – voor zover nog van belang - worden uitgegaan van de volgende feiten.

  1. [appellant] is de zoon van wijlen [de vader van appellant] (hierna: [de vader van appellant] ). [geïntimeerde 1] , [de moeder van geïntimeerde 2 tot en met 5] en [geïntimeerde 6] (verder tezamen te noemen “de gezusters” en elk afzonderlijk te noemen [geïntimeerde 1] , [de moeder van geïntimeerde 2 tot en met 5] en [geïntimeerde 6] ) zijn de zussen van wijlen [de vader van appellant] . [de moeder van geïntimeerde 2 tot en met 5] is overleden op [datum overlijden moeder van geïntimeerde 2 tot en met 5] 2014. Geïntimeerden sub 2 tot en met 5 zijn haar erfgenamen. Zij zullen verder worden aangeduid als “de erven [de erven] ”.

  2. [appellant] en [de vader van appellant] hebben een procedure gevoerd over de verdeling van de erfenis van [de moeder van appellant] , de op [datum overlijden moeder van appellant] 2009 overleden moeder van [appellant] en (ex-)echtgenote van [de vader van appellant] (hierna: de bodemprocedure).

  3. [de vader van appellant] is op [datum overlijden vader] 2012 overleden. De bodemprocedure is voortgezet door de gezusters als erfgenamen van [de vader van appellant] .

  4. Op 18 september 2013 heeft [appellant] de gezusters gedagvaard in kort geding. Hij heeft gevorderd de gezusters te veroordelen tot het geven van inzage aan [appellant] in de gegevens betreffende een aantal bankrekeningen, waaronder de bankrekening op naam van [de vader van appellant] met nummer [bankrekening] (hierna: de bankrekening).

  5. Op 29 november 2013 heeft een gecombineerde comparitie van partijen plaatsgevonden in de bodemprocedure en in het kort geding. Tijdens deze comparitie hebben partijen, ter beëindiging van hun geschillen in het kort geding en in de bodemprocedure, een vaststellingsovereenkomst gesloten. Daarbij is onder meer het navolgende overeengekomen:

“Ter beëindiging van de beide procedures zijn partijen de volgende vaststellingsovereenkomst aangegaan:

1. Partijen stellen vast dat de beide woningen aan de [adres 1 en 2] gemeenschappelijk zijn en dat zij beiden voor de helft aanspraak hebben op de verkoopopbrengst daarvan.

2. Daarnaast stellen partijen vast dat de erven van [de vader van appellant] € 75.000,00 alsmede de Nissan Patrol aan [appellant] verschuldigd zijn.

(…)

10. Met deze regeling zijn alle aanspraken naar welk recht dan ook uit hoofde van verdeling, verrekening en erfrecht tussen partijen afgewikkeld en hebben zij niets meer van elkaar te vorderen.”

3.2.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellant] , na vermindering van eis bij gelegenheid van de gehouden comparitie na antwoord, in conventie de veroordeling van de gezusters tot betaling van € 33.733,98, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 31 december 2005, met de hoofdelijke veroordeling van de gezusters in de kosten van het geding en voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad.

Aan deze vordering heeft [appellant] , kort samengevat, ten grondslag gelegd dat hij na totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst een bankafschrift heeft gevonden waaruit blijkt dat op 31 december 2005, de door partijen voor de verdeling/verrekening aangehouden “Stichtag”, de bankrekening een saldo had van € 67.467,96. Bij de totstandkoming van de vaststellingsovereenkomst is van deze rekening een saldo in acht genomen van € 58,=. [appellant] heeft op grond hiervan de wens geuit om de vaststellingsovereenkomst op grond van artikel 382 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv.) te herroepen vanwege de omstandigheid dat hij na de totstandkoming daarvan een stuk van beslissende aard in handen heeft gekregen dat door toedoen van de gezusters was achtergehouden. Bij gelegenheid van de gehouden comparitie heeft [appellant] de grondslag van zijn vordering aangevuld met een beroep op dwaling, stellende dat na vernietiging van de vaststellingsovereenkomst een nieuwe verdeling dient plaats te vinden met inachtneming van het bedrag van € 67.467,96.

3.2.2.

De gezusters hebben gemotiveerd verweer gevoerd. Daarbij zijn de erven [de erven] in het geding verschenen als de rechtsopvolgers van hun overleden moeder. Het verweer zal, voor zover in hoger beroep van belang, in het navolgende aan de orde komen.

3.2.3.

De gezusters en de erven [de erven] hebben een vordering in reconventie ingesteld. Hoewel [appellant] bij memorie van grieven (ook) concludeert tot vernietiging van het bestreden vonnis voor zover dat in reconventie is gewezen en tot afwijzing van de vordering voor zover die in reconventie aan de gezusters en de erven [de erven] is toegewezen, werpt [appellant] geen grief op tegen de in reconventie door de rechtbank gegeven beslissingen. Daarom zal het hof [appellant] niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep tegen dat vonnis voor zover dat in reconventie is gewezen.

3.2.4.

Nadat de gelaste comparitie na antwoord op 17 mei 2016 had plaatsgevonden, heeft de rechtbank in het vonnis van 21 september 2016 in conventie de vorderingen van [appellant] afgewezen en [appellant] veroordeeld in de kosten van het geding. Daartoe heeft de rechtbank – zakelijk weergegeven – overwogen dat (a.) een vaststellingsovereenkomst niet voor herroeping op grond van artikel 382 Rv. in aanmerking komt, maar alleen aangetast kan worden door een vernietiging of ontbinding, dat (b.) bovendien de vordering niet is ingesteld binnen de daartoe in artikel 383 Rv. gestelde termijn en dat (c.) de door [appellant] aangevoerde grondslag slechts kan leiden tot heropening van het oorspronkelijk geding, maar niet tot een veroordeling tot betaling, zoals gevorderd in het petitum van de dagvaarding.

Ten aanzien van het beroep op dwaling heeft de rechtbank overwogen dat dit leidt tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst, maar niet kan leiden tot toewijzing van de gevorderde betaling. De rechtbank stelt vast dat [appellant] die vernietiging niet heeft gevorderd. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat ook op inhoudelijke gronden een beroep op dwaling niet kan slagen, onder meer gelet op de aard van een vaststellingsovereenkomst.

3.3.

[appellant] heeft in hoger beroep de grondslag voor zijn vordering gewijzigd en vier grieven aangevoerd. [appellant] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog integraal toewijzen van zijn vorderingen.

3.4.1.

Het hof merkt op dat geen grieven zijn gericht tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de rechtsmacht en haar bevoegdheid, almede ten aanzien van het toepasselijk recht. Evenmin zijn grieven gericht tegen het oordeel van de rechtbank ten aanzien van de toelating van de erven [de erven] als partij in dit geding.

3.4.2.

Het hof merkt op dat de rechtbank op goede gronden haar rechtsmacht en bevoegdheid heeft aangenomen. Tegen de beslissing om Nederlands recht toe te passen is niet gegriefd. Ook het hof gaat er daarom van uit dat partijen – stilzwijgend – zijn overeengekomen dat het Nederlands recht van toepassing is.

De erven [de erven] hebben niet incidenteel gegriefd tegen het oordeel van de rechtbank dat [appellant] ook ontvangen kan worden in zijn vordering tegen hen, ondanks het feit dat ten tijde van de dagvaarding in eerste aanleg, op 24 september 2014, hun moeder ( [de moeder van geïntimeerde 2 tot en met 5] ) al was overleden. Die ontvankelijkheid staat daarom in hoger beroep niet ter discussie.

3.5.

In de memorie van grieven merkt [appellant] op dat hij het geding in volle omvang aan het hof wil voorleggen. Het hof merkt dienaangaande op dat slechts geschilpunten die door middel van een – ook voor de wederpartij als zodanig herkenbare – grief aan het hof zijn voorgelegd door het hof zullen worden beoordeeld. Het hof gaat om die reden voorbij aan de opmerking van [appellant] in zijn inleiding op de grieven.

3.6.

Het beroep kan niet slagen. De dragende overweging voor het afwijzen van het beroep op dwaling is gelegen in r.o. 4.13 van het bestreden vonnis, welke overweging luidt:

“4.13. De rechtbank overweegt dat een geslaagd beroep op dwaling leidt tot vernietiging van de vaststellingsovereenkomst. [appellant] heeft echter geen vernietiging van de vaststellingsovereenkomst gevorderd, maar betaling van een geldbedrag. Nu een geslaagd beroep op dwaling niet kan leiden tot toewijzing van een geldbedrag, kan dwaling niet dienen als grondslag voor het door [appellant] gevorderde en is het gevorderde reeds daarom niet toewijsbaar.”

3.7.

Tegen deze rechtsoverweging heeft [appellant] , zoals de gezusters en de erven [de erven] terecht opmerken, geen grieven gericht. De aangevoerde grieven zijn gericht tegen de rechtsoverwegingen 4.14, 4.19 en 4.20, alsmede tegen de proceskostenveroordeling. De met de grieven aangevallen rechtsoverwegingen betreffen echter allemaal overwegingen ten overvloede, derhalve niet de dragende overweging waarop de rechtbank haar beslissing heeft gebaseerd. Als onbestreden rechtbankoordeel strekt daarom ook het hof tot uitgangspunt dat dwaling niet kan dienen als grondslag voor het door [appellant] gevorderde. Daarenboven zou een door [appellant] ingeroepen vernietiging van de vaststellingsovereenkomst ertoe leiden dat de huwelijkse vermogensbestanddelen van de overleden ouders van [appellant] alsnog verdeeld en/of verrekend moeten worden, waaronder het aan de orde zijnde bedrag. Zonder toelichting, die [appellant] niet heeft gegeven, valt niet in te zien waarom vernietiging van de vaststellingsovereenkomst ertoe moet leiden dat hij in dat geval recht heeft op de helft van het aan de orde zijnde bedrag.

3.8.

De aangevoerde grieven behoeven, gelet op het voorgaande, verder geen bespreking. Zij kunnen niet leiden tot toewijzing van de vordering. Het bestreden vonnis zal dan ook worden bekrachtigd voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen. [appellant] zal, als de in het ongelijk gestelde partij, worden verwezen in de kosten van het geding in hoger beroep.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep van het bestreden vonnis voor zover dat in reconventie is gewezen;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten van het hoger beroep, en begroot die kosten tot op heden aan de zijde van de gezusters en de erven [de erven] op € 718,= aan griffierecht en op € 1.391,= aan salaris advocaat, en, indien deze kosten niet binnen veertien dagen na het wijzen van dit arrest zullen zijn voldaan, vermeerderd met de nakosten, begroot op € 131,= indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op € 169,= indien betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. M.G.W.M. Stienissen, M. van Ham en R.J.M. Cremers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 augustus 2018.

griffier rolraadsheer