Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:357

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
01-02-2018
Datum publicatie
08-02-2018
Zaaknummer
200.207.606_01, 200.207.606_02 en 200.207.607_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

partneralimentatie;

verdeling

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak: 1 februari 2018

Zaaknummers: 200.207.606/01

200.207.606/02

200.207.607/01

Zaaknummer eerste aanleg: C/01/296780 / FA RK 15-4057

in de zaak in hoger beroep (200.207.606/01 en 200.207.607/01) van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant in principaal appel,

verweerder in incidenteel appel,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. G.V. van Campen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in principaal appel,

appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E. Meuwissen.

en op het incidenteel verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad (200.207.606/02) van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

verzoeker in het incident,

hierna te noemen: de man,

advocaat: mr. G.V. van Campen,

tegen

[verweerster] ,

wonende te [woonplaats] ,

verweerster in het incident,

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat: mr. E. Meuwissen.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 oktober 2016.

2 Het geding in hoger beroep

In de zaak met zaaknummers 200.207.606/01 en 200.207.607/01

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 12 januari 2017, heeft de man verzocht voormelde beschikking op onderdelen te vernietigen en opnieuw rechtdoende:

  • -

    alsnog af te wijzen het inleidende verzoek van de vrouw aangaande de partneralimentatie;

  • -

    de verdeling van de gemeenschappelijke inboedel opnieuw vast te stellen aan de hand van de door de man als productie 13 bij het beroepschrift overgelegde inboedellijst;

  • -

    alsnog toe te wijzen het inleidend verzoek van de man om afgifte van de fotoalbums;

  • -

    het verzoek van de man toe te wijzen om te bepalen dat de vrouw gehouden is binnen veertien dagen na de in dezen te geven beschikking aan hem te verstrekken een rekeningafschrift waaruit het saldo op de rekening [bankrekeningnummer] op de door het hof vast te stellen peildatum blijkt, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag of dagdeel dat de vrouw in gebreke blijft hieraan te voldoen;

  • -

    bij wijze van vermeerdering van verzoek te bepalen dat de vrouw gehouden is tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst ten aanzien van de auto, zoals weergegeven in rov. 2.97 van de bestreden beschikking, een en ander op straffe van een dwangsom van € 100,-- per dag of dagdeel dat de vrouw nalatig blijft aan haar verplichtingen uit de overeenkomst te voldoen.

2.2.

Bij verweerschrift met producties, ingekomen ter griffie op 24 februari 2017, heeft de vrouw verzocht de man niet-ontvankelijk te verklaren in zijn verzoeken c.q. deze af te wijzen.

Tevens heeft de vrouw incidenteel appel ingesteld en bij wijze van vermeerdering van verzoek verzocht de man te veroordelen tot afgifte van de aan de vrouw in eigendom toebehorende foto’s van haar persoonlijk, zowel in digitale als in papieren vorm, en de man te veroordelen tot afgifte aan de vrouw van een (digitale) kopie van alle familiefoto’s van partijen, derhalve zowel van alle in zijn bezit zijnde digitale foto’s als van alle, in de in zijn bezit zijnde fotoalbums opgenomen foto’s.

2.2.1.

Bij verweerschrift in incidenteel appel met producties, ingekomen ter griffie op 3 april 2017, heeft de man verzocht het incidenteel appel van de vrouw af te wijzen.

In de zaak met zaaknummer 200.207.606/02

2.3.

Bij ‘verzoek tot schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad ex art. 360 Rv subsidiair tot het treffen van voorlopige voorzieningen ex art. 223 Rv’ met producties, ingekomen ter griffie op 27 september 2017, heeft de man verzocht:

  • -

    primair de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de bestreden beschikking te schorsen, voor zover daarin is bepaald dat de man met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheiding in de registers van de burgerlijke stand aan de vrouw als bijdrage in haar levensonderhoud bij vooruitbetaling zal uitkeren een bedrag van € 3.110,-- per maand;

  • -

    subsidiair voorlopig en onmiddellijk, voor de duur van het geding en onder uitvoerbaarverklaring bij voorraad, de door de man volgens de bestreden beschikking te betalen bijdrage in de kosten van de vrouw te bepalen op nihil dan wel op een door het hof te bepalen bedrag lager dan € 3.110,-- per maand;

  • -

    de vrouw te veroordelen in de kosten van dit incident.

2.4.

Bij ‘verweerschrift tegen verzoek schorsing uitvoerbaarheid bij voorraad en tegen verzoek tot het treffen van voorlopige voorzieningen’ met producties, ingekomen ter griffie op 7 november 2017, heeft de vrouw verzocht de verzoeken van de man af te wijzen, met veroordeling van de man in de kosten van deze procedure.

In beide zaken

2.5.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 20 december 2017.

Bij die gelegenheid zijn gehoord:

  • -

    de man, bijgestaan door mr. Van Campen;

  • -

    de vrouw, bijgestaan door mr. Meuwissen.

2.6.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

  • -

    het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg op 2 augustus 2016;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 21 november 2017;

  • -

    het faxbericht met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 22 november 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de man d.d. 5 december 2017;

  • -

    de brief met bijlagen van de advocaat van de vrouw d.d. 8 december 2017.

3 De beoordeling

In de zaak met zaaknummer 200.207.606/02

3.1.

Ter zitting in hoger beroep heeft de advocaat van de man haar verzoek tot schorsing van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beslissing aangaande de partneralimentatie ingetrokken. Het hof maakt hieruit op dat het verzoek niet langer worden gehandhaafd.

Dit brengt mee dat het schorsingsverzoek van de man zal worden afgewezen.

In de zaak met zaaknummers 200.207.606/01 en 200.207.607/01

In het principaal en incidenteel appel

3.2.

Partijen zijn na het maken van huwelijkse voorwaarden gehuwd op 10 mei 1990 te Maastricht.

3.3.1.

Op 27 juli 2015 heeft de vrouw het verzoek tot echtscheiding ingediend.

3.3.2.

Bij de bestreden beschikking van 14 oktober 2016 heeft de rechtbank Oost-Brabant daarop de echtscheiding uitgesproken. De echtscheidingsbeschikking is op 3 februari 2017 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

3.4.

Bij de bestreden beschikking heeft de rechtbank voorts en voor zover thans van belang:

  • -

    bepaald dat de man € 3.110,-- per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van de dag van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand;

  • -

    iedere verdere beslissing ten aanzien van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden aangehouden;

  • -

    bepaald dat elke partij de tot dan toe gemaakte eigen kosten van de procedure draagt.

3.5.

De bestreden beschikking is een deelbeschikking, die bestaat uit een tussenbeschikkingsgedeelte en een eindbeschikkingsgedeelte. Een deelbeschikking doorbreekt het appelverbod van art. 358 lid 4 lid Rv, in die zin dat appel mogelijk is van de gehele beschikking, zowel van het tussenbeschikkingsgedeelte (waarbij grieven kunnen worden aangevoerd tegen eindbeslissingen in de overwegingen die betrekking hebben op dit tussenbeschikkingsgedeelte) als het eindbeschikkingsgedeelte.

3.6.

Beide partijen kunnen zich niet met alle beslissingen van de rechtbank verenigen en zij zijn van de beschikking in hoger beroep gekomen. De man heeft daartoe vier grieven aangevoerd.

De vrouw heeft in haar incidenteel appel geen grieven gericht tegen de beschikking waarvan beroep, maar haar verzoek vermeerderd zoals hiervóór in rov. 2.2 weergegeven.

3.6.1.

De eerste grief betreft de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw. De tweede, derde en vierde grief hebben betrekking op de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden, waarbij grief twee ziet op de beslissing van de rechtbank in het lichaam van de bestreden beschikking aangaande de verdeling van de inboedel, grief drie op de afwijzing van de verzoeken van partijen ten aanzien van de digitale foto’s en de fotoboeken (eveneens in het lichaam van de bestreden beschikking) en grief vier op de afwijzing van het verzoek van de man om de vrouw te bevelen om binnen veertien dagen na de te geven beschikking aan hem een rekeningafschrift te verstrekken waaruit het saldo op de bankrekening bij de Triodosbank op de peildatum blijkt (ook in het lichaam van de bestreden beschikking).

Bij wijze van vermeerdering van verzoek heeft de man verzocht te bepalen dat de vrouw gehouden is tot nakoming van de tussen partijen gesloten overeenkomst ten aanzien van de auto, zoals weergegeven in rov. 2.97 van de bestreden beschikking. Bij brief van 5 december 2017 heeft de man dit verzoek ingetrokken, nu partijen de auto reeds in onderling overleg hebben verkocht. Derhalve behoeft dit verzoek van de man geen verdere bespreking meer.

3.6.2.

De vermeerdering van het verzoek van de vrouw ziet op afgifte door de man aan de vrouw in eigendom toebehorende persoonlijke foto’s alsmede tot afgifte aan de vrouw van een digitale kopie van alle familiefoto’s van partijen. De man heeft geen bezwaar gemaakt tegen het vermeerderde verzoek van de vrouw. Het hof ziet ook geen aanleiding de vermeerdering van het verzoek van de vrouw ambtshalve buiten beschouwing te laten wegens strijd met de goede procesorde. Recht zal worden gedaan op het vermeerderde verzoek van de vrouw.

3.7.

Het hof zal de grieven hierna bespreken.

Partneralimentatie

Ingangsdatum

3.8.1.

De ingangsdatum van de vastgestelde onderhoudsbijdrage, 3 februari 2017, is tussen partijen niet in geschil, zodat ook het hof die datum als uitgangspunt zal nemen.

Behoefte vrouw

3.8.2.

De door de rechtbank becijferde huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw van € 3.132,-- netto per maand is in hoger beroep niet in geschil.

Behoeftigheid vrouw

3.8.3.

Ter zitting in hoger beroep zijn partijen het er over eens geworden dat de aanvullende behoefte van de vrouw kan worden vastgesteld op het door de vrouw becijferde bedrag van € 1.528,-- netto per maand ofwel € 3.210,-- bruto per maand.

Draagkracht

3.8.4.

De man stelt dat zijn draagkracht ontoereikend is om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 3.110,-- per maand te voldoen. De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd.

3.8.5.

Met betrekking tot de financiële situatie van de man gaat het hof uit van de volgende gegevens. Gelet op de stellingen van partijen ziet het hof aanleiding om daarbij onderscheid te maken tussen twee periodes: de periode van 3 februari 2017 tot 1 september 2017 en de periode vanaf 1 september 2017. Desgevraagd hebben partijen zich daar ter zitting in hoger beroep mee akkoord verklaard.

Voorts is ter zitting besproken dat het hof voor het vaststellen van de draagkracht van de man in de periode vanaf 1 september 2017, de door de man in hoger beroep bij zijn brief van 5 december 2017 onder productie 25 overgelegde draagkrachtberekening tot uitgangspunt neemt. Partijen hebben daarmee ingestemd. Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

Periode van 3 februari 2017 tot 1 september 2017

A. Inkomen van de man

Tussen partijen is niet in geschil dat voor het berekenen van de draagkracht van de man uitgegaan kan worden van een inkomen van € 109.068,--, te vermeerderen met een vakantietoeslag van € 8.821,--. Voorts is niet in geschil dat rekening gehouden dient te worden met een bedrag van € 1.200,-- per jaar aan overige bruto-inkomsten.

Verder houdt ook het hof rekening met een bonus. Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep, zijn partijen het er daarbij over eens dat gerekend moet worden met het gemiddelde van de door de man ontvangen bonussen over 2015, 2016 en 2017. Middels de door de man in het geding gebrachte verklaring van zijn werkgever (productie 2 bij zijn beroepschrift), heeft de man genoegzaam aangetoond dat hij in 2017 over het jaar 2016 geen bonus zal ontvangen. Mitsdien houdt het hof rekening met een gemiddelde bonus van € 13.166,-- per jaar, zoals door de man becijferd in zijn beroepschrift (pt. 13).

Tot slot houdt het hof, nu daartegen geen grieven zijn gericht, evenals de rechtbank, rekening met de pensioeninhoudingen van € 8.616,-- en € 132,-- per jaar. Om diezelfde reden houdt het hof, gelijk de rechtbank, in fiscale zin rekening met het te realiseren fiscaal voordeel in verband met betaalde hypotheekrente, de fiscale bijtelling eigenwoningforfait van € 3.128,--, de algemene heffingskorting en de arbeidskorting.

B. Lasten van de man

Normbedrag Participatiewet

Het hof houdt rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep blijkt dat partijen het eens zijn over de hiernavolgende (afgeronde) maandelijkse woonlasten:

€ 144,-- aan aftrekbare hypotheekrente;

€ 144,-- aan niet aftrekbare hypotheekrente;

€ 621,-- aan premie spaarverzekering;

€ 95,-- aan (forfaitaire) overige eigenaarslasten.

Mitsdien zal het hof van deze bedragen uitgaan.

Ziektekosten

Nu partijen daar geen grieven tegen hebben gericht, gaat het hof uit van de navolgende maandelijkse lasten:

€ 126,-- aan nominale premie zorgverzekering;

€ 32,-- aan verplicht eigen risico;

minus € 40,-- zijnde het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Kosten kinderen

Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde kosten van de kinderen, door de man ter zitting in hoger beroep teruggebracht tot een bedrag van in totaal € 1.250,-- per maand. Nog daargelaten dat, gelet op de leeftijd van de kinderen (in onderhavige periode 24 en 21 jaar oud), er voor de man ten aanzien van de kinderen geen wettelijke onderhoudsverplichting meer bestaat en de kinderen moeten worden geacht in hun eigen levensonderhoud te kunnen voorzien, heeft de man tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw, deze kosten niet dan wel onvoldoende onderbouwd.

Nu uit het verweerschrift van de vrouw blijkt dat zij ten aanzien van onderhavige periode kan instemmen met het door de rechtbank becijferde bedrag van € 430,95 per maand aan kosten voor [meerderjarige zoon] , die in onderhavige periode nog een Mbo-opleiding volgde, zal het hof bij het berekenen van de draagkracht van de man met dat bedrag aan kosten kinderen rekening houden.

Vaststelling van de alimentatie

3.8.6.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van € 5.591,-- per maand, waarbij rekening is gehouden met alle relevante fiscale aspecten.

3.8.7.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 3.276,-- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage.

3.8.8.

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekening houdend met dit te realiseren fiscaal voordeel, heeft de man de draagkracht om de door de rechtbank vastgestelde bijdrage in het levensonderhoud van de vrouw van € 3.110,-- per maand te voldoen.

Jusvergelijking

3.8.9.

Ter voorkoming dat de vrouw na ontvangst van een alimentatiebijdrage van de zijde van de man over een hoger vrij te besteden bedrag zal kunnen beschikken dan de man zal het hof – evenals de rechtbank – een jusvergelijking maken.

3.8.10.

Het hof neemt daarbij – met instemming van partijen – de door de vrouw bij brief van 8 december 2017 onder productie 77 overgelegde draagkrachtberekening tot uitgangspunt.

Voor zover die gegevens in hoger beroep zijn betwist, zal het hof daarop gemotiveerd ingaan bij het desbetreffende onderdeel.

3.8.11.

Het hof gaat ter zake van het inkomen van de vrouw uit van een arbeidsinkomen van € 20.892,-- bruto per jaar, vakantietoeslag van € 1.671,-- bruto per jaar, inkomsten uit overwerk van € 684,-- bruto per jaar en een eindejaarsuitkering van € 1.740,-- bruto per jaar.

Nu partijen het daar ter zitting in hoger beroep over eens waren, houdt het hof voorts rekening met een nettobedrag van € 133,-- per jaar.

De vrouw heeft recht op de volgende heffingskortingen:

  • -

    de algemene heffingskorting;

  • -

    de arbeidskorting,

maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

Het hof houdt eveneens rekening met de op het salaris ingehouden pensioenpremie

3.8.12.

Aan de lastenzijde van de vrouw, houdt het hof rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande. Daarnaast houdt het hof rekening met de niet weersproken nominale premie basiszorgverzekering van € 104,-- per maand, de premie aanvullende ziektekostenverzekering van € 75,-- per maand en het verplicht eigen risico van € 32,-- per maand minus € 40,-- zijnde het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Voorts houdt het hof rekening met een woonlast van de vrouw van € 975,-- per maand.

Anders dan de man, is het hof van oordeel dat de vrouw aan de hand van de door haar in het geding gebrachte huurovereenkomst genoegzaam heeft aangetoond dat in voormelde huurprijs van € 975,-- per maand geen bedrag zit inbegrepen voor gas, water en licht.

Het hof houdt geen rekening met de door de vrouw opgevoerde kosten van € 530,-- per maand ter zake van mantelzorg voor haar moeder. Tegenover de gemotiveerde betwisting door de man, heeft de vrouw niet dan wel onvoldoende aangetoond dat er daadwerkelijk sprake is van mantelzorg.

3.8.13.

Op grond van het vorenstaande moet geconcludeerd worden dat bij vergelijking van de door de man en de vrouw vrij te besteden bedragen de vrouw niet in een financieel betere positie komt dan de man bij een door de man te betalen alimentatie van € 3.110,-- per maand.

3.8.14.

Ter zake van onderhavige periode kan de beschikking waarvan beroep in zoverre worden bekrachtigd.

Periode vanaf 1 september 2017

A. Inkomen van de man

Blijkens de door de man overgelegde stukken is de man met ingang van 1 september 2017 werkloos en ontvangt hij een WW-uitkering van € 2.926,-- bruto per maand.

De vrouw stelt zich op het standpunt dat sprake is van een verwijtbaar inkomensverlies, zodat met het verlies aan verdiencapaciteit geen rekening moet worden gehouden en uitgegaan moet worden van het oorspronkelijke salaris dat de man genoot.

De man heeft de stelling van de vrouw gemotiveerd betwist.

Het hof oordeelt als volgt. Volgens vaste jurisprudentie moet bij de beantwoording van de vraag of bij het vaststellen van de draagkracht van de onderhoudsplichtige al dan niet rekening wordt gehouden met een inkomensdaling, allereerst beoordeeld worden of het een door gedragingen van de onderhoudsplichtige zelf teweeg gebrachte inkomensdaling betreft.

Uit de stukken en hetgeen ter zitting naar voren is gekomen, is gebleken dat de man sinds 1 september 2017 onvrijwillig werkloos is geworden, nu vanwege een aantal wijzigingen in de structuur van het bedrijf waar de man werkzaam was, zijn functie van extern (statutair) directeur voor de vestiging te [vestigingsplaats] is komen te vervallen. Het hof merkt daarbij op dat de man na beëindiging van zijn dienstverband een werkloosheidsuitkering is toegekend, hetgeen niet in de rede ligt bij een vrijwillig ontslag. Derhalve is geen sprake van een door de man zelf teweeggebracht inkomensverlies. Het hof komt dan ook niet toe aan de vragen of het inkomensverlies voor herstel vatbaar is en zo ja, of sprake is van verwijtbaar inkomensverlies. Het hof gaat daarom in de periode vanaf 1 september 2017 uit van een WW-uitkering van € 2.926,-- bruto per maand. De man heeft recht op de algemene heffingskorting, maar niet meer dan de ingehouden loonheffing.

B. Lasten van de man

Normbedrag Participatiewet

Het hof houdt rekening met het op de Participatiewet gebaseerde normbedrag, exclusief de ondergrens woonkostencomponent, voor een zelfstandig wonende alleenstaande, ter voorziening in de noodzakelijke kosten van levensonderhoud.

Woonlasten

Het hof houdt rekening met de navolgende, door de vrouw niet betwiste, maandelijkse woonlasten:

€ 206,-- aan aftrekbare hypotheekrente;

€ 206,-- aan niet aftrekbare hypotheekrente;

€ 548,-- aan premie spaarverzekering;

€ 95,-- aan (forfaitaire) overige eigenaarslasten,

waarbij het hof gelijk de door de man in het geding gebrachte draagkrachtberekening een korting wegens onredelijke woonlast toepast van € 316,-- per maand.

Ziektekosten

Het hof houdt rekening met de navolgende, door de vrouw niet betwiste, maandelijkse lasten:

€ 117,-- aan basispremie ZVW;

€ 32,-- aan verplicht eigen risico;

minus € 40,-- zijnde het in het normbedrag Participatiewet begrepen nominale deel premie ZVW voor een alleenstaande.

Kosten van de kinderen

Het hof houdt geen rekening met de door de man gestelde kosten van de kinderen, door de man teruggebracht tot een bedrag van in totaal € 1.250,-- per maand. Nog daargelaten dat gelet op de leeftijd van de kinderen (thans 25 en 22 jaar) er voor de man ten aanzien van de kinderen geen wettelijke onderhoudsverplichting meer bestaat en zij geacht moeten worden in hun eigen levensonderhoud te voorzien, heeft hij tegenover de gemotiveerde betwisting van de vrouw de kosten van de kinderen niet dan wel onvoldoende onderbouwd.

Anders dan bij de periode hiervóór, houdt het hof niet langer rekening met een bedrag van € 430,95 per maand aan kosten voor [meerderjarige zoon] , nu [meerderjarige zoon] in juli 2017 zijn Mbo-opleiding heeft afgerond.

Vaststelling van de alimentatie

3.8.15.

Bovengenoemd inkomen van de man resulteert in een netto besteedbaar inkomen van € 1.906,-- per maand, waarbij rekening is gehouden met alle relevante fiscale aspecten.

3.8.16.

Na aftrek van voormelde lasten van het bovenstaande netto besteedbaar inkomen heeft de man een draagkrachtruimte van € 292,-- per maand. Daarvan is 60% beschikbaar voor de betaling van een onderhoudsbijdrage.

3.8.17.

Betaalde partneralimentatie is geheel aftrekbaar voor de inkomstenbelasting. Het fiscaal voordeel dat de man door deze aftrek geniet, komt geheel ten goede aan de vrouw. Rekening houdend met dit te realiseren fiscaal voordeel, heeft de man de draagkracht om € 295,-- per maand te betalen als bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw.

Met het betalen van deze onderhoudsbijdrage is de grens van de draagkracht van de man bereikt.

Jusvergelijking

3.8.18.

Ter voorkoming dat de vrouw na ontvangst van een alimentatie bijdrage van de zijde van de man over een hoger vrij te besteden bedrag zal kunnen beschikken dan de man zal het hof een jusvergelijking maken. Het hof gaat daarbij aan de zijde van de vrouw uit van de inkomsten en lasten zoals hiervóór weergegeven in rov. 3.8.11 en 3.8.12, nu gesteld noch gebleken is dat voor onderhavige periode van andere gegevens dient te worden uitgegaan.

3.8.19.

Op grond van het vorenstaande moet geconcludeerd worden dat bij vergelijking van de door de man en de vrouw vrij te besteden bedragen de vrouw niet in een financieel betere positie komt dan de man bij een door de man te betalen alimentatie van € 295,-- per maand. Aldus zal het hof met ingang van 1 september 2017 de alimentatiebijdrage vaststellen op dit bedrag.

Terugbetaling

3.8.20.

Nu het hof de onderhoudsverplichting met ingang van een voor zijn uitspraak gelegen datum heeft verlaagd, dient het hof aan de hand van de ten processe gebleken feiten en omstandigheden te beoordelen in hoeverre een daaruit voortvloeiende terugbetalingsverplichting in redelijkheid kan worden aanvaard. Daarbij is het hof niet afhankelijk van een door de onderhoudsgerechtigde gevoerd, op die terugbetaling betrekking hebbend verweer.

Bij de beoordeling in hoeverre van de onderhoudsgerechtigde in redelijkheid terugbetaling van het teveel ontvangene kan worden verlangd, dient de rechter ook het belang van de onderhoudsplichtige om het teveel betaalde terug te krijgen in aanmerking te nemen.

3.8.21.

Daartoe overweegt het hof het navolgende. Voor zover de man vanaf 1 september 2017 tot heden meer heeft betaald en/of er meer op hem is verhaald dan de onder 3.8.19 vermelde bijdrage, kan van de vrouw in redelijkheid niet worden gevergd dat zij het meerdere terugbetaalt. Daartoe is van belang dat de onderhoudsbijdragen geacht kunnen worden te zijn verbruikt overeenkomstig de behoefte van de vrouw.

Verdeling eenvoudige gemeenschappen

3.9.

Partijen zijn gehuwd met uitsluiting van iedere gemeenschap. Sprake is wel van een aantal zogenoemde “eenvoudige gemeenschappen” waarin beide partijen deelgenoot zijn.

Inboedel (grief 2 van de man)

3.9.1.

Grief 2 van de man houdt het volgende in:

(1) de rechtbank had bij de a-b-a-b-verdeling van de gemeenschappelijke inboedelgoederen ook de door de vrouw bij haar vertrek uit de echtelijke woning meegenomen goederen in de verdeling moeten betrekken. Het gaat daarbij om de goederen die vermeld staan op de bijlage bij de pleitaantekeningen van de advocaat van de vrouw in eerste aanleg (productie 56 verweerschrift vrouw);

(2) de rechtbank heeft bij de a-b-a-b-verdeling van de gemeenschappelijke inboedelgoederen ten onrechte de spullen van de kinderen en de zaken die aard- en nagelvast aan de woning zijn verbonden betrokken;

(3) de rechtbank heeft bij de a-b-a-b-verdeling van de gemeenschappelijke inboedelgoederen ten onrechte het schilderij ‘Staying at county road’ (door partijen ook aangeduid als ‘De huilende Madonna’) aan de vrouw toegedeeld. Het schilderij dient buiten de verdeling te blijven nu het schilderij een privégoed betreft van de ouders van de man, die het schilderij indertijd alleen aan partijen in bruikleen hebben gegeven.

3.9.2.

De vrouw heeft verweer gevoerd.

(ad 1) Zij betwist met klem dat zij bij haar vertrek uit de echtelijke woning een voorschot heeft genomen op de verdeling van de gemeenschappelijke goederen. Nadat de vrouw op 24 mei 2015 de echtelijke woning heeft verlaten, heeft zij op 8 juni 2015 alleen haar persoonlijke spullen opgehaald (kleding, toiletspullen etc.), alsmede een deel van de goederen die zij van haar familie had ontvangen (erfstukken), goederen die zij op basis van de staat van aanbrengsten heeft ingebracht en een deel van de door haar ontvangen cadeaus.

(ad 2) Ten aanzien van de aard- en nagelvast aan de woning verbonden zaken en de spullen van de kinderen kan zij er mee instemmen dat die goederen niet in de verdeling worden betrokken.

(ad 3) Het schilderij ‘Staying at county road’ is door partijen gezamenlijk gekocht en aan hen beiden geleverd.

3.9.3.

Het hof oordeelt als volgt.

(ad 1) Tegenover de gemotiveerde betwisting door de vrouw, heeft de man niet dan wel onvoldoende onderbouwd dat de goederen als vermeld op de bijlage bij de pleitaantekeningen van de advocaat van de vrouw in eerste aanleg (deel uitmakende van productie 53 van het verweerschrift van de vrouw) gezamenlijke goederen betreffen die voor verdeling in aanmerking komen. Het had op de weg van de man gelegen zijn stelling met concrete bescheiden te onderbouwen. Nu hij dit heeft nagelaten, dient dat voor zijn eigen rekening en risico te komen. Mitsdien faalt op dit onderdeel grief 2 van de man.

(ad 2) Uit de stukken en het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat partijen het er over eens zijn dat de door de rechtbank in de a-b-a-b-verdeling betrokken spullen van de kinderen, alsmede de aard- en nagelvaste zaken aan de woning, niet in de verdeling moeten worden betrokken. Mitsdien behoeft dit onderdeel van grief 2 geen verdere bespreking meer.

(ad 3) Ter onderbouwing van zijn stelling dat het schilderij ‘Staying at county road’ niet tot de te verdelen gezamenlijke inboedel behoort, heeft de man in hoger beroep een kopie overgelegd van een handgeschreven aankoopbon van het schilderij van [Art] Art, alsmede een verklaring van zijn moeder waarin zij onder meer verklaart dat zij, en wijlen haar man, in 2013 het schilderij ‘Staying at county road’ hebben gekocht bij [Art] Art in [vestigingsplaats] om het schilderij vervolgens aan partijen in bruikleen te geven.

De vrouw heeft de stelling van de man betwist en stelt dat partijen het schilderij gezamenlijk hebben gekocht en geleverd gekregen. Ter onderbouwing van haar stelling heeft de vrouw een verklaring in het geding gebracht (prod. 57 bij vws hb) waarin is vermeld dat het schilderij door partijen is gekocht op de Lifestylebeurs. Gelet op deze gemotiveerde betwisting is niet vast komen te staan dat het schilderij eigendom is van de moeder van de man en mitsdien buiten de verdeling van de gezamenlijke inboedel moet worden gehouden.

Ingevolge art. 1:131 BW moet het schilderij dan ook geacht worden aan beide partijen, ieder voor de helft, toe te behoren.

Nu de man ter zitting in hoger beroep heeft verklaard dat het schilderij emotionele waarde voor hem vertegenwoordigt omdat het een blijvend aandenken is aan zijn overleden vader, zal het hof het schilderij toedelen aan de man onder de verplichting de helft van de aankoopwaarde van € 2.650,--, te weten € 1.325,--, aan de vrouw te voldoen. Aldus zal het hof bepalen.

Foto’s/fotoboeken (grief 3 van de man)

3.10.1.

Grief 3 houdt in dat de rechtbank ten onrechte het verzoek van de man tot afgifte van de door de vrouw meegenomen fotoboeken heeft afgewezen. Ter toelichting op zijn grief voert de man aan dat het oordeel van de rechtbank onbegrijpelijk is nu de vrouw niet dan wel onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat zij over de desbetreffende fotoalbums beschikt. Daarnaast heeft de man de door de vrouw meegenomen fotoalbums van de kinderen zelf gemaakt. Om die reden vertegenwoordigen deze albums een persoonlijke en emotionele waarde voor de man.

3.10.2.

De vrouw heeft hiertegen verweer gevoerd. Partijen hebben een gelijk recht op de foto’s nu deze tot de eenvoudige gemeenschap behoren. Afgifte zou ertoe leiden dat de man over alle foto’s zou komen te beschikken terwijl de vrouw met niets achterblijft. De man weigert om kopieën te verstrekken aan de vrouw van de in zijn bezit zijnde fotoalbums en vele duizenden digitale foto’s. Bij wijze van vermeerdering van verzoek verzoekt de vrouw de man te veroordelen tot afgifte van de aan de vrouw in eigendom toebehorende foto’s van haar persoonlijk, zowel in digitale als in papieren vorm, en de man te veroordelen tot afgifte aan de vrouw van een (digitale) kopie van alle familiefoto’s van partijen, derhalve zowel van alle in zijn bezit zijnde digitale foto’s als van alle in de in zijn bezit zijnde fotoalbums opgenomen foto’s.

3.10.3.

Het hof oordeelt als volgt.

Uit de stellingen van partijen leidt het hof af dat zij beiden beschikken over één of meerdere fotoalbums en (digitale) foto’s. Nu partijen niet in staat blijken te zijn onderlinge afspraken te maken over de verdeling van de fotoalbums en (digitale) foto’s, zal het hof bepalen dat iedere partij krijgt toegedeeld die fotoalbums en (digitale) foto’s die zij thans in hun bezit hebben, onder de verplichting elkaar over en weer (digitale) kopieën ter beschikking te stellen van alle in hun bezit zijnde (digitale) foto’s alsmede van alle in hun bezit zijnde fotoalbums opgenomen foto’s.

Inzage bankrekening (grief 4)

3.11.

Naar aanleiding van de door de man opgeworpen grief, inhoudende dat de rechtbank ten onrechte heeft afgewezen zijn verzoek tot, kort gezegd, het verstrekken door de vrouw van een bankafschrift van haar bankrekening bij de Triodosbank teneinde het saldo daarvan op de peildatum te kunnen vaststellen, heeft de vrouw ter zitting in hoger beroep de man inzage gegeven in het betreffende bankafschrift. Nu de man daar ter zitting in hoger beroep verder niet meer op is teruggekomen, gaat het hof ervan uit dat de man zich op dit punt voldoende voorgelicht acht. Mitsdien behoeft grief 4 van de man geen verdere bespreking.

Proceskosten

3.12.

De proceskosten van dit hoger beroep worden gecompenseerd, nu partijen gewezen echtgenoten zijn.

4 De beslissing

Het hof:

in de zaak met zaaknummers 200.207.606/01 en 200.207.607/01 op het principaal en incidenteel appel:

vernietigt de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 oktober 2016, derhalve voor zover de rechtbank in het lichaam van de die beschikking de verzoeken van partijen ten aanzien van de digitale foto’s en de fotoboeken heeft afgewezen en het schilderij ‘Staying at county road’ als gevolg van de a-b-a-b-verdeling is toegedeeld aan de vrouw,

en (in zoverre) opnieuw rechtdoende:

bepaalt dat de man met ingang van 1 september 2017 aan de vrouw voor haar levensonderhoud zal voldoen een bedrag van € 295,-- per maand, voor wat de nog niet verschenen termijnen betreft te voldoen bij vooruitbetaling;

bepaalt dat de vrouw hetgeen zij vanaf 1 september 2017 ten titel van partneralimentatie teveel heeft ontvangen, niet aan de man hoeft terug te betalen;

deelt toe aan de man het schilderij ‘Staying at county road’ onder de verplichting de helft van de waarde daarvan, zijnde een bedrag van € 1.325,--, aan de vrouw te voldoen;

deelt aan ieder van partijen toe de fotoalbums en (digitale) foto’s die zij thans in hun bezit hebben, onder de wederzijdse verplichting dat zij elkaar over een weer kopieën ter beschikking te stellen van alle in hun bezit zijnde (digitale) foto’s alsmede van alle in hun bezit zijnde fotoalbums opgenomen foto’s;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen voor het overige en in het bijzonder voor zover de rechtbank daarbij met ingang van 3 februari 2017 de partneralimentatie heeft vastgesteld op € 3.110,-- per maand;

compenseert de op dit hoger beroep gevallen proceskosten tussen partijen aldus, dat ieder van hen de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders verzochte.

in de zaak met nummer 200.207.606/02:

wijst af het verzoek tot schorsing van de werking van de uitvoerbaarverklaring bij voorraad van de beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 14 oktober 2016.

Deze beschikking is gegeven door mrs. P.P.M. van Reijsen, G.J. Vossestein en T.J. Mellema-Kranenburg, bijgestaan door mr. A.C. Kaemingk als griffier, en is op 1 februari 2018 in het openbaar uitgesproken.