Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3559

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
28-08-2018
Zaaknummer
200.207.549_01
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:4824, Overig
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBOBR:2016:318, Overig
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partijen spreken over een minnelijke regeling. Tussen partijen is in geschil aan welke vennootschap het overeengekomen bedrag moet worden betaald. Het hof oordeelt dat geen overeenstemming is bereikt over essentialia van de overeenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.207.549/01

arrest van 21 augustus 2018

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap 1] ,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

appellante,

hierna aan te duiden als: [appellante] ,

advocaat: mr. P.M. Gunning te Zevenaar,

tegen

1. de rechtspersoon naar Duits recht

[de vennootschap 2] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] (Duitsland),

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap 3] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[de vennootschap 4] ,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,

geïntimeerden,

hierna ieder voor zich te noemen [geïntimeerde 1] , respectievelijk [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] en gezamenlijk te noemen [geïntimeerde 1] c.s.,

advocaat: mr. R.A. Subnel te ’s-Hertogenbosch,

op het bij exploot van dagvaarding van 17 november 2016 ingeleide hoger beroep van de vonnissen van 13 januari 2016 en 17 augustus 2016, door de rechtbank Oost-Brabant, zittingsplaats 's-Hertogenbosch, gewezen tussen [appellante] als eiseres en [geïntimeerde 1] c.s. als gedaagden.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer C/01/292520 / HA ZA 15-278)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormelde vonnissen.

2 Het geding in hoger beroep

2.1

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep d.d. 17 november 2016;

  • -

    de memorie van grieven;

  • -

    de memorie van antwoord.

2.2

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

Omvang van het hoger beroep

3.1

Bij de beoordeling stelt het hof voorop dat door [appellante] geen (voldoende kenbare) grieven zijn gericht tegen de (met name in r.o. 2.7 van het eindvonnis d.d. 17 augustus 2018 gemotiveerde) afwijzing door de rechtbank van haar subsidiaire vordering (strekkend tot schadevergoeding omdat de dienstverlening met [de vennootschap 5] voor de vestigingen [plaats 1] en [vestiging geïntimeerde 3] niet met inachtneming van de in de mantelovereenkomst overeengekomen opzegtermijn van drie maanden tegen 1 juni 2012 is opgezegd), en evenmin tegen de afwijzing van de vorderingen (gemotiveerd in r.o. 4.5 van het tussenvonnis d.d. 13 januari 2016 van de rechtbank) voor zover deze zijn gericht tegen [geïntimeerde 2] en [geïntimeerde 3] .

Feiten

3.2

In dit hoger beroep zijn de volgende feiten van belang.

3.2.1

De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid [de vennootschap 5] (hierna: [de vennootschap 5] ) exploiteerde een wasserij te [plaats 2] . Bestuurder en enig aandeelhouder van [de vennootschap 5] was [beheer] Beheer B.V. De aandelen van [beheer] Beheer B.V. werden voor 50% gehouden door [holding 1] B.V. en voor 50% door [holding 2] B.V., de persoonlijke vennootschappen van respectievelijk [derde 1] en [derde 2] .

3.2.2

Tussen [de vennootschap 5] en [geïntimeerde 1] is in juli 2007 een mantelovereenkomst gesloten met betrekking tot het reinigen van bedrijfskleding. Nadien is er tussen [de vennootschap 5] en [geïntimeerde 3] nog een aanvullende overeenkomst gesloten met betrekking tot de vestiging [vestiging geïntimeerde 3] .

In de mantelovereenkomst is in §5 onder meer het volgende bepaald:

“Deze overeenkomst gaat in per 01-06-2007 en is geldig tot 01-06-08. Ze wordt telkens automatisch verlengd met een periode van 1 jaar. Opzegtermijn is 3 maanden.”

3.2.3

Bij brief van 7 september 2009 heeft [geïntimeerde 1] onder meer het volgende aan [de vennootschap 5] bericht:

“hierbij zeggen wij het bestaande raamcontract op met ingang van 01.06.2010.

Wij verwachten van u, dat het verzorgen van de bedrijfskleding nog correct wordt uitgevoerd tot aan de tijd van de nieuwe aanbesteding, zijnde begin 2010.”

3.2.4

[derde 2] is op [datum overlijden derde 2] 2010 overleden. Zijn zoon [derde 3] is daarna bestuurder van [holding 2] B.V. geworden. [derde 3] is bestuurder van [appellante] .

3.2.5

[holding 1] B.V. heeft haar aandelen in [beheer] Beheer B.V. verkocht en geleverd aan de heer [derde 4] . Op 13 januari 2012 heeft [holding 2] B.V. haar aandelen in [beheer] Beheer B.V. verkocht en geleverd aan [derde 5] . [holding 2] B.V. heeft op dezelfde datum haar functie van directeur van [beheer] Beheer B.V. ter beschikking gesteld.

3.2.6

Op 13 januari 2012 heeft [appellante] een overeenkomst gesloten waarbij in artikel 1.2 is bepaald:

“Op de leveringsdatum verkoopt en levert [de vennootschap 5] aan [appellante] en koopt en neemt [appellante] van [de vennootschap 5] over het klantenbestand volgens de lijst als beschreven in bijlage 2 van deze overeenkomst, en de met deze klanten gesloten overeenkomsten dan wel gemaakte (prijs)afspraken en alle overige gegevens betreffende deze klanten (hierna: het Klantenbestand). Alsdan neemt [appellante] ook de vordering [de vennootschap 5] op [geïntimeerde 2] ter zake van het beëindigen van overeenkomsten van [de vennootschap 5] over.”

In de kop van de overeenkomst is [beheer] Beheer B.V. als partij bij de overeenkomst opgenomen, bij de ondertekening staat [de vennootschap 5] als partij vermeld.

3.2.7

Op 19 januari 2012 vond een gesprek plaats bij [geïntimeerde 1] te [plaats 1] . Daarbij waren aanwezig de heren [derde 3] , [derde 6] en [derde 7] .

3.2.8

Op 20 januari 2012 heeft [derde 3] de volgende mail gestuurd aan de heer [derde 6] :

“Onderwerp: schikking [de vennootschap 5] – [geïntimeerde 1] (…)

Geachte heer [derde 6] , beste [voornaam derde 6] ,

Ik ga akkoord met een schikking van EURO 80 000,- zoals besproken. De voorwaarden daarbij zijn:

- finale kwijting van de door [de vennootschap 5] geclaimde schadevergoeding inzake de mantelovereenkomst.

- [geïntimeerde 1] (advocaat) krijgt inzage in de overeenkomst gesloten tussen [de vennootschap 5] en [de vennootschap 1] inzake overname klantenbestand en vordering op [geïntimeerde 1] van de [de vennootschap 5] .

- snelle afhandeling van de schikking en het schikkingsbedrag wordt daags na ondertekening van schikking overgemaakt.

- [geïntimeerde 1] verleent haar medewerking om te komen tot (financiële) afspraken tussen [de vennootschap 1] en [derde 8] inzake het contract [geïntimeerde 3] .

- geheimhouding t.a.v. de schikking alsmede de nog te maken afspraken met [derde 8] .

- geheimhouding t.a.v. de overeenkomst tussen [de vennootschap 5] en [de vennootschap 1]

Praktische afspraken:

- [geïntimeerde 1] stelt overeenkomst m.b.t. het schikkingsvoorstel op zodat finale kwijting is verzekerd. Hierbij wordt ook een artikel t.a.v. geheimhouding opgenomen.

- Na afhandeling schikking zullen de heer [derde 6] en [derde 3] afspraken maken over hoe in contact te treden met [derde 8] i.v.m. eventuele overdracht en vergoeding.

Graag verneem ik of u zich in bovenstaande kan vinden en stel voor dat er z.s.m. een concept overeenkomst wordt opgesteld. Ik zou het zeer op prijs stellen als we begin volgend week in ieder geval de schikking kunnen hebben afgerond.”

3.2.9

Bij brief van 27 januari 2012 heeft mr. [advocaat] (advocaat) aan [de vennootschap 3] een concept van de vaststellingsovereenkomst gestuurd. In deze concept overeenkomst zijn als partijen opgenomen [geïntimeerde 1] , [de vennootschap 5] , [appellante] en [de vennootschap 4]

3.2.10

Per mail van 30 januari 2012 heeft de heer [derde 6] de concept vaststellingsovereenkomst doorgestuurd aan de heer [derde 3] . Diezelfde datum reageert [derde 3] per mail, hij schrijft ondermeer:

“Ik heb mijn op- en aanmerkingen in het rood aangegeven.

Belangrijk voor de advocaat is dat [de vennootschap 5] geen partij meer is, aangezien ik ( [appellante] ) alle rechten/contracten van [de vennootschap 5] heb overgenomen.”

In de bijgevoegde vaststellingsovereenkomst heeft [derde 3] de naam van [de vennootschap 5] in de kop van de overeenkomst doorgestreept en op die plaats toegevoegd: “De [de vennootschap 5] is geen partij meer, zij heeft alle rechten overgedragen aan [appellante] , zie overeenkomst [de vennootschap 5] en [appellante] .”

3.2.11

Uiteindelijk is het niet tot ondertekening van een vaststellingsovereenkomst gekomen.

3.2.12

Bij brief van 12 februari 2012 heeft de heer [derde 9] het volgende geschreven aan [appellante] :

“Middels dit schrijven wil ik graag de overeenkomst tussen [de vennootschap 1] en onder meer de [de vennootschap 5] d.d. 13 januari 2012 bevestigen.

Onderdeel van deze overeenkomst is dat het klantenbestand van de [de vennootschap 5] , is overgegaan naar [de vennootschap 1] , en daarmee dus ook de met deze klanten gesloten overeenkomsten dan wel gemaakte (prijs)afspraken en alle overige gegevens betreffende deze klanten. Ook is de vordering van [de vennootschap 5] op [geïntimeerde 1] door [appellante] overgenomen.”

De vordering in eerste aanleg en in hoger beroep

3.3.1.

In de onderhavige procedure vordert [appellante] , voor zover in hoger beroep nog van belang, de veroordeling van [geïntimeerde 1] tot betaling van € 80.000,00.

3.3.2

In het tussenvonnis van 13 januari 2016 heeft de rechtbank [appellante] opgedragen te bewijzen dat zij op 19 januari 2012 met [geïntimeerde 1] een minnelijke regeling heeft bereikt inhoudende dat [geïntimeerde 1] aan [appellante] een bedrag van € 80.000,00 zou voldoen ter minnelijke afwikkeling van de schade die [de vennootschap 5] zou hebben geleden in verband met de omstandigheid dat [geïntimeerde 1] de door haar met [de vennootschap 5] gesloten mantelovereenkomst voortijdig zou hebben beëindigd.

3.3.3

In het eindvonnis van 17 augustus 2016 heeft de rechtbank [appellante] in de bewijslevering niet geslaagd geacht. Op grond daarvan heeft de rechtbank de vordering van [appellante] afgewezen en haar in de proceskosten veroordeeld.

3.3.4

Aan haar vordering heeft [appellante] , kort samengevat, in hoger beroep het volgende ten grondslag gelegd. Op 19/20 januari 2012 is een minnelijke schikking bereikt (over een door [geïntimeerde 1] c.s. onredelijk gehanteerde opzegtermijn van haar samenwerking met [de vennootschap 5] ). Deze hield in dat [geïntimeerde 1] c.s. een bedrag van € 80.000,00 zou betalen en dat ten gevolge van overdracht van de aan deze schikking ten grondslag liggende en tevens daaruit voortvloeiende vordering [geïntimeerde 1] c.s. het bedrag van € 80.000,00 dient te voldoen aan [appellante] .

De beoordeling in hoger beroep

3.4.1

[appellante] heeft in hoger beroep vijf grieven aangevoerd. [appellante] heeft geconcludeerd tot vernietiging van het beroepen vonnis en tot het alsnog toewijzen van haar vorderingen.

3.4.2

De eerste grief van [appellante] richt zich tegen de feitenvaststelling door de rechtbank. Het hof heeft de feiten, voor zover van belang in dit hoger beroep, in het voorgaande opnieuw vastgesteld, zodat deze grief geen afzonderlijke bespreking meer behoeft. Het hof merkt op dat de rechter niet gehouden is alle gestelde en niet betwiste feiten vast te stellen. Op hetgeen [appellante] verder in de toelichting op die grief aan de orde stelt, wordt hierna, voor zover relevant, bij de beoordeling ingegaan.

3.4.3

Met de overige grieven komt [appellante] , kort gezegd, op tegen de door de rechtbank gegeven bewijsopdracht alsmede de daaropvolgende bewijswaardering door de rechtbank. Het hof zal deze grieven gezamenlijk bespreken.

3.4.4

Tussen partijen is niet in geschil dat [geïntimeerde 1] tijdens het gesprek op 19 januari 2012 heeft uitgesproken € 80.000,00 te willen betalen als onderdeel van een minnelijke regeling. Anders dan [appellante] betoogt is daarmee nog geen overeenkomst, door haar aangeduid als minnelijke schikking, tot stand gekomen. Voor het tot stand komen van een overeenkomst is vereist dat tussen partijen overeenstemming is bereikt over de essentialia. Naar het oordeel van het hof hebben partijen geen overeenstemming bereikt over de essentialia van de overeenkomst. Het hof overweegt daartoe als volgt.

3.4.5

Bij brief van 7 september 2009 (productie 1 bij conclusie van antwoord) heeft [geïntimeerde 1] de mantelovereenkomst (in de brief raamovereenkomst genoemd) met [de vennootschap 5] opgezegd. Als gevolg van deze opzegging verslechterde de financiële situatie van [de vennootschap 5] . Daarnaast heeft een wisseling in het bestuur van [de vennootschap 5] plaatsgevonden. Per mail van 27 december 2011 (productie 9 bij conclusie van antwoord) heeft de heer [derde 3] de heren [derde 10] en [derde 6] om een gesprek gevraagd. Op 5 januari 2012 heeft een gesprek plaatsgevonden bij [geïntimeerde 1] te [plaats 1] . Hoewel [appellante] de inhoud van het door de heer [derde 10] opgestelde verslag (productie 10 bij conclusie van antwoord) betwist, is niet betwist dat tijdens dit gesprek aan de orde is gekomen dat de heer [derde 3] sinds enkele weken directeur is van [de vennootschap 5] , dat de financiële positie van [de vennootschap 5] slecht is, dat deze is verslechterd als gevolg van het wegvallen van omzet van [geïntimeerde 1] , alsmede dat [de vennootschap 5] tot een schikking wil komen met [geïntimeerde 1] . Dat blijkt ook uit de e-mail van [derde 3] d.d. 9 januari 2012 aan [derde 6] en [derde 10] (overgelegd als productie 14 ten behoeve van het getuigenverhoor van 14 april 2016). Tijdens het vervolggesprek op 19 januari 2012 heeft [geïntimeerde 1] aangeboden om € 80.000,00 te willen betalen als onderdeel van een minnelijke regeling. Achtergrond voor [geïntimeerde 1] was daarbij dus kennelijk ook de financieel slechte situatie van [de vennootschap 5] , alsmede de mogelijke claim van [de vennootschap 5] .

3.4.6

Een van de essentialia bij het sluiten van een vaststellingsovereenkomst als de onderhavige is wie partij zijn bij de overeenkomst. Partijen hebben hierover geen overeenstemming bereikt. Daarbij neemt het hof in de eerste plaats in aanmerking dat het hof met de rechtbank van oordeel is dat niet is komen vast te staan dat is afgesproken dat [geïntimeerde 1] het bedrag aan [appellante] zou betalen. Daarnaast volgt uit de mailwisseling die na 19 januari 2012 heeft plaatsgevonden dat [geïntimeerde 1] in de veronderstelling verkeerde dat [de vennootschap 5] partij was bij de overeenkomst, maar dat [appellante] [de vennootschap 5] niet als partij in de overeenkomst opgenomen wenste te zien (vgl. rov. 3.2.10). Gelet op de achtergrond en insteek van de schikkingsonderhandelingen, te weten het treffen van een regeling tussen [de vennootschap 5] en [geïntimeerde 1] (zie ook voormeld e-mail bericht van 9 januari 2012), was de positie van [de vennootschap 5] als partij een van de essentialia van de overeenkomst voor [geïntimeerde 1] . Over de positie van [de vennootschap 5] hebben partijen geen overeenstemming bereikt. Uit het voorgaande volgt dus dat partijen geen overeenstemming hebben bereikt over alle essentialia van de overeenkomst. Nu de beweerdelijke overeenkomst de grondslag is van de vordering van [appellante] tot betaling van € 80.000,00, is deze vordering niet toewijsbaar. Daarmee komt het hof niet toe aan de beoordeling van de door [appellante] gestelde cessie.

3.4.7

De conclusie uit het voorgaande is dat de grieven falen en dat de bestreden vonnissen zullen worden bekrachtigd. [appellante] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep. De kosten voor de procedure in hoger beroep aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. zullen worden vastgesteld op € 5.213,00 voor griffierecht en € 1.959,00 (1 punt x tarief IV) voor salaris advocaat.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt de vonnissen van de rechtbank Oost-Brabant van 13 januari 2016 en 17 augustus 2016;

veroordeelt [appellante] in de kosten van het hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [geïntimeerde 1] c.s. vastgesteld op € 5.213,00 voor griffierecht en op € 1.959,00 voor salaris overeenkomstig het liquidatietarief;

verklaart dit arrest wat de proceskostenveroordeling betreft uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.P.M. Rousseau, E.J. van Sandick en P. Kuipers en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 augustus 2018.

griffier rolraadsheer