Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3558

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
21-08-2018
Datum publicatie
24-08-2018
Zaaknummer
200.203.091_01
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

afwijzing van vorderingen die zijn gebaseerd op een beweerdelijk gesloten reparatieovereenkomst met betrekking tot een personenauto.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

zaaknummer 200.203.091/01

arrest van 21 augustus 2018

in de zaak van

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna aan te duiden als [appellant] ,

advocaat: mr. A. Smeekes te Tilburg,

tegen

[geïntimeerde] ,

wonende te [woonplaats] ,

geïntimeerde,

hierna aan te duiden als [geïntimeerde] ,

advocaat: mr. D. Coskun LLM. te Arnhem,

op het bij exploot van dagvaarding van 2 november 2016 ingeleide hoger beroep van het vonnis van 19 oktober 2016, door de kantonrechter van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Tilburg, gewezen tussen [appellant] als eiser in verzet en [geïntimeerde] als gedaagde in verzet.

1 Het geding in eerste aanleg (zaak-/rolnummer 4929800 CV EXPL 16-2483)

Voor het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar voormeld vonnis, naar het tussenvonnis van 6 april 2016 en naar het verstekvonnis d.d. 13 januari 2016 met zaaknummer 4676225 CV EXPL 15-10154.

2 Het geding in hoger beroep

Het verloop van de procedure blijkt uit:

  • -

    de dagvaarding in hoger beroep;

  • -

    de memorie van grieven met producties;

  • -

    de memorie van antwoord.

Het hof heeft daarna een datum voor arrest bepaald. Het hof doet recht op bovenvermelde stukken en de stukken van de eerste aanleg.

3 De beoordeling

3.1.

In dit hoger beroep staat tussen partijen vast dat [appellant] in [plaats 1] aan de [adres] een garagebedrijf heeft geëxploiteerd onder de naam [garagebedrijf] . Het betrof een eenmanszaak. Blijkens productie 6 bij memorie van grieven is op 22 december 2015 in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel geregistreerd dat [garagebedrijf] met ingang van 1 januari 2015 is opgeheven.

3.2.

[geïntimeerde] stelt zich in de onderhavige procedure op het standpunt dat zij medio 2015 een personenauto, een Renault Espace met kenteken [kenteken] (hierna: de auto), ter reparatie heeft achtergelaten bij [garagebedrijf] en het bedrijf een voorschot op de reparatiekosten heeft betaald van € 1.500,-.

Zij stelt voorts dat [garagebedrijf] de overeengekomen reparatie nooit heeft uitgevoerd en de auto zonder toestemming en medeweten van [geïntimeerde] heeft laten verdwijnen. In eerste aanleg stelde zij dat [garagebedrijf] de auto aan een derde had uitgeleend; in hoger beroep stelt zij dat [garagebedrijf] de auto heeft verplaatst en uiteindelijk heeft geëxporteerd. Zij heeft [appellant] , handelend onder de naam [garagebedrijf] , gedagvaard voor de kantonrechter te Tilburg en gevorderd:

- te verklaren voor recht dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden;

- [appellant] te gebieden tot teruggave en afgifte van de auto;

- [appellant] te gebieden tot een schadevergoeding van € 7.500,-;

- [appellant] te veroordelen in de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente;

- [appellant] te veroordelen in de proceskosten.

Daarnaast heeft [geïntimeerde] [appellant] gedagvaard in kort geding; in die procedure vorderde zij dat [appellant] zou worden veroordeeld tot teruggave aan [geïntimeerde] van de auto, dit op verbeurte van een dwangsom. Die vordering is door de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding d.d.

4 februari 2016 afgewezen.

3.3.

De bodemprocedure bij de kantonrechter heeft geleid tot een verstekvonnis d.d. 13 januari 2016 waarbij de vorderingen van [geïntimeerde] zijn toegewezen met dien verstande dat de kantonrechter, wat betreft de buitengerechtelijke kosten, een bedrag van € 750,- heeft toegewezen. [appellant] is in de proceskosten veroordeeld.

[appellant] is in verzet gekomen tegen voormeld verstekvonnis en heeft gevorderd dat hij zal worden ontheven van de tegen hem uitgesproken veroordeling en dat de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog zullen worden afgewezen, met veroordeling van [geïntimeerde] in de proceskosten.

De kantonrechter heeft vervolgens, bij vonnis waarvan beroep:

- voor recht verklaard dat de overeenkomst tussen partijen is ontbonden;

- [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag te betalen van € 6.850,- aan hoofdsom met

wettelijke rente;

- [appellant] veroordeeld om aan [geïntimeerde] een bedrag te betalen van € 750,- aan buitengerechtelijke

kosten;

- [appellant] in de proceskosten veroordeeld.

3.4.

[appellant] kan zich niet verenigen met het laatstgenoemde vonnis van de kantonrechter en is in hoger beroep gekomen. Hij heeft 8 grieven tegen het vonnis aangevoerd. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Voor zover nodig zal het hof op de afzonderlijke grieven ingaan.

3.5.1.

[geïntimeerde] grondt haar vorderingen primair op wanprestatie. Zij stelt dat zij medio mei 2015 met [garagebedrijf] , het bedrijf van [appellant] , een reparatieovereenkomst heeft gesloten met betrekking tot de voormelde auto. De auto was weliswaar (in ieder geval formeel) eigendom van een derde, te weten mevrouw [derde 1] , maar door [geïntimeerde] is niet gesteld dat zij de reparatieovereenkomst namens mevrouw [derde 1] heeft gesloten, zodat het hof ervan uitgaat dat [geïntimeerde] de contractspartij is. Volgens [geïntimeerde] is [garagebedrijf] tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen ingevolge de met [geïntimeerde] gesloten reparatieovereenkomst doordat de reparatie niet is uitgevoerd en de auto is verdwenen. Zij heeft op grond hiervan gevorderd dat voor recht wordt verklaard dat de overeenkomst is ontbonden. Tevens vorderde zij schadevergoeding van [appellant] , in diens hoedanigheid van eigenaar van [garagebedrijf] .

Gelet op het feit dat [geïntimeerde] haar vorderingen (primair) baseert op wanprestatie ter zake van een met haarzelf gesloten overeenkomst, gaat het verweer van [appellant] dat [geïntimeerde] niet ontvankelijk moet worden verklaard in haar vorderingen in zoverre niet op. Grief 3 van [appellant] faalt in zoverre.

3.5.2.

[appellant] heeft als verweer tegen de voormelde vorderingen van [geïntimeerde] aangevoerd dat [garagebedrijf] in mei 2015 – toen de beweerdelijke reparatieovereenkomst zou zijn gesloten – niet meer bestond. Volgens [appellant] heeft hij de exploitatie van het garagebedrijf in januari 2015 beëindigd. Die beëindiging heeft hij in december 2015 doen inschrijven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Ten bewijze hiervan heeft hij als productie 6 bij memorie van grieven een uittreksel van de inschrijving in het handelsregister, gedateerd 30 januari 2017, in het geding gebracht.

3.5.3.

Naar het oordeel van het hof gaat dit verweer van [appellant] niet op. Vast staat dat [appellant] in mei 2015 – ten tijde van de beweerdelijke reparatieovereenkomst – nog als eigenaar van de eenmanszaak [garagebedrijf] , gevestigd te [plaats 1] aan de [adres] stond geregistreerd in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel. Dat die inschrijving op dat moment onjuist was, zoals [appellant] stelt, kan hij niet aan [geïntimeerde] tegenwerpen, waarbij niet van belang is dat [geïntimeerde] pas ná het sluiten van de overeenkomst het handelsregister zou hebben geraadpleegd, zoals [appellant] stelt (Hoge Raad 3 februari 1984, NJ 1984, 386). Door [appellant] is niet gesteld dat [geïntimeerde] ten tijde van het sluiten van de beweerdelijke reparatieovereenkomst al op de hoogte was van het feit dat de inschrijving in het handelsregister onjuist was. Het hof gaat er daarom van uit dat dit bij [geïntimeerde] niet bekend was.

3.5.4.

[appellant] heeft voorts betwist dat [geïntimeerde] medio mei 2015 een auto ter reparatie heeft aangeboden zoals door haar is gesteld. Zijn grieven 4 en 5 en (deels) grief 1 hebben hierop betrekking. Hij heeft in dit verband gewezen op de vele tegenstrijdigheden en ongerijmdheden in het verhaal van [geïntimeerde] .

3.5.5.

Het hof stelt vast dat het verhaal van [geïntimeerde] , op wie in dit verband de stelplicht en

- indien aan de orde - de bewijslast rust, inderdaad een groot aantal tegenstrijdigheden en ongerijmdheden bevat:

- [geïntimeerde] stelt in de procedure dat zij de auto medio mei 2015 ter reparatie heeft aangeboden bij [garagebedrijf] . Bij de politie heeft zij echter op 1 oktober 2015 verklaard (proces-verbaal van aangifte dat als productie 4 is gevoegd bij memorie van grieven) dat het de eigenaresse mevrouw [derde 1] uit [plaats 2] is geweest die de auto ter reparatie heeft aangeboden. Dat zou niet medio mei 2015 zijn geweest maar eind juni 2015;

- volgens [geïntimeerde] zou zij de auto ter reparatie hebben aangeboden aan een verder onbekend gebleven persoon, genaamd [derde 2] (memorie van antwoord onderdeel 6 p.3);

- [geïntimeerde] heeft in de procedure verder gesteld dat zij ten behoeve van de reparatie een voorschot van € 1.500,- zou hebben betaald. De kwitantie die dat zou moeten bewijzen (productie 2 bij memorie van grieven) vermeldt echter slechts bedragen van € 500,- en

€ 350,-. Bovendien is de kwitantie niet geschreven op briefpapier van [garagebedrijf] maar op briefpapier van een uitgeverij, [uitgeverij] (waaromtrent geen verdere informatie is gegeven), en voorzien van een handtekening van een onbekend gebleven persoon, in ieder geval niet gelijkend op die van [appellant] als opgenomen op de overgelegde kopie van zijn paspoort van 16 december 2014 (productie 8 bij verzetdagvaarding). Hier komt nog bij dat de kwitantie de datum 29 juli 2015 vermeldt, terwijl, uitgaande van het verhaal van [geïntimeerde] , het voorschot medio mei 2015 betaald zou moeten zijn;

- in haar memorie van grieven (onder randnummer 9) stelt [geïntimeerde] dat de auto in Nederland zou blijven (het hof begrijpt: om door haar als economisch eigenaar te worden gebruikt); tegenover de politie heeft zij, in de voormelde aangifte, echter verklaard dat de auto uitgevoerd zou worden naar [plaats 2] ;

- volgens de verklaring van [geïntimeerde] tegenover de politie zou de auto in juni 2015 door mevrouw [derde 1] zijn gekocht, maar volgens de gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer (productie 6 bij de verzetdagvaarding, gedateerd 17 januari 2016) is de auto vele malen van eigenaar gewisseld, echter niet in de periode tussen 16 maart 2015 en 1 oktober 2015.

3.5.6.

In het licht van het voorgaande acht het hof de stelling van [geïntimeerde] dat zij medio mei 2015 een reparatieovereenkomst met [garagebedrijf] heeft gesloten, onvoldoende onderbouwd, zodat die stelling niet kan worden aanvaard. Aan bewijslevering komt het hof om die reden niet toe, nog afgezien van het feit dat [geïntimeerde] slechts in algemene termen een ongespecificeerd bewijsaanbod heeft gedaan.

3.5.7.

De conclusie is dat de grieven van [appellant] in zoverre slagen en dat de vorderingen van [geïntimeerde] op de primaire grondslag niet toewijsbaar zijn. Het hof zal het vonnis waarvan beroep op dit punt vernietigen.

3.6.1.

[geïntimeerde] grondt haar vorderingen subsidiair op onrechtmatige daad. Het hof begrijpt de stellingen van [geïntimeerde] aldus dat zij haar vorderingen op de subsidiaire grondslag mede namens mevrouw [derde 1] , de (formele) eigenaresse van de auto heeft ingesteld. Zij stelt dat zij een schriftelijke volmacht van mevrouw [derde 1] heeft, maar die volmacht heeft het hof niet bij de stukken van het hoger beroep aangetroffen.

Het hof ziet ervan af om [geïntimeerde] in de gelegenheid te geven de volmacht alsnog in het geding te brengen, dit gelet op het hierna volgende.

3.6.2.

[geïntimeerde] heeft haar vorderingen jegens [appellant] op grond van onrechtmatige daad gebaseerd op de stelling, zo begrijpt het hof, dat [appellant] de ter reparatie aangeboden auto heeft laten verdwijnen en een voorschot op de kosten in ontvangst heeft genomen zonder daarvoor een prestatie te leveren.

Die feiten zijn door [appellant] betwist en toereikend (begin van) bewijs voor de hier bedoelde stelling ontbreekt. Het enkele feit dat het bedrijf [garagebedrijf] in mei 2015 nog als zodanig stond ingeschreven in het handelsregister bij de Kamer van Koophandel kan niet als toereikend bewijs worden aangemerkt. Hetzelfde geldt voor het feit dat [appellant] in een eerder procedure zou hebben aangegeven dat de auto is geëxporteerd, nu hij in dat verband juist naar het hiervoor al genoemde informatie van de RDW heeft verwezen.
[geïntimeerde] heeft weliswaar, zoals overwogen, in algemene termen bewijs van haar stellingen aangeboden, maar ook met betrekking tot de hier bedoelde stelling geldt dat het bewijsaanbod onvoldoende is gespecificeerd. Het bewijsaanbod wordt om die reden door het hof gepasseerd.

3.6.3.

Het voorgaande betekent dat de vorderingen van [geïntimeerde] ook niet toewijsbaar zijn op de subsidiaire grondslag.

3.7.

De slotsom is dat de grieven van [appellant] slagen, ook de grieven die betrekking hebben op de toewijzing door de kantonrechter van de gevorderde buitengerechtelijke kosten en op de proceskostenveroordeling. Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven. Het hof zal, opnieuw rechtdoende, de vorderingen van [geïntimeerde] alsnog afwijzen. [geïntimeerde] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van beide instanties.

4 De uitspraak

Het hof:

vernietigt het vonnis van de kantonrechter d.d. 9 oktober 2016 waarvan beroep, behalve voor zover daarin het verstekvonnis van de kantonrechter van 13 januari 2016, gewezen onder zaaknummer 4676225 CV EXPL 15-10154 is vernietigd en de vordering van [geïntimeerde] tot teruggave en afgifte van de auto is afgewezen;

in zoverre opnieuw rechtdoende:

wijst de vorderingen van [geïntimeerde] af;

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep voor het overige;

veroordeelt [geïntimeerde] in de kosten van beide instanties en begroot die kosten aan de zijde van [appellant] als volgt:

- ten aanzien van de eerste aanleg op € 238,01 voor verschotten en op € 500,- voor

gemachtigdensalaris;

- ten aanzien van het hoger beroep op € 410,01 voor verschotten en op € 461,- voor salaris

van de advocaat,
en bepaalt dat deze bedragen binnen veertien dagen na de dag van deze uitspraak moeten zijn voldaan, bij gebreke waarvan deze bedragen worden vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW daarover vanaf het einde van voormelde termijn tot aan de dag der voldoening,
en wat betreft de nakosten op € 157,-- indien geen betekening plaatsvindt, dan wel op

€ 239,-- vermeerderd met de explootkosten indien niet binnen veertien dagen na de datum van dit arrest is voldaan aan de bij dit arrest uitgesproken veroordelingen en betekening van dit arrest heeft plaatsgevonden;

verklaart de voormelde proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. B.A. Meulenbroek, M.G.W.M. Stienissen, en R.R.M. de Moor en is in het openbaar uitgesproken door de rolraadsheer op 21 augustus 2018.

griffier rolraadsheer