Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3557

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
17/00584 en 17/00588
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBZWB:2017:4204, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Belanghebbende heeft op aangifte in totaal € 45.934 BPM voldaan ter zake van de registratie in het Nederlandse kentekenregister van dertien auto’s. Bij het doen van aangifte is belanghebbende ervan uitgegaan dat voornoemde auto’s als gebruikt aangemerkt dienen te worden. In hoger beroep is tussen partijen niet in geschil dat deze auto’s volgens het toetsingskader zoals opgenomen in de arresten van 27 januari 2017, nrs. 16/02949 en 16/03401, ECLI:NL:HR:2017:78 en 79 als nieuw moeten worden aangemerkt. Het Hof ziet, in hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, geen reden prejudiciële vragen te stellen of af te wijken van genoemde arresten van de Hoge Raad. De auto’s moeten als nieuw worden aangemerkt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-10-2018
V-N Vandaag 2018/2367
FutD 2018-2911
V-N 2019/2.18.14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerken: 17/00584 en 17/00588

Uitspraak op het hoger beroep van

[belanghebbende] B.V.,

gevestigd te [vestigingsplaats] ,

hierna: belanghebbende,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant te Breda (hierna: de Rechtbank) van 14 juli 2017, nummer BRE 16/393, in het geding tussen

belanghebbende

en

de inspecteur van de Belastingdienst,

hierna: de Inspecteur,

betreffende de hierna vermelde naheffingsaanslag, boetebeschikking en beschikking belastingrente.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbende is met dagtekening 4 december 2015, onder aanslagnummer [aanslagnummer] , een naheffingsaanslag belasting van personenauto’s en motorrijwielen (hierna: BPM) opgelegd van € 13.987 aan belasting (hierna: de naheffingsaanslag). Daarbij is bij beschikking een boete opgelegd van € 1.393 en is bij beschikking belastingrente ten bedrage van € 465 in rekening gebracht. Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag en beschikkingen. Bij in één geschrift vervatte uitspraken van de Inspecteur van 14 januari 2016 is de naheffingsaanslag verminderd tot een bedrag van € 13.375 aan belasting, is de boetebeschikking verminderd tot een bedrag van € 1.331 en is de beschikking belastingrente gehandhaafd. Voorts heeft de Inspecteur ter zake van de kosten van bezwaar een vergoeding toegekend van € 488.

1.2.

Belanghebbende is van deze uitspraken in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbende een griffierecht geheven van € 334. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard, de uitspraken op bezwaar vernietigd, behoudens de beslissing op het verzoek om kostenvergoeding, de naheffingsaanslag verminderd tot € 12.877, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd, de boetebeschikking vernietigd, de Inspecteur in de proceskosten van belanghebbende ten bedrage van € 990 veroordeeld en de Inspecteur gelast het door belanghebbende betaalde griffierecht van € 334 aan haar te vergoeden.

1.3.

Tegen deze uitspraak heeft zowel belanghebbende (kenmerk 17/00588) als de Inspecteur (kenmerk 17/00584) hoger beroep ingesteld bij het Hof. Ter zake van het hoger beroep van belanghebbende heeft de griffier van belanghebbende een griffierecht geheven van € 501.

Partijen hebben een verweerschrift ingediend.

1.4.

De zitting heeft plaatsgehad op 11 juli 2018 te ‘s-Hertogenbosch. Aldaar zijn toen verschenen en gehoord de heer [A] , adviseur te [plaats] , als gemachtigde van belanghebbende, alsmede, namens de Inspecteur, de heer [B] .

1.5.

Belanghebbende heeft te dezer zitting een pleitnota voorgedragen en exemplaren daarvan overgelegd aan het Hof en aan de wederpartij. De Inspecteur heeft verklaard geen bezwaar te hebben tegen overlegging van de bij deze pleitnota behorende bijlage.

1.6.

De Inspecteur heeft ter zitting het door hem ingestelde hoger beroep (kenmerk 17/00584) ingetrokken.

1.7.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

1.8.

Van de zitting is geen proces-verbaal opgemaakt.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan:

2.1.

Belanghebbende heeft op aangifte (in totaal) € 45.934 BPM voldaan ter zake van de registratie in Nederland van de in onderstaande tabel vermelde auto’s.

Kenteken

VIN

DET

Aangifte

Registratie

Kilometerstand

1

[kenteken 1]

[nummer 1]

28-06-2013

21-02-2014

27-03-2014

9

2

[kenteken 2]

[nummer 2]

20-01-2014

07-03-2014

19-03-2014

11

3

[kenteken 3]

[nummer 3]

24-06-2013

18-03-2014

05-04-2014

11

4

[kenteken 4]

[nummer 4]

24-06-2013

18-03-2014

11-04-2014

10

5

[kenteken 5]

[nummer 5]

15-05-2014

04-07-2014

12-07-2014

21

6

[kenteken 6]

[nummer 6]

15-05-2014

07-07-2014

15-07-2014

4

7

[kenteken 7]

[nummer 7]

15-05-2014

07-07-2014

17-07-2014

8

8

[kenteken 8]

[nummer 8]

15-05-2014

21-07-2014

19-08-2014

4

9

[kenteken 9]

[nummer 9]

15-05-2014

15-07-2014

08-11-2014

5

10

[kenteken 10]

[nummer 10]

13-10-2014

26-11-2014

06-12-2014

4

11

[kenteken 11]

[nummer 11]

13-10-2014

15-12-2014

24-12-2014

134

12

[kenteken 12]

[nummer 12]

13-10-2014

16-12-2014

24-12-2014

50

13

[kenteken 13]

[nummer 13]

13-10-2014

12-01-2015

22-01-2015

46

2.2.

Belanghebbende is in de aangifte er van uitgegaan dat sprake is van gebruikte auto’s als bedoeld in artikel 10 van de Wet BPM.

2.3.

De Inspecteur heeft de naheffingsaanslag opgelegd omdat hij de auto’s als nieuw en ongebruikt beschouwt. De verschuldigde BPM bedraagt volgens de Inspecteur dan (in totaal) € 59.921; voor het verschil van € 59.921 -/- € 45.934 = € 13.987 is de naheffingsaanslag opgelegd. De Inspecteur heeft voorts op grond van artikel 67c van de Algemene wet inzake rijksbelastingen een verzuimboete opgelegd van € 1.393. Tevens is bij beschikking belastingrente ten bedrage van € 465 in rekening gebracht.

2.4.

De Rechtbank heeft de naheffingsaanslag verminderd tot € 12.877, de beschikking belastingrente dienovereenkomstig verminderd en de boetebeschikking vernietigd.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft, naar partijen ter zitting uitdrukkelijk hebben verklaard, uitsluitend nog het antwoord op de vraag of de auto’s als gebruikte personenauto’s in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM kunnen worden aangemerkt.

Belanghebbende is van mening dat deze vraag bevestigend moet worden beantwoord.

De Inspecteur is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, van al welke stukken de inhoud als hier ingevoegd moet worden aangemerkt.

3.3.

Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, uitsluitend voor zover daarbij de naheffingsaanslag is verminderd, en tot vernietiging van de naheffingsaanslag. De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het hoger beroep.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

4.1.

De Hoge Raad heeft in de arresten van 27 januari 2017, nrs. 16/02949 en 16/03401, ECLI:NL:HR:2017:78 en 79, een toetsingskader gegeven voor de vraag of een auto als nieuw dan wel als gebruikt in de zin van artikel 10, lid 1, van de Wet BPM moet worden aangemerkt. Tussen partijen is niet in geschil dat de onderhavige auto’s volgens dit toetsingskader als nieuw moeten worden aangemerkt.

4.2.

Belanghebbende heeft te kennen gegeven het niet eens te zijn met de hiervoor genoemde arresten van de Hoge Raad van 27 januari 2017. Zij heeft het Hof verzocht om op de voet van artikel 267 VWEU prejudiciële vragen te stellen aan het HvJ EU. In al hetgeen belanghebbende heeft aangevoerd, waaronder de door haar in haar pleitnota genoemde uitspraken, en ook overigens, ziet het Hof geen reden prejudiciële vragen te stellen of af te wijken van genoemde arresten van de Hoge Raad.

4.3.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de auto’s als nieuw moeten worden aangemerkt. Het gelijk is aan de Inspecteur.

Slotsom

4.4.

De slotsom is dat het hoger beroep van belanghebbende ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden bevestigd.

Ten aanzien van het griffierecht

4.5.

Het Hof is van oordeel dat er geen redenen aanwezig zijn om te gelasten dat de Inspecteur aan belanghebbende het door haar betaalde griffierecht geheel of gedeeltelijk vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.6.

Omdat de Inspecteur het door hem ingestelde hoger beroep ter zitting heeft ingetrokken (zie 1.6), acht het Hof termen aanwezig de Inspecteur te veroordelen tot betaling van een tegemoetkoming in de kosten die belanghebbende in verband met dat hoger beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

4.7.

Het Hof stelt deze tegemoetkoming, mede gelet op het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: het Besluit), op 2 punten (1 punt voor indienen verweerschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting) x € 501 (waarde per punt) x 1 (factor gewicht van de zaak) is € 1.002.

4.8.

Gesteld noch gebleken is dat belanghebbende overige voor vergoeding in aanmerking komende kosten als bedoeld in artikel 1 van het Besluit heeft gemaakt.

5 Beslissing

Het Hof:

- verklaart het hoger beroep ongegrond;

- bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

- veroordeelt de Inspecteur in de kosten van het geding bij het Hof aan de zijde van belanghebbende, vastgesteld op € 1.002.

Aldus gedaan op 23 augustus 2018 door T.A. Gladpootjes, voorzitter, P.A.M. Pijnenburg en J.W. Verstraate, in tegenwoordigheid van M.A.M. van den Broek, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden.

De uitspraak is enkel door de voorzitter ondertekend aangezien de griffier is verhinderd deze te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s‑Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.