Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3553

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
18-09-2018
Zaaknummer
200.242.590_01
Rechtsgebieden
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bekrachtiging weigering toelating tot de schuldsaneringsregeling ex artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw nu schuldenares ten aanzien van het ontstaan en onbetaald laten van de schulden in de periode van vijf jaar voorafgaande aan het toelatingsverzoek niet te goeder trouw is geweest alsmede ex artikel 288 lid 1 aanhef sub c Fw nu onvoldoende aannemelijk is dat de schuldenares de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (kunnen) nakomen en zich zal (kunnen) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

Wetsverwijzingen
Faillissementswet 288
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 23 augustus 2018

Zaaknummer : 200.242.590/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/249234/ FT RK 18-402

in de zaak in hoger beroep van:

[appellante] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellante,

hierna te noemen: [appellante] ,

advocaat: mr. R.M.J.K.M. Teeuwen te Roermond.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 juni 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 3 juli 2018, heeft [appellante] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, de schuldsaneringsregeling op haar van toepassing te verklaren.

2.2.

Gelet op de onderlinge samenhang met de zaak welke bij het hof is geregistreerd onder zaaknummer 200.242.022/01 heeft het hof de beide zaken gevoegd behandeld.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- [appellante] en [partner van appellante] , laatstgenoemde hierna te noemen: [partner van appellante] , beiden bijgestaan door mr. Teeuwen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 18 juni 2018;

- de brieven met bijlagen van de advocaat van [appellante] d.d. 9 augustus 2018, 10 augustus 2018 en 14 augustus 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellante] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit haar emailbericht aan de advocaat van [appellante] d.d. 3 juli 2018 alsmede uit de uitlatingen van de advocaat van [appellante] zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellante] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld om haar visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

[appellante] heeft de rechtbank verzocht om de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit te spreken. Uit de (gezamenlijke) verklaring ex artikel 285 Faillissementswet (Fw) van [appellante] blijkt een totale schuldenlast van € 120.762,27. Daaronder bevinden zich een viertal belastingschulden voor een totaalbedrag van

€ 87.869,00. Uit genoemde verklaring blijkt dat het minnelijke traject is mislukt omdat niet alle schuldeisers met het aangeboden percentage hebben ingestemd.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank het verzoek van [appellante] afgewezen. De rechtbank heeft daartoe op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b en c Fw overwogen dat niet voldoende aannemelijk is dat [appellante] ten aanzien van het ontstaan van schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest en dat [appellante] de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.3. (…) Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekers een schuldenlast hebben van

€ 120.767,27. De grootste schuld is ontstaan bij de Belastingdienst, namelijk € 87.869,00 Deze schuld is ontstaan in het jaar 2015. De vordering van de Belastingdienst is volgens de beschermingsbewindvoerder van verzoekers ontstaan door een fictieve berekening. Daarbij is geschat wat de opbrengst van hennep zou zijn geweest. Verzoeker heeft namelijk - kort weergegeven - in de jaren 2013 en 2014 een eigen zaak gehad. De onderneming is in januari 2015 geëindigd. Naast zijn garage was een grow shop gevestigd. Hem is verzocht of hij hennep kon drogen. Omdat verzoeker in financiële problemen zat heeft hij het verzoek ingewilligd. De zolder van zijn woning heeft hij vervolgens als drooghok gebruikt voor hennepplanten. Bij inval door de politie is 88 kilo hennep aangetroffen. De rechtbank is van oordeel dat de ontstane (hoge) vordering van de Belastingdienst naar zijn aard niet te goeder trouw is.

(…)

2.5.

Verzoekster stelt dat zij wegens haar rug niet in staat is betaalde arbeid te verrichten. Een medische verklaring daartoe ontbreekt echter. Verzoekster heeft voor het overige ter zitting onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen.”

3.5.

[appellante] kan zich met deze beslissing niet verenigen en is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellante] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellante] heeft feitelijk weinig invloed gehad op het ontstaan van de schulden, hoewel deze wel deels samenhangen met de kosten die gemaakt moesten worden om naar Nederland te komen. Zij is evenwel gehuwd en zal aldus tezamen met haar echtgenoot, bij toewijzing, het schuldsaneringstraject doorlopen. [appellante] heeft na de bevalling van de tweeling ernstige bekken- en rugklachten ontwikkeld waardoor zij momenteel niet in staat is om te werken. Haar echtgenoot is altijd de kostwinner van het gezin geweest, reden waarom zij nimmer in Nederland heeft gewerkt en dit momenteel ook fysiek niet kan. De zorg voor de tweeling van 4 jaar is haar maximale belastbaarheid. Voor deze klachten slikt zij medicatie via haar huisarts. [appellante] komt samen met haar echtgenoot alle afspraken met hulpverlening goed na en zij leven van minimaal leefgeld per week. Dit gaat ze goed af nu zij alles in het werk wil stellen om de schulden zo spoedig mogelijk af te lossen.

3.6.

Hieraan is door en namens [appellante] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. [appellante] geeft desgevraagd aan dat zij in Azerbeidzjan met [partner van appellante] in het huwelijk getreden is en dit huwelijk later in Nederland is ingeschreven. Of zij in gemeenschap van goederen dan wel op huwelijkse voorwaarden is gehuwd weet zij niet meer. Zij zijn voorafgaande aan het huwelijk in Azerbeidzjan aldaar wel naar een notaris geweest. Voorts geeft [appellante] aan dat zij 8 september 2018 zal vernemen of haar verblijfsvergunning nogmaals wordt verlengd. Als dat het geval is zal het waarschijnlijk een verlenging voor een periode van vijf jaren betreffen. [appellante] stelt dat zij zowel in Azerbeidzjan als in Nederland nimmer gewerkt heeft. Op dit moment kampt zij met pijnklachten in rug en bekken, naar eigen inschatting ten gevolge van de ruggenprik bij de bevalling van haar tweeling. De neuroloog waarnaar zij door haar huisarts was verwezen heeft weliswaar verklaard dat er geen relatie tussen de klachten en de ruggenprik bestaat, maar zelf denkt [appellante] daar anders over. Zij is vervolgens door de neuroloog doorverwezen naar een fysiotherapeut, maar die heeft haar, omdat de klachten na behandeling volgens [appellante] niet verminderden, weer terug naar de neuroloog verwezen en thans is [appellante] in afwachting van een nieuwe oproep. [appellante] acht zichzelf thans niet in staat om te werken, maar wellicht ligt dat in de toekomst anders. Door de gemeente is [appellante] in het kader van haar uitkering in ieder geval voor zes maanden vrijgesteld van de sollicitatieplicht. Op 11 juli 2018 heeft de gemeente daarbij gerapporteerd dat zij waarschijnlijk niet in staat is om het minimumloon te gaan verdienen. Tot slot benadrukt [appellante] dat niet zij, maar uitsluitend [partner van appellante] verantwoordelijk is voor het ontstaan van de schulden en dat het slechts door haar huwelijk met hem ook haar schulden zijn geworden, althans dat ook zij nu voor deze schulden aansprakelijk is.

3.7.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.7.1.

Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub a Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar ten aanzien van het ontstaan of onbetaald laten van zijn schulden in de vijf jaar voorafgaand aan de dag waarop het verzoekschrift is ingediend te goeder trouw is geweest.

Hierbij gaat het om een gedragsmaatstaf die mede wordt gehanteerd om beoogd misbruik van de schuldsaneringsregeling tegen te gaan, waarbij de rechter met alle omstandigheden van het geval rekening kan houden. Daarbij spelen (onder meer) een rol de aard en de omvang van de vorderingen, het tijdstip waarop de schulden zijn ontstaan, de mate waarin de schuldenaar een verwijt kan worden gemaakt dat de schulden zijn ontstaan en/of onbetaald gelaten en het gedrag van de schuldenaar voor wat betreft zijn inspanningen de schulden te voldoen of acties zijnerzijds om verhaal door schuldeisers juist te frustreren. Ingevolge artikel 288 lid 1 aanhef en sub c Fw wordt het verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling slechts toegewezen indien voldoende aannemelijk is dat de schuldenaar de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen en zich zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven.

3.7.2.

Het hof stelt allereerst vast dat, zolang niet inzichtelijk is of [appellante] in gemeenschap van goederen dan wel op huwelijke voorwaarden met [partner van appellante] gehuwd is, de omvang van de schuldenlast van [appellante] niet valt vast te stellen. Stukken waaruit zulks zou kunnen worden herleid en welke ingevolge artikel 3.1.2.6. van het procesreglement verzoekschriftprocedures insolventiezaken rechtbanken bij het toelatingsverzoek gevoegd hadden dienen te worden zijn door [appellante] niet overgelegd. Voor de goede orde, indien zij en [partner van appellante] in gemeenschap van goederen gehuwd zijn is zij daardoor automatisch mede aansprakelijk voor de schulden van haar echtgenoot (artikel 1:94 lid 5 BW), indien zij en [partner van appellante] onder huwelijkse voorwaarden gehuwd zijn zou dit, in geval van externe werking, niet het geval kunnen zijn (artikel 1:114 e.v. BW). Daarbij merkt het hof nog op dat voor de verklaring ex artikel 284 Fw het sjabloon “in gemeenschap van goederen” is gebruikt, maar dat hierop bij burgerlijke staat “Gehuwd buiten iedere gemeenschap” staat ingevuld. Tot slot wisten [appellante] noch haar echtgenoot [partner van appellante] bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep desgevraagd de exacte aard van hun huwelijkse verbinding nader te duiden. Nu de aard en omvang van de schuld van [appellante] gelet op het vorengaande niet kan worden vastgesteld voldoet zij daarmee niet aan het in artikel 285 lid 1 sub a gestelde en kan het hof derhalve niet bepalen ten aanzien van welke schulden op de schuldenlijst ex artikel 285 Fw op de voet van artikel 288 lid 1 aanhef en sub b Fw getoetst dient te worden of [appellante] ten aanzien van het ontstaan en/of onbetaald laten hiervan steeds te goeder trouw is geweest. Het hof heeft bovendien vastgesteld dat de onderbouwing, al dan niet door middel van schriftelijke bewijsstukken, ten aanzien van een groot aantal schulden zoals vermeld op de verklaring ex art. 285 Fw ontbreekt zodat van deze schulden al überhaupt niet kan worden vastgesteld of deze te goeder trouw zijn ontstaan.

3.7.3.

Daar komt bij dat door [appellante] onvoldoende inzichtelijk en aansluitend onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat zij vanwege chronische rug- en bekkenklachten niet tot het verrichten van enige arbeid in staat moet worden geacht. [appellante] stelt pijnen te ervaren, maar het causaal verband dat zij daarbij zelf legt tussen deze pijnen en de ruggenprik welke haar bij de bevalling van haar tweeling is toegediend wordt door de neuroloog die haar heeft onderzocht niet onderschreven. Dat [appellante] op grond van de door haarzelf aangeven rug- en bekkenklachten door de gemeente Roermond in het kader van haar uitkering voorlopig voor de duur van zes maanden is vrijgesteld van haar sollicitatieverplichting maakt dit geenszins anders. Daarbij komt dat [appellante] ook gedurende de periode na haar komst naar Nederland in 2010 en voornoemde bevalling in 2014 ook geen enkele betaalde arbeid verricht heeft. Het hof is dan ook van oordeel dat niet zonder meer kan worden aangenomen -en het is dan ook niet aannemelijk gemaakt- dat [appellante] ten aanzien van het onbetaald laten van haar schulden volledig te goeder trouw kan worden geacht. Bovendien is niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal (gaan) nakomen en zich zal (gaan) inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven, nu zij zelf heeft aangegeven niet te zullen kunnen gaan werken, terwijl de daarvoor door haar aangevoerde medische beperkingen niet concreet zijn vastgesteld.

3.7.4.

Al hetgeen hiervoor is overwogen, zowel afzonderlijk als in onderlinge samenhang beschouwd, voert het hof dan ook tot de slotsom dat de rechtbank terecht en op goede gronden heeft geoordeeld dat het verzoek van [appellante] om te worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling moet worden afgewezen.

3.8.

Het vonnis waarvan beroep zal worden bekrachtigd.

4 De uitspraak

Het hof:

bekrachtigt het vonnis waarvan beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen. A.P. Zweers-van Vollenhoven en M. Pannevis en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2018.