Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3551

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
26-10-2018
Zaaknummer
17/00629
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Juiste tenaamstelling aanslagen watersysteemheffing. Terecht tarief voor natuurterrein toegepast. Geen strijd met artikel 1 EP bij het EVRM. Aanslagen zijn tijdig - binnen drie jaar na ontstaan belastingschuld - opgelegd (artikel 11, lid 3, AWR).

Wetsverwijzingen
Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden
Algemene wet inzake rijksbelastingen 11
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Viditax (FutD), 29-10-2018
V-N Vandaag 2018/2381
FutD 2018-2914
Belastingblad 2018/441
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Team belastingrecht

Meervoudige Belastingkamer

Kenmerk: 17/00629

Uitspraak op het hoger beroep van

de erven van [belanghebbende] ,

wonende te [woonplaats] ,

hierna: belanghebbenden,

tegen de uitspraak van de Rechtbank Oost-Brabant (hierna: de Rechtbank) van 17 juli 2017, nummers SHE 16/3905 en 16/3906 in het geding tussen

belanghebbenden,

en

de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking Oost-Brabant,

hierna: de Heffingsambtenaar,

betreffende de hierna te vermelden aanslagen Watersysteemheffing.

1 Ontstaan en loop van het geding

1.1.

Aan belanghebbenden zijn voor het jaar 2015 ten aan zien van de hierna te noemen percelen, gelegen te [plaats] , de volgende aanslagen Watersysteemheffing ongebouwd opgelegd:

- [aanslagnummer 1] , aanslagbedrag € 1,20;

- [aanslagnummer 2] , aanslagbedrag € 1,50;

- [aanslagnummer 3] , aanslagbedrag € 1,27;

- [aanslagnummer 4] , aanslagbedrag € 1,27,

totaalbedrag € 5,24.

Bij uitspraak op bezwaar heeft de Heffingsambtenaar de aanslagen gehandhaafd.

1.2.

Belanghebbenden zijn van deze uitspraak in beroep gekomen bij de Rechtbank. Ter zake van dit beroep heeft de griffier van de Rechtbank van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 46. De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

1.3.

Tegen deze uitspraak hebben belanghebbenden hoger beroep ingesteld bij het Hof.

Ter zake van dit beroep heeft de griffier van belanghebbenden een griffierecht geheven van € 124. De Heffingsambtenaar heeft een verweerschrift ingediend.

1.4.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 11 juli 2018 te ‘s-Hertogenbosch.

Aldaar zijn toen verschenen en gehoord namens belanghebbenden hun gemachtigde, [A] , en, namens de Heffingsambtenaar, [B] .

1.5.

Het Hof heeft aan het einde van de zitting het onderzoek gesloten.

2 Feiten

Op grond van de stukken van het geding en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het Hof komen vast te staan.

2.1.

Belanghebbenden zijn, als erfgenaam van [belanghebbende] , eigenaar van de percelen ten aanzien waarvan de aanslagen zijn opgelegd. [A] is door de andere erfgenamen gevolmachtigd en benoemd tot testamentair executeur.

3 Geschil, alsmede standpunten en conclusies van partijen

3.1.

Het geschil betreft het antwoord op de volgende vragen:

1. Is het hoor- en inzagerecht geschonden?

2. Zijn de aanslagen terecht aan belanghebbenden opgelegd en, zo ja, tot het juiste bedrag?

3. Is sprake van schending van het eigendomsrecht?

4. Is sprake van schending van het gelijkheidsbeginsel?

5. Zijn de aanslagen tijdig opgelegd?

Belanghebbenden zijn van mening dat de eerste, de derde en de vierde vraag bevestigend moeten worden beantwoord en de tweede en vijfde vraag ontkennend. De Heffingsambtenaar is de tegenovergestelde opvatting toegedaan.

3.2.

Partijen doen hun standpunten in hoger beroep steunen op de gronden die door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken.

3.3.

Belanghebbenden concluderen tot vernietiging van de uitspraak van de Rechtbank, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en vernietiging van de aanslagen. De Heffingsambtenaar concludeert tot bevestiging van de uitspraak van de Rechtbank.

4 Gronden

Ten aanzien van het geschil

Hoor- en inzagerecht

4.1.

In artikel 25, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (Awr) is bepaald dat de belanghebbende in afwijking van artikel 7:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt gehoord op zijn verzoek. Het Hof stelt vast dat belanghebbenden in het bezwaarschrift onder meer het volgende hebben geschreven: “Ik ben bereid om mijn bezwaren eventueel mondeling toe te lichten. Ik wil gehoord worden bij zitting en niet telefonisch (…).”

4.2.

Nu belanghebbenden hebben aangegeven ‘bereid’ te zijn ‘eventueel’ de bezwaren toe te lichten, heeft de heffingsambtenaar in het bezwaarschrift geen expliciet verzoek gezien van belanghebbenden om (in alle gevallen) te worden gehoord. Het Hof is evenwel van oordeel dat de eerste zin wellicht wat onduidelijk is geformuleerd, maar dat uit de tweede zin voldoende duidelijk blijkt dat belanghebbenden gehoord wilden worden. Omdat belanghebbenden niet zijn gehoord, is de hoorplicht geschonden. Het aan de hoorzitting gekoppelde inzagerecht (artikel 7:4, tweede lid, Awb) is daarom ook geschonden.

4.3.

Het Hof kan met toepassing van artikel 6:22 van de Awb aan dit vormverzuim voorbijgaan, mits belanghebbende daardoor niet is benadeeld. Partijen houdt verdeeld of belanghebbenden door de schending van de hoorplicht (en het inzagerecht) in hun belangen zijn geschaad, hetgeen belanghebbenden stellen en de Heffingsambtenaar weerspreekt.

4.4.Het hof stelt vast dat belanghebbenden hun bezwaren in beroep en in hoger beroep alsnog schriftelijk hebben kunnen uiteenzetten en mondeling hebben kunnen toelichten. De toelichting van belanghebbenden ter zitting bij het Hof en de gedingstukken laten bovendien geen andere conclusie toe dan dat belanghebbenden met de Heffingsambtenaar geen verschil van mening hebben over de van belang zijnde feiten en/of over de waardering daarvan. Gelet daarop is het Hof van oordeel dat belanghebbende niet is benadeeld en zal het Hof de uitspraak op bezwaar met toepassing van artikel 6:22 in stand laten. Er is dus ook geen aanleiding voor een terugwijzing naar de Heffingsambtenaar. Wel ziet het Hof aanleiding te bepalen dat het de Heffingsambtenaar het griffierecht dient te vergoeden.

Aanslagen

4.5.

Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder c, van de Verordening watersysteemheffing waterschap Aa en Maas (de Verordening) wordt de heffing geheven van hen die krachtens eigendom, bezit of beperkt recht het genot hebben van natuurterreinen in het gebied van het waterschap.

4.6.

Ingevolge artikel 2, derde lid, van de Verordening is heffingsplichtig in de zin van het tweede lid, onderdeel c, degene die bij het begin van het kalenderjaar als rechthebbende in de basisregistratie kadaster is vermeld, tenzij blijkt dat hij op dat tijdstip geen rechthebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht is.

4.7.

Ter zitting bij de Rechtbank heeft de Heffingsambtenaar desgevraagd onbetwist gesteld dat in het Kadaster [belanghebbende] nog steeds als eigenaar van de onderhavige percelen is geregistreerd. Omdat zij is overleden en nog geen verdeling heeft plaatsgevonden, is het Hof is van oordeel dat de aanslagen terecht aan de erfgenamen van [belanghebbende] zijn opgelegd.

4.8.

De Rechtbank heeft ten aanzien van het van toepassing zijnde tarief het volgende overwogen:

“13. Verweerder heeft in de in geding zijnde aanslagen het tarief voor ‘natuurterreinen’, zoals opgenomen in de van toepassing zijnde Verordening, gehanteerd. Eiser is het daarmee niet eens en wijst ter onderbouwing van zijn standpunt op een bestemmingsplanwijziging, die volgens eiser ten onrechte heeft plaatsgevonden en die inhield dat de betreffende percelen de bestemming ‘natuur’ hebben gekregen. Verweerder heeft ter zitting desgevraagd bevestigd dat de percelen in het kalenderjaar 2015 de bestemming ‘natuur’ hadden en dat verweerder om die reden het tarief voor ‘natuurterreinen’ heeft gehanteerd. Gelet op de bestemming van de percelen kan niet worden gezegd dat verweerder het verkeerde tarief heeft gehanteerd. Dat eiser het met het bestemmingsplan op dit punt niet eens is, doet daaraan niet af, nu de bestemming in het kader van de belastingheffing voor de heffingsambtenaar, maar ook voor de rechtbank in haar hoedanigheid van belastingrechter, een gegeven is.. (…)

4.9.

Het Hof acht deze overweging juist en maakt deze tot de zijne. Het Hof overweegt verder nog als volgt. Belanghebbenden hebben aangevoerd dat betreffende percelen ongevraagd door een ander in gebruik zijn genomen en dat door dit gebruik de waterhuishouding is verstoord, zodat geen exploitatie van grasteelt mogelijk is, hetgeen een inbreuk vormt op het eigendomsrecht, maar, zoals de Rechtbank terecht heeft overwogen, deze gronden vallen buiten de omvang van het geding. Voor zover belanghebbenden hebben betoogd dat deze percelen om deze reden niet in de heffing kunnen worden betrokken, volgt het Hof belanghebbenden hierin niet, reeds omdat de eigendomssituatie, zoals geregistreerd in het Kadaster, door dit gebruik niet is veranderd.

Dat vanwege een lager economisch rendement de percelen in 1994 voor een lager tarief zijn aangeslagen dan het destijds geldende tarief voor ‘ongebouwd’, zoals door belanghebbenden gesteld, leidt niet tot een ander oordeel, reeds omdat nu al het laagste tarief van toepassing is, namelijk het tarief voor natuurterreinen.

4.10.

Ingevolge artikel 13, eerste lid, van de Verordening wordt een aanslag die een bedrag van € 5,00 niet te boven gaat niet opgelegd. In dit geval betreft het een aanslag van € 5,24, zodat aan dit criterium niet voldaan, en terecht een aanslag is opgelegd. Ten aanzien van het betoog dat de oppervlaktegegevens van de percelen in het Kadaster niet juist zijn, overweegt het Hof dat het op de weg van belanghebbenden ligt om deze gegevens zo nodig te laten aanpassen. De Heffingsambtenaar mag uitgaan van de juistheid van deze gegevens.

Vraag 2 wordt bevestigend beantwoord.

Eigendomsrecht

4.11.

Belanghebbenden hebben gesteld dat het eigendomsrecht is geschonden doordat een watersysteemheffing wordt geheven, terwijl het door belanghebbende gewenste gebruik van de gronden niet meer mogelijk is, omdat de bestemming van de percelen is gewijzigd.

4.12.

Het Hof vat deze stelling op als een beroep op schending van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM. Vooropgesteld wordt dat het vaste rechtspraak is van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens dat belastingheffing is te beschouwen als aantasting van het eigendomsrecht in de zin van voornoemd artikel. Dat artikel houdt in dat elke inbreuk door de overheid op het ongestoorde genot van eigendom in overeenstemming met het nationale recht dient te zijn (lawfulness) en een legitiem doel van algemeen belang (legitimate aim) moet dienen. Bij de keuze van middelen om het algemeen belang te dienen komt de wetgever een zeer ruime beoordelingsmarge toe (an exceptionally wide margin of appreciation). De door dit artikel beoogde bescherming brengt mee dat een redelijke mate van evenredigheid moet bestaan tussen de gebruikte middelen en het doel dat ermee wordt nagestreefd. Dit vereist een redelijke en proportionele verhouding (fair balance) tussen het – legitieme – doel in het algemeen belang en de bescherming van individuele rechten en dat betrokkenen als gevolg daarvan niet worden getroffen met een individuele en buitensporige last (vgl. Hoge Raad 23 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2829). Indien een regeling op het niveau van de regelgeving niet in strijd is met de fair-balance-eis, kan van een individuele en buitensporige last bij een belastingplichtige alleen sprake zijn indien en voor zover deze last zich in diens geval sterker laat voelen dan in het algemeen. Dat kan zich alleen voordoen als een buitensporige last ontstaat als gevolg van bijzondere feiten of omstandigheden (vgl. Hoge Raad 2 juni 2017, ECLI:NL:HR:2017:964).

4.13.

Naar het oordeel van het Hof faalt het beroep op het eigendomsrecht. Dat van belanghebbenden wordt geheven, hangt samen met de keuze van de wetgever met betrekking tot de watersysteemheffing om te heffen van de eigenaar. Deze keuze is niet van redelijke grond ontbloot. Dat er bijzondere omstandigheden zijn die maken dat in het onderhavige geval niettemin wel sprake is van een individuele en buitensporige last, is niet aannemelijk gemaakt. Van een individuele en buitensporige last zal gelet op de hoogte van de onderhavige heffingen in beginsel geen sprake kunnen zijn. Dat de percelen van belanghebbenden in waarde zijn gedaald door de wijziging van het bestemmingsplan weegt - wat daar ook van zij - onvoldoende zwaar om tot een ander oordeel te komen.

Vraag 3 wordt ontkennend beantwoord.

Gelijkheidsbeginsel

4.14.

Belanghebbenden hebben, met verwijzing naar het perceel [nummer] , een beroep gedaan op het gelijkheidsbeginsel. Zij vragen zich af of ten aanzien van dit perceel wel rekening is gehouden met de verschillende bestemmingen, waardoor voor dit perceel verschillende tarieven gelden.

4.15

Van schending van het gelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur kan sprake zijn indien a) de Heffingsambtenaar een begunstigend beleid voert, b) ten aanzien van een (groep) belastingplichtige(n) sprake is van een oogmerk van begunstiging, of c) de zogenoemde meerderheidsregel is geschonden. Naar het oordeel van het Hof hebben belanghebbenden – op wie in dit opzicht de bewijslast rust – niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van een begunstigend beleid of een oogmerk van begunstiging en evenmin is gesteld of aannemelijk geworden dat sprake is van het achterwege blijven van een juiste wetstoepassing in de meerderheid van de met belanghebbende vergelijkbare gevallen (meerderheidsregel).

Vraag 4 wordt ontkennend beantwoord.

Tijdigheid aanslagen

4.16.

De Rechtbank heeft ten aanzien van bezwaar van belanghebbenden dat de aanslag te laat is opgelegd het volgende overwogen.

“12. Ingevolge artikel 11, derde lid, van de Awr is de inspecteur bevoegd tot drie jaar na het ontstaan van de belastingschuld aanslagen op te leggen. Deze bepaling is op de onderhavige belastingheffing van overeenkomstige toepassing. Uit artikel 2, derde lid, van de Verordening volgt dat de heffingsplicht aan het begin van het kalenderjaar ontstaat. Aangezien de onderhavige aanslagen betrekking hebben op het kalenderjaar 2015, is de belastingschuld op 1 januari 2015 ontstaan en kon de heffingsambtenaar tot uiterlijk 1 januari 2018 tot oplegging van de aanslagen overgaan. De rechtbank oordeelt dat de heffingsambtenaar op 30 juni 2016 dus bevoegd was de onderhavige aanslagen op te leggen en dat van een te late belastingheffing, zoals door eiser betoogd, geen sprake is. De beroepsgrond faalt.”

4.17.

Het Hof acht deze overweging juist en maakt deze tot de zijne. Vraag 5 dient bevestigend te worden beantwoord.

Ten aanzien van het griffierecht

4.18.

Het Hof ziet aanleiding om te bepalen dat de Heffingsambtenaar aan belanghebbenden het door hen betaalde griffierecht in beroep en in hoger beroep vergoedt.

Ten aanzien van de proceskosten

4.19.

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

Slotsom

4.20.

De slotsom is dat het hoger beroep ongegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank dient te worden bevestigd.

5 Beslissing

Het Hof

  • -

    verklaart het hoger beroep ongegrond, en

  • -

    bevestigt de uitspraak van de Rechtbank;

  • -

    bepaalt dat de Heffingsambtenaar het door belanghebbenden betaalde griffierecht in beroep en hoger beroep ad € 170 (€ 46 en € 124) vergoedt.

Aldus gedaan op 23 augustus 2018 Door L.B.M. Klein Tank, voorzitter, M. Harthoorn en H.J. Cosijn, in tegenwoordigheid van E.A.J. Vermunt, griffier. De beslissing is op die datum ter openbare zitting uitgesproken en afschriften van de uitspraak zijn op die datum aangetekend aan partijen verzonden. De uitspraak is alleen ondertekend door de voorzitter. De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

Het aanwenden van een rechtsmiddel:

Tegen deze uitspraak kunnen beide partijen binnen zes weken na de verzenddatum beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen.

  1. Bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

  2. Het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

  1. de naam en het adres van de indiener;

  2. een dagtekening;

  3. een omschrijving van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is gericht;

  4. e gronden van het beroep in cassatie.

Voor het instellen van beroep in cassatie is griffierecht verschuldigd. Na het instellen van beroep in cassatie ontvangt de indiener een nota griffierecht van de griffier van de Hoge Raad.

In het cassatieberoepschrift kan de Hoge Raad verzocht worden om de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.