Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSHE:2018:3550

Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Datum uitspraak
23-08-2018
Datum publicatie
25-09-2018
Zaaknummer
200.242.044_01
Rechtsgebieden
Burgerlijk procesrecht
Insolventierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Saniet is niet-ontvankelijk in het hoger beroep nu het beroepschrift geen beroepsgronden bevat die aan de daaraan te stellen vereisten voldoen. Weliswaar wordt wel aangegeven tegen welke oordelen van de rechtbank het beroep zich richt, maar in het beroepschrift ontbreekt iedere feitelijke inhoudelijke onderbouwing van de grieven. Ingevolge het bepaalde in artikel 359 Rv dient het beroepschrift de gronden te bevatten waarop het hoger beroep rust.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 359
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ’s-HERTOGENBOSCH

Afdeling civiel recht

Uitspraak : 23 augustus 2018

Zaaknummer : 200.242.044/01

Zaaknummer eerste aanleg : C/03/15/514 R

in de zaak in hoger beroep van:

[appellant] ,

wonende te [woonplaats] ,

appellant,

hierna te noemen: [appellant] ,

advocaat: mr. S.M. Diekstra te Leiden.

1 Het geding in eerste aanleg

Het hof verwijst naar het vonnis van de rechtbank Limburg, zittingsplaats Roermond, van 26 juni 2018.

2 Het geding in hoger beroep

2.1.

Bij beroepschrift met producties, ingekomen ter griffie op 4 juli 2018, heeft [appellant] het hof verzocht voormeld vonnis te vernietigen en het verzoek tussentijdse beëindiging af te wijzen, althans de schuldsaneringsregeling te verlengen voor zover dat opportuun en nodig moge zijn.

2.2.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 15 augustus 2018. Bij die gelegenheid zijn gehoord:

- mr. J.M. Tason Avila, waarnemend voor haar kantoorgenoot mr. Diekstra,

  • -

    mevrouw [bewindvoerder] , hierna te noemen: de bewindvoerder,

  • -

    de heer [beschermingsbewindvoerder] in zijn hoedanigheid van informant, hierna te noemen: de

beschermingsbewindvoerder.

- [appellant] is, met bericht van (de reden voor) verhindering ter zitting door de advocaat, niet ter zitting in hoger beroep verschenen.

2.3.

Het hof heeft voorts kennisgenomen van de inhoud van:

- de processen-verbaal van de mondelinge behandeling in eerste aanleg d.d. 15 maart 2018 en 21 juni 2018 ;

  • -

    de indieningsformulieren met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 3 augustus 2018 en 10 augustus 2018;

  • -

    twee brieven met bijlagen van de advocaat van [appellant] d.d. 13 augustus 2018;

- de brief met bijlagen van de bewindvoerder d.d. 12 juli 2018.

3 De beoordeling

3.1.

Ter terechtzitting en uit de stukken is gebleken dat over de goederen die aan [appellant] als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren een bewind is ingesteld als bedoeld in artikel 1:431 lid 1 BW. Uit zijn uitlatingen zoals bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep gedaan blijkt dat de beschermingsbewindvoerder bekend is met het hoger beroep dat [appellant] heeft ingesteld en in het kader daarvan in de gelegenheid is gesteld, van welke gelegenheid hij in appel ook gebruik heeft gemaakt, om zijn visie over dit hoger beroep te geven (vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010).

3.2.

Bij vonnis van 6 juli 2015 is ten aanzien van [appellant] de toepassing van de schuldsaneringsregeling uitgesproken.

3.3.

Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank op de voet van artikel 354 lid 1 Faillissementswet (Fw) bij wijze van eindoordeel in verband met het verstrijken van de looptijd van de schuldsaneringsregeling, geoordeeld dat [appellant] toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. De rechtbank heeft daarbij geen toepassing gegeven aan artikel 354 lid 2 Fw, zodat op grond van artikel 358 lid 2 Fw aan [appellant] geen “schone lei” is verleend.

3.4.

De rechtbank heeft dit, zakelijk weergegeven, als volgt gemotiveerd:

“2.4. De rechtbank stelt voorop dat de schuldenaar op de hoogte is van de regels zoals die gelden in de schuldsaneringsregeling. De schuldenaar heeft namelijk bij de toelating tot de schuldsaneringsregeling een formulier met de regels daarvan ondertekend. Daarnaast is de schuldenaar door zowel de rechter-commissaris als de rechtbank gewaarschuwd op de diverse zittingen die er zijn geweest. De volgende zittingen hebben plaatsgevonden.

  • -

    Een verhoor bij de rechter-commissaris op 14 juli 2016.

  • -

    Een zitting tussentijdse beëindiging bij de rechtbank op 13 april 2017. De rechtbank heeft de beëindiging destijds afgewezen (vonnis 26 april 2017) om de schuldenaar in de gelegenheid te stellen verbetering aan te brengen in de informatie- en sollicitatieplicht.

  • -

    Wederom een zitting tussentijdse beëindiging bij de rechtbank op 15 maart 2018. De rechtbank heeft de beoordeling aangehouden tot de behandeling van de reguliere beëindiging van de schuldsaneringsregeling. De rechtbank heeft de schuldenaar ruimte geboden zijn arbeidsgeschiktheid in beeld te brengen en alle stukken daarover naar de bewindvoerder op te sturen.

2.5.

De rechtbank merkt op dat vooral na haar vonnis van 26 april 2017 en de zitting van 15 maart 2018 het belang van de nakoming van de verplichtingen duidelijk had moeten zijn voor de schuldenaar. De rechtbank heeft de schuldenaar in haar vonnis van 26 april 2017 nadrukkelijk gewezen op een allerlaatste kans en het risico van een (tussentijdse) beëindiging zonder de zogenaamde schone lei in het geval de verplichtingen niet worden nagekomen. Deze allerlaatste kans heeft de schuldenaar niet gegrepen. Ten slotte heeft ook de laatste zitting van 15 maart 2018 niet tot enige resultaat geleid. Sterker nog, de bewindvoerder heeft daarna niets meer vernomen van de schuldenaar. Daar komt bij dat sprake is van een verslaving en de schuldenaar zich desondanks aan alle hulpverlening heeft onttrokken. Naar het oordeel van de rechtbank getuigt dit gedrag van de schuldenaar niet van een saneringsgezinde houding.

2.6.

Voorts wist de schuldenaar, althans behoorde te weten, dat een schuldenaar, om aan de sollicitatieverplichting te voldoen, maandelijks tenminste vier sollicitaties dient te verrichten en kopieën daarvan aan de bewindvoerder dient te versturen. De schuldenaar heeft echter slechts een enkele keer bewijsstukken van sollicitaties overgelegd aan de bewindvoerder. Het is dan ook niet aannemelijk geworden dat de schuldenaar in voldoende mate heeft gesolliciteerd. Bovendien is onvoldoende aannemelijk geworden dat de schuldenaar (volledig) arbeidsongeschikt moet worden geacht, nu niet is gebleken dat de schuldenaar de bewindvoerder van medische informatie heeft voorzien waaruit die arbeidsongeschiktheid kan worden afgeleid.”

3.5.

[appellant] kan zich met deze beslissing niet verenigen en hij is hiervan in hoger beroep gekomen. [appellant] heeft in het beroepschrift - zakelijk weergegeven - het volgende aangevoerd. [appellant] stelt dat hij wel degelijk een saneringsgezinde houding heeft. Hij stelt dit nog nader toe te zullen lichten alsmede uit te leggen waarom alles gelopen is zoals het gelopen is. Hij geeft aan alles op alles te willen zetten om de schuldsaneringsregeling alsnog tot een succes te maken. [appellant] stelt dat voor zover er al sprake is van een tekortkoming in de informatieplicht hij alsnog alles op alles zal zetten om deze zo spoedig mogelijk te herstellen en dat voor zover er sprake is van een tekortkoming in de nakoming van de inspannings- en sollicitatieplicht hierin bepaalde persoonlijke omstandigheden bepalend zijn geweest die hem niet (volledig) toe te rekenen zijn.

3.6.

Hieraan is namens [appellant] ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De advocaat van [appellant] benadrukt dat laatstgenoemde zichzelf wel saneringsgezind en gemotiveerd acht. Hij heeft zijn best gedaan om aan zijn sollicitatieverplichting te voldoen, maar vanwege allerlei persoonlijke omstandigheden is dit op enig moment niet meer gelukt. Voorts heeft [appellant] aan zijn advocaat medegedeeld dat hij alle noodzakelijke informatie(bescheiden) steeds tijdig aan zijn beschermingsbewindvoerder heeft doen toekomen, die op zijn beurt weer voor doorzending aan de bewindvoerder zou hebben zorggedragen. Ook is [appellant] van mening dat het, nu hij hulp heeft, beter gaat met zijn alcoholverslaving. Zijn gezondheid is, mede vanwege een tweetal tia’s, echter niet optimaal. Hij is desondanks van goede wil, erkent wel dat er bepaalde zaken niet goed zijn verlopen en derhalve ook bereid om een verlenging van de looptijd van zijn schuldsaneringsregeling te accepteren.

3.7.

De bewindvoerder heeft bij brief van 12 juli 2018 een afschrift van het sjabloon tot beëindiging van de schuldsaneringsregeling, een afschrift van het eindverslag alsmede een afschrift van het eindvonnis overgelegd.

3.8.

Hieraan is door de bewindvoerder ter zitting in hoger beroep - zakelijk weergegeven - het volgende toegevoegd. De bewindvoerder memoreert dat dit inmiddels de vijfde zitting in deze schuldsaneringsregeling is. Ondanks herhaalde waarschuwingen blijft de sollicitatieplicht een groot probleem, omgerekend heeft [appellant] gedurende het verloop van zijn schuldsaneringsregeling gemiddeld slechts éénmaal per maand aantoonbaar gesolliciteerd. Onder andere vanwege de nog immer actuele alcoholproblematiek en een tweetal taakstraffen welke [appellant] gedurende het verloop van zijn schuldsaneringsregeling heeft moeten vervullen acht de bewindvoerder het thans ook niet het juiste tijdstip voor een schuldsaneringsregeling. Een dergelijke regeling dient volgens haar een sluitstuk te zijn na een periode waarin eerst allerlei aan het ontstaan van de schulden ten grondslag liggende problematiek wordt opgelost. [appellant] zit echter nog volop in een dergelijke probleemfase. Tot slot geeft de bewindvoerder aan dat zij niet bekend is met het feit dat er vanwege het bij herhaling zwartrijden van [appellant] en het vervolgens niet voldoen van de daaruit voortvloeiende boetes weer nieuwe schulden aan het ontstaan zijn, zoals door de beschermingsbewindvoerder bij gelegenheid van de mondelinge behandeling in hoger beroep is aangegeven.

3.9.

De beschermingsbewindvoerder heeft ter zitting in hoger beroep – zakelijk weergegeven – desgevraagd het volgende aangevoerd. Het beschermingsbewind verloopt moeizaam, [appellant] vraagt bij voortduring om extra geld wat er, nadat de vaste lasten zijn voldaan, niet meer is. Ook ervaart de beschermingsbewindvoerder problemen ten aanzien van het in contact komen met [appellant] , zo heeft hij al tot tweemaal toe [appellant] na een gemaakte afspraak niet thuis aangetroffen. De beschermingsbewindvoerder geeft tot slot aan dat [appellant] bij herhaling is bekeurd voor zwartrijden maar dat de boetes hiervoor niet kunnen worden betaald zodat deze nieuwe schuld ook in hoog tempo oploopt.

3.10.

Het hof komt tot de volgende beoordeling.

3.10.1.

Bij het einde van de termijn gedurende welke de toepassing van de schuldsaneringsregeling van kracht is, dient op de voet van artikel 354 lid 1 Fw te worden vastgesteld of de schuldenaar toerekenbaar is tekortgeschoten in de nakoming van één of meer uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen. Bij deze vaststelling geldt als maatstaf of een tekortkoming, in het licht van alle omstandigheden van het geval, een duidelijke aanwijzing vormt dat het bij de schuldenaar aan de van hem te vergen medewerking aan een doeltreffende uitvoering van de schuldsaneringsregeling heeft ontbroken. Ingevolge artikel 354 lid 2 Fw dient de rechter voorts na te gaan of er aanleiding bestaat om te bepalen dat een tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis buiten beschouwing blijft.

3.10.2.

Allereerst dient evenwel te worden beoordeeld of [appellant] ontvankelijk is in het door hem ingestelde hoger beroep. Het hof oordeelt daaromtrent als volgt. Het vonnis waarvan beroep is gewezen op 26 juni 2018, zodat het beroepschrift, dat ter griffie is binnengekomen op 4 juli 2018, binnen de appeltermijn van acht dagen is ontvangen. Dit beroepschrift bevat geen beroepsgronden die aan de daaraan te stellen vereisten voldoen. Weliswaar wordt wel aangegeven tegen welke oordelen van de rechtbank het beroep zich richt, maar in het beroepschrift ontbreekt iedere feitelijke inhoudelijke onderbouwing van de grieven. Ingevolge het bepaalde in art. 359 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) dient het beroepschrift de gronden te bevatten waarop het hoger beroep rust. Volgens vaste jurisprudentie kan, indien sprake is van een korte appeltermijn en het nog niet beschikbaar zijn van het vonnis waarvan beroep, worden volstaan met een “blanco” beroepschrift (zonder vermelding van de beroepsgronden). In onderhavige zaak was het vonnis waarvan beroep echter wel tijdig beschikbaar, een afschrift hiervan was immers door de advocaat van [appellant] aan het beroepschrift gehecht.

3.10.3.

Namens [appellant] zijn voorts geen omstandigheden gesteld noch zijn deze gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat een eerdere indiening dan wel uiteenzetting van de gronden waarop het hoger beroep rust door of namens [appellant] onmogelijk was.

3.10.4.

Gelet op het voorgaande komt het hof, nu het beroepschrift geen inhoudelijke beroepsgronden bevat, dan ook tot een (ambtshalve) niet-ontvankelijk verklaring van [appellant] in het door hem ingestelde hoger beroep.

3.11.

Het hof merkt nog wel op, en gelet op het voorgaande ten overvloede, dat ook indien [appellant] wel ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep zou zijn geweest zijn beroep zou zijn afgewezen en overweegt daartoe, in het kort, als volgt. Ondanks herhaalde verhoren door de rechter-commissaris, veelvuldige waarschuwingen en aansporingen van zijn bewindvoerder, meerdere extra geboden kansen en de aanwezigheid van een beschermingsbewindvoerder komt [appellant] de voor hem uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen, en dan met name de sollicitatie- en (spontane) informatieplicht, nog steeds niet naar behoren, feitelijk nagenoeg in het geheel niet, na. [appellant] solliciteert nog steeds niet voldoende aantoonbaar, hetgeen hij zelf ook erkent, en heeft daarnaast de bewindvoerder sinds maart 2018 in het geheel niet meer (spontaan) geïnformeerd terwijl daar, onder andere gelet op de nieuwe schulden als gevolg van het zwartrijden, wel alle aanleiding toe bestond. Daarnaast heeft [appellant] verzuimd de bewindvoerder tijdig en volledig te informeren met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden welke hem naar eigen zeggen beletten om de sollicitatieplicht naar behoren na te komen. Daarbij is het hof bovendien van oordeel dat niet is gebleken dat de geconstateerde tekortkomingen [appellant] niet kunnen worden toegerekend als bedoeld in artikel 354 lid 1 Fw noch dat er sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 354 lid 2 Fw. Daar komt nog bij dat [appellant] , klaarblijkelijk vanwege het feit dat de te maken reiskosten bij aankomst op het treinstation hoger bleken dan aanvankelijk door hem waren begroot en hij het verschil niet terstond kon bijleggen, ter zitting in hoger beroep niet is verschenen en derhalve geen gebruik heeft gemaakt van de geboden gelegenheid een (persoonlijke) toelichting te geven op het door hem in hoger beroep gedane verzoek tot het alsnog verkrijgen van een schone lei dan wel voortzetting van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. Naar het oordeel van het hof zou ook dit gegeven in geval van een ontvankelijk voor rekening en risico van [appellant] dienen te komen.

Onder de omstandigheden van onderhavige zaak zou het hof geen aanleiding hebben gezien voor een verlenging.

4 De uitspraak

Het hof:

verklaart [appellant] niet-ontvankelijk in het door hem ingestelde hoger beroep.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.M.A.M. Venhuizen, A.P. Zweers-van Vollenhoven en M. Pannevis en in het openbaar uitgesproken op 23 augustus 2018.